(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "New dictionary of the English and Dutch language; to which is added a catalogue of the most usual proper names, and a list of the irregular verbs; carefully revised and considerably augmented"

NIEUW / 

^OORDENBOEK. 

DER 

NEDERDUITSGHE en ENGELSCHE 
TAAL; 

WAARBZJ GEVOBGD ZZJN : 

LUSTfiN DER MEEST GEBRUIKELIJKE EIGEX^AMEN EN I)ER ONRE- 
GELMATIGE EN 0SGELIJKVL0E1JE!^DE WERKWOORDEN. 

OP MEUW BEWERKT EN AANZIENLIJK VERMEERDERD 

DOOR 

»• BOmrHOfii'F, lllzn« 

II. OEEL. 



NEDERDUITSCH-ENGELSCII. 



VIERDE UITGAVJ::. 



GEDRUKT EN UITGEGEVEN BIJ 

J. R T HIE ME, TE NIJMEGEN. 
1851. 



VOORBERIGT. 

Het eerste deel van dit Woordenbcx^ werd voor eenige jaren begon- 
nen, doch niet voltooid, door een uitstekend Taalgeleerde , aan wien 
ik, behalve mijne eerste kennis dor Engelsche taal, veel te danken 
heb. Zeer vereerend was voor mij het aanzoek van den Uitgever, om 
de onafgewerkte taak te vervolgen en het ontbrekende te bearbeiden. 
Met huivering nam ik de pen op en trachtte, zoo veel mogelijk, het 
door den ontwerper ingeslagen spoor te volgen. Ik was daartoe te 
eerder in staat, dewijl ik, meermalen zelfs onder het oogdesSchrij vers, 
de proeven nazag, en daardoor als het ware in den geest van het oor- 
spronkelijke plan indrong. In hoe verre ik in mijne poging geslaagd 
ben , laat ik aan het oordeel van bevoegden over. 

Gaarne hadde ik gezien , dat dit deel spoediger op' het eerste gevolgd 
ware : doch onderscheidene omstandigheden, voor het publiek van geen 
belang, hebben dit verhinderd. Het werk heeft hierbij echter niet wei^ 
nig in bruikbaarheid gewonnen , dewijl de kopie gedurende verscheidene 
jaren dagelijks verbeterd en aangevuld werd. 

Omtrent den punt moet ik mij nog verantwoorden bij hen, die zich 
over de buitengewone dikte van dit deel verwonderen mogten. Daar 
dit WobTdenboek meer bepaaldelijk voor Nederlanders bestemd is , moes* 
ten de beteekcnissen der Nederduitsche woorden meestal verklaard wop- 
den, indien de gebruiker niet bijna elk oogenblik in de keus der woor- 
den zou mistasten. Dit is bij het andere deel minder te vreezen, daar 
de leerling mag voorondersteld worden, zijne moedertaal genoegzaam 
raagtig te zijn , om geen gevaar te loopen van eene mistasting in de 
beteekcnissen. — Eene tweede reden is, dat in dit deel, meer dan in 
het eerste, de samengestelde weordenopgenomen werden;eniederweet, 
hoe rijk onze moedertaal hierin is. 

Dat dit werk aan velen bij het aanleeren der zoo voortreffelijke zns^ 
tertaal van nut moge zyn. D. BOJMHOFF, Ha. 



VOORBERIGT VOOR DEZEN NIEUWEN DRUK. 

Ook dit deel is met de uiterste zorg nagezien en met eene reeks van 
woorden en beteekcnissen vermeerderd, welke in den eersten dnik 
ontbraken. 

z u T P H E X , 

Januarij, 1851. D. BOMHOFF. Ifo. 






AANWIJZING 



DER 



VERKORTINGEN. 



S2^^s 



hv, hcteckenl bijvoegelijk naamwoord. , 

bw. n Lijwoortl. 

L \i\ ff bedrijvond (onvergankclijk) werkwoorJ. 

fig, a Cguuriijk. 

iron, a boerlcnd. 

lidw. » lidwoord. 

in, a mannclijk (zelfslandig naarawoord). 

NB. a nota bene (let wel). 

rce.. n naamval. 

a • a oiizijdig (zelfslandig naamwoord). 

Ok w> B onzijdig (niet ouvergankelijk) werkwoord. 

pers. ti persoou, persooulijL 

sprw. *! spreekwoord. 

t dw. n tegenvvoordig declwoord. 

telw. B telwoord. 

Uisschenvv. o tusschenwerpsel. 

V, dw. a verleden deelwoord. 

voorn, a voornaamwoorcL 

Toorz. tf voorzetsel. 

V0& * 9 voorzetsel onscheidbaar. 

T& o voorzetsel scheidbaar. 

vr. 9 vrouwelijk (zelCstandig naamwoord^ 

V. t o verleden tijd. 

* o afwijkende beteekenis. 

— , a staat in plaats van het woord, dat aan hot hoofd 
des artikels voorkomt. 




A,9 



A, vr. ^; sprw. Eene zaak van — tot Z 
verba'ien , to Tell a case jrom one end to 
tlie other; Ilij kent geene — voor eene 
B , lie knows not — from B , II is a 
mere ignoramus ; Heb ik — gezegd , zoo 
moet ik ook B zeggen , Now the ale is 
drawn y it must be drunk ; Wie — zegt, 
moet ook 13 zeggen. Whoever sets up 
for a thing , must stand the consequences. 

AafscU, bv. als: Aafsche screken , 5/;-//- 
fh'ng tricks , Artful or Crafty doings , 
Artifices. 

Aasschbands, bw. With the back of the - 
hand; fig. Awkv.'ardly, 

Aagc , vr. , Aagiappel , Aagtjesappel , m. 
Shnrtshank apple. 

Aak, m. a kind of flat-bottomed boat used 
on the Rhine. ^ — , in hec algem. boox , 
Boat. 

Aakse, vr. Axe ^ Hatchet. 

Aakster, zie Ekscer'. 

Aal, m. bekende visch. Eel ;Een groote 
— , A large eel; Een — van middelbare 
grootte, A scciffling ; Een kleine — , A 
grig; Een groote — om te.braden, zie 
liraadaal; Een' — stukswijze brad^n , to 
Spitchcock an eel; fig. Een' gladden — 
bij den scaart hebhen , to Have a wet 
eel by the tail, to Stand tipon a slippery 
ground; Ilij is zoo glad , als een — , 
He is as bare as a bird''s tail ; ook : He 
has always a hole to creep out at. He 
slips through onc'^s fingers. 

A al , m. zekere drank , zie Eel. 

Aa'.bes, \v. Currant; 'Koodc — \ Redcur- 
rant; Wicte — , White currant. * — , 
inzond. , Black current. 

Aalbessenboom , m. Currant-tree. 

Aalbcssengelei, vr. Currant-felly. 

Aalbessennac, o. Currant-juice. 

Aalbessenrist , vr. Bunch of currants. 

Aalbesseusap, Aalbesseuiop , zie Aalbes- 
scnr'ac. 

Aalbessenstrnik , m. Currant-bush. 
ilOLL. ENG. WOORD. 



AALB 

Aalbessenwijn , r.i. Currant-wine. 
Aalbezie , zie A^ibes. 
Aalbezienbcom , zie Aalbessenboom. 
Aalbeziengelei , zie Aalbessengelei. 
Aalbeziennat , zie Aalbessennac. 
Aalbezienrisc , zie Aalbessenrist. 
Aalbeiensp , zie A iljiji3;i sap. 
Aalbeiensop, zie Aalbessensop. 
Aalbeienstruik , zie: Aalbessenstrnik, 
Aalbeienwijn, zie Aalbessenwija, 
Aalboer, ra. Eel-man. 
A&ifuik, vr. Eel-net^ zie Fuik. 
Aalgeer, zie Elger. 
Aalijzer, o. , zie Aalschaar. 
Aalkaar, vr. Eeltruuk ^ Eel-pond. 
Aalkorf, m. teeneu fuik , PFeel , Osic 

fishing-net, 

Aalmaal , o. Eel-meal, 
Aalmoes , o. Eel soup. 
Aalmoes, vr. Alms, Charity; leman 

eene — geven , to Bestmv a char 

ty upon one; leniandom eene — vragei 

aansprekeij , to Beg a charity of one 

Aalmoezcni inzamelen , to Collect ch, 

rities. 
Aalraoezenier, m. Almoner.^ (jrionei 
Aalmoezenierschap , o. Office of an a ■ 
Aalmoezeniersbuis, o. Ahnshouse , A 

monry , Hospital for the poor and infirn 

orplians , etc. 
Aalmoezenierskind , o.Ch.trity-chi/d, Che 

rity-hoy , Charity-girl. 
Aaloud , zie Aloud. 
Aaloudbeid, zie Aloudbeid. 
Aalpastei , vr. Eel-pie. 
Aalrijk, bv. Abounding with eeJs, 
Aalschaar, vr. , zie Elger. 
Aalshuid , vr. EePs skin, 
Aalskop , m. Head of an eel. 
AaUoep , vr. Eel-soup. 
Aalspeer , vr. , zie Elger. 
Aalsiecp , m. Fnh-line. 
Aalsteek, m. hec sicken van aal, Snii 

gliig for ids, * — , luL le^: om aai i 
1 



2 A ATS 

grci .., Right of snigglii.g for eeU. 

/insr.' kcr, m. One that migglcs for eeh:; 
}l)i is cen eersie — , lie is very expert 
in'sniggliiig' * — , zie Elgcr. 

Aalsvcl , o. , zie Aalshuid ; fig. Een koop- 
man in aalsvellen, A dealer in three- 
penny wares. 

AaUolletje, o. fTJiirl-botje, Tottim, 

Aalvijvtr, ra. Eel-pond. 

;\.ilviouw, vr. , Aah\ Hf, o. Eel-^vomau. 

Arm, o. AwTKC ^ zia Awme in hecaiidere 
<'cel. 

Aftmborstig , bv. Asthmatic, Asthmati- 
cal , Short-breathed, 

A-^.mborscigheid, vr. Asthma, Shortness 
oj' bnath, 

A;\mcchtig, bv. Out of breath, 

Aamechtighcid, vr. Being out of breath. 

Aftintogi , zie Ademtogt. 

Aaa , voorz. den oveigang eeiier bezit- 
ting p.anduidcndc of dtn 3. naaujval vcr- 
vangcpde , To ; Ik zond bet — niijn' 
vric (1 , I sent it to my fiend; vaD 
d.ar: Het is — u te spelcn, (de beun 
om te sptlen is— u gc'a>ir'-t) , ) It i: 
your turn tn play. *— , de plaatc van 
oiK^erscheidciie andcre voorzeisclj, ver- 
vain eiide, 2ls: — (tegcn) den luuiir , 
Against the 'wall; — (bij) het venster, 
At the window .^ Near the window; — 
r nabij ) de kerk , Near the church; — 
(naa!-t) mijne zV}^c, Next ionryside:-^ 
("op) alle pUa'.scn ^ On all filaces , Eve- 
rywhere; — (toe) nialkander, To one 
another ; — ( in") stiikkcn , To pieces , In 
pieces ;, Een stuiscr — (in, b(-staande 
in) duiten, A stiver of doits; Eenc ion 
gouds — juweclen, A hundred tJiousand 
guilders wurth of jewels; Gccq herod — 
^op of om) bet lijf. No shirt upon (^or 
about') cne'^s body; Een ring — den vin- 
{zer, A ring at or on one'^s fwger; — 
(met of bij J dc bandlciden, toLe.ulhy 
the hand; — (naar) bcord gaan,,/<> Go 
en board ; — (binnen) boordzijn , to Be 
on board (abcnrd^; Is e: i,og helpen— ? 
(voor?) Is there any remedy for it stilt? 
* — , met de onbep. w. van werkw. , 
zclfsc. gcbr. , even als het Engelscbe 
on, o\ (door verloop der uitspraak 
nieest a gescbreven ,) met bet tegenvv. 
deelw. , als: Zij zijn — het wandelen , 
TJiev are a walking, (be:er: They are 
^ aikiug ,) — het spelen , — bet werken, 
L uz. A playing , A working , etc, ; ( ook: 
— liet spel, — het werk, enz.^; van 

daar: — het werk gr.an , to Set to work; 



en: Erpens — zijn, to Be bti'y with a 
thing, * — , bij verkort. van een zanieii- 
gest. werkw. , als : De scluiit is — ,(aan- 
gckotnen ,) The boat is arrived ; De dciif 
was— , (aangezet, aangesnooren ,) The 
door was upon a /.ir ; I let vmir was — , 
(aangtmaakt , aangesiokcn ,) The fire 
was lighted; Ilcbc gij er da: nog niec 
— (aa:v:,'evoegd , ar-ngezet , aangelaschr, 
aangeojaakt, anz.')^ Have not you joined 
that /o//^«/? ♦ — ,00k ovcrtollig, als: 
Boven — , At the upper end; Van den 
bcginne af — , (beter: Van den bcginne 
af, oi': \a\\ den beginne — ,) From lue 
beginning. Aanm. In zamenst. met 
werkw. is het aliyd scheidbaar, uirge- 
zondcrd in de woordcn : Acnbidden, Aan- 
schouwen en Aanvuarden{^z\c <icze woor- 
dcn). De beteekenissen , wa.'rin het dan 
voorUonit , zijn: x.)ecne nahijheid : Aan- 
greiizen, Aanpalcn, to Border upon ;2.^ 
eenc toenadering: Ik zie ben aankcmcn, 
I sec them coming hither{ this way) ,'3.) 
eenc rigiing c. ^^ens been : Teg'en den 
muiir aanlooper, , to Run against the 
wall; U'm9iw. T.\\.spTcken , to Accost one; 
4.) eenc bepaakic bctrekk. tot icis of 
ieroand : lemainl iets aanzeggen , to In- 
timate a thing to one; Aanschrijven , /a 
Put to one^s account; 5.) cen krrt ver- 
tocvcn : Bij ieman'l aangaan , to Cull upon 
one; 6.) cen begin: Het vuur aanmaken, 
to Light the fire; Ecu' lofzang aanhef- 
fen, to Begin or Intonate a hymn ; Een 
aitibt aanvaarden , to Enter upon an of 
fiff ; 7.) ccne vordcrinp, tocneming, 
"i-cren, to 3Iake progress in 
of n thing ^ to bnprove ; 
to Alluviate; 8.) ccne za- 
i...ukc'ppc;.:Tg of verceniging : Aanbcch- 
fcn , to Join; 9.) het verneft de beiee- 
kenis van het werkw. tot een' sterke- 
rcn trap, als: Aa prijzen , to Re< om^ 
mend; Aantasteu , to Attack; Een' 
knoop aanhakn, to Pull a knot tighter; 
10.) het wordt ock somiijds ovcrcollig 
gebruikt, als: Aanbelangen ,(belangen,^ 
to Concern; Aanbehooren, (behooren,) 
;/? Belong. Zie verder de zameogescelde 
werkwoorden. 

Aanaarden, b. w. vs. to Blake the earth 
higher round (rt thing"), 

Aanudcnicn , b, w. vs. by goudsm. , t 
Breathe upon, 

Aanarbeiden, o. w. , zie Aanwerken. 

Aanbad, v. t., zie Aanbidden. 

AaubaiTen, b. w. vs. to Bark at. 



AANB 

AanbafFer, m. Barker, 

Aanbaggeren , o. w. vs. to Make speed in , 
zie Baggeren. 

Aanbakken , ongeh o. w, met Zljn , vs. 
to Remain stickivg to the bottom or the 
sides of til e pan {in baking"). * — , met 
riebbcn , to Make speed in baking. 

Aanbaksel, o. What remains sticking to 
the bottom. 

Aaiibaren, o. w. met Hebben , vs. aaa 
boord komen. to Come on board. * — , 
1 ancle n , to Arrive ^ to Land. * — ,"alle 
zeilen bijzecten , to Clap on all tails ^ to 
Crowd sail ^ to Make all sail ^ to Use all 
one^s canvass. 

Aai)baring, vr. Coming on board. * — , 
Arrival^ Landing. * — , Clapping on 
all sails ^ zie Aanbaren. 

Aanbassen, zie Aanbaffen. 

Aanbasser, zie xVar.bafier. 

Aanbeeld, o. Anvil; fig. Ik zai nogdik- 
wijisop dat — sUan, I shall speak many 
times more of that matter, 

Aanbeeldbeen, o. in de ouci^-^edk, , /;2C«,y, 
Ar.vil. 

Aanbeeldblok, o. Anvil-stock, 

Aanbeeldje , o. Little ajivil , Hand-anyil. 

Aanbeereii, o. w., zie Aanbaren in de 
laacste b?ceekenis. 

Aanbegin, o. C^.'^iuig gebruik. ,) First 
beginning. 

Aanbeginnen, ongel. o; w. met Zljn, vs. 
to Begin , Commence, 

Aanbehooren , o. w. met Hebbcu, vs. to 
Belong. 

Aanbei, vr. meest gebruik. in het meerv. 
Aanbeijen , P.'V^j, Emerods , Hemorr 
holds i Tot de aanbeijeu behoorcude, 
Hemorr roidal. 

AanbelangjO. Importance ^ Weight ^Mo- 
ment. 

Aanbelangen , o. w. met Hebben , vs. to 
Concern. Aiuim. Eckel gebruikel. in : 
Wac aanbelangt , aanbelaugde , als : Wat 
mij, u, deze -^aak , enz. aanbelangt, 
For what concerns or concerned me ,you , 
this affair, etc. ^ Aanbelangende , Con- 
cerning, 

Aanbellen , o. w. met Hebben , vs. to 
Ring Qat a door^; Bjj iemand — , /o 
Ring at one'^s door. 

Aanberg, m. Slope^ Declivity^ Promontory. 

Aanbesteden, b. w. vs. to Make a con- 
tract with workmen for some work that 
is to be done. 

Aanbesteder, m. One that makes a con- 
tract with workmen. 



AANB 3 

Aanbesteding, vr. het aanbesteden, Ma- 
king a contract with workmen, ♦ — , hec 
aanbestede werk , Work for which aeon- 
tract is made. 

Aanbestecdsier, vr. , zie Aanbesteder. 

Aanbesrellen, b. w. vs. /o Command^ zie 
Bestellen. 

Aa- besterven, ongel. o. \f, mec Zljn , vs. 
to Devolve upon some heir ^ to Accrue by 

a decease, 

Aanbei:torven, v. dw. , zie Aanbesterven. 

Aanbeieren, o. w. met Zljn, vs. van een* 
zieke,/o Recover, zie Beteren. 

Aanbecrouwd, (jf. dw. zie Aanbetrou- 
wen). * — , bv. in ecnezeer bijzon^lere 
beieek. , als: Die so^n geldj 's lieni zeer 
wel— , He may very .veil be trusted wiih 
that sum of mo7iey ; Zij is hem niec — , 
He is not to be trusted with it. 

Aanbetrouwen, b. w. vs. to Commit to one'^s 
care, to Trust one with; Die som gelds 
-'s hem aanbecrouwd, That sum of money 
has been committed to his care. He has 
been trusted with that sum of money, Zio. 
ook Aanbetrouwd. 

Aanbeuren, b. w. , zie Aantillen; 

Aanbeveelster , vr. , zie Aanbevsler. 

Aanbevelen , ongel, b. w. vs. aanbetrou- 
wen , to Trust to one'^s care, * — , to 
Recommend. 

Aanbcveler, m. Recommender, 

Aar.be veling , vr. Recommendation ; Brief 
van — , zie Aanbcveliugsbr'ef. 

Aanbeveliiigsbrief , m. Rec mmendatory 
letter. Letter of reco nmendation. 

Aanbevolen, v. d>./. , zie Aanbevelen. 

Aanbiddelijk, \\, Adorable^ Worthy of 
adoration. Divine. * — , bv/. Adorably. 

AanbiddelijKbeid , vr. Adorahleness , Wor- 
thiness of adoration, 

Aanbidden, ongtl. b., w. vs. goddclijke 
eer bewijzen, to Worship, *— ,methet 
voorz. onsch grootelijks vereeren , to A- 
dore. Aanm. In iict v. d. is bet voorz, 
steeds scheidbaar. 

Aanbiddc'iswaardig, zie Aanbid^lijk. 

Aanbiddenswaardigheid, zie Aanbiddelijk- 
heid. 

A-inbidder, ra. Worshipper , Adorer, 

Aanbidding , vr. Worshipping , Worship , 
Adoration. 

Aanbiddenswaardig, zie Aanbiddelijk. 

Aanbidster, vr. , zie Aanbidder. 

Aanbieden , ongel. b. w. vs. aanreiken , 
to Present , to Tender , to Reach. * — , 
willen schenken , to Offer, 

Aanbieder, m. Presenter. 



4 AANSl 

Aanblcding, vr. het aanbieden. Present- 
ing^ Tenaerhg. Ojjerijig. * — , het 
aangebodene, Ojfir. 

Annbiedster, vr., zic Aanbicder. 

Aanbijt, o, veroiul,, 2ie Ourhijt. 

Aanbijccn , ongel. o. w. met Hcbben , vs. to 
Mile at (^the bnit); fi^. to Swallow the 
bait * — , b, w. to Take a bit of, 

Aanbikken, o. w. met Hebben, vs. to Make 
it)eed ^ zie Bikken. 

Aanbillen , o. w. met Hcbben , vs. to Make 
ipeed ^ zie Billen. 

A^mbinden, on^eL b. w. vs. to Bind or 
Tie to somethiritr; sprw. De kai de bel 
— , to Be the pnt in some bold or dan- 
gerous undertaking^ to Bell the cat; fiji. 
Kon aangebonden zijn, to Be Lut-b rained, 
to Grow easily angry; fig. aaudriugen , 
to Promote, to Urge. 

Aanbinder, m. Binder; fig. Promoter, 

Aanbinding, vr. Binding to something; 
fig. Promoting. 

Aanbindsel, o. Binding, 

Ar.nbindster, vr. , zic Aanbinder. 

Aanblaffen, zie Aanbairen. 

AanblrlTer, zie AanbrilVer. 

Aanbla(Rng, vr. Barking at. 

Ar.nblauiiwen, o. w. met Zijn, vs. to Grow 
bluer and bluer, 

Aanblaien, b. w. vs. to Bleat at, 

Aanblrzen, ongel. b. w. vs. door blazen 
aaosctken, /o Kindle by blowing; tig. 
aanpcrren^ to Rouse, Incite, Injiame. 
* — , bcgeestereu, to Inspire, * — , o. 
yf. rnec Hebben, to Blow away , to Blow 
with speed, 

Aanblu?.er, m. One that kindles (afire) 
by blowing; fig. Inciter. 

Aanblazing , vr. Blowing a fire ; fig. In- 
citement. * — , Inspiration , zie Aandrift. 

Aar.blijven, ongel. o. w. met Zya, vs. to 
Coniinne (^in one'^s office or em/)loyment). 

Aanblik, ra. aanblikkeu, Glance, * — , 
gezigt. Sight, 

Aanblikkcn, b. w. vs. schieujk aanzicn, 
to Cast a glance at , to Glance at. * — , 
de tar.dea laien zien , to Show the teeth. 
* — J o. w. met Hebben, aanbreken , fo 
Dawn , to Appear. 

Aanblii.ken , ongel. o. w. mat Hebben, 
v.<. to Shine at. 

Aanbod , o. , zie Aanbieding in de 2de 
heteekenis. 

Aanboeken , b. w. to Book, 

Aauboencn,o. w* met Hebben, vs.to Make 
speed i:i clcaninrr^ rubbing, zie Boenen, 

Aa:i:)OC.ci:, b. w. .k. to Fecd{the fire). 



AANCO 

AanbofFen,b. w. vs. toTJirow (against t 

tegcn). * — , o. w. met Ziju, to Fall 

(ag/iinst, tegen). 
Ainbonzen, o^. w. met Hebben, vs. to 

Bovnce (against, tegen). ♦ — , b. w. 

to Throw (against, tegen). 
Aanbonzing, vr. Throwing or Falling 

( i. gainst ). 
Aanljoorden, o. w. , zie Aanbaren in de 

isre betcekeni«. 
Aanboren , b. w. vs. to Bore. ♦ — , opste- 

ken, to Broach.* — , o. vr. metHebben, 

to Bore on , to Bore with speed. 
Aauborsrekn , o. w. met Hebben, vs. to 

jJrttih with speed , to Brush away. 
Aanbotsen, o. w. met Zijn , vs. to Strike or 

Dash (against, tegenY 
Aanbotsing, vr. Striking or Dashing 

(against). 
Aanbouw, m. Raising (of biiildirgs).*^. 

Building (of ships). ♦ — , Cultivating 

( of new fields). 
Aaiibuuwen, b. w. vs. to Raise (new 

buildings). * --^ to Build (new shipsX 

*— , to Cultivate (new fields). *—, to Add 

(a w'ug to a house), 
Aanboivwer, m. Raiser (of buildings). 

* ~, Builder (of ships). *—, Cultiva- 
tor of new fields, 

Aanbouwing, vr, , 2ie Aanbouw. 
Aanbouwstcr, vr. , zie Aanbouwcr. 
A^.nbranden, o. w. met Zijn, vs. to Burn, 

to Remain sticking to the pan (by too 

hot a fire); Laten — , to Burn; fig. 

Aangebraud ziju, to Be infected with a 

secret disease. 
Aanbrandsel, o. VFhat remains sticking 

to a pan or pot , that has had too hot a 

fire. 
Aanbrassen, b. w. vs. ficheepsw. , to 

Brace. 

Aanbrassing , vr. Bracing. 
Aaabreijen , b. w. vs.^) Knit new feet to. 

* — , o. w. met Hebben, to Knit on or 

with speed, 
Aanbreijing, vr. Knitting new feet to 

Qstr.ckiisgs, etc. ). 
A^nbrekon , ongel. o. w. met Zii'n, vs. 

to Dawn ; De dag breekt aau , The day 

breaks. It dawns. * — , b. w. fig. to 

Begin , to Open. 

Aanbreking, vr. Daybreak, Dawn. 
Aanbrengen , onreg. b. w. vs. nader bren- 

gen, ta Bring or Carry nearer ; njj. Die 

zaak heefc mij gccu voordeel aangebragr, 

Tliat affair gave me no profit. * — , 

aanldagen , tOy Infotiu agid^st (one). 



* -- , overbrengea, verklappn, to 
Tell. 

A;;nbrenger, m.One that bri:?g:<; nearer^ 
as an assistant workman ^ etc, * — , In- 
former. * — , Telltale. 

Aanbrenping, vr. Briugirg nearer, * — > 
Informatisn against one. 

Aanbrengscer, vr. , zie Aanbron^er. 

Aanbriesclicn , o, v/. vs. van pau'-den , to 
Neigh at, * — , van lecuwcn , to Roftr at. 

Aanbruisen , o. w. met Hebben , v?. to 
Foam Qagainst, tegtn),* fig. Tegen ie- 
niand aanbrnisen , to Use one roughly. 

* — , van schepen, to Arrive., hand. 
Aanbrntsing , vr. Foaming against. * — , 

Landing. {at 

Aanbrullen, o. w. vp, mer Ilebben, to Roar 
Aanbrulling , vr, Roari:;g at. 
Aanbuigen , ongel. h. vv. vs. to Bend 

nearer, 
Aanbuiging,, vr. Bending nearer, 
Aanbulkcii, b, w. vs. to Low at, 
Aancijfercn , o, w. met Hebben, vs. to 

Cipher with speed, 
Aandacht, vr. oplettendheid , ^;;^«^/(?«. 

* — , vroomheid , Devotion. 
Aandachcig, bv. Attentive ., Intent. * — , 

Devout .^ Pious. * — , (^Aandachtiglijk ,) 
bw. Attentively. * — , Devoutly , Pi- 
ously, 

Aandansen , o. w. met Hebben , wanneer 
de voorcduring, en met ZiJH , wanneer 
de plaars verandering bedoeld vvordc , vs. 
to Dance with speed. * — , dansend nade- 
ran, als : Komen — ^ to Come dancing 
this way, 

Aandeel , o, gedeelrelijk eigendom, Share. 

* — , gedeel:elijke schuld , Quota, Con- 
tin gent. 

Aandenken, o. Remembrance. 
Aandichten, b. w. vs. to Impute {false- 

Aandichting, vr. {False^ imputation. 

Aandienen , b. w. vs. to Tell. * — , to 
Acquaint with , to Give notice of; le- 
nund — , to Give in, or Bring up a 
visitor''s name; Zich laten — , to Send in 
one^s name. 

Aandiepen , b. w. vs. to Blake deeper, to 
Deepen. * — , o, w. met Hebben , to 
Sound the depth in coming toward the 
shore. *— , met zijn , to Grow deeper, 
to Deepen. 

Aandikken , b. en o. w. met Zijn - vs. /o 
Thicken. 

Aandikking, vr. Thickening. 

Aandisschen , b. w. vs. to Serve Qthe to* 



A AND 5 

hie ^ , to Bring np ( a course^ ; Men neeft 
a^in-edischt ^ I)i''?'ier is ready. 

Aandisschini; , vv. Serving a table, 

Aandoen, onreg. b. w. vs. to Put on. ♦— , 
veroorzaken //o Cr.use. * — , aanva k^n, 
to Attack. Assail., Assault, *— , rcf- 
fen , to Affect ^ Touch, * — , bijna iigc 
doen, als"^: De dear — , to Put the Joor 
upon a jar. * — , als : Eene haven — , 
to Put into a harbour. 

Aandoening, vr. Putting on, etc., xTe 
Aandoen. *— , inzond. , Affection , Feel- 
ing. 

Aandoenlijk, bv. treifend , Affecting, 
Moving, Pathetic, pJthetical. * • , 
vcor aand<jening vatbaar, Feeling, Sen- 
sible. * — , fijo gcvoel:!^. Delicate.-"'' — , 
bw. Blovingly. * — , Delicately. 

Aandoenlijkheid, vr. Patheticalness.*—, 
Sensibility. * — , Delicacy. 

Aandouwen , b. w. vs. to Push on, 

Aandouwing, vr. Pushing on. 

Aandraagster, vr. , Aandrager , m. Tell- 
tale, 

Aandraaijen , b. w. vs. to Turn to an- 
other thing. * — , to Turn closer or nearer; 
fig. als: lemand iets — , to Cheat one 
into a bargain, to Take one in„* — , o. 
w. met Zijn, als' Daar komen zij wecr 
— , There they are coming on again. 

* — , met Hebben , to Turn on , to Turn 
with speed. 

Aandraaijing , vr. Turning to any tiiing, 
* — , Turning closer. 

Aandragen , ongel. b. w. vs. nader dra- 
gen , to Bring or Carry nearer. * — , 
ijrengen , to nring. * — , bekend m^ken, 
to BJake known, to Inform, Tell. 

Aandrang , m. gedrang , Crowding , 
Thronging of people. * — , drangrede ,Ur- 
gency. Earnest solicitation , Earnestness. 

Aandraven , o. w. met Zijn, vs. her- 
waarts draven, to Come trotting this way. 
*— , met Hebben, to Trot faster. 

Aandrentelen , o. w. met Zijn , vs. al?: 
Daar komen zij — , There they cornel) i- 
tering this way. 

Aandribbelen , o. w. met Zijn, vs. a's : 
Daar komen zij weer — , There they 
come tripping this way again. 

Aandrifc , vr. aandrijving. Instigation. 

* — , natuurdri/c, Instinct. 
Aandrijfs:er, vr. , zie Aandrijver. 
Anndrijven, ongel h. \v. vs. to Drive or 

Push on; fig. to Instigate, to Incite 
* — ,^o. w. met Zijn, to Float hither. 

* — , to Be cast on shore. 



6 AAND 

Aandrljver, ra. , zie Aandrijven 9 fig. 
Promoter^ Fiirtherer. 

Aandrijvinj?, vr. Pushing on. Driving 
on; fig. Instigation , Incitation. 

Aandrin^en , ongel. b, w. vs. to Push on; 
fi^. to Incite, t— , o. w. met Zijn , to push 
on. * — , met Hebben , als. Op ices—, 
to Insist upon a thing, 

Aandringer, m. Inciter, 

Aandringing , vr. Pushing on. * — , als .- 
— op ieis, Insisting on a thing. 

Aandringster, vr. , zie Aandringer. 

Aandruischen , o. w. met Hebben , vs. als : 
Dit druischt legen dc jrezonde rede aan , 
This is contrary to common sense. 

Aandrukken, b. \v, vs. bijdrukken , to 
Print to, * — , vaster dnikkcu , to Press 
close to., to Pres> (^against , icg:cn^.*—^ 
b. en o. w. voov drukken, /o Press on. 

Aandrukking, vr. Printing to.* — , Press- 
ing against. * — , Pressing on, 

Aanduideii, b. w. vs. te kennen geven , 
to Denote, Signify, Imply, Show, t)e- 
cJnre. * — , tocschrijven, to Lay toone'*s 
charge , to Impute. 

Aandiiiding , vr. Denotation, 

Aandiirven , onreg. en gel. b. w. vs. gem. , 
to Dare attack , to Dare make head 
ngainst, 

Aanduwen, zie Aandouwen, 

Aanduwing , zie Aandoiiwing. 

Aaneen , bw. aan QWzndiQV .,Joined, Toge- 
ther ; zie de Zamengesceldc woorden , 
waar hec by wcrkw. altjjd sclieidbaaris. 
* — , achtereen , Successively. Aamn. 
Met v.'erkwoorden belioor: het nice ver- 
bonden te worden , ofschooii men ten 
gevalle van Siegenbeek en Weiland 
de bij hen voorkomende zamenstellingen 
bebouden heeft. 

Aaneenbinden , ongel. b. w. to Tie or Bind 
together. 

Aaneenflansen , b. w. to Botch or Patch 
together, 

Aaneengebonden , v. diVf,^ zie. Aaneen- 
binden. (together, 

Aaneengroeijen , o.w. metZijn, to Grow 

Aaneengroeijing, vr. Growing together. 

Aaneenhechten, b. w. toConmct, tojoin 
or Stitch together. 

Aaneenhechcing, vt. Joining or Stitching 
together , Connecting. 

Aaneeuketenen, b. w. to Chain together, 

i\aneenketening, vr. Chaining together; 
fig. aaneenscbakeling , Concatenation, 

Aaneenknoopen , b. vv. to Tie or Knit 
together. 



AAKE 

Aaneenlasschen , b. w. to Sew , Stitch or 
Patch together, 

Aaneenlassching, vr. Ifewing y Stitching 
or Patching together, 

Aaneenlijmen, b. w. to Ghie or Paste 
together. 

Aaneennaaijen , b. w, to Sew together, 

Aaneennaaijing , vr. Sewing together, 

Aaneenschakeien , b. w, to Link together, 
to Concatenate, 

Aaneenscbakeling, vr, -Linking together ; 
fig. Concatenation, 

Aaneenspijkeren , b. w. to Nail together, 

x\ancenvoegcn , b. w. to Join , Unite. 

Aaneen vccging, vr. Joining , Uniting. 

Aanerv'cn , b. w. vs. to Acquire by in- 
heritance , to Inli&rit, * — , o. w. met 
Zijn, to Accrue by inheritance, 

Aanerving , vr. Acquiring by inheritance. 
Inheritance, 

Aanlluicen , ongel, h. w. vs. to Hoot or 
Hiss at, 

Aanfluiting, vr. Hooting or Hissing at. 

Aanfokken, b. w. vs. van v^e, to Breed, 
* — , van planten, to Raise. 

Aanfokker, m. Breeder. * — , Raiser. 

Aanfokking, vr. Breeding. * — , Raising, 

Aanfokster, vr. , zie x\aiifokker. 

Aan^aaf, vr. hosc\n\\d\g[n^, Information, 
Accusation , Impeachment. * — , verkla- 
ring. Declaration, 

Aangaan , ongel, o. w. met Zijn, vs. to Ap- 
proach. * — , to Go up to; fig. to Rely 
upon. * — , met Hebben , to JValh faster, 
to Mend one^s pace, * — , inec Zijn , to 
Call, to Step in, * — , in zeer afvvij- 
kende beteekenissen , als I Twee dingen 
te gclijk doen gaat niec aan, It is im- 
possible to do two things at once , Dat 
werk gaat nog al aan, That work is done 
pretty well; 00k: That work will do 
(answer^ pretty well ; Zijn verlies gaat 
nog al aan. His loss is not very conside- 
rable; Dat kan zoo niec lanjjer — ,That 
is not to be borne with any longer , There 
n:ust be put a stop to that ; Dat gaat niet 
aan. That is unbecoming; 00k: That 
won''t do; Zij gin^ gcweldig aan. She 
kept a terriblecoil , She stormed furious- 
ly, * — , b. w. to Concern ;W^x, mV] , 
iwz. aangaac, zie Aanbelangen. * — , 
be^innen, to Commence. * — , sluiten , 
maken, voXix^kVew, to Blake, Contract; 
Een huvvelijk — , to Marry. 

Aangaai^de, (tegenw. dw. , zie Aangaan). 
*— , voorz. Concerning, Regarding, 
As to. As for. 



IB 



AAIN'G 



Aan^aloppcren , o. w, met Hebben , to 
Galof) hard^ * — , met Zijn , oF; Koraen 
— , to Come galoping hither. 

Aangang, m. als : Ik kwara gevalUg op 
den aangang , toen zij bij elkander 
stonden ," / happened to arrive as they 
were standing together, 

Aangapen, b. w. vs. to Gape or Stare at. 

Aangaping, vr. Gaping or Staring at. 

Aangave, zie AangaaF. 

Aangebeden, v. dw. , zie Aanbidden. 

Aangebeten, v. dv/. ^ zie Aanbljcen. 

Aangebleven, v. dw. , zie Aanblijven. 

Aangeblonken , v. dw. , zie Aanblinken, 

Aangeboden , v. d\c. , zie Aanbieden. 

Aangebogen , V. dw. , zie Aanbuigen. 

Aangebonden, v. dw., zie Aanbinden. 

Aangeboren , bv. Natural., Inborn. *— , 
in de regtsgel. ; — wet , Natural la%v ,* 
in de wljsg. : — begrippen , Innate ideas, 

Aangebragt, v. dw., zie Aanbrengcn. 

Aangebroken , v. dw. , zie Aaiibi-eken, 

Aangedaan, v, dw. , zie Aandoen. 

Aangedreven, v. dw. , zie Aandrijven. 

Aangedrongen, v. dw., zie Aandringen. 

Aangefloten, v, dw. , zTe Aanfluiten. 

Aangegleden , v. dw. , zie Aanglijden. 

Aangeglommen , v. dw., zie Aanglimnien. 

Aangegocen, v. Civ;.^ zie Aangieten. 

Aangegren, v. dw. , zie Aangrijnen. 

Aangegrepen, v. dw. ,zie Aangrijpen. 

Aangehad, v. dw. , zie Aanhcbben, 

Aangehegen, v. dw. , zie Aanbijgen. 

Aaiigeheschen , v. dw., zie A:inhijschen. 

Aangeheven, v. dw. , zie Aanheffen. 

Aangeholpen , v. dw. , zie Aanbclpen. 

Aangekeken , v. dw. , zie Aankijkcn. 

Aangeknepen, V. dw. , zie Aanknijpen. 

Aangekochc, v. dw. , zie Aankoopcn. 

Aangekregen, v. dw. , zie Aankrijgen. 

Aangekrecen , v. dw. , zie Aankrijteii. 

Aangekroden, Aangckrooijen, v. dw. , 
zie Aankrnijen. 

Aangekropen , v. dw. , zie Aankniipen. 

Aangelegcn, v. dw. , zie Aauliggen 5 fig. 
Laat deze zaak u — zijn , Take a parti- 
cular interest in this aff'air. 
■ Aangelegenheid, vr. gewigtigbeld , />« 
portance ^ TJ^eight ^ Moment. * — , aan- 
. zien. Reputation , Respectability^ Au- 
thority. ( Aanleid.'ii. 

Aangefcid , v. dw,, zie Aanlcggcn en 

Aangemerkr, (v, dw. , zie Aaiimcrken). 
* — , voegw. , zie Geraerkc. 

Aangenaam , bv. aannemelljk , Agreeable, 
Acceptable. * — , behagelijk , Agreeable, 
Pleasant ; Ilec is mij — , he: te hoorcn, 



AANG 7 

/ am glad to hear it; Een aangsname 
veuk , A sweet smell, * — , bw. Agree- 
ably , Pleasantly. 

Aangenaamh^id , vr. Agreeableness , Plea- 
santness. * — , Pleasure. 

Anng-'namelijk , zie Aangenaam , bw. 

Aangenonien , v. dw. , zie Aanncmen. 

* — , voec,\Y. Supposed. 
Aangeprezen , v. dw. , zie Aanprijzen. 
Aangereden , v. dw., zie Aanrjjden. 
Aanj^eregen , v. dw. , zie Aanrijgen. 
Aangeschenen , v, dw. , zie Aansciiijnen. 
Aangeschoten, v. dw. , zie Aan?ckieien. 
Aanj^eschoven , v. dw. , zie Aanschuiven. 
Aangeschreven, v. dw. , zie Aanschrijven. 
Aangeslagen , v. dw. , zie Aanslaao. 
Aangeslepen, v. dw., zie Aanslijpen. 
Aang^sloten, v. dw. , zie Aansluicen, 
Aangesmeten , v, dw. , zie Aans'.nijren. 
AangesinoUen , V. dw. , zie Aansmeltcn. 
i\aiigespen, b. w. vc. /o Buck/eon. 
Aangesping, vr. Buckling on, 
Aangespogen , v. dw. , zie Aanspiigen. 
Aangesponnen , v. dw., zie Aanspinnen. 
Aangesproken, V. dw. , zie Aansprekcn. 
Aangestoken, v. dw., zie Aansteken. 
Aangcsrorven, v. dw. , zie Aansterven, 
Aangestoven, v. dw. , zie Aanscuiven. 
Aangcsf.reken , v. dw. , zie Aanstrijkcu. 
Aangecegen, v. dw. , zie Aantijgert. 
Aangetogen, v. dw. van hec v^ro«//. Aan- 

liegen, Aancuigen , als: ILj had zijne 
klecderen — , lie had put on his clothes. 

* — , bijgebragc, Cited, Quoted, Al- 
leged, 

Aangetroffen, v. dw. , zie Aantreffen. 

Aangecrokken , v. dw. , zie Aancrekken. 

Aangeefster, vr. , zie Aangever. 

Aangeven, ongel. b. w. vs. aanreiken , /o 
Reach; fig. Op hec klavier een' toon 
— , to Strike a tone on the harpsichord; 
van daar: fig. Den toon in een gezel- 
scbap ~, to Bear the bell (^ the sway), to 
Take the lead, in a conversation. * — , 
aanmelden, ter betaling van lasten , to 
Enter (wares at a customhouse). * — , 
beschuldigen , to Inform against , to Im- 
peach, Accuse^ Denounce. 

Aangever, m. Informer. 

Aangeving, vr. Reaching, tf/c. , zie Aan- 
geven. * — , Accusation. 

Aangevlochren , v. dw. , zie Aanvlechtep, 

Aangeulogen, v. dw., zie Aanvliegen. 

Aangevloten, v. dw. , zie AanvHetcn. 

Aangc'fochten, v. dw. , zie Aanvcc'ir,,^ 

Aangevreven, v. dw. , zie Aanvrijven^ 

Aangevroren, v. dw. , zie Aanvriezcn' 



\angeweest, v.^Xw., z'e Aaiwezcn. 
.\aMgcvvend , V. Jw. , zte Aar.weuden en 

Aanwcnnen. 
Aaiigewezen, v. t\w. zle Aanwijzen. 
Aangev/ondcn, v. dw. , zie A:'.;ivyinden. 
Aangcwonnen, v. dw. , zie Ann viniicn. 
Aangcworpen, v. dw. , zie Aa:nverpeH. 
Aangewoiven , v. dw., zie Aanwerven. 
Aangcwrevcn, v. dw. zie Aanwrijven. 
Aangewrocht, v. dw. , zie Aanwerk-n. 
Aangezeid, v. dw. , zie Aaozeggcii. 
Aangezeten, v. dw. zie Aanzitren. 
Aangczien, (v. dw, , zie Aanzien. ). ♦— , 

voegw. Whereas , Ai , Since. 
Aangezigc, o. Face; zie Aanschija in 

de 2. betcck. 
Aangezigtwekker , m. Physiognomist. 
Aangezochc, v. dw., zie Aanzoekci'. 
Aangezwollen, v. dw. , zie Aanzwellen, 
Aangezwommen , v. dw. , zie Aanzwcm- 

nien. 

Aangifc , zie Aangaaf. 
Aangieten, ougel. b. w. vo. to P >nr tOy 

to Pour at. * — , van meralcn , enz. to 

Cast to. * — , o. w. nee IltrbHcn, 

to BJake speed in pouring or casting. 
Aangicting, \t. Pouring to. * — ^''iJa^t- 

ing to. 
Aangifibiljet , o. Dill of declaration , 

Declaration, 
AangUjden, ongel. o. w. raetZiju, vs. 

to Slide hither. 
Aanglimmen , ongcl^ o. w. mctZijn , vs. to 

Kindle , to Catch fire. 
Aaiiglinstercn , o. w. met IKbl)Co, Vs.ro 

(.Uitter against. 
Aanglinsteiing, vr. Glittering {^cg-;in^t^ 

tcgcn). 
A^ani^loeijcn, b. v/. vs. to Blake more 

redhot. '' — , o. w. met Zijn, to Kindle. 
Aangloeijing, vr. Blakirg more reditot. 

* — , Kindling. 
AangUiren, b. w, vs. to Look slily at ^ to 

Leer at ^ to Glance at. 
Aangluring, vr. Looking slily at, Leer- 
ing at. 
Aangluurder, m., Aangluurscer , vr. One 

r.'ho looks slily at. 

Aangooijcn , b. w., zie Aanwerpen. 
Aangorden , b. w. vs. to Gird on or about, 

to Gird. 
Aangording, vr. Girding. 
A^ngraauwen , b. w. vs. to Snarl or 

Rail at, {SnarJer. 

Aangraauwer, m. One 'who snarls at, 
Aangraauwing , vr. Snarling at. 
Aangraaiiwster , vr. , zie Aangraauwer, 



aa?:gr 

Aingre:iiken,b. v.'. vs. /" Nr'g^i at ^ ^g. 
aangrijnzen , to Sneer at. 

Aangrenzcn , o. w. met Hebbcn, vs. to 
Jj order on, to lie adjacent, contigvru' 
or conterminous to , to Adjoin, Confne 
on or with. 

Aans: -cnzing , vr. Bvidcrii.g uprn^ Ad- 
jacency. 

Aaiigriji'.en , ongeJ. en gel. b. w. vs. to 
ff^eep to. 

Aangrijning, vr. Weeping to, 

Aangrijnzcn, b, w. vs. to Grin at, 

Aangrijnzing, vw G/ inning at. 

Aangrijpen, ongel. h. w. vs. de handen 
aan icts leggen , /o ^^Z^^, tr. Take or L ;y 
held of. ♦ — , aanvallen, to Attack, As- 
sault. 

Aangrijper, ni. One who Seizes, ♦ — , Ai- 
sailant. 

Aangrijping, vr. Seizing. * — , Attack. 

Aangrijpstcr , vr. One who seizes. 

Aangrimnien, b. w. vs. to Growl at, 

Aangrimming , vr. Growling at. 

Aailgrinniken , zie Aangrenikcn. 

Aangroei, m. Growth, Licreaso, 

Aangroeijen , o. w. met Zijn , vs. to Grow 
at. * — , toenemen, to Increase ^ Aug- 
nient. 

Aangroeijing , vr. Growing at. ♦— , zio 
Aangroei. 

Aangrommcn , b. w. vs. to Growl at. 

Aangromraing , vr. Growling at, 

Aanhaalster, vr. , zie Aanhaler. 

Aanhaken , b. w. vs. to Hook in. *— , o. w. 
met Hebben, vs. to Hook at, 

Aanhaking, vr. Hooking in or at. 

Aanhalen, b. w. vs. naar zich loehalen , 
to Puil or Draw toward) one: fitr. aan- 
lokken, to Court one^s friendship, to 
Allure. * — , digier toehalen, to Prtil 
or Draw tighter or closer. * — , ain- 
houden, to Seize. * — , vcrrigten, bc- 
zorgen, to Afford, *— , bijbrengcn . 
to Cite , Quote , Allege , * — , aan- 
strepen, to Mark. 

Aanhaler, m. One who seizes, • — , 
Citer , Allcger. 

Aanhalig, bv. Alluring^ Enticing, En- 
g^gi>'g. Friendly, Coir.plai^an>. . 

Aanlialing, vr. , zie Aanhrilcn. * — , in- 
znwd. Seizing , Seizure, * — , Citation,, 
Quotation, Quoting. 

Aanlialigbeid , vr. Alluringness , Com- 
[decency. 

Aanhalingstceken , o. meerv. Inverted 
commas ([,, "), (Bond, Set. 

Aanhang , in. Party , Faction , Sect, 



AANII 

J^.nn^a'^gcn, b. w, vs. sprw. als: De l<af 
de bcl •— , zie Aauhiaclen. *— , o. w. 
metl-Iebben, to Slick to; fig. als; Zijn 
dood zal mij lang — , / shall ^ have a 
Jong and sad remenbrance of his death ^ 
Die ziektc heeft hem reeds lang aam^e- 
hangen. He 'luis already a Jong time 
been subject to tV.at iJiness. 

Aanhanger, m. Adherent^ Follov^er y 
Partisan y Sectary. 

Aanhanging, vr. Sticking to. 

Aanharigster, vr. , zie Aanhanger. 

Aaiihangig, bv. Hanging. 

Aanhangsel, o. Supplewcnt ^ Appendix. 

Aanhebben, onreg. b. w. vs. to Have 
on. * — , in hec spelen , verloren beb- 
ben , als: Een roarkje — , to Have lost 
one mark {at play). 

Aanhechten, b. w. vs. to Join to., to 
Fasten , Affix. * — , to Stit,ch or Sew to. 

Aanbechter, m. One Vi'ho joins to. 

Aanliechtir-s , vr. Joining to , Fastening. 

. * — , Sewing or Stitching to, 

Aanhechtsel, o. Appendix. 

Aanheduster , vr. , zie Aanhechrer. 

Aanhef, m. Intonation {f>f a piece of 
music). * — , Opening (of a discnurae). 

Aanheflfen, ongel. b. w. vs. to Begin 
(a song , etc.). 

Aanheitey, m. Beginner. 

Aanheffing, vr. , zie Aanhef. 

Aanhefscer, vr. , zie Aanheffer, 

Aanhefcen , zie Aanhechten. 

Aanhelpen, ongel. b. w. vs. to Help or 
to Assist to put on; Zal ik u den rok — ? 
Shall I help you in your coat? 

Aanhijgen , ongel. en gel. o. w. vs. met 
Hebben , als; Komen — , to Come pant- 
ing hither. 

Aanhijschen, ongel. en gel, b. w. vs. 
to Hoist up. *■ — , o. w. nietflebben, 
to Hoist with speed. 

Aanhinken , o. w. met Zijn, vs. of; 
Komen — , to Come limping this way. 

Aanhirsen, b. w. vs. a!s; Een' \\vm\ 
OP ierannd — , lemand een' hcnd — , to 
Set a dog upon one; fig. nnnporren, 
to Egg on., to Stir up, to Instigate., 
Abet ^ Incite, 

Aanhit>er, m. Instigator., Inciter. 

Aanbitsing, \y. Instigation ^ Incitement, 

Aanbifgster, vr. , zie Aanbitser. 

Aanhitten, o. w. met Zijn, vs. to Heat. 

Aanboogen, b. w. vs. to Make higher .^ 
to Raise , Heighten, 

Aanhooging, vr. Mak'ng higher. 

Aanhoopen, b. w. vs. to Heap up. 



A A MI 



9 



Anrhnoping, vr. Ileaijing up. 

A a n h o o rd e r , ni . Au dis c r. 

Aanbocren, b. vi'. vs. to Listen to., to 
Give ear to. *— , o. w, met Ilebbcn, 
luisteren , to Listen , to Hear attentively^ 

* — , liehooren , to Belong. 
Aanhoorig bv. bijna veroud. Belonging 

to; meesc gebruikel. in; lemands aan- 
Iioorigen , One^s family or household. 
Aanhooring, vr. Listening., Hearing. 

* — , Belonging. 
Aanhoorscer , vr. Auditress. 
Aanhouden , onreg. b. w. vs. digt bij 

zich houdeii , to Keep or Hold close to 
one''s self. * — , niet uirtrekken, to Keep 
on. * — \ aanhalen, to Seize. * — ^ op- 
houden , to Stop * — , verbergen, t'o 
Harbour, Conceal. * — , o. w. met 
Hebben, to Bait (at some place on tht 
road)., Stop. "^ — , voorcgaan , to Comi- 
nue. *— , dnrcn, to Last , Dure, Con- 
tinue. • — , verzoeken, to Petition .^ 
SoJicit., Request., Sue; Om iets — , to 
Sue for a tiling., to Solicit a thing, 

* — ., to Insist , Entreat earnestly, *~, 
volbarden , to Persevere. 

Aanhoudend, (reg. dw., zie Aanhouden). 
*— , bv. Continual. * — , Lasting. *~, 
bw. Continually. 

Aanhoudendheid , vr. Continuance ; lJ?j — , 
Continually. 

Aanhonder, m., zie Aanhouden; in- 
zond. One that perseveres ; sprw. De — 
wint, Patience gets the better of ail , 
Patience brings all things about, 

Aanhouding, vr. , zie Aanhouden. *— , 
Seizu} e. 

Aanhoudster, vr. , zie Aanhonder. 

Aanluiilen , b. w. vs. to Howl at ; De 
bond heeft den wolf den geheelcn 
nachr. aangehui'd. The dog has been 
yelping the whole night against tht 
wolf. 

Aanhuppelen , o. w. met zijn, v«. of; 
Komen — , /o Come tripping this way. 

Aanhuwen, zie Aancrouwen. 

Aanjagen , ongel. en gel. h. w. vs. to 
Drive on; fig. Icmand een' schrik— , 
to Fright one. * — , o. w. met Zijn , 
to Drive or Ride full speed. * — , van 
eene trekschnic, to Approach, * — , "-ei 
Ilcbben , van eene trekschuit, to Mak§ 
haste. 

Aanjaging, vr. Driving on. ♦ — , Ap- 
proach. 

Aanjuichen, zie Tofjuichen. 

Aankalken, b. w. vs. fig. to Chalk down. 



IX) 



AANK 



Aankanten (Zlch"), b. w. als: Zich -— 

tegen, ^<? Oppose^ Resist. 

Aankaacing , vr. Opposition , Resistance. 

Aankeeren, b. w. vs. to Sweep {against^ 

tegen). * — , to Turn (against^ tegen). 

♦ — ,o. w. met Hebben,/o5w^<;/» with speed. 

Aankeffen , b. w. vs. to Bark at. 

Aankijken, ongel. b. w. vs. to Look at* 

Aanklaagster , vr., zie Aanklager. 

Aanklage, zie Aanklagt in de i. beteek. 

Aanklagen, b. w. vs. to Accuse.^ Indict. 

Aanklager, m. Accuser. (i. beteek. 

Aanklaging, vr. , zie Aanklage in de 

Aanklage, vr. besclmldiging. Accusa- 
tion, * — , geschrifc , 't welk die beschul- 
dtging bevac. Indictment. 

Aanklampen , b. w. vs. met klampen 
vast maken , to Fasten with boards, 
* — , scheepsw. aan boord klampen, to 
Board (^a ship'); fig. to Accost one Qtn 
an intruding manner). 

Aanklamper, m. One that hoards^ fig. 
One that accosts. (^costing. 

Aanklamping, vr. Boarding; fig, Ac- 

Aankleeden , b. w. vs. to Dress, 

Aankleeder, m. Dresser. 

Aankleeding , vr. Dressing, 

Aankleedster, vr. , zie Aankleeder. 

Aanklecfsel , o. ^^7/^; is sticking to some- 
thing.* — ,zie Aankleve5*fig. Zijoe stelling 
met duchtige bewijzen —, to Strengthen 
ane^' arguments with evident proofs, 

Aaiiklemmen , b. w. vs. to Pinch to so- 
mething. 

Aankleve , vr. als : Ilet burgeraeesterschap 
met al de (meest: met al den") — van 
dicn , The Burgowastership and all that 
is belonging to it , with all its apperte- 
nence or appurtenance, 

Aankleven, b. w. vs. aanplakken, to 
Paste on. * — , o. w. metHebben, fig. 
tanhsngen , to Adhere or Stick to, 

Aankleving, vr. Pasting on, * — , Ad- 
herence , Adherency. 

Aankloppen, b. w. met Hebben , vs. to 
Knock Qat a door) ; fig. aU : Ik zal noi 
eens bij hem — , rfl renew my reqnest to 
/j/wi.*— ,b. w. toKnnck on.^to Knock hither. 

Aanklopping, vr. Knocking (^at a door). 

Amklouwen , b. w. vs. bij tuinl. , to Rake. 

Aankneden, o. w. met Hebben, vs. to 
Kneedfast, *— , b. w, to Knead to, 

Aankneding , vr. Kneading to. 

Aanknielen, o. w. met Hebben, vs. to 
Kneel at , to Kneel down, 

Aanknijpen, ongel, b. w. vs. to Bring 
nearer by pinching. 



* AAiVK 

Aanknyping, vr. Bringing nearer by 
pinching. 

Aanknikken, zie Toeknikkcn. 

Aanknoopen, b. w. vs. door een' knoop 
verbinden, to Button together, • — ^ to 
Knit together; fig. Een gesprek met 
iemand — , /o Begin a discourse with one. 
* — , bijvoegen, to Add. 

Aanknooper, m. One that buttens toge* 
ther, etc. 

Aanknooping , vr. Buttoning together^ etc, 

Aanknoopscer , vr. , zie Aanknooper, 

Aankomeling, m. en vv.One that arrives. 

* — , Stranger^ New comer, * — , Be- 
ginner ^ One still unexperienced, * — , 
Toungling , ( Toungster), 

Aankomen, cnreg. o. w. met Zijn , vg. 
naderen, to Come this way., to Ap* 
proach, '^ — , een bezoek afleggen , to 
'Call or St,np at a place ; Bij iemand 
— , to Call on one, * — , verscliij- 
nen . to Arrive. ♦ — , toevallen , ten 
deel vallen , to Devolve upon. * — ., to 
Befal upon. * — , gedijen, to Thrive, 

* — , vorderen , to Make progress , to 
Improve. *— , met den 3. onbep. per*, 
als: Hetzal op eene kleinigheid niet — , 
A trifle more or '.ess will break no 
squares , Never mind a trifle more or less ; 
Als het er op aankomt. If it comes to 
the pinch y TVhen all comes to all ; AUeg 
op het blinde geluk laien — , to Leav$ 
all to blind fortune, 

Aankomst , vr. Arrival. 

Aankondigen , b. w. vs. to Announce ; 

Openlijk — , to Publish. 
Aankondiger, ra. Announcer. 
Aankondiging, vr. Announcement. * — , 

tijding , Tidings^ Message. * — , in eene 

courant , Advertisement, 
Aankondigster, vr. , zie Aankondiger, 
Aankooijeg , b. w. vs. bij drukk. , to Clost 

{the forms). 
Aankoop , m. Purchase , Buying, • — , 

Acquisition, Purchase. 
Aankoopen, onreg, h, w. vs. to Buy, 

Purchase. 
Aankooping, vr. , zie Aankoop, 
Aankoppelen, b. w. vs. to Tie togethir , 

to Couple. 

Aankoppeling, vr. Tying together. Cou- 
pling. 

Aankrammeu , b. w. vs. to Cramp. 
Aankramraing, vr. Cramping. 
Aankrijgen, cngel. b, w, vs. vaneenkleed, 

to Get on. ♦ — , in het spelen, verlie- 

zen, to Lose, 



AANKR 

Aankrljren , ongeh b. w. vs. to Squall at^ 
to Weer> at, 

Aancruijen, onreg., ongel. en gel. b. w. 
vs. Iiervi'aarts kruijen, to Bring this way 
on a wheelbarro-w. * — , o. w. mec Heb- 
ben , to Make haste in bringing on a 
wheelbarrow. 

Aankruipen , ongel. o. w. met Zijn , vs. 
to Creep this way} Koinen-— , to Come 
creeping hither, 

Aankunn-jn, onreg. b. w. vs. gemeenz., zie 
Opkunncn. * — , toBeable to make head 
against or to face, 

Aankwnkken, b. w. vs. als; Hij heefc hem 
legen den rauur aangekwakt, lie flung 
him against the wall. ♦ — , o. \v. mec 
Zijn , to Fall or Bounce (^against ^te^-in). 

Aankwekelin^, ra. jonge plane, 2'jung 
riant or tree. ♦— , m. en vr. kweeke- 
Hnt': , Tonng pupil or scholar. 

Aankweeken, b. w. vs. planren ofboomen, 
to Nurse , Raise , Cultivate ; fig, oiuler- 
houden, to Cherish, Cultivate, Enter tain. 

Aankweeker, m. Cultivator. (tion. 

Aankweekir.g, vr. Nursing; fig. Cultiya- 

Aankweekster, vr. , zie Aankvveeker. 

Aankwispelen, o. w- met Hebben, vs. als: 
Daar komt de hond — , There the dcg 
comes frisking this way. 

Aanlagchen , ongel, b. w. vs. to Smile at 
or upon; fig. Het geluk heefchem altijd 
aangelagchen, Fortune has always been 
favourable to him , has always' smiled 
upon him. 

Aanlanden, o. w. vs. met Zijn , to Land, 
to Come to shore, 

Aanlanding, vr. Landing. 

Aanlangen, b. w. vs. to Reach, 

Aanlanger , m. One who reaches , Reacher. 

Aanlanging, vr. Reaching. 

Aanlangstcr, vr. , zie Aanlanger. 

Aanlappen , b. w. vs. to Patch to. 

Aanlapping , vr. Patching to. 

Aanlasschen , b. w. vs. to Join or Fasten to. 

Aanlassching, wr. Joining to. 

Amlateii, ongel. b. w. vs. to Leave on. 
Aanm. Dit woord wordt mcestal geWniikc 
in cen* zin , v^raarbij een ander vverkw. 
voorondersceld wordc , als: Ik zil hem 
den rok — (laten aanhoudcn), Pll let 
him keep on his coat ; Laat de kaars aan. 
Let the candle burn ; Lnat de deuraan, 
Leave the door upon a jar. 

Aanleercn, b. w. vs. to Learn. * — , o, 
w. mec Zijn, to 3Iake progress in learn- 
ing , to Improve. (v'"g' 
leering, vr. Learning. • — , Impro- 



AANL 



11 



Aanleg, m. plan, Plan, Design, •— , 
beuoeling. Plan ^ Aim, Dai^n. • — , 
geschikthi.'ld,( Natural^ disposition. •— , 
bij regcsgeleerden, Instance, Ressort, 

Aanieggen , onger. en gel. o. w. mcr Heb- 
ben, vs. stil houden, to Stop , Bait; 
fig. Met iemand — , to Have some bad com- 
merce or intrigue with one. * — , om le 
schieten , to Cock onc'*s gun, to Draw tht 
cock; fig. to Aim at ; zie ook Toeleg- 
gen. * — , b. w. beginnen , /tf Commence, 
* — , besturen, to Contrive. ♦— ,besce- 
den , to Employ, * — , als : Een vunr — , 
to Make a fire ; De kagchel — , to Put 
fire into the stove. 

Aanlegger, m., zie Aanieggen. ♦ — , in- 
zond. Beginner , Author , First contri- 
ver.*--, inreg'-en. Plaintiff, Demandant, 

Aanlegging , vr. Stopping , etc, , zie Aan- 
ieggen. 

Aanlegsrer, vr. , zie Aanlegger. 

Aanleiden, b. \v. vs. to Lead this way; 
van daar fig. Aanleidende oorzaak, /»- 
ducing cause. Inducement, 

Aanleider, m., zie Opleider. 

AanJeiding, vr. , zie Aanleiden ,* fig. aan- 
leidvMide oorzaak. Inducement.* — , gn- 
Icgcnheid , Opportunity. *— , aanwijziug, 
opieiding, Introduction. 

Aanleidsier, vr. , zie Aanleider. 

Aanlenen, zie Aanlennen. 

Aanlengen, b. w. vs. to Attemper, Tem- 
per (rt liquid^ by adding another to it, 
ihat makes tt thinner or weaker , to 
Tfeaken. 

Aanlenging, vr. Tempering. 

Aanleunen , o. w. vs. to Lean, •— , b. 
vv. fig. als; Zich ie:s (een' tiiel, weU 
ken men niec heefc, eene zaak, welke 
men niec verrigt heefc)lacen — , to Ac- 
cept of a tittle or any other honour , gi- 
ven only by mistake, to Snffer onc''s self 
to be honoured above onc''s tnerit. 

Aanlichien, o. w. mec Hebben , vs. to 
Dawn. 

Aanlichting, vr. Dawning. 

Aanliggen , ongel. o. w. mec Heliben , vt. 
aan tafel liggcn, to Accumb , to Lie at 
the table according to the ancient mart- 
tier. * — , aangrenzeii, to JJotder upon; 
van hier: Amliggendc landen , Aaja- 
cent countries. (zie Aantibca. 

Aanli;:^ten, b. w. vs. to Heave this way, 

Aanlijmen, b. w. vs. to Glue or Paste 
together. 

Aanlijmcr, m. One who glues. 

Aanlijming,vr, Gluing orPasting together. 



12 



AANL 



Aaniij'mster, vr. , zie Aanlijtner. 
Aanloeven, o. w. met Ilcbben, vs. 

scheepsw. , to Lfjjf or Loof'up^ to Haul 

the 'Wind , to Trim sharp. 
Aanlokkelijk , bv. aanloUkend , yf/Zf/r/w^. 

• — , bcvalUc: , Attractive^ Charming. 

• — , bw. Attractively ^ Charmifigly. 
Aanlokkelijkheid , \r. Alltiringness. * — , 

Attractiveness. * — ^ Charrn. , 

Aanlokken , b. w. vs. to Allure , Entice ., 

Inveigle. 
Aanlokker, m.Allurer,Enticer^ Inveigler. 
Aanlokking, vr. , zie Aanlokkelijkheid. 

• — , Allurement ., Enticement, 
Aanloksel, o. Lure ., Bait ^ Allurement^ 

Decoy., Enticement. 

Aanlokster, vr. , zie Aanlokker. 

Aanlonken, b. w. vs. to Ogle at., to Look 
amorously at one, (fam.);o Cast a sheep^s 
eye upon one. 

Aanloop, m. als: Een' — nemen, to Take 
a run (to leap^; Dat hnis heefc vecl — , 
That house is very much frequented or 
visited ; llij bad veel — oin dat ambt, lie 
'^vas very much solicited for that office, 

Aanloopen , ongel. b. w. vs. als: leniand 
om een ambt — , to Sue or Solicit one 

for an office. *— , o. w. met Zijn,her- 
waarts ioopen, to Run tin's ^vay. * — , 
een kort bezoek aflej^gen , to Call , to 
Step in. * — , met Hebben, barder luo- 
pen , to Rut: faster , to Mend one''s pace; 
Tegen dcii muur — , to Run against the 
wall ; fig. Tcgen de gezonde rede — , 
fo Be contrary to common sen^c^ Ilij zal 
daarmedc — , This will bring him to a 
scrape , lie is in for it ; Ilet zal n<ig lang 
— , It will last still a long while. 

Aanmaakster, vr. , zie Aanmaker. 

Aanmaans^er , vr. , zieAanmaner. 

Aanniaken, b. w. vs. bevestigen, /<? Add, 
Join. *— , als; Een vunr — , to Light 
a fire ,• De sla — , /o OH the salad. * — , 
o. w. met Hebben , to Blake haste. 

Aanmaker, m. fig. Cause., Authnr. 

Aanmanen, b. w. vs. to Exho't^ Admonish, 

Aanmaner, m. Exhorter .^ AJmonlsher. 

Aanmaning, vr. Exhortation. 

Aanmarcheren , o. w. mec Hebben , vs. tn 
March on, * — , met Zijn, to Blarch 
Qto, op). 

Aanmarren , b. w. vs. sclieeps w. , to Moor., 
Belay. 

Aanmarsch, ra. krijgsw. , Advance. 

Aanmatigen (^Zich ), b. w. to Presume .^to 
Pretend., to Blake confident or arrogant 
attempts ; van daar .♦ Aanmacigend , Pre- 



sumptncus. * — , wederregtelijk in bezit 

nemcn , to Usurp. 

Aanmaiiging . vr. Presumption , Preten- 
sion. * — , Usurpation. 
Aanmelden, b. w. vs. to Report; Z'ch 
laten— , to Send up one''s name; Zich 
tot iets — , to Present one''s self. 

Aanmeluing, vr. Reporting. 

Aanmeugen, b. w. vs. to Attemper. 

Aanmenging, vr. Attempering. 

Aanmennen , b. en o. v^'. met llebben , V3. 
to Drive faster. 

Aanrnerkelijk , bv. merkwaardig , Rcma^k- 
able , Notable. * — , grooc , Consider a!ile. 
* — , bw. Retnarkably. * — , inzonderh., 
Considerably. 

Aanmerken,b. w. vs. to Observe ., Re- 
mark, to Take notice of. *— , bijz. ten na- 
deele,als: PJr isopdat werkniets aan te 
merken , There is hardly any fault to b* 

found with that performance. 

Aanmcrkenswaardig, bv. Observable , R»- 
markahle. *— , bw. Observably^ Remai k- 
ably. 

Aanmerker, m. Observer. 

Aanmerking , vr. aanmerken , Observing. 
* — , bet aangemerkte. Remark, Ob- 
servation , Reflection, 

Aanmerkster, vr. , zie Aanmerker. 

Aanmeren , ongel, b. w. , als: lemand een 
pak kleeren -- , to Take one^s measure 
for a suit of clothes, 

Aannien'ng, vr. Taking one''s measure. 

Aanmetselen , b. \v, vs. to Add or Join by 
masonry, to Blure to, ♦ — , o. w. moc 
Mebhen, to Blake speed (van metselaars 
sprekcnde). 

Aanmetseling, vr. Joining by masonry. 

Aanminnelijk , zie Aanminnig. 

Aanminnelijkheid , zie Aanmtnnigheid. 

Aanminnig, bv. en bw. Lovely. 

Aaiiminnigheid , vr. Loveliness. 

Aanminniglijk, zie Aanminnig, bw. 

Aanmoedigen, b. w. vs. moed uispreken, 
to Encourage.'*— , aanzeuen, to Animate. 
* — , ondcrsteuncn , to Countenance, 
Support, (porter. 

Aanmoediger, m. Encourager. * — , Sup- 

Aanmoediging , vr. Encourarrement. *--, 
Support. ' 

Aanmoedigster, vr., zie Aanmoediger. 

Aannaaijen, b. w. vs. to Sew to a thing; 
sprw. Gij zult raij geene ooren — ,Tou 
won''t impose upon me. 

Aannaaijing, vr. Sewing to. 

Aannaderen, o. vr. met Zijn, vs. to Ap- 
proach, to Draw near. 



AANN 

Aannadering, vr. Approach, 

Aannagelen, zie Aanspijkcren. 

Aannageling, vr. , zie x\anspijkering. 

Aaniieemster, vr., zie AaDnemer. 

AannemeUjk, bv. Acceptable. 

Aannemelijkheid, vr. Acceptableness. 

Aaiiiiemen, ongeL b. w. vs. oiuvangen, 
to Receive ; sprw. lets voor goede rannc 
— 5 zio op Munt. *— , niet afwiizen, 
to Accept. * — , to Adopt <^a child); to 
Embrace Qan opinion); to Agree with 
(a proposal).* — , berekenen, to Cumpnie. 
* — , gelooven, to Believe. * — , on- 
dcrnemen, to Undertake^ (eeiie reis— , 
a journey^ a F'oyage'). * — , onderscel- 
len , to Suppose, to Take for granted. 
• — , to Engage (^for service ) ,- to Receive 
(^into a fraternity). * — , in de Christ. 
godsdiensc als lidmaat opnemen , ;<; Co;;- 
firm. * — , als Zich eens persoons of 
eener zaak — , ;o Take care of a person 
or thing. * — , o. w. men Ilebben, to 
Make progress, to Improve. Zie ookAau- 
genomeu. 

Aaiineraer, m. One thatreceives ^ accepts, 
etc. ^ zie Aannemeu. * — , bijzonder , 
Bargainee , One that has entered upon a 
bargain for some work that is to be done. 

A3.nuemmg, \r. Reception. * — , Accep- 
tance, * — , Adoption. * — , Underta- 
king a bargain for, * — , Confnma- 
tion. 

Aannopen , b. w. vs, to Animate, Induce. 

Aanc^ping , vr. Animation , Inducement. 

Aanpakken , b. w. vs. to Take or Lay hold 
of, to Seize. 

Aanpakker, m. Taker. 

Aanpakking , vr. Taking, 

Aaupakster, vr. , zie Aanpakker. 

Aanpaleij ,o. w.mct Hebbea ,vs. to Border 
upon, to Adjoin; van daar; Aaupalende 
landen , Adjacent comitries. 

Aanpaling , vr. Bordering upon, 

Aanpassen, b. w. vs. van kleederen , to 
Try on. 

Aanpassing, vr. Trying on. 

Aanpersen , b. \\\ vs. to Press on. 

Aanpersinj, vr. Pressing on. 

Aaupicpen , b. w. vs. tu Squeak at. 

Aanplakbiljec, o. Bill posted up. * — , 
comcdiebiljet. Play-bill. 

Aanolakken, b. w. vs. to Post up, to 
Affix; fig. Icmaud iets— , to Cheat one 
into a bargain, to Take one in. 

Aanplakkcr, Oi. One that affixes, Bill- 
i ticker. 
Aaapla'-klr.g, vr. Pcsting ap , /iffixitjg. 



AAKP 



18 



Aanplakster, vr. , zie Aanplakker. 
Aanp'.ancen, b. w, vs. to Plant, to Com- 
mence a nursery of^t^ces), 
Aanplanting, vr. Planting. 
Aanpleisceren , b. w. vs. to Plaster. 
Aanpleiscering, vr. Plastering. 
Aanploegen, b. w. vs. to Join (apiece of 
ground to another^ by ploughing, ♦ — , 

o. w. to Plough with speed. 
Aanporder , m. One that incites , Inciter, 

Instigator, 
Aanporren, b. w. vs. to Incite , Exhort, 

Instigate. 
Aanporring, vr. Inciting, Exhortation , 

Incitement , Instigation. 
Aanporscer, vr. , zie Aanporder. 
Aanpracen , b. w. vs. to Persuade hj 

talking; leraand icts —, to Persuade one 

into a thing ; ook : to Persuade one to take 

a thing. 

Aanpracing, vr. Persuasion. 
Aanpreekscer , vr. Persuader. 
Aanpreken , b. w. vs. to Persuade by 

preaching ; fig. lemand iets — , zie Aan- 

praien. 
Aanpreker, m. Persuader. 
Aanpreking, vr. Persuasion. 
Aanprijsster , vr. , zie Aanprijzer. 
Aanprjjzcn, ongel. b. w. vs. lo Commend 

strongly , to Recommend. 
Aanpnjzenswaardig , bv. Recommendabie, 
Aanprijzer, ni. Recommender. 
Aanprijzing, vr. Recommendation. 
Aanprikkeleu , b. w. vs. to Spur on , to 

Incite. 

Aanprikkeling, vr. Incitement. 
Aanpunten, b. yt, vs. to Sharpen (the 

point of any thing^, to P.u'nt ; Pennen 

— , to Mend pens, to Ntb pens; fig. 

lemand — , to Oblige one to enter into 

some conversation or dispute. 
Aanpunter, m. One that sharpens, etc. 
Aanpunting, vr. Sharpening , etc, 
Aanpuntsier, vr., zie Aanpunter. 
Aanraadster, vr. , zie Aanradcr. 
Aanraden, ongel. b. <v. vs. to Adviss, 

Counsel {in favour of a thing). 
Aanrader, m. Adviser. 
Aanrading, vr. Advising. 
Aanraken , b. w. vs. to Touch, 
Aanraking, vr. Touching, Touch. 
Aanrandcn, b. w. vs. to Assail, Attack. 
Aanrander, m. Assailant. 
Aanranding , vr. Assailing. 
Aanrandster, vr. , zie Aanrander. 
Aanransster, vr. , zie AanraDv.j;-. 
Aaaianzcn , b. w. \s. to A>.->. * 



14 



AANR 



Aanranzer, m. A^sailavt. 

Aanranzing, vr. Assailing. 

Aanregt, o. , zie Aanregtbank. 

Aanregtbank, vr. in keukens , i)rffn(?r. 

Aanrcgten, b. w. vs. in orde schikV.en, 
to Range , Arrange. * — , opilisschen , 
(0 Serve (« course at tallc). ♦ — , ver- 
oorznken, to Commit^ Perpetrate ^ Do , 
Cause , Occasion, 

Aanregtcr, m.One that ranges , etc.*— ^ 
Perpetrator, ^ 

Aanregt iug , vr. Ranging. * — , Serving, 

• — , Perpetration. 
Aanregcsccr, vr., zie Aanregter, 
Aanregctafcl, vr. , zie Aanregtbank. 
Aanrciken , b. w. vs. to Reach. 
Aanreiking, vr. Reachiug. 
Aanrekenen , b. w. vs. to Bring or Put 

to one''s account^ to Charge one with, 

• — , o. w, met Hebben, to Cipher on ., 
to Cipher away, 

Aanrekening, vr. Putting to one''s ac- 
count, 

Aanrennen , o. w. met Hebben, vs. /e 
Ritle Ji'ster, * — , met Zijn , to Ride or 
Gallop this way , to Come galloping hither. 

Aanrid, in. Approach (^of cavahy\ 

Aanridselcn, b. w. vs., zie Aanndsen. 

• - , ro Touch lightly. 
Aanridseling, vr. , zie Aanridsing. * — , 

Touching lightly. 

Aanridsen , b. w. vs. to Incite, to Egg 
on , to Stir up. 

Aanridscr, m. One that incites , Inciter, 

Aanridpgeld, o. Allowance for a recruit' 
ing -officer, 

Aanridsing, vr. Inciting, Incitation. 

Aanridsster, vr. , zie Aanridser. 

Aanrigt, zie Aanregt. 

Aanr-gtbank , zie Aanregtbank. 

Aanrigten, b. w. , zie Annregtcu. 

Aanrigter, zie Aanregter, 

Aanrif^ting , zie Aanrcgiing. 

Aaurigtster, zie Aanregtstcr. 

AaDrigttafel , zie Aanregttafel. 

Aanrijden , ongel. o. w. mer Zijn , vs.hcr- 
■waarts rijden, to Ride or Drive this way. 
*— , bij ieniand een kort bezoek afle'LT- 
gen, to Call or stop at some place in 
passing on horseback or in a carriage^ 
fig. fam. alstllij zal verschrikkelijk — , 
lie will come in a terrible scrape. * — , 
met Hebben , to Ride or Drive faster. 
*— , b. w. fain, voortrijden, to Drive ^ 
fig. fain, aanzceken , als ; Zij bebbenons 
sterk aangci-eden. They have entreated 
us very earnestly. 



AA^•ll 

Annrijder, m. One that rides or drives 
this '-.'ay, etc, 

Aanrijdilig, vr. Riding this w^y , etc, 

AanrJjdstL-r, vr. , zie Aanrijdcr. 

Aanrijgen, ongel, b. w. vs. aan eene rij 
vast maken , to String. * — , met hoUe 
steken liecbien , to Stitch or Sew Inosely. 

Aanrijging, vr. Stringing, * — .y Stitching 
loosely. 

Aanroeijen, b. w. vs. to Row (^a boat^ 
this way, * — , o. w. met Zijn, to Row 
this way. * — , to Call , to Stop at some 
place in pasrihg with :i boat, * — , met 
Hebben, to Rov/ faster, 

Aanrocijing, vr. Rowing this way, etc, 

Aanrocjen , ongel, b. w. vs. als: lemand 
— (om hem niede te nemen), to Come 
or Go to call one, to Call on one. * — , toe- 
rocpen, to Call to; \Vjj verden door 
de schildwaclu aangerocpen , Tfe were 
stopped by the sentinel; i^g. smcekeu, als: 
God — , to Invoke th'e Lord; Om huip oC 
besdicrming — , to Call rpon. 

Aanroepcr, m. One that invokes , etc, 

Aanrojping, vr. , zie Aanroepen. * — , 
Invocation, 

Aanroepster, vr, , zie Aanroeper. ' 

Aanroercn, b. w, v«. aauraken, to Touch. 
* — , melUcn , to Hint at , to Blent ion ^ 
to Touch upon. 

A r.nrocring, vr. Touching,* — ,Mentioning, 

A nrollen, b. en o. w. mecZijn, vs./tf Roll 
this way. 

Aanrolling, vr. Rolling this way. 

AanrukkcMi , b. vsr. vst nadcr rukken, to 
Pull or Draw nearer. ♦ — , o. w. mec 
Zijn, nadercn , to Advance, to March 
on or forward. 

Aanrnkking, vr. Pulling nearer, * — , 
Advancing, 

Aansarren, d. -v. vs. to Excite to rage. 

Aanschaften, b. vv. vs. ook : Zicli — , to 
Procure one''s self, to Furnish, Buy. 

Aanschaffing , vr. Procuring. 

Aanscbakelen, b. w, \s. to Link together. 

Aanschakeling, vr. Linking together. 

Aanscharrelen , o. w. mec Zijn, vs. to 
Approach wr/ggingly, 

Aanschellen , zie Aanbellen. 

Aanschieten, ongel. b, w, vs. als: Een 
geweer — , to Try a gun. * — , ja^ersw., 
to IVound. * — , aandoen , als : Ik zal 
maar even mijn' jas — •»/'// but just put 
on my great coat or slip into my great 
coat. * — , o. w. met Zijn, to Rush on, 
to Approach very swiftly, * — , van scuii^i- 
len,' to Approach, 



AANS 

Aanschijn, o. uiterh'jke gedaante, ^/)- 
pearance, * — , gezigi. Face; fig. In 
het zweet zijns aanschijns, In the sweat 
of his brow. 

Aanschijnen, ongel. o. w. met Hebb^n, 
vs. to Shine {against , tegen). ♦ — , b. 
w. to Shine at. 

Aanschikken, o. w. met Zijn, vs. to Draw 
near, or to Approach with one's seat. 

Aanschitteren, o. w. met Ilebben, vs. /o 
Glitter (^against ^ tegcn). * — , b. w,to 
Glitter at. 

Aanschittering , vr. Glittering at, 

Aanschoeijcii (Zich_), b. w. vs. to Put 
on one''s shoes, 

Aanschoeijing , vr. Putting on one^s shoes. 

Aanschouw, m. Sight ^ View* 

Aanschouvvelijk , bw. Visible ^ Conspicu- 
ous, * — , bw. Visibly ^ Conspicuously, 

AanschouweUjkheid, vr. Visibility. 

Aanschouvven , b, w. vs. en vos. (Aanm. 
Meest en besf met het voorz.onscheidb.,} 
to Behold^ Contemplate ^ to Look at, * — , 
in de wijsbeg. Aauschouwcnde kennis , 
Intuitive knowledge, 

Aatischouwer , m. Spectator, 

Aanscliouwing , vr. Beholding^ Contem- 
plation, 

Aanschouwster, vr. , zie Aanschouwer. 

Aanschrappen , b. w. vs. to Mark with 
a dash, 

Aanschrapping, vr. Markingwith a dash, 

Aaiischreeuwen , b. w. vs. to Scream at. 

Aanschreijen, b. w. vs. to Cry at, 

Aanschrijfstcr , vr. , zic Aanjchrijver. 

Annschrijven , ongel, b. w. vs. opschrij- 
vcn , to Write or Note down, * — , op 
rekening stilen, to Put to one''s accou-i-t, 
* — , bevcien , to Signijy or Order by 
a mandate. 

Auiischrijver, m. One that writes down, etc. 

Aanschi'gving , vr. Writing dcwn, etc, 
7-ie Aanschrijven. * — , inzoud. Mandate. 

Ar.cschrocven, b. w. vs. vast schroeven , 
to Screw close to one another. * — , vas- 
ter schroevL-n, to Screw tighter. 

AansciiDCvhig, vr. Screwing to or tighter, 

A:nischin.'den, b. w. vs. to Shake or Toss. 

lAanschiulding, vr. Shaking or Tjssing. 

jAanschuiven , ongel. b. w. vs. to Shove 
or Pt ill forward. * — , o. w. rcetZijn, 
io Approach or to Draw nearer with 
one''s seat, zie Aanschikken. 

Aanschuiving, vr. Shoving jlrward.* — , 

\ Approaching with one^s seat, 

A.nislaan,^ onreg. h. \v. vs. raken , to 
Hit, as in playing at cricket, etc. * — , 



AANS 15 

vastmaken, to Fasten.* — , aanplakken , 
to Post tip, to Affix; vandaar: te koop 
aanbieden , to Offer for public sale. * — , 
aanvaarden , to Enter upon; ook-- toTake^ 
* — ,berekenen, to Cotnpute. * — , eene 
muzijknoot , to Touch Qa note on a musi- 
cal instrument^. * — , o, w. met Heb- 
ben , to Begin to sing. * — , van hon- 
den , to Open, Cry, to Bark at the 
game, * — , met Zijn, als : Hij sloeg 
legew den muur aau , He bounced against 
the wall, 

Aansiag, m. toeleg. Design, Plot, At- 
tempt. * — , Place where the line is 
fas tinned to a Dutch drawboat. * — , als- 
Ik kwam juist op deu — , I came when 
they were beginning. 

Aanilappen , o. w. met Zijn , vs. to Grmv 
slack , to Slacken, 

Aanslapping, vr. Growing slack, Sla^' 
kenivg. 

Aansiepen, b. w. vs. to Drag this way, 

Aansleping, vr. Dragging this way. 

Aanslibben, zie Aansiijken. 

Aanslibbing, zie Aanslijking. 

Aanslijken, o. w. metZijn, vs. to AllU' 
viate. 

Aanslijking, vr. Alluvion, the accretion 
or gradual increase of land along a 
seashore, or on the banks of a river,. 

Aanslijpen, ongel. b. w. vs. schorpen, 
to Set an edge on. * — , slijpende aan- 
maken, als : Eene punt — , to Grind 
intq. a point. 

Aanslingeren , b. w. vs. to Sling this 
way. *--, o. w. met Zijn, als: Komeo 
— , to Come staggering this way. 

Aansluipen, ongel. o. w. met Zijn, vs. 
to Come en slowly, to Steal on (one). 

Aansliiiten , ongel. o. w. met Hchben, 
vs. to Join. * — , b. w. , als: Zich m 
den omgnug — , to Join the procession 
as it passes by, 

Aansn-.eden , b. w. vs. to Join by forging. 

Aansmtuing, vr. Joining, 

Aansmehen, ongel. b. w. vs. to Join by tr^elt- 
ing, to Mel: to, * — , o. w. met licb- 
ben, to Blelt faster. 

Aansmeltirg, \r. Joining. 

Aansmeren , b. w. vs. to Bedaub , Be- 
smear; fig. Icmand iets — , to Cheat one 
into a bargain , to Take one in, 

Aansmcring, vr. Bedaubing, 

Aansmijten , nngcl, b. w. vs. to Throw 
this pvay; Ttgen den muur — , to Throw 
against the wall. 

Aansmijtiiiij, vr. Throwing this way. 



16 AANS^^ 

Aansnellcn, o. w. met Zljn, vs. to Has- 

ien tl'.h way , to A-'proach. 

Aansnoeren, b. w. V6. tn String. 

Aanspannen , on^el, b. w. vs. voorspan- 
ncii, to Put the horses to, * — , span- 
p.eii, to Strain^ Stretch, * — , o. w. 
oie: Hebben , to Put to ; Hg. Mec iemand 
— , to Make a plot with one. 

Aaiispanner, m. One thai puts the horses 
to the waggon , etc. 

A iHspanning, vr. Putting the horses to, etc. 

Aanspanstcr, vr. , zie Aanspanner. 

Aaiisparten, o. w. mec Zijn, vs. to Dash 
against. 

Aanspelden , b. w. vs. to Fasten with pins. 

Aanspelding , vr. Fastening with pins. 

Aanspelen, o. w. met Ilehben , vs. in het 
spel , to Have the eldest hand, to Play 
first; fig. als : Op ices — , to Allude to ^ 
to Hint at. 

uuispeling, vr. Allusion. 
v u.speten , b. w. vs. so Spit, to Put 
upon a spit. 

A;iiispeting, vr. Spitting y Putting upon 
a spit. 

Ajjispijkeren, b. w. vs. to Nail ^ to Nail 
to or on^ to Fasten witJi nails. * — , o. 
w. met Plebben , to Nail with more speed. 

Aanspijkering, vr. Nailing, etc. * 

Aaiispmnen, ongel. b. w. vs. to Join by 
spinning, to Spin together, * — , o. w, 
met llebbcn, to Spin with more sf^eed. 

Aanspoeleii, o. w. met Ilebben, vs. van 
water, to Streatn Qogainst , tegcn), to 
fF'ash at. * — , met Zijn, aandrijven, 
to Alluviate. * — , b. w. /o Carry on. 
* — , to Cast on shore, 
\anspoeling, vr. Streaming against, etc. 
lansportn ,b. w. vs. to Spur ; fig. to Ani- 
^r.ate , Prompt , Incite, to Rouse to ac- 
tion , to Spur on , to Egg on. 

Aauiporing, vr. Spurring ; i]g. Animating. 
* — , Exhortation. 

Aanspraak, vr. Harangue, Speech. * — , 
fain, bczoek, Fisit , Call. * — , eisch , 
Claim , Title ; — op iets maken, to Lay 
claim to a thing, to Pretend to; — op 
icts hebben, to Have a claim {right') 
to a thing. 

Aansprakelijk, bv. Answerable , Respon- 
sible , Accountable. 

Aaiisprakv'lijkheid, vr. Responsibility, 
Rcsponsibleness , Answerableness. 

Aanspreekster, vr. , zie Aanspreker. 

Aauspreken, ongel. b. w. vs. cocapreken, 
to S; eak to , to Add' e<s , Accost * — , 
cenc aauipraak houdtn, to Harangue ; 



AA:\Si' 

fig. Iemand cm eene aalinoes — , zie 
Aahu >cs,- fig. Iemand — , (hem bezoe- 
ken,) to Call upon one; Zijne landgoe- 
deren mocten — , to Be obiigid to make 
money of one'' s ev.ate ; Zijngcid — ,(ge- 
briiikej) ,) /.9 Employ one^s money. * — , 
manen, tJ Dun. ♦ — ,o. w. met Hebben, 
bedelen , to (J a begging. * — , van or- 
gelpijpen, to Give a sound. 

Aanspreker, m. One that accosts, Ha- 
ranguer, etc. ♦ — , inzuiidv-rh. , zie Be- 
gratcnisbidder. 

A ansprekersgild , o. Corporation ofundt r- 
takcn , zie op Ikgrafenisbidder. 

Aanspreking, vr. Accosting y Haran- 
guing , etc. 

Aanspringen, cngel. o. w. met Zijn, in 
zokerc rigcing springen , als : Tegeu dea 
muur — , to /amp or Strike against 
the wall, zie Springen- Op iemand — , 
to S;>ring towards one. 

Aanspugcn, ongel. b. w. vs. to Spit at. 

* — , b. en o. w. met lisbbcu, to Spit 
{against, tegsn). 

Aanspuwun , b. en o. w. , zie Aanspugen. 

Aanstnan, onreg. o. w. vs. met Hebben, 
bevallcn, to Piease , Suit. * — , opeeue 
reet staau, to be upon ajar .* — ,tam., 
lijden , to Suffer, * — , duren , als: Dae 
zal nog lang — , It will take up much 
time before it comes to pass ; van hier: 
aanstaand , hv.Nexty Following; Aan- 
s:aandcziju, to Be coming. 

Aanstampen, b. w, vs. to Ram in. ♦ — , 
o. w. met Hebben , to Pound faster , 
zie Stampen. 

Aanstampmg, vr. Ramming in. 

Aanstappen , o. w. met Z.jn , vs. herwaarts 
stappen , to Step or March this way, 

* — , met Hehbcn, to Step or march 
faster , to Mend one''s pace ; Goed of 
VVakker — , to Go a great pace. 

Aanscaren, b, w. vs. to Stare or, to Gaze at. 

Aanstaring, vr. Staring or ., Gazing at, 

Aansteekscer, vr. , zie i\arisceker. 

Aaiisceken , ongel. b. w. vs. doen bran- 
den , to Light , Kindle. * — , bcsmctten, 
to Infect ; van hier : Eene aaiiscekende 
ziekte, A contagious disease. * — , op- 
steken, to Broach, Tap or Pierce (^a 
barrel^. * — , o. w, met Zijn , beginnen 
te rotten , to Have a beginning of rotting. 

Aansteker, m.Onethat lights, etc.. Lighter. 

Aansteking . vr. Lighting , Kindling. * — , 
Injection. * — , Broaching. '■' — , R^.ting. 

Aanscellen , b. w. vs. pluarscw, to Put 
(^against, tegcu^. *— , aii : T-ol ecu 



AANST 

ambt^^, to Appoint. * — , (zich) to 
Behave; Zich tegen iemand — , to Op- 
pose one''s doings. 
Aansteller , m. One that puts against , etc. 

* — , At)pointer. 

Amstellihg, vr. Putting against^ etc. 
* — , benoeming. Nominating^ Nomi- 
nation, * — , post. Commission. 

Aanstelster, vr. , zie Aansteller. 

Aansterven, zie Aanbesterven. 

Aansterving, zie Aanbesterving, 

Aanstevenen , o. w. met Zijn , vs. to Steer 
this way. 

Aansiikken, b. w. vs. to Stitch to. *— , 
o. w. met Hebben, to Stitch with speed. 

Aanstikking, vr. Stitching to. 

Aanstippen, b. w. vs. to Mark with a 
point; fig. to Touch lightly upon ( a matter ). 

Aanstoffen, b. vv. vs. to Sweep, Dust. 

Aanstoffing, vr. Sweeping , Dusting. 

Aanstoken, b. w. vs. to Feed {a Jire); 
fig. to Foment (^a quarrel). 

Aanstoker, m. One that feeds (^a fire^, 
etc.. Stoker; fig. zie Stokebrand. 

Aanstokingj'vr. Feeding a fire ; fig. Fo- 
menting. 

Aaustommelen, o. w. met Zijn, vs. of: 
Komen — , to Come stumbling this way. 

* — ^ to Stumble {against, tegen). 
Aanstonds, bijw. dadelijk, Directly, 

Immediately, This moment.* — fStv&ks, 
By and by. Presently, Soon. 

Aanstookster, vr. , zie Aanstoker. 

Aanstoomen , o. w. met Zijn, vs. of: Ko- 
men — , (van eene stoomboot, enz.) 
to Approach. * — , met Hebben , to Steam 
faster. 

Aanstoot , m. stoot , First pushing. * — , 
Stumbling against something ; fig. Een 
steen des aanstoois, A stumbling-stme , 
stumbling-block; Veel — lijden , to Sujf'- 
fer many hardships. *—, beleediging. 
Offence; — geven, to Give offence. 

Aanstootelijk, hv. Offensive , Scandalous. 

* — ^ bw. Offensively , Scandalously. 
Aanstootelijkheid, vr. Offensiveness , 

Scandalousness. 

Aanstooten , ongel. h. w. vs. een' scoot 
geven , to Give a first push to , to Push. 
*— , stooren tegcn , to Push (^against), 

* — , to Ram in (the charge of a gun). 
*— , to Push {a door') upon a jar. 

* — , o. w. n.et Hebben, gemeenz., 
to Stammer, Stutter. 

Aanstooting , vr. Pushing., etc. 
Aanstoppen, b. w. vs. to Fill closer. '— , 
IIOLL. ENG. WBK. 



AANST 



17 



o. w. met Hebben , to Fill away, etc. , 
zie Stoppen. 

Aansiopping , vr. Filling closer. 

Aanstormen, o. w. met Zijn, vs. als:Op 
iets — , to Rush in upon. 

Aanstorming, vr. Rushing in (^upon, op). 

Aanstouwen, b. w. vs. to Stow away. 
*— , to Heap up; fig. to Push on ^ to 
Incite. 

Aanstouwing, vr. Stowing away. 

Aanstralen, b. w. vs. to Dart upon, to 
Shine on. * — , o. w. met ZV]n,toDart 
( against , tegen). * --,to Gush (^against, 
tegen). 

Aanstranden, o. w. n-^e: Zijn, vs. to 
Strand, to Drive on shore , to Be cast 
on shore. 

Aanstranding, ar. Stranding. 

Aanstreelen, b. w. vs. fig, to Court one''s 
friendship. 

Aaustreve'n, o. w. met Zijn, vs. /o5/m'# 
or Come this way. 

Aanscrijken , ongel. b. w. vs. verwen , to 
Colour , Paint. * — , witten , to Whiten , 
TVhi'-ewush. *— , o. w. met Hebben , 
to Hit orie^ leg against another in run- 
ning. *— , van voxels, als : Komen — , 
to Come hovering this way; (van men- 
schen), Komen — , to Come strutting 
along. 

Aanstrijking , vr. Painting. * — , Whi- 
tening\, etc. 

Aanstnkken, b. w. vs. to Join by knit- 
ting , etc. 

Aaustrikking , vr. Joinir.^: by kniting, etc. 

Af.nstrompelen, o. w. met Zijn, vs. als: 
legen iets — , to Stumule against.* — ^ 
als-: Komen — , to Come Stumbling ulovg. 

Aanstroomen, o. w. m'^t Hebben, vs. ' 
als : De rivier stroomt tegeu de siad 
aan , The river bai'iss the town. * — , 
b. w. als : Een land , dat de rivier aan- 
gestroomd heeft, A field alluviated from 
the river. 

Aanscruikelen, zie Aanstrompelen. 

Aaustuiven , ongel. o. w. met Zijn ^ vs. 
als: De aangesiovene duinen, Tlie sand- 
hills formed by the flying of the d<jst ; 
fig. Komen — , to Come in a hury, to 
Rush in., to Boom. * — , als: Tegen 
iets — , to Fly or Rush against a things 
zie Stuiven. 

Aansf.iwen , zie Aanstouwen. 

Aansullen, o. w. met Zijn, vs. als: Tc- 
?en iets — , to Si'de against something; 
Komen — , to Come sliding along. 



18 



A ANT 



Aanral, o. Number^ Great many. 

Aantasieri , b. w. s ,<;njpen, to Take , 
or Lay held >./ ; ^ ivw. , zic op Aanvac- 
ten. * — , aaiivallfii , to Fall upon ^ to 
Attack^ Aisail ^ Aisan/i; Icmand m zij- 
j;e eer — , to Hurt, Wound ^ Blast or 
Blemiih one^s reputation or character ^ 
Z'ch zelven — , to Become a suicide; 
Zijne landgoedercn nioeten — , z e op 
Aansprekenj Die ziekte hecft hem ^e- 
weki'g aangciasc. That illness has greatly 
'weakened or dehilinted iiim. 

Aanta.sting, vr. Taking. * — , Attack- 
ing , etc. 

Aainetkenaar, m. One that marks or 
notes , etc. , Aunotator, ( etc. 

Aanteekci.aarsrcr , s. Vf^oman that marks y 

Aanteckcnboek , Aaiucekcnbov-kje , o. 
Mcmorandiim-bvok , Pocket book. 

Aaiveckt nen , b, vv. vs. een tteken zet- 
ici; , to M'.irk ^ to Set a vuiik to. * — , 
opicekcnc!! , to IVote orf/'rite down. * — , 
toe cen biiwcwjk, to Betroth ^ Ajjiance. 

Aantcekeni^>f4 . vr. Marking. * — , No- 
ting or J'Fritino down.* — , Betrothing 
or ^Affiancing. * — , hec aaugeieckendc:, 
Note , Anuoicition. 

A?ntt:ckenkantoor, s. Office where, some- 
thing is noted down. 

Aanielcn, zic Aankweekc-n. 

Aaiuelleu , b. v;. vs. to Count to one, to 
Pay down. * — , p. w. mcc Ilebben, to 
Count faster. 

Aantclliiig, vr. Payirg. 

Aaiuijgen , gel. cv. uvgcl. h. w. vs. to 
Impute , to Liiy to onc''s charge^ to Charge 
one with. 

Aaiuijger, m. Imtw.ter. 

AaiuijgJHg, vr. IrnjAiting. *— , bet aan- 
gccijgde. Imputation. 

Aaun'jgsrer, vr. , zie Arnrijger. 

Aaniillen , b. w, vs. to Lift up. 

A aif'- 'vieren, b. \v.\:. to Raise (^honscs^y 
Bui: '{ships). 

Aa!!'iiv.i.iering, vr. Raising a building. 

Aantor . m. Af^f'oach , Coming this wr.y, 
Marchi:t(y on. 

Aantokkeien, b. w. vs. aanraken , to Tickle; 
fig. aanz-'iten, to Incite., Prompt. 

Aantokksling, vr. Tickling ; fig. Inciting. 

Aentokk -n, zie Aaiuokkeien. 

AaDtokiiiig, zie Aantokkeling. 

Aautoonen , b. vv. vs. to Show , Indicate, 
denote , T>eyrion<trate , to Point out. *— , 
ill de spraakk. : De aaiuooneude wijze, 
The indicative mood. 

Aajtoouer, ra. One that i-Z-yi-y , etc. 



AAiST 

Aantooning, vr. Showing, etc* 

Aainoonscer, vr. , zie Aantooner. 

Aaiitoovercn , b. w. vs, als : lemaiid iets 
— , to Bewitch one into S'nnethivg. 

Aantred, m. ., zie Apiureding. 

Aantredeii,ow^t/.o.\v.met Zijn, vs.ro Blarch 
hither.* — ^ met Hcbben, to Blarchj aster ^ 
to IVlend one'*s pace.*—, b. vv. aaiuaardcn, 
to Commence ^ to Enter upon. ♦ — , neer- 
crappen , to Tread down (^the earth about 
the root of a tree ). 

Aaiureding, vr. Blarching hither or faster, 

* — , Commencing. * — , I'reading down» 
AainrelTen, ongel. b. w. vs. trtffcn, out- 

inoeten, toMeet^ to Bleetwith, to Encoun- 
ter {casually) , to Chance upon. "*' — , 
vinden , to Find {at an appointed place), 
to Meet. 

Aancreffiiig, vr. Meeting. 

Aamrekkelijk , bv. aanlokkelyk , Attrac- 
tive , Taking , Lovely , Captivating. * — , 
lir^t aaugedaan, Easily conce; ned ., Sen- 
sible. * — , ligc bclcedigd, Easily of- 
fended. Touchy. 

Aaiurekkelijkheid » vr. Loveliness. *— , 
Being easily concerned , Sensibility.'* — , 
Touchiness. 

Aantrekken , ongel. b. w. vs. to Draw 
this way. * — , ro Draw nearer or tighter. 

* — , van een' zeilsr. eiiz., to Attract; 
fig. Zich ic:s — , to Take a concern in, 
to Tike to heart. * — , van kleedcrcn, 
to Put on ^{>nci eenige nioeiie, ) to Draw 
on; spvw. Dicn de schocri pasr , trck'<e 
hem nan, If any fool finds tjie cap fits 
him , let him p'ut it on. * — , o. w. met 
Zija, van krijgs'/olk , to Blarch on. 

Aantrekkcr, ni. One that draws nearer, 
'etc. * — , inzoncl. , Shoiing horn. 
Aannckkin.^ , vi-. Drawing nearer, etc. 
Aantrekkiugskvr.clu , vr. , Aantrekkings- 

vermoger. , o. Af traction , Atttactive 

power. 

Aantrekster, vr. , zie Aantrekker. 
Aantroiivven, b, w. vs. to Become allied 

to; van hier: Eene aangetrouwde doch- 

tcr, A daughter-in-law. 
Acintrouwing, vr. Becoming allied to, 
Aanvaardeu, b. \v. v.s. en vos., doch nicest 

en best vos., to Accept, * — , to Enter 

«/. on , to Take possession cf , { bi j regcsgel. 

vcor dQvi nog nier ver{;chenen' weitigcn 

erfgenaam, in bezir ncinen,) to Abate; 

Eene rcis — , zie Aannenicn. 
Aanvaarder, n:. One that accepts . etc. 
Aanvaarding, vr. Entry up'.m , Taking 

possession of* — , Accepting. 



AAm 

Aanvaarclster , vr. , zie Aanvaarder. 

Aanval, ir,. valleii tegen lets. Falling 
against, * — , het doen van een' aan- 
val , Attack, Assault, Oi'set ; Een loo- 
zc ~- ^ A false attack ; fig, van koorts, 
eiiz, Fit^ Een — van beroene , A touch of 
■paralysis. * — , als: Dat huis heeftveel 
— , zie Aanloop. 

Aanvalleii, ongeL o. w. met Zijn, vs. to 
Fall (^againit, tegen). *— , beginnen , 
to Begin ^ to Make a beginning. * — , 
b.' w. to Attack.^ Assault ., to Fall or 
Rush upon .^ to Break inupon ; van hier: 
Aaiivalfend en verwerend verbond , Of- 

/ensive and defensive alliance. 
anvaller, ni. Aggressor , Assailant , 
Assailer , Attacker. 

Aanvallig, bv. Lovely^ Amiable^ Graceful. 

Aanvalligreid , \t. Loveliness , Amiahk' 
tiess. Gracefulness. 

Aanvalling, vr. Falling, etc., zie Aan- 
vallen. 

Aanvalster, vr. JF'oman that attacks. 

Aanvaug, \z^. Beginning y Commencement. 

Aanvangen, ongel. b. w. vs. begionen,/^ 
Commence , Begin. * — , ondernernen, 
to Undertake ; Wat vangc hij nii weder 
aan?, TFhat is he about again nov,'?* — , 
doen , to Do. * — , o. w. to Begin , 
Commence. 

Aanvanger, m. Beginner. 

Aanvanssier, vr. , zie Aanvan^er. 

Aauvankeiijk, bv. Original, First. ♦— , 
bw. First , At first. Originally. 

Aanvaren , ongel. o. w. n)er Zijn , vs. to 
Approach in a boat. * — , rner Ilebben, 
to Blake speed. * — , to Stop at some 
place. * — , b. w. to Bring nearer in a 
boat. Zie ook de Aanm. op Varen. 

Aanvarin!:^, vr. Apprcathing. * — , Speed- 
ing. *~, Stopping. * — ^Bringing nearer. 

Aauvatien , b. w. vs. aanraken, to Touch. 
* — , aangrijpen , to Take or Lay hold 
of; sprw. Het is geene kat om zonder 
handschocnen aan te vauen, Het is een 
heet jjzer ora aan te vatten of aan te 
tasten , It is a critical cr dangerous un- 
dertaking , He {She^ is not to be trifled 
w/f/?.*— , ondernernen, ?o Undertake. ( ten. 

Aanvatiing, w.Touching, etc., zie Aanvat- 

Aanvechten , ongel. b. w. vs. fig. in de 
godgel. , to Tem;,t. 

Aanvecriier, ra. Tempter. 

Aanvechting, vr. Temptation. 

Aanvechtster, vr. Tempter, (^Temptress). 

^anvegen , b. w. vs. to Sweep or Dun (a 
team), zic A.-ais-c.ffcn. 



19 



Aanversterven , ongel. o. w. met Zijn , vs* 
toDevolve upon {by a decease). 

Aanversterving, vr. Devolving upon. 

Aanverstorven , v. dw. , zie Aanverster- 
ven. 

Aanvertroiiwen, zie Aanbetrouwen. 

Aanverwar.t , zie het meer gebruikelijke 
Verwaiu. 

Aanvlecluen, ongel. h. w. vs. to Join to 
by braiding or knitting , to Tr^'ist lo. 

Aanvlechting, vr. Joining. 

Aanvliegen , ongel. o. w. met Zijn, vs. 
herwjiaris vlicgen , to Fly hither; fig-, 
als: Aangevlogen komen , Komen — ,t9 
Come flying , to Come a flying course. 

* — , icgcii iets vliegen , to Fly ( against, 
legen). * — , van roofvogels , als:Op... 
- ,to Fly at. * — , vuur vatien ,/;? JV/A'^ 
fire. * — , b. w. op het lijf vallcn , t9 
Fly at; fig. als: lemand — , to Fly into 
one*s face, 

Aanvlieten, ongel. o. w, met Zijn, vs. to 

Stream gently this way. *— , met Heb- 

ben , to Stream (^against , icgen). 
Aanvlieiing, vr. Streaming gently this 

way. 
Aanvlorten , v. a. vs. to Float hither, * — , 

o. w- met Zijn , to Float this ivay, 
Aanvoeden, b. w. , zie Aankweekenin de 

2. beteck. 
Aanvoeding, vr. , zie Aankweeking. 
Aanvoegen, b. w. vs. to Join , Add. * — , 

in de spraakk.: De asnvoegends wijze. 

The subjunctive mood. 
Aanvoeging , vr. aanvoegen , Joining. ♦— , 

aanvoegsel , hei aangevoegde , Addition, 

Supplement. 
Aanvoegsel, o. , zie Aanvoeging in de 2. 

beieek. {Handle. 

Aanvoelen, b. w. vs. to Feel, Touch, 
Aanvo'-r, m. Bringing hither. Importation, 
Aanvoerder, m. One that brings hither , 

etc. , zie Aanvoeren. * — , inzond. in 

het krijgsw. , Leader , Commander^ Chief, 

* — , in een* kwaden zin, Ringleader. 
Aanvoeren, b. w. vs. hcrwaarts voeren , 

to Bring hither^ to Import ;£\^.h\]\v:c\\- 
gen, to Quote (a passage of a book). 
Cite. * — , als : Tot i\q\\ strijd — , to LecJ 
on to battle. *—, in het krijgs.vczen , 
Een lej^er — , to Command an a'wv. 

Aanvocring, vr. , zie Aanvoer. * — , 
Comm.and. 

Aanvoerster, vr, , zie Aanvoerder. 

Aanvraag, Ar.nvrage, vr. Qvestiontutf 
any one particularly , Inquiry ; I'^ ver- 
bleckie bij deze — , lU tu-rned ^aU at 



20 



AANVR 



thh auestion ; BJj iemand— over iets doeu, 
to Ask one about an affair. 

Aaiivragen. ovgel. e\ige/. b. w. vs. verzoe- 
ken, to Solicit., to A k for. * — , o. w. 
met Heb'ien , vragen , to Inquire y Ask, 
* — , als : Om iets — , to A^k for or to 
Sol'cit something. 

Aanvrie^en , o;;^^/. o. w. metZijn, vs. /o 
Join by freezing. 

Aanviiezing, vr. Joining. 

Aanvrijven, ovge!. b. w. vs. to Rub at 
or against; fip;. in een* kwadeii zin , 
als: Iemand iQi^-- , to Im'uie something 
to one , to Charge one with something ,• 
Iemand een' I2I' — , zie Lak. 

Aanvrijv'ng, vr. Rubbing .^ etc. 

AanvuUen , b. w. vs. to Fill ^ to Fill up ^ 
to Replenish ; fi;;. als : leis overgesla- 
gens — , to Supply what is omitted. 

yianvuDiug, vr. Filling. ♦— , Comple- 
ment. 

Aanvuren , b. w. vs. fig. to Excite^ Rouse, 
Inflame, Fire, Animate, Encourage, 

Aanv'iring, vr. Exciting, Rousing, En- 
cow agement. 

Aaiivuur<ler, m., Aanvuurster, yr. Exci- 
ter , Encourager. 

Aanwaaij'.n, o:tgel. en gel. b. en o. w. 
met Zijn , vs. herwaarts vaaijcn, to Blow 
this way. * — , tegcn iecs waaijen, to 
a low (^afainst, tegen),- fip. als: Het is 
hem niet aangewaaid, lie has not got it 
without p lins. * — , o. w. metllebben, 
to li'nv hard. 

Aan v.ikV M-en , b, w. vs. to Animate, 
Rouse , Enliven. * — , o. w. met Zijn, 
to Chfir up, to Grow brisker; fig. als: 
De wi.Kl wakkert aan, The wind increases. 

Aanwalkering , vr. Animating. * — , Ani- 
ration. * — , Growing brisker. 

Aanwas , m. Increase , Augmentation ; Bij 
den — zijrer jaren , fFith his growing 
years. * — , van kunsten , enz. , Progress. 
* — , va:; heiv:3iter. Flow, Flood , Flow- 
ing tide , F/vx. * — , van land , zie Aan- 
slijking. 

An-ir/assen, ongel. o. v;. met Zijn, vs. 
vasr groeijen , to G/oir to, to Be joined 
b;} growi 7g ; van hier : Aangewassen zijn, 
aU : Dc '.s 's aangerassen. The lungs oj 
the ox S'. ck cloie to the ribs ; fig. to In- 
crease , Ati;firerit. * — , van het v/ater, 
tc Rise. 

Aanwpssing, vr. , vJe Aaowas. 

Aaavvenden , b. w. vs. herwaarts wenden, 
/. .i ;; this way. * — , gebruiken, to 
Use, Employ, Apply; AUes — , to Do 



AANW 

one''s utmost endeavours , to Leave no 
stone unturned. 

Aanwending, vr. Making use of. Em- 
ploying, 

Aanvvennen, b. w. vs. als: Iemand iets 
— , to Accustom , Habituate or Inure 
one to a thing ; Ik heb mij dac zoo aan- 
gewend. That is become a habit to me, 

Aanwenning, vr. Accustoming, etc.*—, 
zie Aanwensel. 

Aanwensel, o. , Aanwensc, vr. Habit, 
Custom, 

Aanwentelen, b. vr. vs. to Roll this way. 

* — , to Roll {against, tegen). 
Aanwerfsier, vr. , zie Aanwervcr. 
Aanwerken, b. w. vs. tojoin by working, 

* — . o. w. met Hebben , to VFork with 
speed. Aanm. Tot dit werkwoord hrengt 
men ook : Ik wrocht aan, aangewrocht. 

Aanwerpen , ongel, b. w^. vs. in zckere 
rigting werpen , als : Tegen iets — , to 
Throw against something. * — , herwaarts 
vk^erpen , to Throw this way. * — , schie- 
lijk aandoen , als : Den rok — , to Throw 
on oue'^s coat , to Put on one''s coat in a 
hurry , to Slip into one''s coat. 

Aanwerping , vr. Throwing this way. *—, 
Throwing on. 

Aanwcrven , ongel. b. w. vs. tot de krijgs- 
dienst , to Levy , Raise , Enlist ; fam. als: 
ik heb hem aangewc^rven , / have engaged 
him to become a member of our society, 

Aanwerver, m. One who engages. *— , 
Recruiting-officer. 

Aanwerving, vr. Levying, Raising. 

Aanweven, b. w. vs. to Join by weaving, 
to Weave to. * — , o. w. mec Hebben, 
to Weave with speed. 

Aanwezen , onreg. o. w. met Zijn , vs. 
als: De schuit zal vroeg — , The boat 
will arrive early; Hij zal niet lang — , 
He will not remain in function long; 
fam. Iemand om ieis — , to Apply to one 
for a thing; fig. als : Onze rekening is 
aao , Our account is even , We arc even. 
Aanm. In vele gevallen, waarin dit woord 
gewoonlijk aaneen wordt geschreven, 
behoorde aan niet rr^^iwezen verbonden 
tc worden , zoo als bijv. Er slecht aan 
wezen,enz., waarom wij in zulke uit- 
drukkingen vervvijzen op : Er, * — , o. 
Existence. * — , Pf esence. 

Aanwezend, bv. Existing, Born. * — , 
In office ; De aanwe/.ende leden , The 
members that are in office. Atxnm. Velen 
gebruiken dit woord ook in den zin van 
Aanwezig, zie Aanwezig. 



AANW 

Aanwezcndheid, vr. Existence^ Life. 

Aanwezig, bv. Present. Aanm. Bij velen 
ook in gebruik voor Aanwezeud , zie 
Aanwezencl. 

Aanwezigheid, vr. Presence. 

Aanwjjssrer, vr. , zie Aanwijzer. 

Aanwijzen , ovgel. h. w. vs. wijzen, to 
Show , Indicate , to Point out. * — , tot 
eenig gebruik bestemmen, to Assign; 
zie Aanduiden. 

Aanwijzend ,(tegenw. deelw. van Aanwij- 
zen). * — , bv. in de spraakk. , als : — 
voornaainwoord , Demonstrative pro- 
noun. 

Aanwijzer, m. One that shows^ etc. , In- 
dicator, 

Aanwijzing, vr. Indication , Showing , 
Pointing out. * — , inleiding, als: Eene 
tot — de spraakkunsc , An introduction 
to grammar. * — , in den kooph. , As- 
signation , Cheque. 

Aanwinden , ongel. b. w. vs. to Wind this 
way or nearer. * — , o. w. methebben, 
to Wind with speed. 

Aanwinding, vr. Winding this way. 

Aanwinnen, ongel. h. w. vs. verkrijgen, 
to Get , Gain. * — , overwinnen , to Con- 
quer^ Aangev/onnen land, Conquest , Con- 
quered country or province ; zie ook Aan- 
slijken en Aanscuiven. * — , o. w. met 
Hebben, toenemen , to Improve^ Gain, 
to Improve one''s stock; Hij Leeft veel 
aangewonnen(ingezondheid), ///V/i^rf/;A 
is greatly improved. 

Aan winning, Aanwinst , vr. Improvement, 
Gain, Profit. 

Aanwoekeren , b. w. vs. to Gain or Ac- 
quire hy usury. 

Aanwoekering , vr. Gaining by usury. 

Aanwortelen , o. w. metZijn, \s. to Take 
root, to Root. 

Aanwrijven, zie Aanvrijven. 

Aanwrijving, zie Aanvrijvtng 

Aanwroeten , o. w. met Zijn , vs. als: Ko- 
men — (eig. ) to Come rooting this way. 
(fig.) to Come trudging this way. 

Aanwuiven, b. w. vs. to Make signs to 
one (with the hat). * — , o. w. met Zijn, 
als: Komen — , to Come shouting this 
way. 

Aanzaaijen , b. w. vs. to Sow. * — , o. w. 
met riebben, to Sow with speed. 

Aanzakken , o. w. mec Zijn, vs. to Sink 
down this way; Een toiiw laten — , to 
Lower a rope this way ; fig. fam. Daar 
komt bij wedr — , There he comes again 
in his usual loitering manner. 



AAIN'Z 



21 



Aanzanden , b. w. vs. to Sand, to Cover 
with sand. 

Aanzegelen , b. w. vs. to Seal to. 

Aanzegeling, vr. Sealing to. 

Aanzeggen , onreg. b. w. vs. to Intimate, 
Signify ; Laten — , to Send word, to Give 
notice; Een' misdadiger den dood —^ to 
Notify a sentence of death to a criminal, 

Aanzegger , m. One that intimates. 

Aanzegging , vr. Intimation, Notification 
by word of mouth. 

Aanzegster, vr., zie Aanzegger. 

Aanzeilen, o.w. met IIebben,vs. voprtzei- 
len, to Sail on; Tegen iets — , to Sail 
against something, * — , met Zijn , her- 
waarts zeilen, to Approach in sailing, 
to Sail this way. * — , tegen iers zeilen , 
to Run aground in sailing, to Sail against; 
fig. GJj zuit daarmede — , zie Aanloo- 
pen ; fam. als : Komen — ,to Come reeling 
or staggering this way. 

Aanzeiling, vr. Approaching , etc. 

Aanzetster, vr. zie" Aanzetter. 

Aanzetcen, b. w. vs. tegen iets zet- 
ten , to Place (against , tegen). * — , 
voegen, to Join , Add; tig. als: lemand 
eene kwaal — , to Infect one with a disease. 

* — , aanschrjjven , als: lemand iers — , 
to Put a thing to one''s account , to Charge 
one for a thing; van daar, in bet spel : 
Hec lemaiid — ,to Make one lose the game; 
lemand eene klad — , to Slain or Blast 
one^s reputation. * — , als: De lading van 
een geweer — , to Ram in the charge of 
a gun. * — , scberpen, als : Een peime- 
mes — , to Set a penknife ; fig. aansporen, 
to Incite, to Egg on. to Instigate, Induce. 

* — , o. w. met Zijn, als: Komen — , 
to Approach (sv^ijtly); Bij iemalid ko- 
men — , to Come and intrude upon one ; 
fig. Ik zal bet er op — , /'// venture it, 
III run the risk. * — , aanbranden , to 
Stick to the pan or the bottom, 

Aanzetter, m. One that Joins , etc, * — , 
inzonderh. , Inducer. 

Aanzetting, vr. Joining, Adding. * — , 
Setting (of a penknife). 

Aanzien , onrcg. b. w. vs. beschouwen , 
to Look at I fig. lemand over den schou- 
der of den linkerichouder — , to Look 
down upon one with scorn ; lets met Sche- 
ie of leedetxigen — , to Be envious about 
a thing. * — , verdragen, als: Ik kan 
dat niet langer — , / can no longer suffer 
that; Ik zal het nog een weiuig — , /'// 
tarry a little still and see what turn 
things take, * — , uit het uiterlijke een 



22 



AANZ 



besUiit trelcken , als: Men kan heni 
wcl — , dat hij f^ezond is, One may judge 
hy ///V appearance (hat he is in good health; 
fi J?. Het laac zich — , <^at , enz. , // secjn^, 
that, etc. * — , honden voor, als: Ik 
Z3g u voormijn* vrieiul aan, ItJioi/ght 
ynu were ir.y friend; Indien men de zuak 
van dien kau aanz'Ct, If the case is con- 
sidered from that side. ♦ — , achten , to 
Regard, to Have regard fur; fi^. Men 
moet de personen — , A distinction is 
to be made according to the persons one 
deals with; zie ook Aangezien. ♦ — ,o. 
Looking at. * — , regenwnoritiglieid , P^ e- 
sence ; sprw. — doet j^edenken , Oppor- 
tunity makes the thief. *— , {?ezij? , 5;^/;/,* 
Ik ken hem van — , / know him by '^ig'iit. 

* — , uiterljjke gestahe , Aoo^, Shape ^ 
Form, jlppearance ,v3inh\cT:Een ander 
— krijj^en , to Get another appearance. 
♦— , opzi^r, als: Te dien — , fFith 
respect to that. * — , nchting. Esteem. 

* — , cezai?, den)^d. Quality, Distinc- 
tion ; Zijn — verliezen , to Lose one''s cre- 
dit ; Lieden van—. People of quality or 
distinction ; fi^. Zonder — van personen, 
PFithout any regard for persons , TVith- 

out making any distinction between per- 
sons. 

Aanziener, rn. Looker on. Spectator. 

Aanzienlijk, bv. voornanm , Noble., 11- 
lustrioas ; Annzienlijkc Hcilen , zie Lie- 
den van aanzien , opAanzien; Ecnc ann- 
%ientijl<e Icefvvijze , A high lij'e ; Aan- 
zienlijk gezelschap, High-lived company. 

* — , achrenswaardig, Re<pectnhle ; fii;. 
lalrijk. Numerous, Considerable. * — , 
groot , Eminent, Great, Grand. * — , 
veel wnard , Valuable , Precious , Worthy 
to be looked at , Of a fine appearance. 
* — , bvv. Greatly, Considerably, 

A-inzienlijkheid , vr. High stat!>n, rank 
or quality , Nobility. * — , Being res- 
pectable. * — , Being valuable. * — , 
pyno appearance. 

Aanzicnster, vr. Looker on. Spectatress, 
Spectatrix. 

Aanz'gc, o. , z'e Aangeztgt. * — , ver- 
tooning, Aspect. 

Aanzijn, zie Aanwezen. 

Aanzitcen, ongel. o. w. met Zijn , vs. aan- 
gezercn Zijn, to Sit down at table. * — , 
met Hebben , to Sit at table. 

Aanzoek , o. Solicitation , Application , 
Request ; Bij iemand — cm ieis doen , to 
Apply to one for a thing ;0m een ambc 
— doen, to Sue for a place ; Bij ennmcis 



AANZO 

je— doen, to Court a girl, to Make 
one''s addresses to her ; Zij heefcveel— , 
She has many lovers. 

Annzoeken , onreg. b. w. vs. to Solicit ^ 
Sue or Apply for. * — , o, vv. met Heb- 
ben , aU: Om ieis — , zie Aanzoeken, b. w. 

Ainzoeker, in. One that sues ^ applies. 
Solicitor. 

Aanzoeking, vr. , zie Aanzoek. 

Aaiizoeksier , vr. One that sues, applies, 

Aapzoeten , b. w. vs. to Sweeten. * — , 
o. w. met Hebben, to Sweeten;, fig. /# 
Allure , Attract. 

Aanziiiveren , b. vf.tnPay the arrears. of. 

Aanzuivering, vr. Paying the arrears. 

Aanzuren, b. en o. w. ruec Zijn, vs. /• 
Sour. 

Aanzuring, vr. Souring. 

Aanzwellen, ongel. o. w. met Zijn, v». 
to Swell; fig. to Rise. 

Aanzwemmen , ongel. o. w. met Hebben, 
vs. sneller zwemmen, to Swim faster. ♦— , 
met Zijn, herwaarts zwemmen , toSwim 
hither ; Tegen .. . — , to Swim against. 
* — , aanspuclen , to Be cau on shore, 

Aap, m. Ape , Monkey; Hij beeft een 
gczigt als een — , (ook fie. Hij is een 
re^^tc — ,) He looks just like a monkey; 
Hct is een — , (hijaapr alles na,)//^/V 
an ape; lemands — zijn, to Ane one ; 
sprw. Den — in demon w hebben , enz., 
z-'c op MoMw. * — , bij wi^k. en rcckcnk.. 
Pantograph. * — , fam. Sum of money; 
Hij heefr een* gocden — cccTfd He has 
inherited a good hoard of money ; Ik beb 
den — al t' bnis , 1 have got my money 
home already; zie ook Aapje. 

Aapachtig, bv. Apish. * — , bw. Like a 
monkey., Apishly. 

Aapje, o. (verkl, w. zie Aap,) Mar- 
moset. Little ape. * — , fam. Aapjes, 
meerv.., Trifles, Fiddlefaddle . Foolery. 

Aapjessnuif, vr. a kind of snuff so called. 

Adr, vr., zie Ader. 

Aar, vr. Ear. 

Aar, (zie ook Er,) klankgevlng aan de 
tonj^letter r, die in alle talen, in wel- 
kc zij aanwezig is, oorspron*, kracbt , 
bedrijf, le kennen geeft ,• van daariszij 
de gewone nitgang der, van werkw. ge- 
vormde , en een' w^r^'^r nanduidende, 
naamw. , in her Eng. orofer, in enkele 
gevallen ar , als : Lengenaav , Liar ; Be- 
schermer, Protector; ResfiUirdcr, Ad- 
mini'trator ; Lezer, Reader. Vronwe- 
lijk AARSTER,STER,soms IN,ES,( ver- 
lengd KSSE,) enkel in SE (bij zonder ia 



AAIID 

GeWerl. gebru'kelijk, als: Pomiferse , 
Serjantse , voor Porciersvrouw, Ser- 
jancsvrouw, enz,); in hec Eng. van de 
woordet) in tor , tress , soras trix ; 
anders onveranderd , als : Lengenaarster , 
Liar; Becchermsier, Proteciress ; Be- 
srtinrs':er, Administratrix; Zangeres, 
Zaiigscer, Singer ; Portierse , Doorkeep- 
er ; ook : Doorkeeper''s wife. Aamn. 
Indien de ondencheiding der vervrou- 
welijking bij;^onder moet aangeduid 
worden , gebruikt men ; Female ^Woman , 
5/?^, Maid en in tegcnovergestelde 
gevallen, Male, Man, //^,geijkin 
alie spraakk. behoorc geleerd le wor- 
den. 

Aard, in. Nature ^ Ilumcur , Temper, 
Bent, Inclination ;^ fig. als: Da: heefc 
geen' — , That is unbecoming or im- 
proper, 

AARD , bij inkrimping en vcrracluing 
ERD , nitgang van naamwoordon , eene 
cigenschap , inborst aauduidende , ook 
in het Eng. somrijds ard, als: Bas.- 
aard. Bastard; Dronkaard, Drunkard. 
Aanm. Omtrent dezen uitgang bcstaa: 
groore verdeeldiieid : Velen schrijven 
AART (ERT). 

Aardachiig, bv. Earthy. 

Aardachtigheid. vr. Earthines^. 

Aardaker, m. Earthnut , Pignut. 

Aardappel, m. Potato. 

Aardappelakker, ni. Potato-field. 

Aardappelbak, m. Potato^bowl. 

A^rdappelbed , o. Potatn-jlot. 

Aardappelbloesem , m. Put.:to-flo^ver. 

Aardappelboer, m. Cultiva.or of potatoes, 

Aardappelbrood , o. Bread of^ potatoes. 

Aardappelkanker, m. Potato-canker. 

Aardappeljenever , m. Potato-gin. 

Aardappelkelder, m. Potato-cellar. 

Aardappelketel , m. Potato-kettle. 

Aardappel koek, ni. Potato-cake. 

Aardappclkiiil , m. Potato-hole. 

Aardappelland , o. Potato-gronnd. 

Aardappelloof, o. Potato-leaves. 

Aaidappelmaai , vr. Potato-measure. 

A^rdappelmand . vr. Potato-basket. 

Airtlappelmarkt , vr. Potato-market, 

Aardappelnieel , o. Potato-meal. 

Aardappe'nood, m. Want of potatoes. 

Aardappelo >gsc , m. Ilaryest of potatoes. 

Aardappelplant , vr. Potato plant. 

Aardappelpot , ni. Potato-pot. 

Aardappelprijs, m. Price of the potatoes, 

Aardappelsalade, vr. Potato-salad. 

AardappeUchil , vr. Potato-peel. 



AARD 



23 



Aarda^pelschip, o. Potato-ship. 

Aardappelscho'.ci , ni, Potato-dish, 

Aardappelschuic , vr. Pot'Uo b-^at, 

Aardappelsoep, vr. Poditn-sonp. 

Aardfippelscijiscl , o. Pntnto-itarch.'^ 

Aardappehairt , vr. Pi.;ato-pie. 

AardappeireeU , vr. C'dtuie of patatos: 

Aardappehuin , ui. P •fito garden, 

AardappeUeld, o. Potato field. 

Aardappelvvacer , o. Potato-water. 

Aardappelziekte, o. Disease of potatoes, 

Aardappelzolder , in. P::tato loft. 

Aardappelzak , m. Potato-bag. 

Aardbe-, zie Aardb-zie. 

Aardbeijenbcd , zie Aardbezienbed. 

Aardbeijcnbbd, zie BezienMad. 

Aardbejjenb'ad, zie Aardbezicubhd. 

Aardbeijcnboom , zie Aardbtzicnbonm 

Aardbeijenpianc, zie Aardbe/.i.'npaor. 

Aardbesciirijfscer, vr. , zie Aardbeschrij- 
ver. 

Aardbesclirijver, zie Aardrijksbeschr^'- 
ving. 

Aardbe ving, vr. Earthquake. 

Aardbezie , vr. Strawberry. 

Aardbezienbed , o. Strawberry-bed. 

AardbczitMibhd, o. Strawh^ny-leaf. 

Aardbezi; nboom , m. Strawberry tree. 

Aarnbezienplanc , vr. Strawberry-plant. 

Aardbodem, m. Earth, Surface of thi 
earth. ♦— , aarde , Z'e AarJrijk. 

Aartlbol, m. Earth, Globe, 

Aardboor, vr. Terrier. 

Aarde , vr. een der zoo genoemde vier 
elementen, Earth. *—, grond , Earth, 
Soil, Mould, Ground; Eene schrale — , 
A barren soil. * — , opperv'f-kLe , Sur- 
face of the earth , Ground ; Ter — lig- 
gen, to Lie upon the ground; Een lijk 
ter — bestellen , to Inter or Bury a 
corpse. *—, aardbol , Earth, Globe. 

Aarden , o. w. met Hebben , ("van Aard , ) 
als : Hij aardt naar zijn' vader , He 
takes after his father , Ijis temper 
resembles much to his futhei'*s. 

Aarden, o. w. met Hebben, ( van Aarde , ) 
io Thrive; Deze bogmen willen hier 
nier — , These trees will not thrive 
heie; fig. Ik kan in die stad niet - , I 
am not at all cimfortahle in that place , 
I cannot get a liking to it. 

Aarden, bv. Earthen. 

Aardenzoon , m. Son of the earth. 

Aarde vverk , o. aarden kenkengereed- 
schap, Earthen ware. Crockery. *— , 
in de \esi\ngh. , Earthen woi ks.' 

Aardewcrker, m. TJ'ner. 



24 AARDE 

Aardewerkswinkel , m. Earthen-ware 
shop , Crockery-sho/). 

Aardgeesc, ra. Gr?ome. 
•Aard^ewas, o. Production of the earth, 
(Vegetable J Fruit of the earth. 

Aardgoed , o. , z\e Zandgoed. 

Aardhoop, m. JJeap of earth. 

Aardig, bv. bevaliig , Pretty , Handsome; 
f am. Een — bakkesje , A handsome lass, 
A pretty girl; Een — wic'nrje , A 
sweet little baby, A pretty child. * — , 
geestig , Comical , Humorous , DmLy ; 
Een aardige knaap, Acomicalor , jocose- 
fellow , A droll; Eeii aardige inval , A 
pretty conceit. * — , zonderling. Curi- 
ous, Queer ^ Odd, Strange; Hijisecn 
— man , He is a queer or odd fellow. 
* — , bw. Prettily. * — , Comically, 
Humorously, ♦ — , Curiously, Oddly. 

Aardig , in zamenstelling beteek. Of the 
nature of; als : Planiaardig, Of the 
feature of plants. 

Aardigheid, vr. , zie Aardig. ♦ — , in- 
zond. zeldzaamheid , Curiosity. 

Aardiglijk, b»v. , zie Aardig. 

Aardje, v. vcrklcinw., zie Aar3 , in- 
zond. gebr. in : Ilij heeft een — naar 
zijjn vAarcje , He is of he same humour 
as his father. He takes ofter his father. 

Aardklomp , m. Clod. 

Aardkluic, ra. , zie Aardklorap. 

Aardkloot, m. , zie Aardbol. 

Aardkrekel , m. , zie Veenmol. 

Aardkuiide , vr. Geology. 

Aardmannetje , o., zlc Aardgeesr. ♦— , 
met veracht. , Little fellow , Pygmy, 
D warf. 

Aardmeetkunst, vr. , zie Landmeetkunsr. 

Aardmeter, m. , zie Landmeter. 

Airdmeting , vr,, zie Landineting. 

Aardimiis , vr. landmuis, Countrymouse ; 
fig. aardaker, Earthnut^ Pignut. 

Aardiioot, vr. , zie Aardaker. 

Aardrijk , o. Earth. 

Aardrijksbeschrjjfsier, vr. , zie Aardrljks- 
beschrijver. 

Aardrijksbeschrijver, m. Geographer. 

Aardrijksbeschrijving, vr. Description of 
the earth , Geography. 

Aardrijkskunde , vr. , Geography. 

Aardrijkskuiidig, bv. tot de aardrljks 
kunde behoorende, Geographic , Ge 
^graphical. * — , daarin bedreven, ff'^ell 
versed in geography. * — , bw. Geogra- 
phically. 

Aardrijkskundtge , ni. en vr. Geographer, 

Aardsch, bv. van de aarde, Terrestrial , 



AAUDS 

Earthly; Aardsche goederen , bij god 

gel. , tVordly goods ., Temporalities, * — , 

rijdelijk. Temporal. 
A^' dsc\\^ez'md,hv. fP'orldly-minded, Ear th' 

ly-minded. 
Aardschgezindheid, vr. Worldlinest. 
Aardslak, vr. Shell-snail. 
Aardslang, vr. Field-snake. 
Aard'lek, vr. , zie Aardslak. 
Aardspin , vr. Earth-spider, Garden- 
spider. 

Aardscamper, m. , zie Scamper. 
Aardveil , o. eene plant. Ground-ivy, 

A'ehoof. 

Aardvloo , vr. , Earth-puceron. 
Aardvruchc, vr. Fruit growing in or 

near to the earth , Fruit of the earth , 

Vegetable. 
Aardworm, m. Earthworm; fig. als: 

liij is een regte — , He is a poor drudge. 

* — , EartJiling; De mensch isslechts 

een — , Man is but clay and dust. 
Aars, m. Arse, Breech, Fundament, 

Backside^ (bij geneesh. ) .^////.f ,• vulg. 

Veeg of Lek mijn* — , Dight me , 

IFipe my breech. 
Aai>darm, m. Arse-gut. 
Aarsgat, o. Arse-hole. 
Aarsvoet, m. zekere vogel , Arse font. 
Aarswisch, vr. Arse-wisp., Bumfdder. 
AARTS, voorz. van zamenstelling met 

zelfst. nw., dat de beteekcnis da?.r\'ati 

verheft lot het voornaamste in zijue 

soort , heizij goed ofkwaad, in het Ku- 

gelsch Arch , Arrant, Zie de zamenge- 

stelde woorden. 
Aartsbedrieger, m. Arrant or Notorious 

cheat. 

Aartsbisdom, o. Archbishoprick. 
Aartsl)isschop , m. Archbishop. 
Aartsbissclioppclijk, bv. Archiepiscot.al. 
Aartsbooswicht , m. Arrant knave or 

villain. 

Aartsdeken, m. Archdean. 
Aarrsdeugniec , m. Archknave , Vetry 

wicked fellow. 

Aartsdiaken , m. Archdeacon. 
Aartsdief, ra. Notorious robber or thief. 
Aartsengel , ra. Archangel. 
Aarisgek, m. Arrant funl. 
Aartsgekkin, vr, , zie Aartsgek. 
Aansgierigaard , ra. Arrant miser. 
Aartsguit, ra. Arch wag or rascal.* — , 

aarcsschelm , Arrant villain. 
Aartshcrtog, ni. Archduke. 
Aarcshertogdom , o. Archdukedom, 
Aarihertogelijk , bv. Archducal. 



AART 

Aartsbertogin , vr. Archduchess. 

Aartshuichelaar , m, Aichhypocrite, 

Aartskamerheer , m. Arch-chamberlain. 

Aarisketter, m. lieresiarch^ Archheretic. 

Aartsleiigenaar, Aartslogenaar, m. Ar- 
rant liar. 

Aartspriester, m. Archpriest^ Highpriest. 

Aartspriesterlijk , bv. Of an archpriest. 

Aarcs'schalk, ra. Arrant wng. 

Aarcssclielm, m. Arrant villain. 

Aartsvader, m, in de bijb. gesch. , Patri- 
arch. 

Aartsvaderljjk , bv. Patriarchal. 

Aartsvijand , m. Mortal or Sworn enemy. 

* — , bij godgel. Devil. 

Aarzeten, o. w. met Hebben, to Ilesi' 
tate , PFaver , to Be in suspense , to Ba- 
lance. 

Aarzeling, vr. Hesitation, Suspense, 
Aas, o. voedsel , Food {of animals that 
are in liberty). * — , lokaas, Bait; 
Het — beet hebben , to Have bit , to 
Have swallowed the bait; fig. Hij heeft 
het — beer, He is ours. He is enticed 
to our plot; He has bit at the hook. 

* — , kreng , Carrion. 

Aas, o. zekere kaart, Ace; Twee nzen , 
Two aces. ♦— , op dobbeiscecnen , Ace; 
Twee azen , Ambsace ; fig. geringe 
hoeveelheid. Ace; Geen — , (aasje,) 
Not an ace. 

Aaszak, m. , zie Knapzak. (berdaan. 

Abberdaan , m. , zie het minder goede Lab- 

Abdij , vr. Abbey. 

Abdijgoed, o. Abbacy, 

A'.)dis , vr. Abbess. 

Ab6, o. Alphabet, 

Ab^bank, vr. Bench or Form of abece- 
darians. 

Ab^boek, o. Primer, Hornbook, Christ- 
cross-row. 

Ab^bord , Ab^bordje , o. Board with 
the letters upon it. Battle door. 

Abeel, Abeelboom, m. Asp., Aipen. 

Ahtjongen, m., Abekind, o. Abecedarian. 

Abel , bv. Able. 

Abel he id , vr. Ability. 

Abeleerling, m. en vr. Abecedarian. 

Abrikoos, vr. Apricot. * — , m. , zie 
Abrikoosboom. 

'Abrikoosboom , m. Apricot-tree. 

Abrikoossteen , m. Apricot-stone. 

Abt, m. Abbot. 

Abuis, o. Error, Mistake; Gij bebt — , 

' Tuu are mistaken. 

Acacia , m. Acacia. 

Accent, o. letken, Accent. *— , m. 



ACGK 25 

toon, Accent. * — , nadruk. Stress. 

Acceptatie, vr. bij koopl. , Acceptance. 

Accepteren , b. w. bij koopl. to Accept. 

Accijs, Accijns, m. Excise. 

Accijskantoor , o. Excise-office. 

Ach , tusschen w. Alasl^ Oh!, dear /, Ah ! 

Acht , telw. Eight; Over — dagen , /;; 
eight days , This day sennight ; In ach- 
ten , //; eight parts or shares ; Met ons 
achten, ff^e eight. Eight of us ; Nier 
lang na achten , IVot long past eight 
(o' clock); Stuk van achten, a certain 
Spanish coin. * — , vr. het cijfer , op 
kaanen. Eight, 

Acht, vr. oplettendheid , Attention; — 
geven , to Pay attention ; Ik heb er 
geene — op geslagen, / took no notice 
of it. * — , zorg , Care , Heed, Care- 
fulness; Ie:s wel in — nemen, to Have 
a good care for a thivg ; Zich met iemand 
in — nemen , to Be upon one'^s guard 
with a person. * — , ban , Proscription. 

Achtbaar, bv. Respectable , Honourable. 

Achtbaarheid , vr. Honourableness , Dig- 
nity. 

Achtbladig, bv. Eight-leaved. * — , van 
bloemen, Octopetahus. 

Achtbeenig , bv. Eight-legged. 

Achtderlei , bv. , zie het betere Achterlei. 

Achtdubbel , bv. Eightfold, 

Achtdik, bv. en bw. Eightfold, Octuple. 

Achtdubbel, zie Achtvoudig. 

Acht-duizendste, bv. Eight-thousandth. 
* — , o. Eiglitthtusandth part* 

Achtehalf, bv., zie Achthalf. 

Achteling, m. a certain measure, 

Achteloos, bv. onoplettend. Careless, 
Unmindful , ]\egligent. Inattentive. *- , 
roekeloos , Inconsiderate , Rash. * — , 
bw. Carelessly. * — , Rashly. 

Achteloosheid , vr. Carelessness, Inat- 
tention , Negligence. * — , Inconside- 
rateness , Rashness. 

Achten, b. w. acht geven, to Attend to , 
t^ Pay attention to , to Be attentive to, to 
Mind. *— , aanmerken , to lvalue , Rec- 
kon , to Consider as. * — , achting be- 
wijzen, to Esteem, to Have a regard 
for; Iloog — , to Esteem; Gering — , 
to Slight ; (Niet — ,) Not to mind, to 
Have no regard for. 

Achtendeel, o. Eighth part of a certait* 
measure, tun, barrel, etc., zie ook 
Achtste. 

Achtendeelsnoot , vr. in de toonk. , Crnt 
chet , one of the notes of time equal ti> 
half a minim. 



26 



ACIIT 



Achtendertiff , m. Person of thirty etght 
years of age. 

Achtennegcnt'j^ter , m. Person of nitiety 
eight years of^ age. 

Aclitentachcii^er, tn. Person of eighty 
eight years of age. 

Aclnentwiiuig , m, formerly a Dutch 
coin , wo'tli a guilder and eight stivers^ 
Eight and twenty stiver piece. 

Aclueutwintiger , m. Person of twenty 
eight years nf age. * — , Ship of eight 
and twenty guns, 

Achcenveercit;er, m. Person of forty 
eight years of age. 

Achtenvijfcigcr, m. Person of fifty eight 
years of age. 

Achtenzesnger , m. Person of sixty eight 
years of age. 

Achcenzeveiitiger, m. Person of seventy 

eight years of age. 
Aclitei*, voorz., cegenstelHng van voor, 
Behind; fig. — eene zaak komen , to 
Discover a tilings to Sme/l it out; Gij 
zijc er niet — , Ton have not guessed 
right; — iemancis nig, Behind one''s 
back. In one^s absence; sprw. De paar- 
den — den wagen spaiinen, to Put the 
cart before the horses; — liet nccvis- 
sclicn , to Come too late , to Be disap- 
pointed or frustrated , tf> Look for cream, 
when the butter is made; Die on- 
genood ren hove komt , zic — de deur, 
j4n uninvited guest is seldom welcome. 
* — , in den zin van na, After; — 
elkaiidcr, One after another. ** — , bw. 
Behind; Ten — , Van — , Naar — , 
zic Aclueren. Aanm. in zamensrell. met 
werkw. is hct altijd scheidbaar, belialve 
in Achterhalen . ylcJiterklappen en Ach- 
tervolgen; zie ae zainen^est. werkw. 

Achceraankomen , o. Coming behind. 
* — , Coming too late. 

Achferaanscelling, vr. Postponing. * — , 
Slightivg. 

Achreraf , bw. Down by the back- 
stairs ; lig. — wunen , to Live in a 
by-Jane or by-street; lemand — laten 
brengen , to Send one to prison, to Lay 
one by one^s heels. 

Aclirerafdeel , o. Retired part. 

Achcerbaks, bw. Secretly, Privately, 
By stealth; — lasteren , to Backbite, 
Slander ; lets — houden , to Lay some- 
tJii^jg aside. 

Aciiierbank, vr. Last bench or form. 

Achcerbeen , o. Hind-leg: 

Achterbende, vr. , zie Achterhoede. 



ACIIT 

Achterblijven, onge!. o. w. wet Zijn, 
vs. acluer aankomen , to Tarry, to 
Stay behind. *—, uicblijven, to Stay 
away, (in regten , ) to Be contuma- 
cious. 

Achterblijver, m. Tarrier. ♦ — , inzond. 
van planten , Plant that does not comi 
up with the othen. 

Achterblijving, vr. Tarrying, etc. * — ,in 
zond. in regten , Contumacy. 

Achrerboiit, m. Hind-leg of mutton^ etc. 

Ach'erburgwal , m. Outer canal. 

Achterbmirt , vr. Retired place or quarter, 

Acluerdak, o. Hind-part of a roof. 

Achcerdeel, o. Hind part , Hindermost 
< part. 

Acluerdeelig , bv. veroud. , zie Nadeelig. 

Achterdeuken, o. Carefulness, Conside- 
rateness , Care fj)r what is to come, 
* — , wancroinven. Suspicion, Mistrust, 
Umbrage ; Die gaf eenig — , This gavt 
some umbrage. 

Achterdenkend, Achterdenkig , bv. C^r*- 
ful , Cms-derate. * — , Suspicious, 
Mistrustful. 

Achterdeur, vr. Backdoor; fig. Evasion, 
Excuse; Eene — open houden, to Save 
an evasion or excuse; Hij heeft aliijd 
eene — open , He has always a hole t» 
creep out at. 

Achcerdodu, vr. Suspicion, Distrust, 
Mistrust. 

Achterdochtig, hw. Suspicious , Distrust- 
ful. 

Achterdwarstonvv , o. scheepsw. , Stern- 
cable, Halser. 

Achtereb, Achterebbe, vr. Dead neap. 

Achtereen , bw. Successively , One ofer 
another. Without interruption or inter- 
mission. 

Achtereergisteren , bw. Three days ago , 
zie Overeergisteren. 

Achtereinde , o. Back-part, Hind part , 
Hindermost part. 

Achceren, bw. Behind; Naar — , Back- 
ward, Behind, To the backward of 
the house. To the kitchen : Ten — zijn, 
to Be backward ., or behindhand ; fi?. to 
Be in arrears; Van — , Behi/zd , From 
behind ; fig. yf posteriori , From the 
effect; Van — beoordeelen , to Judge 
of a thing after it is done. 

Achrererve, m. en vr. After-heir , Sub- 
stitute heir. 

Achcergang, m. Back-part of a passage; 
fig. loslijvigheid , Diarrhoea , Looseness. 

Aclitergebouw, o. Hinder building. 



IP 

■f AC 



ACHTE 

Achtergevcl , m. Bnck-front. 

Acluergrachc, vr. Bark canal, 

Aciitergrond , tu. Deepening ofa picture ^ 
Back-ground. 

Acbtoruaar, o. Hair of the back-part of 
the head ^ zic Ni-khaar. 

Achterhalen, b. w. vos. inhalen , to 
Overtake^ to Come up with {one in 
walking^ riding ^ sailing, etc.). * — , 
vatten , to Discover^ Seize ^ Catch.* — , 
bedriepen, to Overreach , Cheat. 

A.chterhaler , ra. Of2e that overtakes , 
etc. 

Achterhnling , vr. Overtaking ^ etc. 

Achtcrhals, m. Nape of the neck. 

Achrerhand, vr. Back of the hand. * — , 
in hen kaarrpel. Hind hand ; Aan de— , 
ziju , to Play the last. 

Achrerhande , zie Aclnerlei. 

Achieihek, o. Back-gate. 

Achterliocde, vr. Rear. 

jAchterhoef, in. Hind-hoof. 

Achterhoefijzer , o. Hinashoe. 

Achrerhof, m. Back garden. 

Achtcrhoofd, o. Hinder part of the head ^ 

; (bij ontleedk.) Occiput. 

Acluerhouden, onreg. h. w. vs. onthoiiden . 
to Withhold. " — , verbergen , to Conceal. 

1 * — , ter zijde legmen , to Lay aside, 
chterhoudend, bv. Reserved , Shy , Close. 
chterhoudendheid , vr. ReservednesSy 
Shyness , Closeness. 

Ach.crhonding, vr. Withholding. * — , 
inzond. Concealment. 

Acluerhiiis, o. Hinder part of a house. 
* — , House built behind another ^ Back 
house. 

Achterhut, vr. scheensw. , Stern-cabin. 

Achcerjaar, o. , zie Najaar, 

Achterijzer, o. , zie Achcerhoefijzer. 

Aclncrkahel, m. , zie Achrerdwarstouw. 

Aclucrkamer, vr. Backroom. 

Achcerkant, m. , zie Ach'crzijde. 

Achtcrkasteel , o. van eenscliip, Hind- 
castle, Stern, Poop. ♦ — , gemeenz. , 
Bum, Breech. 

Acluerkcldcr, m. Back-cellar. 

Achterkeiikfn , vr. Back-kitchen. 

Achterkiel, vr. Sternmost part of the 
keel. 

Achterklamp , m. schccpsw. , Beam into 
which the pawls of the caps tern are i 
bolted. 

Achcr:<lap, m. Backbiting . Slander. 
Achteiklappen, o. w. met Ilebben , en 
Bomg ook b. w. vos. to Backbite , Slan- 
der^ Calumniate. 



ACHTE 27 

Achterklapper , m., Achterklapster , vr. 
Slandei er , Calumniator. 

Achterkleindochter, vr. Great-grand- 
daughter. 

Acherkleinkind, o. Great-grandchild. 

Achterlileinzoon , m. Great-grandson. 

Achrerkousig , bv. gemeenz., Suspicioas . 
Mistrustful. 

Achcerkoudgheid , vr. Suspiciousness. 

Achierk warder, o.. Quarter-deck,*— ,i^e- 
meenz. , Bum, Breech. 

Acluerland, o. Back-land, Back-field. 

Achcerlap, m. , zie Pullevij. ' 

Achrerlappen , b. w. , zie Verachterlappcn. 
Aanm. Die woord, van Achterlap ge- 
vormd, wordc als al dcrgelijke woorden 
vervoegd: Ik achterlap, achterlaplt ^ 
geachterlapt. 

Achrerlasr, m. in een schip , Stern-part 
or Back-part of the cargo; fig. als: — 
hebben , to Want to go to stool. 

xAchterlastig , bv. als : Een — schip , A 
ship that falls astern. 

Acluerlaten , ongel. b. w. vs. to Leave be- 
hind. * — , weg acen, to Omit. 

Achtcrlating , vr. Leaving behind, * — , 
inz >nd. Omission. 

Aclreileder, Achcerle^r, o. Heel tiece. 

Achterif en , o. Blesne-tenure , Mesne 

Achterlcenhcer, m. Mesne lord. 
Achterleenman , m. Under feudatory , 

Arriere vassal, 
Achterlei, bv. Of eight hinds or sorts, 
Ach:erliggen . ongel.\). w. met rfebbcn,vs. 

to Lie behind; fig. Bij iemand-, to Bi 

infer ir.r to one. 
Acluerlijf, o. Back or Back-part of the 

body or of clothes , etc., zie Lijf. 
Achterlijk, bv. Backward; fiar. Back' 

ward. Behindhand , Sl/w, (Slowness. 
Achterlijkheid , vr. Backwardness ; lig. 
AchterUiik , o. Blind or Shutter of a 

back-room. *— , schi:Qv>s.vf., Stern-hatch, 

Stern-hatchway , zie Luik. 
Aclitcrnian, m. Man behind one, 
Achtermasc , m. Stern-mast. 
Achtermiddag, m. Afternoon, zie Na- 

middag, enz. 
Achtermnur, ra. Back wall. 
Achrerna, bw. After; Iemand —loopen, 

to Run after ore ; fig. to Spy or Dog 

one. * — , nadcrliand, Afterwards. 
Achterneef, m. Son of a nephew or 

niece. 

Achrevnoen, ra. , zie Achtermiddag. 
Achterora, bw. The back-way about ; fif. 



28 ACHTER 

lets — halen, to Run or Smnggle a 
commodity. 

Achteronder, o.a kind of cabin in the stern- 
part of small vessels. 

Achterop, b\v. Up by the backway ; — 
komen, to Come up by the back-stairs ; 

— zitien , to Sit behind on a horse. 
Achterover, bw. Backwards ; — liggen, 

to Lie on one''s back; — liggend , Supine; 

— vallcn , to Fall backwards or on one^s 
back. 

Achterpaal, m. Ilind-post. 

Acluerpaarci, o. Hindmost horse. 

Achterpad , o. Back'path. 

Actiterpaiul, o. vaiieen k\ced ^ Ilind-skirt. 

Achterplaacs , vr. , Achterplein, o. Back- 
yard. 

Acluerpoorc, vr. Back-gate ; iig.zchier- 
gte, Bum. 

Acluerpoot, m. Hind-foot. 

Aclitenaara, vr. eu o. Back-window , zie 
Raam. 

Acluerrad, o. Hind-wheel. 

Achterriem, m. Crupper. 

Acliterruim , o. scheepsw. , Stern-hold. 

Acluerschaiis , vr. Hindmost fortification, 
zie Sclnns. 

Achterschip, o. Abaft or Stern of a ship. 
Poop. 

Achcerskind, o. Child of a cousin. 

Achterspits, vr. Hindmost point , zie 
Spits. 

Achterstaan, ovg, o. w. vs. to Stand behind; 
fig. Bij ieiii'iui — , to Be inferior to one. 

Achterstal, ni. Back-part of a stable.* — , 
Stable behind another. " — , achterscal- 
lige schuUl, Arrears .^ Arrearage. 

Achterstallig , bv. In arrears ; Achterstal- 
lij^e scluildeii, Arrears. 

Achterste , bv. Hindmost , Hindermost. 
*— , o. Hind-party Hindmost part; 
sprw. Ilet— voor i\oen ^ to Pit the cart 
before the horses. * — , aars , Back- 
side , Bum; Hij gaf hem voor zijn— , 
He whipped his backside. 

Achterste'l , o. Backpart , zie Stel. 

Achterscellen, b. w. xs.^to Place behind; 
fig. to Have less regard for a thing ihan 
for something else, to Postpone {^to^hV]'). 

Achterstellinsr , vr. Placing behind; fig. 
Slighting , JVant of regard , Postponence. 

Achiersteven , m. Stern. 

Achterstraat , vr. Back-street. • — , bij- 
straat , By-lane , Outstreet. 

Achtersiuk , o. Bark-piece, Hind-piece. 

Achtertogc, m. , zie Achterhoede. 

Achtertuin , m. , zie Achterliof. 



ACUTEU 

Achrerutt , bw. Backwards ; — gaan , to 
Go backward!:; (fig. ) to Be impoverished; 
— krabben, zie Krabben; — leeren, to Un- 
learn; — slaan, to Kick out, TFinch. 

* — , Out by the backway or backdoor. 

* — , o. Outlet behind. Backdoor ; fig. 
Evasion , Hole to creep cut at. 

Achteruitgaan, o. Going backwards ; fig. 
Decline. 

Aclueruitgaiig, m. , zie Achteruitgaan. 

Achteriiitslaan , o. fVinching. 

Achteruitvaart, vr. Riding backwards. 

Achterveertcl , o. Hind-quarter , Loin. 

Aclitervenster, o. Backwindow. 

Achtervertrek , c, zie Acliteikamer. 

Acluerviertel , c, zie Ach^erveertel, 

Achtervlag , vr. Blizzen-flag. 

Achtcrvloed, m. End of the flow^^ 

Aclucrvoegei) , b. w. vs. to Add behind. 

Acluervoet, ra. Hind-foot. 

Achtervolgen, b. w. vos. vervolgen, to 
Follow , Pursue. ♦ — , waarnemen , to 
Follow, Observe. * — , voortzetten , to 
Carry on , to Continue. 

Achtervolgens , voorz. Pursuant to , Ac- 
cording to. In conformity to. Agreeable 
to. * — , bw. Successively , One after 
another. 

Achtcrvolging, vr. Pursuing.* — , Ob- 
serving , Observation. * — , Continuing , 
Continuation. 

Aclucrwaarcs , bw. Backwards. 

Achccrwaartsch , bv. Backward. 

Achierwacht, vr. Stern-watch. 

Achterwal, m. Hindmost rampart, 

Acluerwand, m. Back-wall, zie Wand. 

Achterweg, m. Back-road. 

Achterwege, bw. Away; — blijven, to 
Stay away ; (fig.) to Remain undone, 
to Be laid aside; — laten , to Leave un- 
done , to Let alone, 

Achterwerk, o. IFork raised behind ano- 
ther ; fig. aars , Bum, Breech, 

Achcerwezen, o. Arrears. 

Achcerwiel, c, zie Acbterrad. 

Achcerwinkel , m. Back-pars of a shop. 

* — , Shop situated behind another. " — , 
verborgen hoek , Hidden corner; fig. De 
oncoegankelijke achterwinkelen van het 
inenschelijke hart. The inexplorable re- 
cesses of the human heart. 

Achterzaal, vr. Backparlour. 
Achterzeil, o. Back-sail, Hind-sail, Ahaft- 
sail , Mizzen sail. 
Achterzolder, ra. Back garret. 
Achtgeving, vr. Attention. 
Achchalf, b\. Seven and a half; — stuk, 




ACHTH 



Seven pieces and a half; Acht halve 
stuiver, Seven pence halfpenny, Aanm. 
Het behoort Achtehalf iq zijn. 

Achthoek, m. Octagon., 

Achthoekig, hv. Octagonal , Ontangular. 

Acht-honderdste, bv. Eight-hunaredth, 
* — ,0. Eight-hundredth part. 

Achtig, uitgang van bjjvoegelijke naamw., 
dienende om eene nabijkomende gelijk- 
heid aan te duiden, in het Eng. ish,y^ 
like, of met woorpUzzsin^viLn somewhat, 
o^ rather , als : Groemchug ^ Greenish, 
Somewhat green; Ivoortsachtig, Feverish; 
Kinderachcig, Childish; Heerachtig, 
Gentlemanlike ; Melkachtig, M!iky(mei 
den klemtoon op ^^oc« , koorts , kind, 
enz,),* Koiidachtig , Rather cold. — 
ACHTIG , ook: HAFTIG , uitgang 
van bijvoegel. w. , afkomende van het 
oude haben, thans hebben , en een bezit 
aanduidende , als: Ergens woonachcig 
zijn, (zijne woning hebben,) to Have 
one'^s dwelling in a place; veelal over- 
eenkomende met de Engelsche uitgangen, 
able , ous , ick , ical ; Waarachtig , ( zoo 
veel als: Het ware hebbende), Verily^ 
Freely; Ernsthafiig , Serious; Manhaf- 
tig , Manly ; Heldhafrig , Heroic, Heroi- 
cal (met den klemcoon op ach en haf). 

Achtjarig, bv. Of eight years , Eight years 
old. Octennial. 

Achikant, Achtkantig, bv. //^aiv/w^ eight 
sides , Octolateral. 

Achting , vr. Esteem , Regard. 

Achtlettergrepig, bv. Octosyllable ; Een 
— woord , An octosyllable. 

Achtmaal, bw. Eight times. 

Achtaiaandig, bv. Of eight months. Lasting 
eight months. 

Achtmaandsch, bv. Of eight months. 

Achtmannigjbv. in de p]anik.,Octandrian. 

Achtponder, m. Eighi-pounder. 

Achtpuntig , hv. Having eight points. 

Achtregeli^, bv. Of eight lines; Een — 
vers , A poem of eight lines , An octostich. 

Achtspletig , bv. Octofid. 

Achtsie,bv. Eighth * — , o.Eightpart. * — , 
inz.inde locerij, Eighth or Eighth part of 
a lottery ticket. * — , vr. in de toonk. , 
zic Achiendeelsnoot. *— , in soramigc 
kaartsp. , Sequence of eight cards. 

Achtstralig, bv. Octoradiated. 

lAchttandig, bv. Octodentate. 

Achttien, telw. Eighteen. 

Achitiende , bv. Eighteenth. * — , o. 
Eighteenth part. 

Achitieiidehalf, bv. Seventeen and a half. 



ACHTT 



29 



Achttienderhande , Achttienderlei , bv. 
Of eighteen sorts. 

Achttien-duizends e, bv Eighteen-thou- 
sandth. * — , o. Eighteen-thousandth 
part. 

Achctienicaal , bw. Eighteen times, 

Achttoon, m. Octave. 

Achtvoetig, bv. Of eight feet. 

Achcvoud, o., Achtvoudig, bv. Eightfold^ 
Octuple. 

Ach:werf, bw. Eight times. 

Achizaam, bv. Careful, Mindful. *— , 
bw. Carefully. 

Achtzaamheid, vr. Carefulness, Mind- 
fulness. 

Achtzadig , bv. Octospermous. 

Achtzijdig, bv. , zie Achtkantig. 

Actcur, m. Actor., Pi.iyer, Comedian. 

Acirice, vr. Actress., Player. 

Adamsappel, m. in deontlcedk. ,.^<3f^»»V 
apple. 

Adder, vr. Viper , Adder ; fig, Hij kweekc 
eene — in zijn' boezem , He bestows his 
bounties upon an ungrateful wretch. He 
nurses a viper in his bosom ; sprw. Er 
Hgt eene — in het gras, There is some 
hidden trick in this. 

Add^ren , b. w. in de rekenk. , to Add ^ 
to Cast up an account , to Sum up. 

Adderbeet, o). Bite of a viper. 

Adderenge breed, AddertngebroedseljAd- 
dergebroed , Addcrgebroedsel, o. B/ood 
or Generation of vipers. 

Adderkroost , o. , zie Addergebroed. 

Adderkruid, o. Viper'* s-bugloss , Adder^s- 
wort. 

Adderspog, o. Spittle or Venom of aviper; 
fig. Eene pen 'n — ^odoopi:, A most biting 
or virulent style of writing. 

Addertong , vr. Tongue or Sting of a viper; 
fig. Biting or Virulent style ; ook: Back- 
biter, Slanderer. * — , zeker kruid, 
Adder'^S'tovgue. 

Additie , vr. in de rekenk. , Addition. 

Addres , o. Direction or Superscription of 
a letter. * — , Forwarding of a letter; 
Een' inliggende — verleenen , to For^ 
ward an inclosed letter. ♦ — , opgave 
van ieraandswoonplaats, Z);V^<r;;V«. *— , 
schriftelijke of mondelijke voordragt , 
Address. 

Addresseren, b. w to Direct; Zich — , 
to At ply. 

Addieskantoor, o. Register-office. 

Adcl, m. Nobility. 

Adelaar, va. een roofvogel , jErr^^/^; Dub- 
bele — , Eagle with two heads. '♦ — , eert. 



30 



ADEL 



bij de Rom. en naderhand bij de Frans., ' 
cen krijs'sstandaard, Eagle; fig. voorhet 
leger. Eagle. Zie ook Arend. 

Adelaarsklaauw, m. Pounce of an 
eagle, 

Adelaarsnest, o. Aerie of an eagle. 

Adelaarsneus , m. Aquiline nose. 

Adelaarsveer, vr, leather of an eagle. 

Adelaarsvleiigel , m. Eagle''s wing. 

Adelborsc, m. Cadei. '^ — , Appointee. 

Adeldoni, m., zie Adel. 

Adelen, b. w. to Ennoble ^ to Nnbilitate; 
fig. De deugd adelc elken siand, Firttie 
ennobles every station. 

Adellijk, bv. Noble; (ig. van wild, een 
weinig rnikende , Having a high taste 
or haut-gotit , Smelling^ Half corrupted. 

Adelregering, vr. Aristocracy, 

AdelljjUheid, vr. Nobleness. 

Adelstand, m. Nobility; Icmand tot den 

— verhcffen , to N>bi'litaie ene , to Blake 
one noble or a nobleman. 

Adem, m. Breath; — halen, to Respire^ 
Breathe., to Fetch breath; fig, toPause^ 
to Rest a little ; Den — inhoiulen , to Stop 
er to Keep in vne'^s breath; Biiiien — 
xijn , to Be out of breathy "to Be spent 
(^with running., etc.); Zoo lang er — in 
mij is, As long as I breathe or live ; AX 
wac — hceft. All living creatures; Een 
paard van langcn — , A long-winded 
horse; Een paard laten — scheppen, to 
Let a horse take breath; tig. Een werk 
van een* lanijen — ., A long-winded work; 
in 6^nen — , AH <f a It each ^ Without 
interruption ; Ilij heefc den — uitgchla- 
zen ., De — is er uit , He has breathed 
his la.^t , He is dead: Over alles zijj' 

— laten gaar, , tr) Medddle or Interfere 
with every tiling^ to Be a busy-bfdy ; Ni\ 
kunnen wij weder — scheppen, Nov.' we 
111,'y respire., IFe are ntore at ease now; 
HJj heefc liei ',00 driik , dai hii ntauwc- 
-vveljjks — ka 1 sclie[.pen, He ts overto- 
we red with business. 

Adetnen , o. w . met Ilebben , to Breathe^ 
Respire , to Fetch or Draw breath ; llij 
ademc nog. He breathes still ., He is not 
dead. * — , b. w. in- en uit ademen, to 
Breathe.* — , lucadenien , to Breathe , to 
Spread a breath ; fig. I lier — debloenien 
de liefjijkste geuren, Tlie flowers spread 
the sweetest fragrance here ; Wraak — , 
to Breathe vengeance. 

Ademhaling, vr. , zie Adfming. 

Adcmig, bv. iu zanxcnst. , Breathed. 
Winded. 



ADE« 

Ademing, vt. Respiration^ Taking or 
Fetching breath. 

Ademlo( s , bv. Breathless, 

Adeinloosheid, vr. Breathiessness, 

Adenitogt, m., zie Ade;uing. 

Ader, vr. in het menschel. Lgcii. , F^ern^ 
Artery., zie Bloedader en Slagaaer ^fig. 
zie Dicluader. " — , in de aarde,inber- 
gen , marraer, hour, enz. , Vein. 

Aderachc^g , bv. Resembling a vein , 
Fcinedy Feiny. 

Aderen, b. vv. enkel gebruikelijk in he: 
V. dvv.,als: Een vvel geaderd beeld,(bij 
becldh.), An image the veins of which are 
well represented. 

Adergezwel, o. Fdrix, 

Aderig , bv. Full of veins , Veiny., Veinous. 

Aderlaten, ongel. b. \\-.{\k liec aJer, lieb 
adergclaten ,) 10 Let blood, to Bleed y 
to Breathe or 0//c«« y£/«,(bij heelin.), 
to Phlebotomize. 

Aderlater, in. Phlebototnist , Blood-letter. 

Aderlating, vr. Bleeding, Blood-letting, 
(bijheelm. ), Phlebotomy., Venesection. 

Aderrijk, bv. , zie Adeng. 

Aderslag, m. , zie Polsslag. 

Ader; pat, vr. Varix. 

Ai'ervlies, o. in de ontleedk. , Chorion. 

AdjadantjTO. in hen kriigsw. , Adjutantj. 
♦— , bij een' ge'?ersal. Aid-de-camp. 

Adjndanrsp'aats, vr. Adjutancy, 

Adjiidantsvrouw, sx.Wife of an adjutant. 

Admiraal, m. in hctkrijgw. terzee,yf^- 
miral. 

AdiTiiraalschap, o. Admiralship ; — ma- 
ken , a phrase employed fr expressing the 
sailing of several squadrons togetlier, 

Admiraalspost , m. Admiralship, 

Adrairaalsrani.': , m. Rank of an admiral. 

Admiraalsschip , o. Admirai^s ship , Ad- 
miral , Flag-ship, 

Admiraalssloep, vr. Sloop of the admiral. 

Admiraalsvlag , vr. AdmiraPs flag. 

Admiraalsvrouw , vr. Adniirai''s lady. 

Admiialireir , yr. Admiralty , Ad'r.iralty- 
cjflce ., Court of admiralty , Board for 
maritime affairs. (miralty. 

Admiraliteitsheer , m. Blember of the ad- 

Admiralireitshof , o. Court of admiralty. 

Admiraliteitskanior , vr. Chamber of ad- 
miralty. 

Adres , zie Addres. 

Advenant, enkel gebruikelijk in: Naar 
— , Proportionally. 

Advent, m. in den alman. , Advent. 

Advijs, o. bjj koopl.. Advice., Notice, 
*■ — 5 bij regtsge!. , Counsel, Advice. 



ADVIJ 

Advijsbrief , m. Letter of advice. 

Aci\ijsjagt, o, Advice-boat. 

Advueren, o. w. met Hebben , bij koopl., 
to Advise . to Give notice. *— , bij regts- 
gel. , to Counsel. 
<Aclvocaat, (beier:) Advokaac , m. Ad- 
vocate. ♦ — , in het aigemeen regtsgel.. 
Lawyer. 

Af , voorz. ("of liever achterz.) en bw. 
From , Down , Ot\ Off; Van nujne jeugd 
— , From my ymitJ: ; Berg op berg — , 
Up hill down lii/l; Ik wect er niet — 
(van), I huow nothivg oj it. Aanm.Dik- 
wijls word: er een snder woord ondcr 
verstaan , als : Hijsionci met den hoed — , 
(af^jeiiomen), lie stood 'With his hat off"; 

. Hoe vaakzijt gij — (afgegaan)^'e\vecsL?, 
How many stools have you had?; Het werk 
is — , ( atgedaan , ) The work is finished; 
Die zaak is - , ( afs<esccld, ) Ihat business 
is led aside; De kop was — , Cafgcsla- 
gen,) The head was struck c^,*lkkaner 
Diet — , (afkomen,) I canrot disengage 
myself jfrom it or ridviyselfofit; Ik ben 
er — , / am rid of it ; Ik ben — , (af- 
gcmat ,) / am quite spent. Aanm. De be- 
teekenissen, waarin /i/, met ecu' wcrkw. 
zamengest., (alwaar hcc altyd scheidbaar 
is,) voorkomc, knnnen tot vijf gebragt 
worden, \,zm. verl.iging ^ verwijdering , 
ajzondering , gelijkenis en volto i/ing. 
lioch deze onder^aan nog mcnigvuldige 
vijzigingen: 1 )de verlaging., i. )bepaald 
aaiuiuid. vaar beneden : b.en* berg afgaan, 
to Descend a hill; Een pak alia. en, to 
Let down a parcel ; 2. ) mccr bepaald aan- 
diiid. van hoyen : lemand afroepcn, to Call 
one down ; 3.) door nederdalen cnafzon- 
deren tevens : Noten atslaan , to Knock 
ojf nuts. — II.) t'e verwijderivg^ i.) in 
O} zigt tot de oorzaak der\efwijd. : lets 
van zich arduwcn , to Push a thing away; 
2.) in opzigt tot een onderwerp : De ta- 
fel van den nuuir afzetien, to Put the 
table from the wall ; 3.) in opz'gc tot 
hetgeen vcrwijdcrd wordt : Afreizen, to 
Set tiff; en wel somtijds : «.) met een bep. 
ongmerk van toen^/dering tot iets: Op 
iets afgaan , to Advance towards a thing; 
Op een schip afzeilen , to Bear down 
upon a ship ; en /».) w^^voorafgaande toe- 
nadering : afscuiten ,' /o Rebound. * — , 
III.) de afzoudering^ i.^vznei:\) geheei, 
/».) onbepaald : lemand lots afnenien , to 
Take a thing from one ; b.) bepaald. van 
de oppervlalhe : Botcc afspanen. /fl .S'.'.'Vr 
Z'fc.'/c;-,- II«:utof ufneu.eo , to Tu'^- 



AP 



o 1 



the dust; en van daar •) als eene rei- 
niging: De tafel afuemen , to Clean the 
table ; of **) als eene bevri/ding ofont- 
lasting : Ik wenscbte er — te zijn, I 
wish to be rid of it; 2.) van een ge- 
deelte ^ en dus verbreking : Afsnijden, 
to Cut off"; van daar: «. ) door afzond. 
op iets overgaan: Pe kleur geefc — , 
The colour wears off'; of />.) in eigen 
kracht of waarde venninderen: Zijn vcr- 
mngen is afgenomen , His fortune is di' 
minished. — IV.) de gelijkenis^ i. ) van 
iets dat bestaat: Een beeld afieekencn, 
to Copy an image; 2.) van iets dat nog 
bestaan zal ; Eene legerplaats afteeke- 
nen , to Mark out a camp. — V. ) de 
voltooijing, I.) tot eene behoorlijke ma' 
te: Af koken , to Blake a decoction ; Ki- 
deelen , to Divide into proper parts ^ 
2. ) tot eene zeer sterke mare : Afros- 
!<en , to Beat soundly; Afmarten, to 
Tire out; 3.) ^chccXa voleinding: De 
zaak is ftf,^edaan , The business is en- 
tirely concluded; Een' rok alnaoijcn, 
to Sew a coat entirely; 4.) het onb' uik- 
baar maken door sterk gebniik : Eene 
pen afschvij ven , to JVrite a 1 en , //// it is 
quite blunt ; Een paard afjagen , to Over- 
ride a horse ^ or to Ride a hoise till it 
is quite spent with fatigue. — Zic dc 
zamengest. woorden. — Aanm. Zich af- 
jjaan, .afhuilen, aflagchen, er.z. zich 
door gaan , hnilen , lagchen , geheel 
vermoeijen , of zoo lang gaan ^ huilen., 
lagchen, tot men geheel af o^vermoeid 
isjhoevvel door Weiland en aiideren aan- 
ecngeschreven, zoiulen als zamcngesc, 
woorden in die woordenb. opzeitel. zijn 
weggelaten , ware het niet, dat ii:en de be- 
bChuidiging van OHvoI'ed gheid vrcesde. 
Itnmers indien ^/^ de beteekenis van vcr- 
moeijing hadde , dan zou de zeifiie za- 
menst. bij vele andere woorden moeten 
plaats hebben. Beitclen, beuken^bcH- 
rcn., hlazen^ boenen^ kortom, al de 
werkw. , die eenig bedrijf aanduiden, 
waarbij men zich vermoeijen knn , zou- 
den daartoe even veel regt hebben. — 
Het zamengest. afmatten hecft welligt 
rot de vergissing aanleiding gegevett ; 
hierin is de zan;enst. jnist: Matten 
hcct vermoeijen , mat of moede niaken , 
en met het versterkende Af.^ stcrk ver- 
moeijen. In zich af gaan ., datrcntegcn, 
staac af bij vcrkort. voor dit zelfdc af- 
rcvnt . en als bw. , even a's biik h\ zich 
Zich atbeiilcu en aftob- 



32 



AFAR 



ben, zljn des noods toe teJaten, om- 
dac beulen en tobben op zlch zelven 
eeniger mate eene vermoeijingaanduiden. 

Atarbeiden, b. w. , zie Arwerkcn. 

Afbakenen, b. vf, to Mark or Distitiguish 
with beacons^ watclitowers, lighthouses , 
poles , buoys or any other such signals ; 
fig. beschrijven, to Delineate^ Describe. 

Afbakening, vr. Marking with beacons, 
etc.; fig. Description. 

Afbakken, ongel. b. w. to Bake entirely. 
* — , o. w. met Hebben, to I'inish baking. 

Afbedelen, b. w. to Beg of^ to Get by 
begging. 

Afbedeling, vr. Begging of. 

Afbeelden, b. w. to Represent by an 
image or likeness; fig. to Describe^ or 
Represent by a lively description. 

Afbeekling, vr. Represaiting , Represen- 
tation ; fig. Description. * — , beeld, 
zie Afbeeldsel. 

Afbeeldsel, o. Image. 

Afbeitelen, b. w. to Chop off' with a 
chizel. (den. 

Afbernen, b. en o. w. veroud., zie Af oran- 

Afbersten , ongel. o. vv. met Zijn , 
to Burst off, to Crack off, to Spring >ff. 

Afberstiug, vr. Bursting off. 

Af betalen , b. w. to Pay off", 

Afbetaling , vr. Paying off'. 

Afbetten, b. w. to Wipe off with a wet 
cloth. 

Afbeuken, b. w. to Drub, Thrash ^ 
Bang, Belabour, to Taw one'*s hide. 

Afbeulen (Zich), b. w. fatn. to fFork 
till one is quite spent. 

Afbeuren , b. w. to Lift off. 

Afbidden, ongel. b. w. met bidden trach- 
len af le v/enden , to Deprecate. * — , 
met bidden trachten te verkrijgen , to 
Implote. * — , ten einde hidden, als: 
Den rozenkrans — , to Pray off one'*s 
chaplet. *— , 0. w. met Hebben, to 
Finish one^s prayers. 

Afbidding, vr. Deprecation. * -— , Im- 
ploring. * — , Praying off. 

Afbiddend, bv. Deprecatory. * — , Im- 
ploring, (^dnwn. 

Afbiggelen, o. w. met Zijn, to Trickle 

Afbijten , ongel. h. w. to Bite off; sprw. 
Niets is onmogelijk dan zijn' eigen' neus 
af te bijten. There is a cure for every 

i thing but death. 

Afbikken, b. w. to Pick off. 

Afbinden, ongel. b. w. door binden af- 
zonderen , to Bind off. * — , losbinden, 
10 Untie from. 



AFCI 

Afbinding, vr. Binding off. *— , Untying, 

Afbladen , b. w. to Break off the leaves 
of plants, zie Ontbladeren. 

Afbiadcren, b, w. , zie Afbladen. 

Afblazen, ongel. b. w. to Blow off, to 
Blow away. ♦ — , o. w. met Hebben, 
in hec krijgsw. , to Sound the retreat, 

Afblijven, ongel. o. w. met Zijn, als: 
Er — , to Leave it untouched; Van ie- 
mand — , (hem nice bezoeken ,) to Stay 
away from one. 

Afblinken, ongel. o. w., zie Afscliijnen. 

Afboenen , b. w; to Scrub off, to Clean 
with a wet brush , broom or clout ; fig. 
fam. lemand van de kanier — , to Drive 
one away. * — , o. w. met Hebben, to 
Go on with scrubbing till all is clean;. 
Afgeboeud hebben, to Have done scrub- 
bing. 

Afboeien, b. w. to ^tone for, to Make 
an amendment for ; Zijne schuld — , to 
Work out one'^s guilt. 

Afborgen, b. w. to Borrow (^from"). 

Afborging, vr. Borrowing. 

Afborstelen, b. w. door borstelen vre^- 
nemen, to Brush off". * — , reinigen , to 
Brush. 

Afborsteling, vr. Brushing off. * -— , 
Brushing. 

Afboctelen, b. w. to Draw, wine, etc. 
upon bottles, to Bottle; Eeu vat — , to 
Bottle a cask, 

Afhotieling, vr. Bottling. 

Aforaak, vr. Rubbish of a building pull- 
ed down , Building , that is to be pull- 
ed down; Een huis v<^'^- — verkoopen , 
to Sell a house to be pulled down. 

Afbranden , ongel. h. w. door branden 
afzondcren , to Burn -'^/, (bJj heelni.) 
to Cauterize. ♦ — , door den brand ver- 
nielen, to Destroy by fire, to Burn 
down. * — , afsteken, een stiik geschut, 
to Fire off. * — , o. w. met Zijn, to 
Burn down, to Be bw^t down., to Be 
destroyed by fire , to Be consumed by fire. 

Af branding , vr. Burning off, (bij heelm.J 
Cauterization. * — , Burning down. * — , 
Firing off. 

Afbreekster, vr. , zie Afbreker. 

Afbrek, vr. , zie Afbreking. 

Afbreken, ongel. b. w. door broken af- 
zonderen , to Break off; fig. Hiertoe 
breekt hij van zijn' tijd dagelijks 66n 
uur af. He takes one hour every day 
for that. * — , to Break. or Pull down; 
fig. Hier brak hij zijne rede af, Here 
he interrupted his discourse , or Here 



^B stopped; De 



AFBR 

^stopped; De onderhandelingen we 
den afgebroken, The negociation was 
broken off". * — , o. w. met Zijii, to 
Break off"; fi^. Laac oiis daarvan — , 
Let us talk of something else. Zte ook 
Afgebroken. (^dnwu, 

Afbreker, ni. One that breaks off^ or 

Afbrekin^ , vr. Breaking off" or down; 
inzond. Dc — der onderhandelingen, The 
rupture of the negociation, 

Afbrengen, onreg. b. w. iiaar beneden 
lirengen, to Bring down. * — , verwij- 
dereu, als : lesnand van den regcen wC;:; 
~^, to Lead one a wrong way; fig. to 
Seduce one to a bad conduct; leniaud 
van een voorncmen — , to Dissuade one 
from a design. * — , redden, als: Ilet 
leven cr — , to Save one''s life; Ilij 
beefc hec er hard afgebracht, lie was 
nearly gone ^ He had a narrow escape. 

Afbrengcr, m. One that brings down^ etc. 

Afbrenging, vr. Bringing down ^ etc. 

Afbrengster, vr. , zie Afbrenger. 

Afbreuk^vr. schade, Damage^ Hurt ^ 
Annoyance ; lernand — doen , to Hurt ^ 
Distress or Annoy one. * — , zie APbraak. 

Afbrokkelen, b. w. to Break off in frag- 
ments ^ to Crumble. '^ — , o. w. met Zijn , 
to Fall off" in fragments^ to Crumble^ 
to Crumble down. 

Afbrokkeling , o. Crumbling, 
\fbuitelen, o. w. met Zijn, to Tumble 
down. 

A fdak , o. Penthouse * — , loods , Shed. 

AlVialen, o. w. met Zijn, to Descend. 

AfdaHng, \r.. Descending, Descent, Des- 
ccnsion, 

i\ fd amine n, b. w._ to Lead or Keep off 
/ V casting up a dike. * — , to Dam up. 

\fdamming, vr. Leading or Keeping off 
by casting up a dike.* — , Damming up. 

M'danken, b. w. in hec krijgsw. (van 
C'lkele pcrsonen), to Discharge , to 
Dismiss, (van geheelc benden,) /o Z)/V- 
band. ♦ — , in heczeew.: Een schip — , 
to Discharge the officers and men and 
to return the artillery, stores and rig- 

\g'>!g of a man of war^into the dockyard; 
'!ij zal wagen en paardcn moeten 
Ic will be obliged to suppress his 
c uuh and horses. * — , o. w. met Ilcb- 
ben , to Return thanks to she persons 
t.'iat have assisted at any solemnity, as 
a burial, etc. 

^fdanking, vr. Discharging , Dismissing, 
pi^:^ ndiuT. *—, That? king. 
"^IIOLL. I'NG. WBiC. 



AFDA 



33 



Afdansen, b. w, to Get by dancings als: 
Ik heb hem zijn meisje afgedaiisc, / 
have got his partner from him by dan- 
cing. * — , door dansen afzonderen , to 
Dnnce off, * — , to Tf^ear off by Dan- 
cing, * — ^ to Fatigue by dancing. * — , 
o. w. mcc Hebben , to Dance till the 
dance is ended; Afgedansc hebben , to 
Have finished dancing. * — , met Zijn , 
to Dance away ; Van de karaer — , to 
Leave the room dancing. 

Afdeelen , b. w. to Divide into proper 
parts ,■ sections or shares, to Parcel out; 
Men heefc den dag in 24 uren afgedeeld. 
The day has been divided into twenty 
four hours. 

Afdeeliug, vr. Dividing, * — , deel , 
Division, Section, Part , Paragraph , 
Chapter , Head. « 

Afdeinzen, o. w. met Zijn, to VFith' 
draw. Retire, Retreat. 

Afdcinzing, vr. PFithdrawing , Retreat. 

Afdckken, b. \f. onx.<XQVkQn, to Uncover ; 
fig. to Beat one soundly. 

Afdekker, m. One that uncovers^ beats, 

AFdekking, vr. Uncovering ;^g. Beating. 

Afdijken , b. w. , zie Afdamraeu. 

Afdij'king, vr. , zie Afdamming. 

Afdingen, ongel. b. w. to Beat down the 
price , to Ciieaten , to Abate. 

Afdinger, m. One that cheapens, Chea- 
pcner , Bargainer. 

Afdinging, vr. Cheapening. , 

Afdingster, vr. , zie Afdinger, 

Afdisselen, b. w. to Chop off with an 
addice. 

Afdisseling, vr. Chopping off with an 
addjce. 

Afdobbelen, b. w. als: Hij heefc zich 
van de galg afgedobbeld. The dice 
have freed him from the gallows, * — , 
door dobhclen winnen, to Gain at dice, 

Afdoen, onreg. h. vr. uitdoen , to Put 
or Take off. * — , afcrekken , to Strip 
off (the .fX///). ♦ — , * — , afvci^en, to 
Wipe off {the dust); fig. lecs verhalcn, 
zonder er iets toe of af te doen, to 
Relate a thing without adding or sub- 
stracting the least trifle; Dat doet er 
nicts af of toe. That is of no avail. 
That finishes nothing at all. * — , ein- 
digen , to Finish, End, Terminate, 
close, * — , bcslisscn , to Decide, * — , 
afbetalcn, als: Zijne schnlden — , 
to Pay, Discharge or Clear owr'v debts, 
* — , o. v/. mci. Ilebbcn, als: Die pen 



34 



AFDO 



heefc afgedr.an, That pen cannot be 
made use of any wore. 

AWoend , bv. Definitive , Strong* 

Afdoening, vr. Taking off", etc. *— , 
ccneindebrenging, als : Men kan van 
die zaak geene — krijgen, That affair 
remains hanging. 

Afdoiideren, o. w. met Hebben , als: 
Ilec heefc afgedonderd, The thunder 
has ceased. * — , b. w. geineen, a's: 
Icmand de trappeu — , to Throw one 
down stairs. 

Afdorren, o. w. met Zijn , to Wither 
and fall off, to Dry away. 

Afdouwen, b. w. to Push off. 

Afdraaijen, b. w. to Turn off^ to Wring 
off. * — , op de draaibank, to Separate 
by turning. * — ^ to Finish on the lathe. 

* — j|0. w. met Zijn , to Turn off.* — ., 
scheepsw. , to Go off. *— , met Heb- 
ben , to Finish turning. 

Afdraaijing, vr. Turning off. 

Afdragen , ongel. b. \v. naar beneden dra- 
gen, to Carry down. * — , afslijten, to 
Wear off or out. * — , met Hebbeo , to 
Cease bearing fruit, 

Afdrijven, ongel. b. w. wegdrijven , /o 
Chase or Drive away , to Force or Com- 
pel to retreat., to Repulse. * — , in de 
geneesk. , als: Afdrijvende middelen , 
Abstergent, Abstersive, Laxative or 
Purgative medicines; Zij werd beschul- 
digd hare vruclu te hebben willen — , 
She was accused of having attempted 
to provoke abortion or to cause a mis- 
carriage by abstergents. * — , naar be- 
neden drij ven , to Drive downwards. * — , 
o. w. met Zijn, to Float down {upon a 
river') by the current. 

Afdrijver, m. One that drives away or 
down, 

Afdrijving , vr. Driving away or down, 

* — ,, in de geneesk. , Purging. 
Afdringen, ongel. b. w. naar beneden 

dringen , to Push off or down. * — , af- 
pcrsen, to Extort or Force (a thing) 

from cne. 

Afdrinlen, ongel. b. w. to Drink off. 

* — , als: Zij hebben den twist afge- 
dronkcn, They emptied a bottle together 
and c'rowned their quarrel in it. * — , 
o. w. met Hebben , to Finish drinking. 

Afdroogen, b. w. to Wife off the wet of 
any thing, to Wipe off; fig. lemands 
tranen — , to Dry up one''s tears, to 
Relieve one^s distress. 

Afdroogingj vr. Wiping off. 



AFDR 

Afdroppelen , zie Ai'dvuppelen. 

Afdrcippelin^ , vr. , zie Afdtuppeling. 

Afdruipen , ongel. o. w. met Zijn, ne- 
derdrtiipen , to Drop down; fig-, weg* 
slnipen , to Drop off', to Steal away. 

Afdruiping, vr. Dropping down; fig. 
Dropping off. 

Afdruk, m. het afdrukken , Printing, 
* — , exeinplaar, Copy; zie ook Afdruksel. 

Afdrukken, b. w, een afdruksel inaken, 
to Blake an impression of, to Imprint ; 
Een zegel in was — , to Imprint a seal 
in wax, * — , ten einde drukken , to 
Print, to Draw off; Die vel is afge- 
drukt, The number of copies that was 
ordered has been printed. * — , door 
drukken versbjten, to Wear out {by 
printing), 

Afdrukking, vr. Imprinting.* — ., Print- 
ing , Impression. 

A fdru ksc 1 , o. Image , Figure , Blark , • 
Print , Stamp {procured by impression ); 
fig. De werken der natuur zijn afdruksels 
der Godheid, The works of nature are 
images of God, 

Afdruppelen , o. w., zie Afdruipen. 

Afdrnppeling, vr. , zie Afdruiping. 

Afdurven, onreg. en gel. o, w. met Heb- 
ben, met uidating van een ander werkw. , 
als: Hij durfc de trap niet af (gaan). 
He dares not go down stairs, 

Afduwen, zie Afdouwen. 

Afdwalcn, o. w. met Zijn, to Deviate, 
to Stray or Err off; fig. to Deviate, 

Afdwaling, vr. Deviating, Straying off; 
fig. Deviation , Aberration. 

Afdweilen, b. w. door dweilen reinigen, 
to Clean with a clout. * — , ten einde 
dweilen , to Clean to the end. 

Afdwingen , ongel, b. w. to Extort or 
Force from one, 

Afeischen, b. w. to Dsm&jrd^ Exact, 
Require ; lemand den degen — , to De- 
mand one''s sword; Men eischte ens ons 
geld af. They exacted our money from us, 

Afei?ching, vr. Demanding, Extorting, 
Extortion, 

Afeten, onreg. b. w. to Eat off; HeE 
vleesch van een been — , to Eat off the 
flesh from a bone , to Pick a bone. * — , 
o. w. met Hebben , to Finish eating. 

A feting, vr. Eating off. 

Affuit, vr. in her krijgsw. , Carriage{of 
a piece of ordnance) ; Van de — ne«- 
men , to Dismount. 

Afgaaf, vr. Giving, or Handing over of 
a thing. Delivery, 




AFGA 

AFgaan, onreg. o. w. met ZJjn, naarbe- 
neden gaan , to Go down ^ to Descend ; 
fig. als : Een afgaand dichter , A poet 
Qwho h) on his decline; Kene afgp.ande 
ziekte, A phthisical disease ; Hij begint 
af te gaan , He begins to decay ,• De af- 
gaande maau, The decreasing or waning 
moon; De koorcs gaat af, The fever 
abates; Die mode gaat af, That fashion 
diminishes or begins to drop. * — ^^ z?- 
gang hebben, to Go to stool; Ik ben 
eens afgegaan , / liave had one stool. 
*— , afwijken, to Go away from , to 
Go out of; Van den weg — , to Go out 
of the road ; Hij is van zijne vrouw af- 
gegaan , He is gone away from {has left) 
his wife; fig. He has left or forsaken 
his wife; Van zijn onderwerp , to De- 
viate from one^s subject , to Go astray. 
* — , niethouden, als: Die kleur gaat 
af. That colour wears ojf; Van een' 
winkelier — , to Leave a tradesman^ to Be 
no more his customer. * — , afgenomen 
worden, als: Van dit geld mag geen 
stuiver — , Not a single penny may be 
taken from this money, * — , niet blij- 
ven liggen , als : Die boek gaat wel af , 
That book sells well. ♦— , vcrtrckken , 
to Go off^ to Set out, to Depart , Start ; 
fig. to Go out of an office. * — , veran- 
deren , als: Van een voornemen doen 

— , to Dissuade one from a design ; Van 
zijn gevoelen — , to Change onc''s opi- 
nion; Hij zal daarvan niet — , He will 
not desist from it; Van eene onderne- 
ming — , to Give up an enterprise ; Het 
hnwelijk ging weer af, Tlie match was 
broken off". * — , van een schietgeweer, 
als: Het geschut gaat af. The guns go 
^ffj^S' Al , wat hij doer., gaat hem wel 
af, //^ does every thing prettily , nimbly 
or in a graceful manner. * — , als: Op 
jets —^ to Advance upon, to Go towards, 
to Rush in upon; fig. to Have a design 
upon , to Endeavour to obtain. * — , b. 
w. door gaan afzonderen , to PTalk offi; 
Hij ging het vel van ziine voeten af, 
He walked the skin off from his feet. 
* — , ten einde wandelen , to IFalk to the 
end of. * — , door gaan vermotijen , to 
Fatigue by walking.* — , o. Going down. 
Descending; fig. Decline, Decaying, 
Decreasing, Diminishing. * — , stoel- 
gang 5/oo/. * — , Going away or out of; 

— , Deviating; fig. Discharge from an 
office. *— , Change of opinion. * — , Going 
''IF' *— » Going towards or Advancing, z:e 



AFGA C.-> 

het werkw. *— , helling , als : Het — van 
een' berg. The declivity of a mountain. 

Afgang, m. helling, Declivity, Desceni ^ 
Slope. * — , vertrek. Departure; Hem 
werd de — benomen, He was hindered 
from departing. * — , dermaan, koorrs, 
enz. , Decrease of the moon, of a fever ^ 
etc. * — , verkoop , Sale, * — , stoelganus 
Stool; Heeft de zieke — gebad?, Has 
the patient been to stooH *— -9 uitwerp- 
sel , Excrements. 

Afgave , zie Afgaaf. 

Afgcbeden, v. d\v. , zie Afbidden. 

Afgebeten, v. dw. , zie Afbijten. 

Afgebleven, v. dw. , zie Afblijven. 

Afgeblonken , v. dw. , zie Afblinken, 

Af^ebonden , \, dw, ^ zie Afbinden. 

Afgeborsten, v, dw. zie Afbersten. 

Afi^ebracht, v. dw, , zie Afbrengen. 

Afgebroken, v. dw. , zie Afbrcken. *— , 
bv. Abrupt ; — woorden , Aprupt words. 

Afgcdaan , v. dw. , Afdoen. 

Afgedongen , v. dw. , zie Afdingcn. 

Afgedorsr, v. dw. , zie Afdurven. 

Afgedreven, v. dw. , zie Af^injven. 

Afgedrongen, v. dw. , zie Afctringen. 
. Afgedronkcn , v. dw., zie Afdrinken. 

Afgedropcn , v. dw. , zie Afdruipen. 

Afgedvvongen , v. dw. , Afdwingeii. 

Afgeefster , vr. , zie Afgever. 

Afgegeten , v. dw. , zie Afeten. 

Afgegleden, v. dw. , zie Afglijden. 

Afgegoten, v. dw. , zie Afgieren. 

Afgegrepen, v. dw. , zie Afgrijpcn. 

Afgehad , v. dw. , zie Af hebben, 

Afgeheven , v. dw. , zie Afheffen. 

Afgeheschen, v. dw. , Afhijschen. 

Afgeholpen, v. dw. , zie Afhelpea. 

Afgekeken, v. dw. , zie Afkijken. 

Afgeklommen, v. dw., zie Afklimmen. 

Afgekloven , v. dw. , zie Afkluiyen. 

Afgeknepen, v. dw. , zie Afknijpen. 

Afgekocht , v. dw. , zie Af koopen. 

Afgekonnen, v. dw. , zie Afkunneii. 

Afgekorven, v, dw. , zie Afkerven. 

Afgekregcn , v. dw. , zie Afkrijgen, 

Afgckropen, v. dw. , zie Arkiiiipcn. 

Afgeleefd , (v. dw. van het veroud. afle- 
ven), * — a bv. Decrepit, fVorn out 
with age, 

Afgeleefdhcid , vr. Decrepitness , De- 
crepitude. 

Afgelegcn, (v. dw. zie Afl"ggen). * — , 
bv. Distant^ Remote,* — ,eenzaam,Lc7w^/v. 

Afgclegenheid , vr. afstaod. Distance. 
* — , eenzaamheid , Loneliness. 

Afgcleid, v. dw., zie Afleggen eu Afleiden. 



3G AFGE 

Afgemat, bv. Fatigned, TFcary. 

Atgematheid, vr. Weariness^ fatigue, 

Afgemolken, v. dw. , zie Afmelken. 

Ai^enepen, v. dw. , zie Afnijpen. 

AFgenomen, v. dw.^ zie Afnemen. 

A%eplozeii , v. dw. , zie Afpluizen. 

Argereden, v. dw. , zie AfrJjden. 

Atgeregen, v. dw., z;e Afnjgen. 

Aigereteii, v. dv/. , zie Afrijteu. 

AFgerezen , v. dw. , zie Afrijzeu. 

Afgescheidene, m. en vr. Separatist^ 
Dissenter. 

AFgeschenen, v. dw, , zie Afschijnen. - 

Afgeschonken , v. Aw., zie Afschcnkeu. 

Afgeschoreu , v. dw. , zie Afscheren. 

Afgeschoten , v. dw. , zie Afschieten. 

Afgeschoven, v. dw. , zie Aiscluiiven. 

Afgeschreven, v. dw. , zie Afschrijven. 

Afgeslagen, v. dw., zie Afslaan. 

Afi^eslepen , v. dw , zie Afslijpen. 

Afgesleten, v. dw., zie Afslijten. 

Afgesloofd, (v. dw. , zie Afsloven). 
* — , bv. F.it'g'ied, Wearied i fig. De 
ongesloofde zicl, T:>e wearied mind. 

Afgeslopen, v. dw. , zie Afsluipen. 

Afgesloten, v. d.\v. zie Afsluiten, 

Afgesraecen , v, dw., zie Afsniijren. 

Afgesmolcen, v. dw., zie Afsiueken. 

Afgesneden, v. dw., zie Afsnijden. 

Aigesnoten, V. dw., Atsnuiten. 

Afgesplecen, v. dw. , zie Afsplijren. 

Afgesponnen, v. Aw., zie Aispinnen. 

Afgesproken , v. dw. , zie Afspreken. 

Afgesprongen, v. dw. , zie Afspringcn. 

Afgesproten, v. dw. , zie Afspruitea. 

Afi^estoken , v. dw. , zie Afsiekcn. 

Afgestolen, v. dw. , zie Afscelen. 

Afgestorven, v. dw. , zie Afscerven. 

Afgescoven, v. dw,, zie Atsiuiven. 

Afgestreden, v. dsv. , zie Afscrijden. 

Afgestreken, v. dw. , zie Aistnjken. 

Afgeiegen, v. dw. , zie. Aftijgen. 

Afgetobd, zie Afgeslopfd. 

Afgetrokicen, (^v. dw. , zie Afcrekken). 
* — , bv, nietoplettend, Absent ^ Inat- 
tentive, Abstracted. *— , diepzimiig, 
Abstruse , Abstract, Abstracted; — denk- 
beelden. Abstract ideas; De — weten- 
schappen, The abstract sciences. * — , 
in de redek. : Het afgecrokkene en za- 
mengesteldi, The abstract and concrete. 

AFgetrokken'ieid , vv. Absence , Absence 
of mind , Inattention. 

Afgevaardigde , m. Commissary , Envoy , 
Deputy, 

A'gevaileii, zie Vcrmagerd en Afvallig. 

Afgeven, ongej. b. w. to Transmit, 



AFGE 

Deliver. * ^, o. w. met Ilebben , to 
Taint, Stain, zie Afnemen,* Blaauw 
laken geefc aan het linnen af. Blue 
c/r'th taints the linen, by the wearing 
off nf the cottlours, 

Afgever , m. One that delivers. 

Afgeviug, vr. Delivering , Deliverance , 
etc. 

Afgevlogen , v. dw. , zie Afvliegeo. 

Afgevloten , v. dw. , zie Afvlieten. 

Afgevochten, v. dw. , ze Afvechten. 

AFgevreven, v, dw. , zie AFvrJjven. 

AFgevroren, v. dw- , zie Afvriezen. 

Ar^,eweesc ,v. dw., zie Afwezen en Afzijn. 

Afgeweken, v. dw., zie Afwjjken. 

Afgewend, v. dw. , zie Afwcnnen en 
Afwenden. 

Afgewezen , v. dw. , zie Afwijzen. 

Afgewogen , v. dw. , zie Afwegen. 

Afgewonden, v. dw. , zie Afwinden. 

Afgewonnen, v. dw. , zie Afwinneu. 

Afgeworpen , v. dw. , zie Afwerpen. 

Afgev/reven, v. dw. , zie Afwrijven. 

AFgewrongen, v. dw.^ zie Afwringen. 

Algezant, m. , Ambassador ; De vrouw 
vsn een' — , Ambassadress. 

Afgezeid, v. dw. , Afzeggen. 

Afgezcten, v. dw., zie AFzitten. 

Afgezochc, v. dw. , zie Afzoeken. 

Afgezogen, v. dw. , zie Af?:aigen, 

AFj^czonden , v. dw., zie Afzenden. 

AFgezonderd, (^v^ dw. zie Af^onderen ). 
*— , bv. afgQiegen , Lonely. 

Afgezonderdlieid, vr. Loleliness, Soli- 
tude. 

Afgezongen, v. dw. , zie Afzingen. 

Afgezopen , v. dw. , zie Afzuipen. 

AFgezworen, v. dw. , zie Afzweren. 

Afgezwommen, v. dw. , zie Afzwemmen. 

AFgicren , o. w. metZijn, scheepsw., to 
Be cast off" by the swiiiging or swaying 
of a ship , when she cannot VJork up 
against the stream or tide, to Drive 
with the anchors a head. 

AfgieceH, ongel. b. w. door gieten af- 
zoiideren , to Pour off, to Clear off, to 
Decant. * — , een aFgietsel maken , to 
Cast or Found a resemblance or image of. 

Afgteter, m. One that casts or founds a 
resemblance , Moulder , Caster. 

Afgieting , vr. Casting or Founding a 
resemblance. * -j- , zie Afgietsel. 

Afg'etsel , o. Image or Resemblance cast 
or founded , Cast, Copy. 

Afgietster, vr. , zie Afgieter. 

Afgifce , zie Afgaaf. 

Afg'ijdfn, ongel. o. w. met Zijn , naar 



AFGL 

Ijejieden gUjden, tn Slide or Glids down, 

*— , uirgiijden, to Slip off. 
Afgiijding:, vr Sliding or Gliding down, 

* -^ , Slipping off. 
Afv-'lippen, o. w. met Zijn, to Slip off' 

(from any thing'). 
Afglipperen, o. w. met Zijn, valleo , 

to Slide or Glide down. *— , va;! iets 

afglippen, to Slide from. 
Afglipping , vr. Slipping off from any 

thing. 
Afgod , m. Idol ; fig. Een' — van iemand 

maken , to Idolize one. 
Afgodendienaar, m. , Afgodendienares, 

vr. Idolater. 
Afgodendienst, vr. Idolatry, 
Afgoderij, vr. Idolatry; — drijven, to 

Idolatrize; fig. — luct jemaiid drijveo, 

to Idolize one. 
Af^;odes , Afgodin , vr. , zie Afgod, 
AfV;odisch, bv. Idolatrous, * — , bw. 

Idolatrously. 
Af^odsbeeid , o. Idol. 
Af^odsdienst, vr. , zje Afgodendienst. 
Afgodspriester , m. Priest of an idol, 
Afgodsrempel, m. Temple of an idol. 
Afgooijen , b. \v. nedergooijen , to Throw 

down. * — , door gooijen aCzonderen , 

to Throw off. 
Aft^ooijtng, vr. Throwing down, ♦ — , 

Throwing off. 
Afgorden, b. vf. to Ungird. 
Afgordiiig, vr. JJngirding, 
Afgraauw, m. Snarling. 
Afgraauwen, b. w. door graauwen ver- 

wijderen, to Snarl or Chide a^vay. *— , 

begraaiiwen, to Snarl at, 
Afj^raven, ongel. b. w. door graven af- 

zondcreu, tu Separate from .. . by dig- 
ging a trench .^ to Dig off.* — , lager 

ma Ken, to Make lower,,, by digging 

off the earth from it. 
Afgraving, vr. Separating ^ etc. ^ zie Af- 

graven. 
Afgrazen, b. w. to Graze, to Eat the 

giass off from , to Browse. 
Argrazing, vr. Grazing, 
Af^;!-eppelen. b. w. to Separate by trench- 
es or drains. 
Afgreppeling, vr. Separating by trenches. 
Afgrjjpcn, ongel. b. w. to Sn<itchf o'n. 
Afgrlj^elijk, hw. Horrible , Horrid^ Hi- 
deous. ♦ — , hw. Ilorrib/y, lloiridiy., 

Hideously. 
Afi^rijselijkheid , vr. Ilorribleness , Hor- 

ridness, Hideousv.ess, 
Afgrijzeo, o. Horror, Dread; Een — 



AFGR 37 

van iets hebben, to Abhor , Abominate 
or Detest a thing , to Have a horror to or 
from a thing. 

Afj^i'ond , m. onpeilbare diepte , Abyss , 
Precipice; fig. Gulf; Eeu — van ei- 
Iciide , A gulf of misery. 

Afgnnsc, vr. Envy .^ Jealousy^ 

Afgunstig, bv. Envious ., Jealous , Grud- 
ging. * — , bw. , zie Afgunstiglijk. 

Afgunscigheid, vr. , zie Afgunsc. 

Afgunstigljjlc , bw. Envioualy ^ Jealously, 

Afhaakster, vr. , zie Afhakcr. 

Afhaalster, vr., zie Afhaler. 

Afliakcn, b. w. to Unhook. 

Afhaker, ni. One that unhooks, 

Ai'haking, vr. Unhooking. 

Afiiakken, b. w. door hakken afzonde- 
reii , to Chop or Hew off. * — , ten einde 
hakken, (in dezen zin ook-. o. w. met 
Hebben,) to Go on with chopping till 
the wanted quantity is ready. * — , bij 
slag., Aau gcschikte stukkcn hakken, 
to Chop. ♦ — , van schoeneu , zie Neer- 
hakken, 

Afhakker, m. One that chops offl.* — . 
One that chops. 

Afhakking, vr. Chopping off. * — , Chop- 
ping till the end. f — , Chopping, 

Afhakscer, vr. , zie Afhakker. 

Afhalen, b. w. naar beneden halen , to 
Fetch down. * — , van eenc plaats halen ^ 
to Fetch or Take along with one''s self. 
* — , afcrekken, to Pull off, to St>'tp 
off^ the skinj fig. to Strip one of; Een' 
aal hec vel— , to Stiip off an cc>''s 
skin; fig.. Iemand allcs — , to Strip am; 
of every thing {or of all one has). 

Afhaler, m. One that fetches down , etc. , 
zie Afhalen. 

Af haling, vr. Fetching down , etc., zie 
Afhalen. 

Afhandelen, b. w. ten eindc brengen , to 
Bring to a conclusion , to Terminuie, 
*— , bchandclen , to Treat of {a subject )• 
*— , afkoopen , to Obtain by bargaining ; 
Ik zal hec u toch nog — , Pit barguiit 
so long that I get it from you. * — , o. 
w. met hebben, to Finish, 

Afliandeling , vr. Bringing to a conclu- 
sion , y\rwination , etc., zie Afhau- 
delen. 

Al'handig, bv. enkcl gcbr. met maken, 
als: iemand iecs — luaken , to l^de a 
thing from one, to Rid one of a thing, 
(do^jr list) to Trick one out of a thing. 

Afhangeling, ra. en vr. Dependant , De- . 
pendent. 



?8 



AFHA 



Athaugen , ongeU b. w, afnemen , to Take 
down or of\ * — , o. w. met Hebbeii , 
nederhangen, to Uan^ down; Een af- 
hangend dak, A shelving roof; fig. Van 
ieinand — , to Depend upon one ; Ilet is 
hard van anderen te nioeceii — , It is 
hard to be a dependant. 

Afhanger, m. One that takes down. ♦— , 
afhangeling. Dependant. 

Af hanging, vr. Taking or Hanging down. 
* — , Dependance , Dependancy. 

Arnankeiijk, bv. Dependent. * — , bw. 
//; a Dependant manner. 

Afhankehjkheid, vr. Dependetjce ^ De- 
rtendency. 

Afharen, o. w. met Zijn , te Lose hair; 
J)ie pels haarc af, The hair of that fur 
"iifears off. 

Afiiaspelen, b. w. door haspelen afwin- 
ck'o , to Reel or IFind off; fig. lets — , 
to Finish one''s work after many inter- 
rtiptions and hunglingly. * — , o. w. 
met Hebbcn , to Go on with reeling till 
the tack is finished, 

Afhaspeling, vr. Reeling off"^ etc. 

Afhebben, onreg. b. w. to IlaVe finished 
or done ; Ik had niijn werk om tweeiuir 
af, / had finished my wot'k at two o' 
clock. 

AfhelFen, ongeJ. b. w. afligten , to Heave 
or Lift off, to Take down. * — , in het 
kaarrspel, afnemen, to Cut. 

Afheffer, m. One that takes down or (in 
het kaarcspel) cuts. 

Afheffing, vr. Taking down or (in het 

kaartspel) Cutting. 

Af heinen , b. w. to Hedge in , to Fence in. 

Afheining, vr. Hedging in ^ Fencing in. 

Afhellen, o. w. met Hebben , to Slope, 

to Decline , Incline or Bend downwards , 

zie Hellen. 
Afhelling, vr. het afhellen. Sloping, 



ing, * — , hellende plaacs, Slope, 



I'lclin. 
Declivity. 

Ar'helpen, ongel. b. w. naar bencden 
helpen, te Help or Hand down. * — , 
bevrijden, to Deliver^ R^elieve or Hell) 
from; fig. doen verliezen, to Rid of. 

Afhijscken, ongel. en gel. b, \v. to Let 
down. 

Afhoeren (Zich), w. w. to Weaken 
one''s self by whoring. 

Afhooren, b. w. als : lemand zijne ge- 
iieimen — ^ to Pump orje''s secrets oUt of 
one ; De getuigen 2ijn nog niet afge- 
hoord , All the witnesses have not been 
heard yet; Mcdebeschiildigdea tegeu el- 



AFriO 

uander — , to Try the accused face to 
Jace or Confront them; Een' leerling 
de les — , to Let a pupil say his lesson. 
* — , to Learn by hearing. 

Af houden , onreg. b. w., als: Den hoed 
— , to Keep one^s hat of, to Be or Stand 
uncovered. ♦— , teriig houden, to Keep 
back, to Retain. *— , op een» afsiand 
houden, to Keep at a distance, to Keep 
font ; fig.^ lemand van zijne bezigheden 
— ■) to Divert one from one''s occupations; 
Zich van iets— , to Abstain from a 
thing.*— ,o.\v.met Iiebben,niet een schip: 
Loefwaarts— , to Keep off to the loof;C met 
eenen wagen, enz.) Regis — , to Turn, 
to the right. 

Afhouder, m. One that keeps at a 
distance , etc. 

Afhouding, vr. Retaining, etc. 

Afhouwen, ongel. b. w. , zie Afbakkea. 

Afhouwer, m. , zie Afhakker. 

Afhouvvir.g, vr. , zie Afhakking. 

Afhuichelen, b. w. to Obtain by hypo- 
crisy or caresses. 

Afhuilen (Z'ch), w. w. to Wear^ one''s 
self with moaning, etc., zie tluilen, 

Afhuren, b. w. to Hire. 

Afhuurder, m., Afhuurster, vr. Hirer. 

Afjagen, onreg. en gel. h. w. naar be- 
ncden, to Chase or Drive down. * — , 
door jagen afzonderen , to Chase ojf, 
to Drive away. * — , overjagen , to 
Overdrive, Override (a horse). 

Afjager, m. One that chases down or 
off'. * — , One that overrides a horse. 

Afjakken , Afjakkeren, b. w. to Over- 
drive, Fo tinder. 

Afkaacsen, b. w. terug kaatsen, to Cast 
^ffi fig* afwenden, to Ward off 

Af kaatser , m. One that casts or wards 

off 

Afkaatsing, vr. Casting or Warding off. 

Afkabbelen, b. w. to Fret or Eat the 

earth away from the banks , as a river 

does in beating against them, 

Afkabbelingy vr. Fretting the earth 

away from the banks, 

Afkakelen, b. w. als: Hij zaldatwel — , 

He'' II say so much against it, that it 

will be laid aside. * — , o. w. metlleb- 

ben, als: Laat haar eerst maar — , Let 

her first have her fill of her tittle tattle. 
Afkakeling, vr. , zie Afkakelen. 
Af kalken , b. w. met Zijn, als: Demuur 

kalkt af, The chalk fills from the 

wall. 
Afkalking , vr. als : De van den r- miiur , 




AFKA 



The falling of the chalk from the wall. 

Afkalven, o. w. met Hebben , als: 
Deze koeijen hebben afgekalfd, These 
cows are past calving. 

Af kammen , b. w. to Comb off. 

Afkaramer, m. One that combs off, 

Afkamming, vr. Combing off. 

Afkamster, vr. , zie Afkammer. 

Afkanten, b. w. to Take off the corners. 

Afkanter, m. One that takes off the 
corners. 

Afkanting, vr. Taking of the corners* 

Afkappen, zie Afhakken. 

Afkapper, zie Afhakker, 

Afkapping, zie Afhakkiiig. 

Af kappingsceeken , o. Apostrophe. 

Afkapster, zie Afhakster. 

Afkeer, m. Aversion. 

Afkeerder, m. One that turns aside or 
that sweeps. 

Afkeeren, b. w. ter zijde keeren, to 
Turn aside or off; fig. afwenden , to 
Avert. * — , afvegen , to Sweep , Brush. 

Afkeerig, bv. Averse. *— , bw. Aversely. 

Afkeerigheid, vr. Averseness. * — , af- 
keer , Aversion. 

Afkeeriglijk, zie Afkeerig, bw. 

Afkeerster, vr. , zie Afkeerder. 

Afkemmen , enz. , zie Af kammen , eoz. 

Afkerfster, vr. , zie Afkerver. 

Atkerven, ongel. b. w. to Carve or Cut 

off' 
Afkerver, m. One that cuts off 
Afkerving, vr. Cutting off. 
Afkeurder, m. One that disapproves or 

cries down , Rejecter. 
Af keuren , b. w. to Disapprove , Reject. 
* — ,(zilver, enz.) to Cry down. 
Af keuringsteeking, vr, Mark of disap- 
probation. * 
Afkeuring, vr. Dissaproving , Disap- 
probation. * — , Crying down, 
Afkeiirscer, vr. , zie Afkeurder. 
Afkijken, ongel. b. w. to Get the knack 
of a thing by seeing it performed ^ to 
Learn a thing from one by looking at 
it ; Eene kans — ,^ to TVatch an op- 
portunity .^ to Lie in wait; zie overi- 
gens Afzien in de eigenl. Detcek. 
Afkijker, m. One that gets the knack 

(fa thing by seeing it performed. 
Afkijking, vr. Getting the knack of a 

thing by seeing it performed. 
Afkijksccr, vr. , Z'.e Al-'kijker. ' 
Af klautcrcn , o. w. mei Zijn, to Climb 
off .ir down upon all fours. 
Af klenuncMi , b. w. to Pinch off. 



AFKL 



39 



Af kleramer , m. One that pinches off. 
^fklemming , vr. Pinching off. 
Afklemster, vr. , zie Afklemmer. 
AfkJeppen, b. w. to Proclaim or Publish 

with ringing a bell. 
Afklepper, m. One that proclaims. 
Afklepping, vr. Proclaiming. 
Afklepsier, vr. , zie Afklepper. 
Af klimraen , ongel, o. w. met Zijn , to 

Climb off or down, 
Afklimraer, m. One that climbs off or 

down. 

Afklimmiug, vr. Climbing offer down, 
Af klimster, vr. , zie Afkliramer. 
Af kloppen , b. w. door kloppen afzon- 

deren , to Beatoff. * — , slaan , to Beat. 

* — , een pak slagen geveu , to Drub 

or Thrash one soundly. 
Af klopper , ra. One that beats off. ♦ — , 

One that beats, * — , One that drubs. 
Afklopping, vr. Beating off, * — , 

Beating. * — , Drubbing. 
Afklopscer, vr. , zie Af klopper. 
Afkluifster, vr. , zie Afkluiver. _ 
Afkluiven, ongel, b. w, to Pick off; 

liec vleesch van een been — ^ te Pick 

a bone. 

Afkluiver, m. One that picks. 
Afkluiving , vr. Picking. 
Afkuaagscer, vr. , zie Afknager. 
Afknaauwen, b. w., zie Afknagen. 
Afkuaauwer, m. , zie Afknager. 
Af knaauwing, vr., zie Afknaging. 
Af knaauwster, vr. , zie Afknaauwer. 
I Af knabbelen , b. w. to Nibble off, 
Afknabbeler, m. One that nibbles off. 
Af knabbeling, vr. Nibbling off. 
Af knabbelster , vr. , zie Afknabbeler. 
Afknagen , b. w. to Gnaw off. 
Afknager , m. One that gnaws off. 
Afknaging, vr. Gnawing off. 
Af knakken , b. en o. w. met Zijn, t« 

Break of with a snap ^ to Snap. 
Afknakker, m. One that breaks off, 
Afknakking, vr. Breaking off. 
Afknakster, vr. , zie Afknakker 
Afknappen, b. en o. w. met Zijn, zie 

Afknakkcn. 

Afknellen, b. w. , zie Afklcmmcn. 
Af knelling, vr. , zie Afklemming. 
Afknevclcn, b. w. to Extort or Forte 

from , to Obtain by extortion. 
Afknevcler, m. Extorter , Extortioner. 
Af knevcling , vr. Extorting ^ Extorti n 
Af knevelster, vr. , zie Afknevcler. 
Afknibbelen, b. w. door knibbclen den 

prijs verminderen, to Get the price aba- 



40 



AFRI 



te^l ^ Ik heb drie siuiver afgeknibbeUI , 
/ paidk three pence less than was asked. 
• — , door knibbelcn verkrijgen , to 
Get by higglifig. 
Afknibbeler, m. Higgler, 
Af knibbeling , vr. JJigg/ing. 
Afknibbelscer , vr. ,jjic Afknibbeler. 
Af knijpen , ongel. b. w. to Pinch off". 
* — , in de schecpv.: Den wind — , 
Cscherp tegen den wind houdeii,) to 
Loof np^^ to Ply ^viiichvard. 
Afknijpe'r, m. One that pinches off". 
Afknijping, vr. Pinchirg off". 
. Af knijpsier , vr. , zie Atknijper. 
Af knippen , b. w. to Clip offy to Cut off" 
with a pair cff" scissors, 
Afknipper, m, Om'. that dips off". 
Afk nipping, vr. Clipping off, 
Afknipscer, vr. , zie Afkntpper. 
Afknotster, vr. , zie Afkrotcer. 
Afknotten, b. w. door knotten afzon- 
deren, to Lop off". * — , snoeijcn. 
to Lop. * — , in de vlasteclt, de kiioc- 
ten, dat is de zandhuisjes afplukken, 
of hec vlas repelcn, to Clean flax of its 
seeds ; ook ; to Go on with cleaning flax 
of its seeds till nothing is left, 
Afknotter, ra. One that lops ojf*, etc, 
Af knotting, vr. Lopping off, etc. 
Afkoelen, b. w. to Cool ; Zch — , to 
Refresh one^s self. ♦ — , o. w. met Zijn , 
to Cool, to Grow cool. 
Af koeler , m. One that cools , Cooler. 
Afkoelster, vr. , zie Af koeler 
Afkoeiing, vr. Cooling. 
Afkoken, b. w. to Let.., boil the proper 
time. * — , in de arcsenijme^igk. , to 
Decoct. 
Afkoking, vr. Boiling the proper time. 

*— , Decocting. ♦ — , zie AFkooksel. 
Afkomeling, in. eu vr. Descendant, 

Offspring. 
Atiiomcn, onreg. o. w. ir.et Zijn, naar 
beneden komen , to Come down, to Des- 
cend , to Come down stairs. * — , afzak- 
ken , to Descend; Het vlot kumt den 
Rijn af. The float descends the Rhine. 

* — , zich verwijderen , to Go away 
from, to Leave; fig. to Get rid of; Van 
elkander — , (zaraen klaar komen,) to 
Settle a business; Als wij er wel — , 
If we coins off well. * — , afsrammen , 
to Descend. 

Afkoraing , vr. Descending, etc. 

Af korast, m. afstamming , Descent , Birth. 

* — , van een woord , Derivation. * — , 
kroosc. Offspring, Posterity. 



■ AFKO 

Afkomsiig , bv. Issued or De^^cended 
(^fromX * — , van woorden , Derived. 

Afkoncfigen, b. w. io Publish, Pro- 
claim ^ to Make known., to Notify;^ Eeu' 
bruidegom eu bruid — , to Bid the 
bans. 

Afkondiger, m. Publisher. 

Afkondiging, vr. Publication , Procla- 
mation. *- , Bidding bans. 

Afkondigster, vr., zie Afkondiger. 

Afkooksel, o. in de arrsenijmengk., 
Decoct urn , Decoct, Decoct ten. 

Afkoop, m. Redemption, zie Afkoopen 
in de sde beteek. 

Afkoopen, onreg, b. w. van ieraand 
koopen , to Buy or Purchase from. * -, 
vrijkoopen, to Redeem; De siad heefc 
de plundering afgekociu , The city has 
redeemed or freed itself from the pillage. 

Afkooper, m. Purchaser. *—, Redeemer. 

Afkooping, vr. Purchasing. ♦ — , Re- 
deeming, 

Afkoopster, vr. , zie Afkooper. 

Afkorsten, b. w. to Take or Pull cffthe 
crust. 

Afkorsting, vr. Taking or Pulling off 
the crust, 

Afkorten, b. vf. to Shorten , Abridge; 
Zijne uagels — , to Shorten, Clip or 

Pare one^s nails; De woorden in het 

schrijven — , to Write with abbrevia- 
tions, to Abbreviate words; Hg. Een 

gedetlce van eene rekening -— , to Abate 

or Deduct a part from an account. 
Afkorter, m. One that shortens^ etc. 

* — , Abridger. 

Afkoriing, vr. Shortening, Abridging. 

* — , van woorden, Abbreviation ; fig. 
van eene rekening, Deduction, Abate- 
ment. 

Af kordngsteeken , o. Apostrophe. 

Afkorcster, vr., zie Afkorter. 

Af krabbelen , b. w. to Scratch off. 

Af brabben, b. w. to Scratch off. 

Af krabber, m. 0::e that scratchess off. 

Aikrabbing, vr. Scratching off. 

Afkrahsel, o. Scratching ^ pi. 

Afkrabscer, vr, , zie Af krabber. 

Afkrassen, b. w. to Scrape off. 

Afkrasser, in. One that scra/^es off. 

Afkrassing, vr. Scraping off'. 

Afkrasster, vr. , zie Afkrasser. 

Afkrijgen, ongel. h. w. naar beneden 
krijgen, to Get or Fetch down; Gij znlc 
hec deze trap niec ' — , Ton won'' t get 
it down by these stairs. * — , gereed 
krijgen, to Get finished or done. 



1^ 

HP AFKR 



AFLA 



■it 



Af kruijcn , onreg.^ ongeU en gel. h, w« 
to Carry down, off" or away on a whecl- 
barrcw. * — , o. w. n:et Zijn , to Go 
down with a wheel-barrow. 

Afkruipen, oi/gel. o. w. met Zijn, to 
Creep down. * — y to Creep away (from , 
van). ♦ — , b. w. to Creep off". 

Afkunnen , onreg. b. w. als : Ik zal bet 
niet — , / shall not be able to fini<ih it. 

* — , o. w. met Hebben , als: Ik kan 
er nJet af , / cannot get down. Aanm. 
Dewijl er een werkwoord onder ver- 
staan wordc, kunnen al de beceekeuisicn 
niet opgegeven wordeii., 

Afiiussen, b. w, door kussen afzonde- 
ren , to Kiss off". * — , door ecn' kiis 
bijieggen, to Terminate a quarrel with 
a kiss; Zij hebben clkander afgekusi , 
They have terminated their quarrelwith 
a kiss. 

Af laadscer, vr. , zie Aflader, 

Aflaat, m. in de R, kath. godsd. , lu- 
du'gence ; Een voile — , A plenary in- 
dti/gence. 

Aflaatbrief, m. Papal bull for granting 
indulgences , Letter of indulgence. 

Aflaatkraam, m. bcleedigende uiidrukk. , 
Selling of indulgences. 

Af laatkraraer , m. beleedigendeiiitdrnkk. , 
Monk that sells indulgences , Seller of 
indulgences. 

Af laatprediker , m. Preacher that 
publishes the papers grant of indulgen- 
ces , Preacher of indulgence. 

Aflaaister, vr., zie Atiater. 

Af laden , ongcl. h. w. ontladen, to 
Discharge , Disburden , Unlade , Unload. 
*— , o. w. met Ilcbben, ten einde laden , 
to Lade or Load entirely. 

Aflader, m. One that discharges , Un- 
load er , Discharger. 

A finding, vr. Discharging ^ Unloading ^ 
Disburdening, 

Aflangen , b. w. nnar beneden langen , 
to Reach down. " — , afgeven , to 
Deliver; Ilij wil niets — , There is 
nothing to be got from him, lie is too 
close fisted. 

Aflangcr, m. One that reaches down. 

Aflanging, vr. Reaching down. 

Aflangster, vr. , zie AMangcr. 

Aflaicn, ongel, h. w. nederlaren , to 
Let down. * — , van wijn, zie Veflatcn. 

* — , laten vertrekkcn , to Let g/y (out 
of or from , van). * — , van den prijs , 
to Abate. * — , o. w. met Hebben , ( van 
icts) to Leave a thing alone, to DiS'\ 



cnntintie , to Leave, to Leave cfl , to 
Desist fron: , to Forbear. 

Af later, m One that lets down, etc. 

Aflanng, vr. Letting down, etc. 

Af leenen , b. w. to Borrow jrom ; van 
iiier: to Deprive one of the use of -a 
thing by borrowing it from him ; Dat 
boek is raij afgelecnd , Some body has 
borrowed that bock from me ana not 
returned it yet. 

Afleener, m. Borrower. 

Afleening, vr. Borrowing. 

Afleensier, vr. , zie Afleener. 

Afleeren, b. w. zie Afkijken, * — , 
verleeren , to Unlearn , Forget or Dis- 
use; Ik zal hec trachten af le leeren , 
/ shall endeavour to forget it. * — , 
afwennen , doen vergecen, to Disuse, 
Disaccustom; leraand zijne kuren — , 
to Break one of onc''s tricks or pranks. 

Af leering , vr. Unlearning , etc. 

Afleesster, vr. , zie Aflezer. 

Afleggen, onreg. en gel. b. w. to Lay 
off" or from, * — , een klced afdoen , to 
Put Off. *— , in ne:bij^onde^: Ilet here 
heeft zijne horens afgelegd , The stag 
has laid down his horns; fig. (van 
een' stervende,) Hij hteft bet afge- 
legd. He is dead , deceased, has de 
parted this life. * — , van lijken: Een' 
overledene of Een lijk — , to Undress 
a dead body , zie Af legger. * — , bij 
boorakweek. , to Set layers in the ground 
for increase; Een' wijnstok — , to 
Provine, to Propagate a vine ^ to Lay 
a vine in the ground that others 
may come from it ; Anjelieren -, to 
Lay or Set carnations. * — , van geslagre 
beesten : Die os hecft weinig afgelei;d 
(weinig verloren in gcwigt, nadat hij 
gcslagc is). That ox is not much lessen- 
ed. *—, in bet kaarrsp.: Ik heb afgc- 
legd , I have discarded. * — , wegdocn , 
to Leave off; Den rouw — , to Leave 
(ff mourning; Een klecd — , to Leave 
off a coat, to Throw it by, having no 
mind to wear it any longer ; fig. De 
kinderschoenen — , to Leave off childish 
manners , to Commence behaving like a 
man (woman); Gewoontcn, Voort^or- 
declen, Een' liaat, cnz, — , to Leave 
off' habits, prejudices, a hatred, etc ; 
tenc kwade gewoonic — , to Tnrow 
an ill habit oft\ * — , volbrcngen, to 
Perform^ Make; Ecne reis — , to Per- 

jorm or JMake a journey; Een' tcvi 
— , to Take an eath; Eene getuigeuis 



42 



AFLE 



— , to Bear 'witness or testimony , to 
Depose, • — , voldoen , als : Zijne schnl- 
den — , to Pay or Clear one'^s debts ^ 
Een bezoek. Bene pligtpleging bij ie- 
maiid — , to Pay a visit , one'^s duty to one. 
Aflegger, m. One that lays off", etc. ^ zie 
Afleggen. * — 5 inzond. Person employed 
for undressing dead bodies and clothing 
them before they are laid into the coffin. 

* — , bjj boomkw. , Layer, 
Aflegging, vr. Laying off or from .^etc,^ 

zie Afleggen. 

Aflegscer, vr. , zie Aflegger in de 2. bet. 

Afleiden, b. w. to Lead down; Eene 
dame de trappen — ^ to Lead or Han'l 
a lady down stairs or down, * — , als 
eene gevolgcrekking, to Deduct,, Lifer ; 
Hieruit is af te leiden, Hence we may 
infer, * — , bijz. in de spraakk., doen 
af^cammen, to Derive; Woorden — , to 
Derive words; Een afgeleid woord , A 
derivative. * — , van den we^ leiden, 
to Lead off f to Lead another way '^Eenc 
rivier — , to Lead or Bend the course 
of a river another way; ]")en bliksera — , 
to _ Receive and transmit the electric 
fluid y zie Afleider; fig. lemand van 
zijn voornemen — , to Dissuade one; 
leraand van de deugd — , to Seduce one. 

* — , inzond. lemand of lemaiuls ge- 
dachien , to Take off one''s attention. 

Afleider, m. One that leads down etc. ^ 
zie Afleiden. * — , Deriver. *— , inzond. 
zeker vverkcuig, waardoor de bliksem 
van een huis, eene kerk, eenschipenz. 
af en in den grond of hec wacer wordt 
geleid, Conductor. 

Afleiding, vr. Leading down,, etc, zie 
Afleiden. * — , inzond. afleiding van 
gcdacluen , of iets dat deze veroor- 
zaakt , Diversion of thoughts , Distrac- 
tion;^ Mier hebt gij geene — , Here is 
nothing that will divert your thoughts. 

* — , in de spraakk,, Derivation. 
Afleken, o. w. mec Zijn, inzond. van 

iranen, als: Ik zag de tranen van hare 

wangen — , /" saw the tears trickling 

{trickle") down her cheeks. 
Af leking , vr. Trickling down, 
' Afiekken, o. w. mec Zijn, vs. to Drop 

or Leak down. 
Afiekken, b. w. , zie Aflikken. 
Aflekker, m. , zie Aflikker. 
Aflekking, vr. Dropping or Leaking down. 
Aflekking, vr. , zie Aflikking. 
Aflekster, vr. , zie Afliksier. (verer, 
Afleveraar, m., Afleveraarster, vr. Deli' 



AFLE 

Afleveren , b. w. to Deliver , to Send 
off, to Consign, 

Afievering, vr. Delivering, Delivery. 
* — , in den boekhand. , Part, 

Aflezen, ongel. b. w. door lezen verga- 
deren, to Gather off. * — , afkondigen, 
to Proclaim; van hier: De namen der 
leden — •, /<? Call over the names of the 
members. 

Aflezer, m. One that gathers ojf. Ga- 
therer. * — , One that proclaims , Pro- 
claimer, 

Aflezing, vr. Gathering off". * — , Pro- 
claiming. Proclamation. * — , Calling 
over. 

Afliggen, ongel. b. w. to fPear off^ hy 
lying; Het paard heeft al het haar af- 
gelegen. The horse has lost all his hair 
with lying down. ♦ — , o. w. met Heb- 
ben , to Be or Lie at a distance 
{from, van); van hier: Afgelegen zjjn , 
to Be distant, to Lie, to Be situated 
at a distance ; Het huis ligc ver van 
den weg af, is ver van den weg afge- 
legen , The house lies far from the road ; 
Afgelegen zijn, to Lie or Be situated 
in a solitary or lonely quarter; Een af- 
gelegen huis , A solitary or lonely house , 
zie Afgelegen. 

Afliggiug, vr. Being situated at a distance. 

Afligten, b. w. afnemen , toTake or Lift 
off; Het masker (zich zelven) — , to 
Throw off the mask , to Disguise one^s 
self no more; (een' ander',j to Pull 
off the mask ; lemand de schellen van 
de oogen — , zie Schel. 

Afligter, m. One that takes off. 

Afligting, vr. Taking off. 

Afligtster, vr. , zie Afligter. 

Aflijvig, bv. Dead, Lifeless, Deceased; 
— worden, to Die ; — maken, to Kill. 

Aflijvigheid, vr. Decease, Death ; In ge- 
val van vroegere — , /;; the case of a 
decease anterior to , etc, 

Aflikken, b. w. to Lick off. 

Aflikker, m. One that licks off, 

Aflikking, vr. Licking off, 

Aflikster, vr. , zie Aflikker. 

Afloerder, m. , zie Afkijlvcr. 

Afloeren,b. w. , zie Afkijken, 

Afloering, vr. , zie Afkijicing. 

Afloerster, vr , , zie Afloerder. 

Aflokken, b. w. naar beneden lokken, 
to Allure or Decoy domnward. * — , 
door lokken verwijderen, to Allure or 
Decoy from or off. * — , to Get {from 
one^ by fair words; lemand zijn geheim 




AFLO 



— f to Draw one''s secret from one; le- 
mand zijn geld — , to Coax one out of 
one^s money, 

Aflokker, in. One that allures downward 
or off'. 

Af lokking , vr. Alluring downward or off. 

Aflokscer, vr. , zie Aflokker. 

Afloop, in. liec afloopen. Running or 
Flowing downward; — der zee, Ebb ^ 
Ebbing of the sea. * — , af^ang, \\q\- 
Wn^ ^ Descent ^ Declivity ^ Slope. * — , 
teneindebrenging , Termination, Con- 
clusion, Lsue. * — , e\nde,End; Voor 
deu — des jaars, Before the end of the 
year. * — , plaats voor hec afloopeudes 
waters, Sink , Kennel, Gutter. 

Afloopen, onreg. o. w. met Zil'n , vs. /o 
Run down; fig. Met zweet loopt mij 
langs het aangezigt af. The sweat runs 
down my face; De kaars loopt af, The 
candle gutters; Een schip laten — , to 
Launch a ship; fig. wegens het loopen, 
toe aan het einde ophouden te loopen, 
als : Mijn horologie is afgeloopew. My 
watch is down; Goed of kwalijk — , to 
Have a good or ill issue; Hoe zal die 
zaak — ? , What will be the issue of that 
affair? ; Eene zaak wel doen — , to Carry 
a point; Het zal haasc met hem — , 
His end will soon draw near; Zijn leer- 
tijd zal haast afgeloopen zijn, liis ap- 
prenticeship will soon he at an end. ' — , 
met Hebben, enkel in; Op en — , als: 
Wij hebben den ganschen dag op- en 
afgeloopen , We have been running up 
and down the whole day. * — , b. w, to 
Wear off by running; Ik hcb mijne 
schoenen — , Bly sho^s are worn off; 
fig. als : De vijanden liepen het land 
af , The enemy ravaged and plundered 
the country; De muitende matrozen lie- 
pen het schip af. The mutinous crew 
made themselves masters of the ship. * — , 
door loopen afwinnen, als: Hij heeft 
mij den pvijs afgelc^pcn , He made me 
lose the prize of the race. * — , ten ein- 
de toe loopen , to Run to the end of. 
• — , moedc loopen, als: Zich — , to 
Weary one^s self by running. 

Aflooper, in. One that runs down, etc. 

Aflooping, vr. Running down, etc. 

Afloopster, vr. , zie Aflooper. 

Aflossen, b. w. afvnrcn , to Fire, to 
Fire off, to Discharge. * — , clkanders 
beurt vervan^en , to Relieve; Klkander 
— , to Actalternately. *— , bijzoud. in het 



AFLO 



43 



krjjgsw. , als: Eene wacht — , to Re* 
lieve a guard, * — , betalen , to Reco- 
ver, Redeem; Een' renrebrief — , to 
Redeem or Extinguish a bond by reim- 
bursing the capital. 

Aflosser, m. One that fires , etc. 

Aflossing, vr. Firing off, etc. * —, in- 
zond. , Redeeming a b ond, z'iq A£lossen. 

Afiosster, vr. , zie Aflosser. 

Afluisteren, b. w. to Discover by listen- 
ing , to Overhear. 

Afluizen, b. w. to Louse , to Take off 
lice; fij?. vulg. als: lemand zijn geld 
— , to Cheat one out ofone^s money ^ to 
Plume one. 

Afmaaijen , b. w. to Cut or Mow down , 
to Mow. 

Afmaaijer , m. One that cuts down. Mower, 

Afmaaijing, vr. Cutting down. Mowing. 

Afmaakscer, vr. , zie Afmaker, 

Afraaalster, vr. , zie Afmaler. 

Afmaanster, vr. , zie Afmaner. 

Afmaken, b. \v. vokooijen , to Finish, 
Settle, Arrange, Achieve; fig. Hi] 
heeft het bij den schout voor eene klei- 
nigheid afgemaakt, He has compounded 
with the bailiff pr a trifling sum ; le- 
mand — , to Despatch one, lo Give one 
a mortal blow; Zich van iets — , als s 
Ik heb cr mij van weten af te makeu , / 

/^ound means to get myself excused, 
fmaker, in. One that finishes , etc. 

Afinaking, vr. Finishing. 

Afraaleii , ongel. b. w. to Go on with 
grinding till all the corn is ground, to 
Grind. * — , b. w.geL,z\e Afschilderen. 

Afmaler, m. One that depaints , etc,, 
zie Afschilderen. 

Afmaling, vr. , zie Afschildering. 

Afmanen, b. w. to Dissuade, Dehort. 

Afmaner, m. Dissuader, Dehorter. 

Afnianiug, vr. Dissuasion , Dishortation. 

Afmarcheren, o. w. met Zijn, vs. to 
March off, to March. 

Afmarsch , m. Marching off. 

Afmartclaar, Afmartclaarster , vr. Tor- 
menter, zie Afmartclen. 

Afmartelen, b. ^^f. fig. to Torment vehfi- 
mently , to Torture, Rack; Zijn' pecsc 
— , Zich — , to Tirture or Rack (;o 
Put on the rack^one^s mind. 

Afmarteling, vr. Toimcnting , etc, 

Afmatster, vr. , zie Afmattcr. 

A^maticn, b. w. to Weary, Harass, to 
Tire out, to Fatigue, to Spend with fa- 
tigue. Aanm. Afmatten woroc v.civul- 



dig gebruikt bij werkw., doch verkort 
tot Jf/, als : Zicli afwerken, enz. , zie Af. 

Afmatten , b. \v. als : Ilij hcefc de scoe- 
lea noj? nice afgema:, He has not yet 
bottomed all the chairs, 

Afraatcer , m. Que that wearies , etc. 

Afinaccing, \r. PFearying^ etc. 

Afracets;er, vr. , zie Afineter^ 

Afmelken , ovgel. b. w. to Go on with 
milking till all the cows are fnilkcci ; 
fig. to Plume one. • — , o. w. raetlleb- 
ben , to Finish milking, 

Afmciinen, b. w. to Drive till the end 
of the race. 

AKmcnning, vr. Driving till the end of 
the race, 

APmcigelen, b. w. to Extenuate, 

Afmer-^eler, m. One that extenuates, 

Afmergcliiii? , vr. Extenuaiinn. 

Afiiicrgels:er, vr. , zie Afiner^eler. 

Afrrerkeii , b. w. merken , to Mark, * — , 
zie Afkijken. ' 

Afmerker, m, , zie Afkijker. 

Afi-nerking, vr. Marking. * — , zie Af- 
kijking. 

At'inerkster , vr. , zie Afmerker. 

Al'incten, ongel. b. w. ten einde toe rae- 
ten , to Measure all that is to be mea- 
sured ^ to Measure entirely. * — , door 
meten afzonderen , te Measure and cut 
off"; fig. als: Ilij weec zijn' tijd goed 
afcemecen, He knows well how to divide 
his time. * — , de maat van iets bepa- 
len , to Measure; fig. Zijne uitgaven 
uaar zijne inkomsteu — , to Fix or Li- 
mit oni^s ex :. eases according to ona'^s 
revenue ; liec is verkeerd, ieniands gt-luk 
naar zijne rijkdoramen af te meten , It is 
wrong to calculate one'^s happiness after 
one'* s fortune; Anderen naar zich zelven 
— , to Judge of others by one''s self., 
sprw. to Measure other peopWs corn by 
cne''s own bushel. * — , gissqn , als : Ilier- 
uic kan men ligt — , By this it may be 
easily conjectured. 

Afmecer,- ra. One that measures entire- 
ly , etc. 

Afraeting, vr. Pleasuring entirely , etc. 
* — , in dcwisk., Dimension. 

Afraetselen , b, w. als: Het huis is afge- 
raetsel'.i. The masons have finished. * — , 
o. w, met Hcb'.i'en, als: De metselaars 
hebben af^jemetseld, The masons have 
finished; Wij zuUen eersc maar — ,PF^e 
will first finish. 

Afmetselin^, vr. Finishing. 

Afmikken , b. w. als: Ik itad de lengte 



van den nitn net afgeniikc, / hadgness 
ed right in computing the length of the 
garden only by taking a view of it. 

Afmoeien , onreg. o. w. met Hebben , vs. 
als; Met meet z? ,^ It must be finished. 
Aanm. Uiihoofde van de weglatingeens 
werkwoords, is Het niet mogelijk, aide 
betcckenissen op te geven. 

Afmogen, onreg. o. \v. met riebben,v<?. 
als: Hij mag niet van de kanier af, Uc 
is not permitted to leave the room. Z:e 
de Aanm. op Moeten. 

Afmolmcn , o. w. met Zijn, vs. to Moul- 
der off' or away. 

Afmolming, vr. Mouldering off or away. 

AFmuren, b. w. to Separate by a wail. 

Afmuring, vr. Separating by a wall, _ 

Afnaaijen, b. w. to Go on with sewing 
till the work is quite finished; IVIijnc 
ziister heeft harehemden afgenaaid, IMy 
sister has finished her shifts. 

Afnaaijiiig , vr. Finishing ., zie Afnaaijen. 

Afiiceiuster, vr. , zie Afnenier. 

Afnemcn , ongel. h. \v. van de hoogte of 
de oppervlalvte nemen , to Take off or 
down ; Den room van de mclk — , to Cream 
or Fleet milk; Ecn siuk geschut van de 
affuit — , to Dismount a gun ; Den hoed 
— , to Take off one's hat; ( in hec kaart- 
spel,) De kaarten— , to Cut the cards ^ 
to \Cat for the deal. * — , ontneraen , 
to Take from or away; Zijn degen wer^l 
hem afiienomen , His sword was taken 
from him ; lemard zijn geld — , to Che.'t 
one of one''s money ; ook : to Force it 
from one; Het jitk — , to Unyoke ; Zich 
den baaid laten — , to Get one''s scif 
shaved; Ecn l:d — , to Cut off a mem- 
ber. * — , konen , to Shorten. * — , af- 
vegen , to Wipe or take the dust off^ to 
Clean; fig. als: Gij hcbt raij een zwaar 
pak van het harr afgenomen , Tou took 
a heavy burden from my heait. * — , 
oordeeien , to Judge ^ Conjecture^ Guess j, 
Conclude; Men ka-. nienii: — , By this 
we may judge. * — , (ook zonder Af .^ 
zie Nemen,) ten goede of ten kwade 
duiden, als: lemand iets kwalijk — , to 
Take amiss. * — , iets verorcfenen, als: 
lenaand een' eed — , to Swear one ; 
Die hospes heeft ons le veel afgenomen. 
That landlord has made us pay too much, 
* — , o. w. met Zijn, verminderen, to 
Decrease, Decay, Di:i^i'?ish, Lessen, 
Shorten, Abate, etc.; De maan neemt 
af, The ntoon wanes., is on the wine; 
De dagen neracn af, The days decrease ; 



ir^ 



AFNE 

HIj ncemt dagelijks af , He is wasting 
or decaying from dny to day , He grows 
worse and worse ; Zijn vermojjen is groo- 
^elijks afgenoiren , His fortune is greatly 
diminished or lessened; De koortsneeint 
af, The fever abates ; Zijn invloed heginc 
afte nemen, His credit is falling ^ Hunne 
vriendschap begint af te nemen, They 
i>eg:n to grow cool towards each other ; 
Mijn gezigt begint af te nemen. My 
eyes begin to fail. 

Atnemer, m. One that takes off", etc. ^ 
zAe Afnemen. 

Afneming, vr. Taking d.wn., etc., zie 
Afneraeu. * — , inzond. venritndering , 
Abatement , Diminution , Decrease , De- 
cay ; — van een' eed , Taking one''s oath. 

Ar'nenzen , b. w. fig. vul^, , zie Afkijkeu. 

A^'neuzing, vr. , zie Afkijking. 

Aniijpen, on gel. b. w. to Pinch offi 

A nijper, m. One that pinches ojf, 

Ainijping, vr. Pinching off". 

Ainijpster, vr. zie Afnijpcr. 

Aibogen , b, w. , zie Af kijken. * — , 
waarnemen, to Observe, Perceive , See, 
Eye. 

Afooging, vr. , zie Afkijkfng. * — ,0b- 
feryation , Perceiving , Seeing. 

Afoogsten, b. en o. av. mec Hebben , tu 
Get in the whole crop. 

Afoogsting , vr. Getting in the whole crop. 

Afpaalster, vr., zie AYpaler. 

Afpachcen, b. w. to Farm or Rent, to 
Take in lease. 

Afpachcing, vr. Farming, Renting. 

Afpakken, b. w. ontpakken, to Unload, 
Unlade, Unpack. * — , ten einde toe 
pakkcn, to Pack up alt. * — , afuemen, 
to Snatch from. 

Afpakker, ni. One that unloads , etc. 
Afijakking, vr. Unloading, etc. 
Afpaksier, vr. , zie Afpakker. 
Afpalen, b. w. to Pale ^ to Inclose or 
Separate with pales, 

Afpaler, m. Oa'e that incloses ^vith pales. 
Afpaling , vr. Inclosing with pales, Paling. 
Afpassen, b. \v. to Measure with com- 
passes, to Proportion , Square ,• fig. Geld 
— , to Count, or Lay aside, a fxed 
sum tf money , destined to some parti- 
cular use, payment, etc. ; vandaar: Hij 
heeft; die lanen wel afgepast, He has 
taken right measures for those alleys, 
Afpasser, ra. One that measures, etc, 
Afpaasing, vr. Measuring with compass- 
es , etc. 
Af^^nsstcr, vr. , zie Afpas'jter. 



AFPE 



45 



Afoeilen , b. w. to Go on with snundiag 
t!ie depth of the sea , or^'ith (''- gai/ging 
of casks, till the required extent or 
number is measured. 

Afpeiling, vr. Sounding or Gnvging all. 

Afpcinzen (Zich), vv. w. toWeary one''s 
self by musing, 

Afpehizing, vr. Wearying one''s self by 
jnusing. 

Afpellen , b. w. pelkn , to Peel. * — , 
ten einde toe pellen, to Go on with 
peeling.^ till all is peeled. 

AFpeller, m. Peeler, 

AfpcUing, vr. Peeling. 

Afpclsier, vr. , zie Arpeller. 

Afpcrken , b. w. to Impark. * — , to 
Mark out, 

Afperker, m. One that imparks, 

Afperking , vr. Imparking. 

AFperksrer, vr. , zie Afperker. 

Afpersen , b. w. door persen afzonderen, 
to Separate by pressing , to Scjueeze off". 
* — , to Press sufficiently. * — , ten 
einde loe persen, als : Al hec laken is 
afgeperst , All the cloth has been press- 
ed , or We have finished pressing the 
cloth; fig. afdwin^eu, to Extort from, 

Afperser, ra. fig. Extorter , Extortioner. 

Afpersing, vr. , zie Afpersing ; fig. £.v- 
tortion, 

Afpersster, vr. , zie Afperser. 

Afpeuieren, b. w. to Get off by degrees , 
as by picking or scraping with one''s 
fingers. {self. 

Afpijnen (Zich), w. w. to Torture one''s 

Afpikken , b. w. to Pick off'. 

Afpikking, vr. Picking ofi\ 

Afplnkken, b. w. to Go on with pasting, 
till all is finished. * — , o. w. met Heb- 
ben, to Finish pasting. 

AfpUuten , b. w. to Flatten ; De aarde 
is aan de polen afgeplat, 21ie earth is 
oblate about its poles. 

Afplacting, vr. Flattening. * — , inzond. 
in de aardrijksk. , als: De — dcr aarde 
aan de polcn , The oblate form of the 
earth about its poles. 

Afpleiten , b. w. vrij plcften , to Save 

' one with pleading ; Ik heb hem van de 
galg afgepleit, My plea has saveh him 
from the gallows; sprw. Pleit cen' 
schurk van de galg af , hij zal er n zcl- 
vcn gaarne aan hangen, Set a beggar 
upon a horse, and he''ll ride to the devil. 
* — , ten einde pleiien, to Plead till 
the end; Die zaak is afgepleir, The pleas 
about that cause a'c flui^'hcd. 



4G AFPL 

Afploegen, b. w. ten einde ploegen, to 
Plough entirely, ♦ - , dour plocgen af- 
zonderen, to Separate by ploughing ^ to 
Plough off", 

Afplooijen, b. w. to Plait entirely. 
*•— , o. w. met Hebben, als: Wij heb- 
ben afgeplooid, IFe have finished plaiting. 
Afpluizen, ongel. b. w., zie Afpeiueren. 
Afpluizer, lu. One that picks off. 
Afpluizing, vr. Picking ofl. 
Afplukken , b. w. to Pull or Pluck off 
to Gather^ Eeu* vogel — , to Pluck 
a bird. *— , o. \v. met Hebben, als: 
Wij zulleii weldra algeplukt hebben, 
JVe'll soon have done plucking^ etc, 

Afplukker, m. Gatherer, 

Afplukking, vr. Pulling or Plucking 
off Gathering. 

Alplukscer, vr , zie Afplukker. 

Afprachscer, vr. , zie Afpragchcr. 

Afpragchen , b. w. to Beg for , to Get 
h beggiijg; Kiisjes — , to Coax (^a girl) 
for obtaining a kiss, 

Aipragcher, ni. One who begs for, 

Afpragching, vr. Begging fur. 

Aipraicn, b. w. door praten verliinderen, 
als: Ik zal dat wel — , Pll talk till I 
prevent it y Pll prevent it by talking; 
Ik zal het hem — , Pll dissuade him 
from it^ Pll talk him out of it. * — , 
o. w. met Hebben, als: Wij hebben 
afgepraat , We have said all we had to 
say , We have finished our speech , dis- 
course , etc, 

Afpratiug, vr. Dissuading., etc, 

Afpreken, b. w. als: lemand iets — , /o 
Dissuade one from a thing, to Talk one 
out of a thing. *— , o. w. met Heb- 
ben, to Finish preaching. 

Afpunten, b. w. to Take off the point of 
a thing, * — ^ de punt van iets verbeie- 
ren, als: Eenc pen — , to Nib a pen, 

Afpunier, m. One that takes off the 
point, etc. 

Atpunting , vr. Taking off the point, *— , 
Nibbing, 

Afpuutscer, vr., zie Afpunter. 

Atraadster, vr., zie Afrader. 

Afraden , ongel. h. w. to Dissuade ; Gij 
moet het hem af- noch aanj aden , Ton 
must neither advise nor disadvise him, 

Afvader, m. Dissuader, 

Afrading , vr. Dissuading. * — , Dis- 
suasion, 

Afraken, o. w. met Zijn , to Get off, to 
Get loose; Van den wcg — , to Lose 
one''s way, to Go astray ; fig. Ik zal er 



AFRA 

nog wel — , / think /'// get rid of it ; 
Van zijn stuk — , to Be confounded , 
perplexed , or to Ramble in one''s dis- 
course. 

AlVaking, vr. Getting off or loose, 

Afranden, b. w. to Take off or to Lessen 
the border or brim, 

Afrander, ra. One that takes off the bor- 
der or brim. 

AiVanding, vr. Taking off the border or 
brim. 

Afrandster, vr., zie Afrander. 

Afraspen , b. w. to Rasp or Grate off. 

* — , o. w. met Hebben, als: Afj^c- 
raspt hebben , to Have finished rasping 
or grating. 

Afrasper, m. One that rasps off, 

Afrasping , vr. Rasping off, 

Afraspster, vr. , zie Afrasper. 

Afregenen , o. w. met den 3. onbep. 
pers. , als : Het heefc afgeregcud , It 
has ceased raining. * — , o. w. met 
Zijn, als: De bladeren regenen van de 
boonien af. The rain makes the leaves 
of the trees fall off. 

Afregten , zie Afrigten , enz. 

Afreiken, b. w. nederreiken , to Reach 
down. * — , overhandigen, to Deliver. 

Afreiking , vr. Reaching down. ♦ — , 
Delivery, 

Afreis, vr. Departure, Setting out, 

Afreizen, o. vt, met Zijn, to Depart, 
to Set off, or to Set out (upon a jour- 
ney or voyage ) , to Part , Start. * — 
(Zich), w. w. to Weary one's self by 
travelling, 

Afiekeneu ,b. w. aftrekken, to Deduct, 
Discount, Abate. * -— , o. w. met Heb- 
ben , to Clear or Settle accounts ; IMec 
iemand —, to Reckon with one , to Settle 
one^s account with one. 

Afrekening , vr. Deducting , Deduction, 

* — ^ Settling accounts. Liquidation;. 
— houden , to Balance accounts; Op 
— , On account ; sprw. Korea — mankt 
lange vriendschap , Short accounts mako, 
long friends, 

Afrennen, b. w. als: Het paard rende 
een zijner hoefijzers af , The'horse cast 
one of his shoes in the course. * — ■,{'■^'^11 \ 
w. w. to Fatigue one's self by running. 

* — , o, w. met Zijn, to Gal top 
away. 

Afrepelen, b. w. to Pill (zie Repelen) 
all Qthe flax); fig. Zijne kleedereu — , 
to Spoil one's clothes. * — , o. w. meg 
Hebben, vs. to Finish pilling fl^x. 



^, 



AFRI 

Afrid, m. Riding away ^ Starting, etc, 
zie Afrijden. 

Afrigren , b. w. ro Train , Breaks to Bring 
up, to Fit, Teach; Een paard — , to 
Break or Dress a Iiorse ; Een' bond — , 
to Dress or Teach a dog; Een' valk — , 
to Blan a hawk; Ilij is daarop afgerigt, 
He has got a knack at it ; Op allerlei 
euitenscreken afgerigt zijn, to Be quali- 
fied for all manner of roguery. 

Afrigter , m. One that trains, etc. * — , 
a!s : — van paarden , Horse-breaker. 

Afrigting, vr. Training, Dressing, etc. 

Afrigtster, vr. , zie Afrigter. 

Afrijden, ongel. o. w. met Zijn , nnar 
beneden rijden , to Ride or Drive down. 
* — , wegrijden , to Ride off, from or 
away, to Drive away, to Start. * — , 
b. w. to Override or Overdrive (a horse'); 
ook in een' raindersterken zin , van een 
paard, dat nu en dan enkel wordt bere- 
den , opdat hec van het staan niet stijf 
of te onhandelbaar worde , to Ride {a 
horse\ * — , door rijden afzonderen , 
als : rlij heefc hec paard een hoefijzer 
afgereden , His horse lost a shoe in the 
course. 

Afrijder, m. One that overrides, etc. 

Afrijding, vr. Riding down ^ etc. 

Afrijdster, vr. , zie Afrijder, 

Afrijgen, ongel. b. w. to Unstring, 

Afrijger , m. One that unstrings, 

Afrijging, vr. Unstringing. 

Afrijgster, vr. , zie Afrijger. 

Afrijselen, o. w. met Zijn, to Crumble 
down in small fragments. 

Afrijseling, vr. Crumbling down, 

Afrijten, ongel, b. w. to Tear off , to 
Pull off. 

Afrijter, m. One that tears off. 

Afrijting, vr. Tearing off. 

Afrijtster, vr. , zie Afrijter. 

Afrijzen, ongel. o. w. met Zijn, vs. 
to Raise one''s self from , to Rise from. 

Afrikaan, vr. African, African flower. 

Afroeijen,b. en o. w. met Zijn, vs. to 
Row off or away Qfrom, van). 

Afroepen, ongel. b. w. naar beneden roe- 
pen , to Call down. * — , door rocpen 
verwijderen , to Call awny from (^van). 
* — , afkondigen, to Proclaim, 

Afroeper , m. , zie Afroepen. *. — , inzond. 

afkondiger , ProcCaimcr. 
Alroeping, vr. Calling down. *— , Calling 

from. * — , Proclamation. 
Afroepscer, vr., zie Afroeper. 
AtVoesten , o. w. met Zijn , vs. to Rust off. 



AFRO 47 

Afroffelcn , h.yr.to P/ane roughly or with 
the great plane; fig. to Do a thing in a 
hurry ana carelessly , to Hurry over a 
thing. * — , to Go on with planing till 
all IS ready, to Finish planing. 

Afrollen, b. en o. w. met Zijn, to 
Roll down ; fig. De tranen rollen van ha- 
re wangen af, Tlie tears trickle down 
her cheeks. * — , to Roll away (from, 
vail). * — , ren einde rollen , /o Roll up 
all that is to be rolled. * — , losrollen, 
to Unroll, Unfold. 

AfroUer, m. One that rolls down, etc. 

Afrolling, vr. Rolling down, etc. 

Afrolster, vr. , zie AfroUer. 

Afronden , b. \f. to Give the proper round- 
ness , to Round, to Make round. 

Afronder, m. One that rounds. 

Afronding vr. Rounding. 

Afrondster, vr. , zie Afionder. 

Afroomen , b. w. to Fleet (^milk), to Take 
off the cream from (^milk"), to Skim. 

Afrooming, vr. Fleeting. 

Afrooven, b. w. to Rob from , zie Rooveu 
en Ontrooven. 

Afrossen , b. w. rossen , to Clean with the 
curry-comb , to Curry. * — , afjakken , to 
Override or Overdrive {a horse); fig. 
to Wear off (^clothes) by climbing and 
riding upon chairs , or benches , etc. as 
children do, * — , afslaan , to Beat {one) 
soundly , to Drub , Cudgel , Thrash , Be- 
labour, Ribroast, Curry ., Maul or Pom- 
mel (^one), to Tow one'' s hide, 

Afrosser, m. One that curries ^ etc. 

Afrossing , vr. Currying, etc. 

Afrosster, vr. , zie Afrcsser. 

Afrotten, o. w. raec Zijn, vs. to Rot 

Afrotting, vr. Rotting off, toPutifry and 
fUl off. 
Afruilen, b. w, to Get by trucking or 

exchanging. 
Afruiling, vr. Getting by trucking. 
Afrukken , b. w. to Tear or Snatch off. 
Afrukker, m. One that tears or snatches off. 
Afrukking , vr. Tearing or Snatching off. 
Afrukster, vr. , zie Afrukker. 
Afsr>belen , b. w. to Cut off{jwith the sword 

or sabre). 
Afsabeler, m. One that cuts off {jwith a 

sabre). 
Afoabeling , vr. Cutting off {with a 

sabre), 

Afschaafsel, o. Shavings, Parings. 
Afjchadiiwen,b. w. silhouetieren, to Draw 

one'^s silhouet. * — , in de godgel. , to 



'0 AFSC 

Shaw mystically , to Adumbrate , Prefi- 
l^nre , Typify. 

Afvcnaduwer, m. One that draws sil- 
houets. 

AFschadnwing, vr. Drawing a silhouct. 
* — , Adumbration. 

Afcchaduwster, vr. , zie Afschaduwer. 

Afschaffen , b. w. opheffen , vernieti>?en, 
to Abolish , Abrogate., Annul ., Suppress., 
Repeal ^ Abate, * — , wecdocn, to Dis- 
miss Qservautsy *~, naln.en, to Leave 
fff' Q^ custom or ]iabit\ 

Aftchaffer, n\. Abolislier. * — , van di-an- 
ken , Tetotaller. 

Afschaffing , vr. Abolishing ., etc. *— , 
Dismissing. *— , Leaving ojf, 

Afscliaffingsgenootscliap , o. Tetotalism. 

Afschafsrer, vr. , zie Afsc^afFcr. 

Afschampen, o. w. mec Z\jn^ to Touch 
>f lightly and slip off". 

Afschamper , m. hec afschampen, als : Dat 
is een — , The hatchet slipped off. 

Afschaniping, o. Slipping off. 

Afscharisen , b. w. to Fence about. 

Afschansing, vr. Fencing about. 

Afschaven , b. w. to Plane., to Make 

smooth -with a plane; fiff. Hec vel— , ?c 

Chafe, Fret or Rub off the skin. * — , 

" o. w. met Ilcbben, en b. w. to Go on 

with planing till all is smooth. 

Afscbaving, vr. Planing. * — , Rub- 
hing off. 

Afscheepster, vr. , zie Afscbeper. 

Aficheerder, m.One that shaves or shears 
'■/f*, etc. , zie Afscheren. 

Afscbeerster, vr. , zie Afscbeerder. 

Afscbeid , o. Dismission , Discharge; Zijn 
— nemeii, vraj^en , (vu\ voornauje per- 
soncn , ) to Resign one\<i office; (vaiij^e- 
ringe , ) to Request o:?e^s dismission ; fig. 
to Take leave., to Bid farewell or adieu^ 
to Shake hands ;\a\^ bier: *— , laacste 
bijeenkomsc , Farewell., Parting. 

Afscheidbaar, bv. Separable. 

Afscbsidbrief, m. waarbij lemand zljnaf- 
scbeidgegevenwordr,Z;,^^^^rofr//Vr/;^^r^^, 
Discharge. *— , waarbij iemand zijn'af- 
scbeid neemt. Letter by which one takes 
leave , Farewell-letter. 

Afscheiddronk, m. Parting-cup. 

Afscbcidelijk, zie Afscbeidbaar. 

AFscbeiden, ongel. h. \v. t^ Separate; 
Frankrijk is van Spanjedoor de Pyreneen 
afg^'scheiden, The Pyrevees separate 
France from Spain. * — , o. w. met Zijn, 
zicb verwJjderen , to Part ( from , 
van). * — , "la! en vnrcn, to Part with. 



AFSC 

Afscheider, m. Separator ^ One that sepa- 
rates., etc. 

Afscheidfeesc , o. Valedictory dinner or 
supper. 

Afscheidgehoor, o. Parting audience. 

Afscbeidgezang, o. Parting song, 

Afscbeidgroet, m. Parting salutation. 

Afscbeiding, vr. Separating^ etc. * — , 
Separation, Partition. 

Afscheidkus, m. Partins: kiss. 

Afscheidlied , o. , zie Afscheidgezang. 

Atscbeidoiaal, o. Valedictory dinner or 
supper. 

Afscheidpreck , vr. Valedictory sermon. 

Afscheidrede, Afscheidredevoerin? , vr. 
Valedictory discourse. * — , zie Afscbaid- 
preek. 

Afscheidsel, o. Separation, Partition, 

Afjcheidster, vr. , zie Afscheider. 

Afschelferen, o. w. met Zijn, to Scale 
off, to Peel off 

Atschelfering, vr. Scaling off. 

Afschellen, b. w. Ik zal een' der knechts. 
— , Pll ring to make one of the men come 
down. 

Afschellen, b. w., zie AfschlUen, enz. 

Afschenken, ongel. b. w. door schenken 
afzonderen , to Pour off. * — , ten einde 
schenken, als: De thee—, to Pour tea 
till it is quite weak, 

Afschepen , b. w. met een schip vervoe- 
ren , to Ship off or away, to Ship, to 
Emhnrk ; fig. zich van iemand oncdoen, 
to Rid one''sscIfof(^one^y to Send {one) 
away. 

Afscheper, m. One that ships away ., etc, 

Afscheping, vr. Shipping away, etc. 

Afscheppen, b. w. to' Scoop or Spoon off; 
De melk — , to Skim the milk. 

Afschepping, vr. Scooping or Spoon- 
ing off. 

Afscheren, ongel. h. w. (met een scheer- 
mes,) to Shave cff; (met eene schaar,) 
to Shear off^. * — , ten einde toe sche- 
ren, als : Gij hebtmij nog niet afgescho- 
ren , Ton did not shave all my beard yet; 
De sctiapen zijn nog niet afgeschor'en , 
All the sheep are not yet shorn. 

Afschering, vr. Shaving or Shearing 
off, etc. , 

Afschcrmen, b. w. to Ward or Parry off 
(by fencing). 

Afschetsen , b. w. eene sche^<; maken, to 
Delineate , to Blake a draught of; fig. 
bejchrijven, to Describe , Represent, 

Afschetser , m. One that delineates; fig. 
One that describes. 



AfsJnetsing , vr. Delineation ; fig. Descrip- 
tion, 

Afschetsster, vr. , zie Afschetser. 

Afscheurder , m. One that tears oj^, etc. 

Afscheuren , b. w. to Tear off^ fig. to 
Snatch away. 

Afscheuring, vr. Tearing of; fig. Snatch- 
ing away. 

Afscheurster, vr. , zie Afscheurder. 

Afschebrsel, o. Piece torn off". 

Afschieten, ongel. b. w. to Shoot oJ^(^an 
arrow). * — , to Discharge , Fire or Shoot 
{a gun). *— ,door schieien wegiieraen, to 
Shoot off'; Zijn hoofJ werd afgeschoten. 
His head was shot off. * ~- , door schie- 
teii doen nederkomen , to Shoot down. 
* — , afschieten , to Separate hy a par- 
tition-wall. * — , o. w. met Zijn, to 
Slip or Slide off; Mijn voet schoot af, 
I slipped with my foot; fig. Op ieis — , 
to' Rush upon. 

Afschieter , m. One that shoots off, etc. 

Afschieting, vr. Shooting off, etc. * — , 
Separation. . 

Afschie;s:er , vr. , zie Afschieter. ^ 

Afschjjnen, ongel. o. w. met Zijn, to 
Shine, to Reflect light. 

Afschijning, vr. Shining. 

Afschijnsel, o. Reflection of the light. 
Resplendency. 

Afschilderen , b. w. to Depaint, Paint, 
Portray , to Make a picture of , to Draw 
the picture of; fig. to Represent. * — , 
ten einde toe schikieren, als : Ken stuk 
— , to Finish a picture, 

Afschildering, vr. Portraying; fig. Bx-* 
presentation. 

Afschilferen , zie Afschelferen, 

Afschilfering, vr. , zie Afschelfering. 

Afschillen, b. w. de schillen afdoen , to 
Peel off, to Peel ; Ooft — , to Pare fruits; 
Nocen — , to Shell nuts. * — , ten einde 
schillen , to Peel all that must be 
f eeled. 

Afschiller, ra. Peeler. 

Afschilling, vr. Peeling. 

A'schilscer , vr. , zie Afschiller. 

Afscliitteren , o. w. met Hebben, vs. to 
Shine, to Reflect I'ght. 

Afschoppen, b. w. naar beneden schop- 
pcn, to Kiel- down. * — , door schop- 
pcn afzondereu , to Kick off; fig. Van 
den troon--, to Dethrone. 

Afschopper, lu. One that kicks down, etc, 

Afschopping , vr. Kicking down, etc. 

Af-chop^tcr. vr. zie Afschopper. 
1U>I.L. i: XG. VVRB. 



AFSCII 



49 



Afschouwen, b. yr. to Survey all; zie 
Schouwen. 

Afschouwen, c, zte Afschuw. 

Afschraapsel, o., zie Afschrabsel. 

AFschraapster, vr. , zie Afschrabster. 

Afschvabben , b. w. to Scrape off. 

Afschrabber, m. One that scrapes off. *— , 
Scraper. 

Afschrabbing, vr. Scraping. 

Afschrabsel, o. Scrapings; sprw. Hij is 
geen — van een' nagel waard , lie is not 
w«rth thf scrapings of a nail , / don''t 
value a pin for him. 

Afschrabster, vr. , zie Afschrabber. 

Afschrapen , b. w. , zie Afschrabben. 

Afschraper, m. , zie Afschrabber. 

AFschrappen ,b. w. ,zie Afschrabben. *— , 
to Separate or mark with a dash; zie 
Afmerken in de i. beteekenis. 

Afschrapper, ra., zie Afschrabber. 

Afschrapping, vr. Marking, etc. 

Afschrapsel, c, zie Afschrabsel. 

Afschrapster, vr. , zie Afschrabster. 

Afschrifc, o. Copy, Transcript; Een — 
nemen , to Draw a copy. 

Afschrijfster, vr. , zie Afschrijver. 

Afschrijven, ongel. ^. w. naschrijven ^ 
to Copy , Transcribe, tolFrite out. *— , 
schrifcelijk afzeggen , to Countermand hy 
writing. * — , door schrijven wegncn:cn, 
op eene rekening, to Put out , to Can- 
cel. * — , op een' anderen overschrij- 
ven , als : Eene som in de bank — , to 
Write off a sum in the bank. * — , door 
schrijven verslijten, als: Eene pen — , 
to Blunt or Dull a pen; Ik heb mij schier 
de vineers afgeschreven, / have almost 
worn out my fingers by writing. * — , ten 
einde toe schrijven , 'ro Finish, (criber. 

Afschrijver, m. Copier, Copyist, Trans- 

Afschrijvingj w. Copying. *— , Cancelling. 
* — , Writing off^. * — ^ Blunting. *— , 
Finishing. 

Afschrikken, b. w. door schrikken docn 
vertrekken, to Scare away; fig. afkee- 
rig maken , to Deter ^ Discourage , Frigh- 
ten {from, van); Hij laat zich ligt— , 
lie is easily discouraged , dispirited, 

Afschrikker, m. One that scares away; 
fig. One that deters. Discourager. 

Afschrikking, vr. Scaring away; Gg. De- 
terring , Discouragement. 

Afschriksier,' vr. , zie Afschrikker. 

Afschrobbcn, b. w. , zie Afbocncn. 

Afschrobhcr, m. He that scrubs, zie Af- 



50 



AFSCIIR 



Afschrobbing, vr. Scrubbing ^ zie Af- 
boenen, 

Atschrobster, vr. , zie Afschrobber. 

Afschroeijen , b. w. to Singe or Scorch off. 

Afschroeijer, m. One that singes or 
:• cor cites off". 

Afschroeijing, vr. Singeing or Scorch- 
fng of. 

Af.-chroeven, b. w. to Unscrew. 

Afschroever , m. One that unscrews. 
■^ — , zie Scliroevendraaijer. 

A'schrocving, vr. Unscrewing. 

Afichuddeii, b. w. door schiiddeii doen 
afkomen , to Shake down. * — , door 
ischudden afzonderen, to Shake off" or from; 
7AQ Schudden. 

Aischudder, in. One that shakes down 
or of. 

Ai>-chudding , vr. Shaking down or of, 

Al'schudster, vr., zie Afscluidder. 

Atschuifster, vr. , zie Afschuiver. 

Afschuijeren , b. w. to Brush (f^ zie Af- 
horstelen. 

Afschuijering, vr. , zie Afborsteling. 

Alschuimen, b. w. to Scum of * — ^ to 
Scum ^ Skim, 

Afschuimer, m. 0/;(? that scums. Skim- 
mer. 

Afschuimiug, vr. Scumming of. * — , 
Scumm ing , Skim m ing, 

Afschuiven, ongel, b. w. door schuiven 
verwijderen , to Shove or Push of-; fig. 
van lets ontdoen , als : lets van zich— , 
to Rid one'^s self of a thing or business, 
to Get one^s self excused, to Charge 
another with a thing , fig. gemeen , to Be 
liberal , to Pay ; Hij wil wel — , He is not 
close-fisted ; lemaud doen — , to Make 
one pay. 

Aiscbuiver, m. One that shoves or pushes 
of, etc. ; inzond. fig. gemeen, One that is 
liberal; Hij is een slechc — , He is 
very close-fisted. 

Afschuiving, vr. Shoving or Pushing of, 
etc. ; fig. gemeen Being liberal. 

Arsciuiren, b. w. door schuren afzonde- 
ren, to Scour of. *-r- ■) door schuren 
reink en , to Scour , to Clean by scouring. 
* — ," ten einde toe schuren, to Go on 
•^'.'.'th scouring till all is clean. 

Aisc' uring, vr. Scouring of, etc. 
- Afchutsel, o. Separation , Partition. 

Afschutster, vr. , zie Afschucter. 

Afschutten , b. vj. afscheiden , to Separate, 
to Fence in. * — , ophouden , to Stop 

(the water^ by a dike or sluice. 
Afschutter, m. One that separates , etc. 



AFSCIIU 

Af.> chut tin g, vr. iSfi'/>^r/r//;7^. ♦— , Stop- 
ping. 

Afschuurder, m. , Afschuurster, vr. One 
that scours of * — , One that cleans by 
scouring. 

Afschuw, m. Horror, Abhorrence ; Een 

— van . . . hebben , to Abhor. 
Afschuwelijk , bv. Horrible , Horrid. *— , 

bvv. Horribly, Horridly, 

Arschuwelijkbeid, vr. tiorr ibleness, Her- 
ri dn ess. 

Afschuwen , o. , zie Ufschuw. 

Afslaan, onreg.h. w. door slaan afzonde- 
ren , afweren, to Beat, Knock or Strike 
of, to Hew of; fig. lemand hec hoofd 

— , to Knock off" one'' s head, to Behead 
one. ♦ — , weigeren , to Refuse , to Deny$ 
Hij sloeg het mij glad af, He gave me 
a pat denial or refusal. * — , lacen afloo- 
pen,_ als: Zijn water—, toMakewater^ 
to Piss. * — , verminderen , to Abate or 
Lessen the price; (in dezen zin ook o. 
w. met Zijn, to Become cheaper; Ilec 
brood slaat af, The price of the bread 
abates).* — , bij afslag verkoopen , to 
Sell by inch of candle ; zie Afslag inde 
2. beieekenis. * — , to Drub, zie Afros- 
sen in de laarste beteekenis. 

Afslag, m. verminderen van lets, als van 
siraf : De gevangene kreeg een' — van 
twee jaren , Two years were abated from 
the prisoner'^s confinement; van prijs : 
Abatement of the price ; van schulden: 
Abatement. * — , a manner cfselli/ig, 
by whi'ch the auctioneer beats down the 
price", calling ten , nine , eight , etc. till a 
purchaser stops him; in England such 
a manner of selling is called a Sale by 
inch of can die.* — , viQxgQnng , Refusal, 

Afslager , m. Auctioneer that sells by beat- 
ing down the price , zie Afslag in de 2. 
beieekenis. 

Afslaven (Zich),w. w. , zie Afslooven. 

Afs!eepster, vr. , zie Afsleper. 

Afslepen, b. w. naar beneden slepen , to 
Drag down, ♦ — , op een' afstand slepen, 
to Drag away {from., van). * — , door 
slepen verslijceu, to Wear out or away 
by dragging. 

Afsleper, m. One that drags down, etc. 

Af&leping, vr. Dragging down, etc. 

Afslijpen, ongel. b. w. doorslijpen weg- 
nenien , to Take of by sharpening , grind- 
ding' or polishing ; De punt van eenmes 
— , to Bhtnt the point of a knife. *—, 
ten einde toe sWjpen ., to Grind si fcient- 
ly , to Finish grinding. 




AFSL 

AfsUjper, m. One that takes off' by 
sharpening , etc, 

Afslljping, vr. Taking off by sharpen- 
ing^ etc, 

Afslijten, ongel. b. en o. w. met Zijn, 
verslijten, to Wear out or off; fig. in 
onbruik geraken , to Wear out or away. 

Afslijter, m. One that wears off, etc. 

Atslijting, vr. Wearing off, etc, 

Afslijtsel, o. , zie Slijtsel. 

AfsUjtscer, vr. , zie Afslijter, 

Afslingeren, b. w. to Sling down, * — , 
o. w. met Zijn , to Fall down, 

AftJIingering , vr. Slinging down. 

Afslippen , zie Afglippen. 

Afidrpping, vr. , zie Afglipping. 

Afslonsen , b. w. to Wear out or off by 
wearing it slovenly. 

Afsionser , m. Sloven. 

Afslonsing, vr. Wearing out or off , etc. 

Afslonsster, vr. Slut, 

Atslooven (Zich^, w. w. to Toil and 
moil, to Drudge hard. 

Afsluipeu , ongel. o. w. met Zijn , naar 
beneden sluipen , to Steal down. * — , 
wegsluipen , to Steal away, to Steal 
off, to Get off privately. 

Afsluiten, ongel. b. w. door middel van 
een slot afsctieiden , to Lock. ♦ — , met 
een afschiusel omgcven, to Hedge in; 
fig. Eene rekening — , to Balance an 
account, 

Afsluiting, vr. Locking. * — , Hedging 
in ; fig. Balancing, 

'Afsmakken , b. w. to Cast, Throw or 
Fling off or down, zie Afsmijten. 

Afsmcden, b. w. door smeden afschei- 
den, /o Forge off, * — , door smeden 
verslijten, als: Deze hamers zijn afge- 
smeed. These hammers have served so 
■ ^°"g for forging that they are of no 
further use. ♦ — , ten einde smeden , to 
Forge entirely. " — , o, w. met lieb- 
ben , to Finish forging. 

-^fsmeekcn, b. w. tt Implore , Beseech, 
Intreat or Pray earnestly for obtaining 
a thing, ♦ — , to Obtain by intreaties, 

Afsmeeker, m. Implorer. 

Afsmeeking, vr. Imploring. 

Afsmeekster, vr. , zie Afsmeeker. 

Afsmelten, ongel. b. en o. yf. met Zijn, 
door smelien afscheiden , to Melt off. 
*~, ten einde toe smeltcn, to Blelt 
entirely. * — , to Finish melting,'* — , 
met Zijn, to Melt away (from, van), 
to Melt off. 

Afsmclting, vr. Meltirg off, or interely. 



AFSM 



51 



Afsmeren, b. w. liet gesmeerde wei^ne- 
men , to Take off. * — , ten einde 
toe smercn , to Smear entirely or the 
sufficient quantity. * — , zie Afrossen 
in de laatste beteek. * — , o. w. met 
Hebben , to Let off grease. 

Afsmijten, ongel. b. w. nedersmijten , to 
Cast or Fling down. * — , door smijten 
afscheiden, to Cast, Throw or Fling off. 

Afsmijter, m. One that throws down , etc, 

Afsmijcing, vr. Casting down, etc, 

Atimijcster, vr. , zie Afsmijter. 

Afsnaauwen , b. w. , zie Afgraauwen. 

Afsnaauwer, va,, zie Afgraauwer, 

Afmaauwing, vr. , zie Afgraainving. 

Afsnaauwster, vr. , zie Afgraauwster, 

Afsnede , vr. fig. Section , Paragraph, 

Afsnijden , ongel. b. w. door snijden af- 
scheiden, to Cut or Clip off; fig. Den 
afcogt — ,'to Cut off all means of retreat- 
ing; Den toevoer — , to Cut off pro- 
visions. * — , snoeijen , to Cut , Clip, 
Pare, Curtail; Ilet haar — , to Cut 
the hair; Een' vogel de vieugels — , 
to Clip the wings of a bird; Zijne na- 
gels — , to Pare one^s nails ; £en' 
japon — , to Curtail a gown ; i'lg. Een 
gcsprck — , to Shorten a conversation. 
* — , geheel doorsnijden, als: Den hals 
— , to Cut one^s throat; fig. (in den 
detfigen stijl, van de afbclleer onc- 
leend,) als: lemands leven — , to Make 
one depart this life. . 

Afsnijder, m. One that cuts off, etc. 

Afsnijding, vr. Cutting off, etc. 

Afsnijdsel, o. The thing cut off. Cutting, 
Clipping , Paring. 

Afsnijdster, vr., ;iie Afsnijder. 

Afsnippelen, b. w. , zie Afsnipperen. 

Afsnippeling , vr. , zie Afsnippering. 

Afsnipperen, b. w. to Clip or Cut off 
by small pieces or fragments; fig. Ik 
kan geen oogenbhk van mijn' tijd 
— -, / have so much to do that I cannot 
be a moment atleisure. 

Afsnippering, vr. Clipping off by small 
fragments. 

Afsnoeijen, b. w. door snoeijen afschei- 
den , to Lop' of. * — , ten einde snoei- 
jen , to Lop entirely or all the trees. 
*—, o. w. met Hebbeu, to Finish lop- 
ting. 

Afsnoeijer, m. One that lops off, etc. 
Lopper. 

Afsnoeying, vr. Lopping off, etc. 

Afsnoeisel, o. Loppings , tl. 

Afsnuitcn , ongrl! b. w. door snuiten af- 



52 



AFSN 



scheiden, to Snuff" off". *—, doorinuiten 
korter maken , ais: Eene kaars \e veel 
•— , to Make the wick of a candle 
too short by snuffing it ; Snuit de kaars 
wat af. Snuff the candle a little. 

Afsnuiter, m. One that snuffs off^ etc. 
Snuffer. 

Arsnuicing, vr. Snuffing off, etc, 

Afsnuitsel, o. Snvffings , pi. 

Atsnuitst'er , vr. , zie Afsnuiter. 

AfsoUen, b. w. to JFeary or Fatigue one 
by tousing. -» 

Ai'spanen, b. w. to Cut or Slice the 
uppermost part {of butter^ out ' of a 
firkin, 

Afspanen , ongel. !>. w. dc spanning wegne- 
inen , to Unbend , too Loose or Loosen what 
has been stretched. * — , uitspaunen, 
to Take the horses from a carriage , to 
Unteam ; (ossen) to UnyoJCe ; (snaren) 
to Slacken, to Let cff; Den haan van 
een geweer — > ^^ Uncock a firelock. 

* — , met eene span meten, to Measure 
by spanning. 

At'spanner , in. One that unbends, looses, etc. 

Afspanning, vr. Unbending., etc, 

Aispanster, vr. , zie Afspanner. 

Afspeten, b. w. to Take off from the 
spit. 

Afspiegelen, b. w. to Reflect, Mirror. 

Aispiegeling, vr. Reflecting, Reflection, 

Afspijzen , o. w. mec Hebben , to Finish 
dinner or supper; Afgespijsd hebben , 
to Have done dining or supping. 

Afspinnen , ongel. b. w. door spinnen af- 
zonderen , to Spin off. * — , ten einde 
toe spinnen, to Spin entirely , to Finish; 
sprw. Die dat spcl gerokker.d heeft, 
moge het ook — , Let him that has 
provoked it, also have the care of 
finishing it. 

Afspitten, b. w. doorspitten vvegneraen , 
to Take off by digging, to Dig away. 

* — , ten einde toe spicten , to Dig 
entirely. * — , zie Afspecen. 

Afsplijten, ongel. b. en o. vv. met Zijn , 
to Split off. 

Afsplijting, vr. Splitting cff. 

Afsplinccren, b. en o. w. mec Zijn, to 
Splitter off, 

Afsplintering, vr. Splittering cff. 

Afspoelen, b. w. to Wash off or away ; 
i\g. De zorgen in een glaasje — , to 
Drown one''s cares in a bottle. * — , door 
spoelen rcinigen, to Clean by washing, 
to Rinse. * — , tea einde toe spoelen , 
to IFash or Rinse entirely. "— , o. w. 



AFSP 

met Hebben, wevers uitdr. , to Finish 
spooling, zie Spoel. 

Atspoeling, sx.Washirigoff, etc., zie 
Aispoelen. 

Aispraak, vr. {Verbal^ agreement. 

Afspreken , ongel. b. vr. to Agree upon 
or to Settle a thing {by v^ord of mouth). 

Afspring^'n, ongel. o. w. met Zijn, naar 
beneden springen , to Jump or Leap 
down. * — , van het paard springen, to 
Alight. * — , zich door springen verwij- 
tleren, to Jump off or away {from , \zn]; 
fig. De bijl is van den steel afgespron- 
j^en, The hatcJiet is skipped off from 
the helve; Gedurig van zijn onderwerp 
— , to Make continual digressions 
{from one''s subject); Onze reis is al 
weer afgesprongen , Our intended jour- 
ney is put off again. 

Afspringer, m. One that jumps off, etc. 

Afspringing , vr. Jumping nff\ etc. 

Afspringster , vr. , zie Afspringer. 

Afspruiten, ongel. o. w. met Zijn, zie 
Voortspruiteu. 

Afspruitsel, o., zie Uitspruitsel. 

Afstaan, onreg. o. -w. mec Hebben, op 
een' afttand staaiT^ to Stand off or at 
a distance; Sta wat af. Stand off a 
little; De ladder staat niec ver genoeg 
van den muur af. The ladder is not far 
enough from the wall; fig. niet voorc- 
zetten , als: Van een' koop — , to 
Give up a bargain. * — , b. w. ro 
Resign, to Give up, to ^Abandon or 
Leave. 

Afstammeling, m. en vr. Descendant. 

Afstammen , o. w. met Zijn, to Descend 
or L'sue {from). * — , van woorden , to 
Derive; Dit woord stamt van geen ander 
af. This word derives from no other. 

Afstamming, vr. Descending. * — , van 
woorden , Deriving, Derivation. 

Afsiampen , b. w. door stampen afzou- 
deren , to Stamp or Pound off. *—, 
door stampen versUjten, to Use or Wear 
a thing {with or by stamping or pound- 

Afsrailnping , vr. Stamping or Pounding off, 
Atstand, m. Distance; Bg. Difference ; 
Tusschen u en mij is een te groote — , 
The distance between you and me is too 
great. * — , het afstaan van een regt , 
enz. , Cession, Resignation ; Van iets — 
doen, to Desist from, to Leave cff ; Van 
eene slechte gewoonre — doen, to Leave 
off a bad custom; Van eene beziuing — 
doen, to Give up a possession; Van z;jue 



^ 



AFST 

aan.cpraak op iet» — doen , to Desist from 
one's claim. * — , inzond. hec afstaau 
van eene heerschappij , Abdication ; 
Van eene kroon — doen, to Abdicate 
a crown. 

Afstandsmeting, vr. Art of ^measuring 
distances. 

Afscandswijzer, m. Itinerary, 

Afstappen, o. w. raecZijn, naar bene- 
den stappen , to Sten down. * — , zich 
al stappende verwijderen , to Step or 
March off or away {from^ van),- fi^. 
afzien , als : — van, to Desist from ^ 
to Leave off*, to Give np , to Resign ; 
Laac ons daarvan — , Let us leave off^ 
Let us talk no more on that subject. 

Afsceekscer, vr. , zie Afsteker. 

Atsteken , ongel. b. w. met eene gaffel 
naar beneden iaten , to Let down with 

-a fork. * — , afnemen, to Take offi 

* — , met een' sceck naar beneden doen 
komen, to Bring down by a thrust. *— , 
door sceken afzonderen , als: Een dier 
de keel — , to Kill an animal by cut- 
ting its throaty fig. Ik kan van mijne 
goederen niets — , zij zijn te zeer 
verminderd, My estate is already dimi- 
nished too much , / cannot part with any 
more; lemand dc loef — , to Outdo one ^ 
to^ Give one a Rowland for an Oliver ; 
bij wijnk., Een vac wijn — , ook enkel : 
Wijii — ^ to Rack wine, to Draw it 

yout Of one vessel into another, * — , 
door steken afteckenen , to Mark out. 

* >— , o. w. met Hebben, fig. van kleu- 
ren , to Contrast , to Be different ; D )cn 
— , to Set off. *— , met Zijn, to Go 
off, to Depart. 

Afsteker, m. One that lets down with a 
fork , etc. 

Afsteking, vr. Letting down with a fork, 
etc. 

Afscel, o. sprw. , zie Uitstel. 

Afstelen , ongel, b. w. to Rob or Steal 
from. 

Afstellen, b. w. op een' ^fscand stcl- 
Un, to put off. ♦ — , afschaffen, to 
Abolish, Suppress, Repeal. * — , afzer- 
tcn , bijna enkel gcbr. in: Aan- en af- 
stellen, to N'»ninate and dismiss, 

Afsteller, m. Abolisher, 

Afstcljing, vr. Putting off. ♦— , Sup' 
pressing. ♦ — , afzettin.ij, bijna enkel 
gebr. in: Aan- en afstelling, The no- 
minating and dismissing. 

Afstelster, vr.. zie Afsteller.' 

Afstemmen, b. w. to Cast by voting, to 



AFST 



53 



rote against. * - , o. w. met Hebben » 
als : De raad beeft nog niet afgestemd , 
All the members have not given their 
votes yet, 

x\fstemraing, vr. Voting against.^ 

Afscerven, ongel. o. w. met Zijn, als: 
Zijne onders zijn hem reeds vroeg afi,^e- 
storven, lie lost his parents in his early 
youth, or when he was very ymng; fig. 
De wereld — , to Withdraw from the 
world, to Lo'!e the relish for or of plea- 
sures ; De (der) zonde — , to Die unto 
sin or sinful pleasures. * — , verkoelen, 
to Cool, Diminish. 

Afsrerven , o. Decease , Death. 

Afsterving, vr. Death, Decease. 

Afstiji^en, 0770-^/. o. w. met Zijn, tn 
Alight; Bij iemand — , to 'Alight at 
one'^s house (to Enter into t'le house after 
having alighted). 

Afstij^ing, vr. Alighting. 

AfstofFen, b. w. to Clear from dust, to 
Beat orTVipe off the dust, to Sweep or 
Take off the dust, to Dust, 

Afstoffer, ip. Duster. 

Afstofscer, vr. , zie AfstofFer. 

Afstoken , b. w. to Heat sufficiently or 
entirely. * — , o. w. met Hebben, to 
Finish heating. 

Afstoking, vr. Heating sufficiently , etc, 

Afscompen , b. w. to Make blunt, to 
Blunt. * — , to Cut off, to Shorten, 

Afscomping, vn. Blunting. * — , Shor- 
tening. 

Afscooten, ongel. b. w. naar beneden 
stooten , to Pushdown. * — , doorsrooten 
afzonderen of verwijderen , to Push off; 
sprw. De horens — , to Sow one^s wild 
oats, 

Afstooter, m. One that pushes down , etc. 

Afstooting, vr. Pushing down, etc, 

Afstootster, vr. , zie Afstooter. 

Afstorten, b. w. to Thrust d^wn , to Pre- 
cipitate. ♦ — , o. w. met Zijn, to Rush 
or Fail down, 

Afstorting, vr. Thrusting down , Precipi- 
tating. * — , Falling down. 

AfstrafFen, b. w. to Inflict the proper 
pttnishment upon , to Punish , Chastise , 
Correct , Zich laien — , to Get the pro- 
per punishment. 

Afstraffing, vr. Punishment , Correction, 

Afstralen, o- w. met Hebben, to Beam ^ 
to Cast or Emit rays or beams; fig. to 
Stream down, to Gush down. 

Afgtraling, vr. Beaming. * — , Streaming < 
dpwn. 



u 



AFSTR 



Afstrijden, engel. b. w. ten e^ide strij^ 
den, als : De scrijd is afgestreden , The 
fighting is at an end. * — , door strij- 
deii verslijten, als: Afgestredenezwaar- 
den^ Swor4s quite worn off. * — , to 
Deny .^ to Contest^ Ik laac het mij nie: 
— , / 'woii't be disputed out of it. 

Afscrijken , ongd. b. w. door strijken 
afzonderen, to Strike or Rub off. * — , 
gelijk strijken , to Strike level ; Een 
kind de brock — , to Pull or Take down 
a child^s breeches. * — , afvcgen , to 
Wipe off * — , bij naaisters, enz. to 
Iron all or entirely, to Finish ironing. 

* — , o. w. met Zijn, to Go away, zie 
Wegstrijken. 

Afstrijking, vr. Striking off"^ etc. 

Afstroomeif, o. w. met Zijn, to Stream 
down. * — ,,h.y^. to Wash or Carry off 
b") streaming. 

Afstrooming , vr. Streaming down, etc. 

Afstroopen, b. w. to Strif) off"; Een' 
aal iiet vol — , of: Ken' aal — , to 
Skin an eel ; Een' vos (_het vel) — , 
to Flay a fox; lien' haas (het vel) — , 
to Strip a hare; Bladercn — , t^ Strip 
off leaves , to Unleave; fig. Hecland — , 
to Plunder, Ravage or Devastate the 
country. * — , naar beneden stroopen, 
zie Nederstroopen. 

Afstrooper, m. One that strips off , etc.; 
fig. Ravager, Plunderer. 

Afstrooping, vr. Stripping off, etc.; fig. 
Ravaging , Plundering. 

Afstroopscer, vr., zie Afstrooper. 

Afsiuiten, o. w. met Zijn, to Rebound; 
fig. Ik zal het op hem la:en — , I shall 
leave the care of it to him. 

Afstuiting, vr. Rebounding. 

Afstuiven , o. w. met Zijn, to Fly off; 
fig. to Rush or Hurry out of^ down , aw.Ty. 

* — , door stuiven verminderen , to Di- 
tninish, 

Afstuiving, vr. Flying nff^ etc. 
Afsturen , b. w. to Keep or Steer off. 

* — , zie Afzendcn. 
Afstunrder , m., zie Afzer.der. 
Afstuurster, vr. , zie Af-iendster. 
Afsullen , zie Afglippen. 
Afcafelen , zie Afspijzen.- 
Aftakelen , zie Oiutakelen. 
Afcakelini; , zie Onttakeliug. 
Aftappen , b. w. to Draw; Den wijn van 

een vat — , of: Een vat wijn — ^ to 
Draw, the wine from a cask; Op fles- 
schen — , to Bottle ; fig. Eene gracht 
— , to Drain a ditch or canal i Eeii' 



AFTA 

waterzuchtige het water — , to Tap a 
dropsical person ; Zich bloed laten — , 
to Get one''s self bled. j 

Afcapper, ra. One that draws etc.; 
Wie is de — van dienwijn?. Who has 
bottled that wine ? 

Aftapping, vr. Drawing, Bottling. 
* — , Tapping, 

Aftapster, vr. , zie Afcapper. 

Aftarnen , b. w. to Separate by ripping 
up the seams. * — , bij kleerm. enz., to 
Finish ripping up the seams, 

Aftarning, vr. Separating , etc. 

Afteekenaar, m. , Afteekenaarster , vr. 
One that marks out, etc. 

Afceekenen , b. w. door teekenen aan- 
wijzen , to Mark out. * — , af beclden , 
to Draw ^ Delineate; Met krijt — , to 
Chalk; Naar het leven — , to Draw 
from life or nature. * — , b. en o. w. 
met Hebbcn, to Finish drawing; Die 
stuk is nog niet afgeceekend, This 
drawing is not finished yet. 

Afceekening, vr. Blarking out. * — , 
Drawing , Delineation. 

Afccllen, b. w. door tellen afscheiden , 
to Count and take from , to Count and 
lay aside. *— , to Count. *— •, ten einde 
of het vereisclite gecai tellen, to Count 
all the money that is to be counted. *— , 
bij boekveric. , als: Een werk tot mis- 
driik — , to Sell a printedworkfor waste 
paper, 

Aftelling, vr. Counting, etc, zie Af- 
tellen. 

Afternen, zie Aftarnen. 

Afterning, zie Afcarning, 

Afciilen, b. w. to Lift down or off. 

Afcobben (Zich), w. w. to Slave , Toil , 
Moil, Drudge. 

AFcobbing, vr. Slaving, Toiling, Moiling, 
Drudging. 

Afcogt, m. Marching off. Retreat; Den 
~hla.zcn , to Sound the retreat; fig.(ge- 
meenz. ,) to Die. 

Af;:oppen, b. w. to Top, to Cut the 
top of. 

Afcopping, vr. Topping, 

Afcornen, zie Aftarnen. 

Aftorning, zie Afcarning. 

Afcouwen , b. w. bij leert. , to Go on 
with tawing till all the work is done , 
to lunisli tawing; fig. Icmand — , to 
Taw one''s hide, zie A:rossen. 

Afrrappen, b. w. naar beneden trappen 
of schoppen, to Kick down. * — , door 
trappen verwijderen , to Kick off or 



I 



AFTR 



away, ♦ — , in de rurfveenen, al de 
turf crappen, to Tread all (the turf). 
* — , o. w. met Zijn, to Step down. 
*^-, met Hebben, als : Van Zich — , 
to Kick. 

Afcred , m. Step. 

ACtreden , ongel. o, w. met ZiJn , naar 
beneden treclen, to TFalk , Step or Go 
down ; Van den wagen — , to 
Alight ; Bij ieniand — , to Alight at 
one^s house. * — , zicli af tredende ver- 

,wijderen, to Step, U^alk or Go away 
i^from, van); Van het tooneel — , to 
Make one'*s exit; Van hec pad der 
deugd — , to Deviate from the path of 
virtue. * — , afgaan, als: Die raadsheer 
zal aanstaande week — , That counsel- 
lor will be out of office next week. * — , 
b. w. to Measure by paces, to Pace. 
* — , zie Afcrappen. 

Aftreding, vr. Walking down. *— , Step- 
ping or fPalking away from ; fig. Devia- 
tion * — , Going out of one^s office. 
Resigning, ♦ — , Measuring by paces , 
Pacing. 

Aftrek, m. hetgene van iets afgetroken 
wordt. Deduction, Substraction ; Na 
— der koscen, The expenses being dc' 
ducted. * — , \en\ev,Sale, Demand; 
Deze waren hebben weinig — , These 
commodities do not go off, do not sell 
welU 

Aftrekken , ongel. b. w. door trekken af- 
zonderen . to Pull off; Een dicr (het 
vel) — , to Pull off (Strip) the skin of 
an animal, to Skin an animal^ to Flea 
it; fig. lemand het maker — , zie Af- 
ligten ; De band van lemand — , zie 
Hand- Zijn hart van iets — , zie Hart ; 
Zich van de vvercld — , zie Wereld -, 
lemand vrrj zijne overdenkingen — , 
to Divert one from one^s meditation ; 
daarentegen : In afgetrokkene overden- 
king zijn, to Be in deep thought, to Be 
deeply engaged /"« thought, zie ook Af- 
gecrolcken,* Een"* bjdiende cen gedeelte 
van zijn' loon — , to Retain a part of 
a servant'*s wages. ♦ — , bij artsenijb. : 
Kruiden — , to Blake extracts of herbs, 
to Infuse herbs. ♦ — , bij wijnkoop., 
bierstek,, to Draw (wine or beer) upon 
bottles, to Draw it from one cask into 
another. * — , bij drukk. , als: Proeven 
— , to Draw or Print proofsheets. *—, 
bij rekenra. : Eenc som — , to Substract 
or Lessen a sum by another. * — , bij 
kiijggl. of jag. , als: Een geweer — , 



AFTR 55 

to Unload a gun , to Draw off the charge 
without firing it, * — , ten einde toe 
trekken, als: De paarden zullen dit eind 
wegs nog wel kunnen — , The horses- 
will be able to draw their load still this 
hit of the road ; De theeisafgecrokken , 
The tea is done, or too weak to be drunk, 
* — , o. w. met Zijn, to March off ^ to 
Retreat, Withdraw. * — , van eene 
wacht, tegenst. van optrekken , to Be 
relieved; fig. fam. vertrekken , to Depart, 
to Go away. 

Aftrekker , m. One who pulls off^ etc. 

Afcrekking , vr. Pulling offi, etc, 

Aftrcksel, o. Infusion, 

Aftrekscer, vr. , zie Aftrekker. 

Aftreuren (Zich), w. w. to Pine away, 
to Grieve , Languish. 

Aftroefster , vr. , zie Aftroever. 

Afcroetelen , b. w. , zie Afvleijen. 

Aftroeteling, vr. , zie Afvleijen. 

Aftroeven , b. w. in het kaarcsp. , to 
Trump ; fig. lemand — , to Rebuke or 
Taunt a person severely, to Tell him his 
own , to Give one a severe reply, 

Aftroever, m. One that trumps, 

Aftroeving, vr. Trumping. 

Afcroggelen, b. w. als: lenvand iets — , 

•^to Trick, Coax or Wheedle one out of a 
thing. 

Aftroggelcr, m. One that coaxes another 
out of a tiling. 

Aftroggeling , vr. Tricking or Wheedling 
one out of a thing. 

Aftroggelscer, vr. , zie Aftroggeler. 

Afirommelen , b. w. to Publish by the 
beating of drums , to Drum about. 

Aftrommeling, vr. Publishing by the 
beating of drums , Drumming about. 

Aftromaien, zie Aftromnielen. 

Aftrompen , zie Aftrompetten. 

Aftromming , vr. , zie Aftrommeling. 

Aftrompetten , b. w. to Publish by the 
sounding of trumpets. 

Aftrompeiting, vr. Publishing , etc. 

Aftroonen, b. w. to Obtain by flattery , 
to Wheedle or Coax one out of a thing. 

Afstrooning, vr. Obtaining by flattery. 

Aftuimclcn, o. w. met Zijn, to Tumble 
down. 

Aftnimeling, vr. Tumbling down, 

Aftninen , b. w. , zie Afheinen. 

Aftuining, vr. , zie Af heining. ' 

Afvaardigen, b. w. to Despatch, Lx- 
pedite. 

Afvaardiger, m. Dcsi)atch.er. 

Afvaardiging, vr. Despatching, vr. 



nc 



AF^.\ 



Afvaardigster, m. , zie Afvaardigcr. 

Afvaart, vr. Setting out ^ Depfirture ^ 
Sailivg away', 

Afvaj^en, zie Afvegen. 

Afval , m. vallen naar beneden , Falling 
down ^ Fall. * — , hec afgevallene van 
vruchren, JVindfnll ^ Fruit blown off by 
the wind. * -^ , bij verschillende werkl., 
hctgene van het werk afvalc, Refuse^ 
JVaste. * — , inzoiul. (van fjroentc,) 
Paring! ,• ( van spijs , ) Relics , Leaving.^, 
Remains ; ( bij timmerl. , ) Shavings ; (bij 
vleeschh. ,) Garbage; Offal; (bij poe- 
Hers , ) Giblets ; (bij jagers , ) Carnage; 
(bij kleerin.,) Cabbaging^ Shreds; (bij 
schoenm. ,) Shreds , Scraps ; fig. hct vcr 
latcn cenerpartij , verzaken eener trouw 
cnz. , Forsaking , (in een' staatk. zin, ) 
Defection, Revolt; (in eeu godsd. 
zin ,) Apostacy. 

Afvallen , n. -w. met Zijn , naar bene- 
nen vallen, to Fall down;Rg. in krach- 
ten of gezondheid afnemen , als : Ilij is 
v_eel afgevallen , //e is considerably debi- 
litated or extenuated , He is much de- 
clined. * — , in achting dalen, als: Die 
man is vecl bij mij afgevallen , That man 
is sunk very low in my opinion of him , 
is much fallen in my opinion. • — , in 
beirekkel. waarde verniindcren , ais:De- 
ze wijn vale bij den anderen te seer of, 
One cannot relish this wine after having 
tasted the other. * — , zich door vallen 
verwijderen , to Fall off; fig. van een 
schip, de srreek verlatcn , to Fall off" 
from the true course 5 ookenkcl : to Fall. 
in een' staatk. zin, to Abandon, Re- 
linquish, Desert, {to Become disloyal 
to} one''s sovereign, or a cause one has 
embraced; in een' godsd. zin , als:(Van 
het geloof) — , to Forsake one''s belief, 
to Turn apostate , to Ar>ostatize. * — , 
b. v^r. door vallen afscheiden, to Fal^ff^ 
to Lose by a fall. 

Afvallig, bv. in een' staatk. zin, Dis- 
loyal. * — , in een' godsd. zin, Apos- 
tatical. Unfaithful. 

Afvallige, m. en vr. Apostate, 

Afvalligheid , vr. Being disloyal or aposta- 
tical. 

Afvangen, ongel.h. w. to Catch and keep, to 
Catch ; fig." gemeenz. , lemand eene vlieg 
— , to Get tht start of one , to Deceive one. 

Afvaren , ongel. b. w. door varen afzon- 
deren, to Break by ships, boats, etc.; 
Die schipper heefc mijn roer afgevaren, 
That capiain broke my rudder by push' 



AFVE 

ing against tt with his boat. ♦ — , door 
varen verwijderen , ;o i?;/«^ (/;; a boat, 
ship, etc. )at a distance. * — ,0. w. met 
Zijn, vertrekken , to Depart, to Set 
or Go off, to Sail away , to Sail. ♦ — , 
naar beiieden varen, to Go or Comedown 
in a boat , etc. ; Zij varen den Rijn af , 
They come down along the Rhine; zie 
rtok Vareu. 

Afvechieu , ongel. b. w. , zie Afstrij- 
den. 

Afveegsel, o. Sweepings, pi. 

Afveegster, vr. , zie Afveger. 

Afvegen, b. w. door vegen afzonderen , 
to Wipe off. * — , doorvegen zuiveren, 
to Clean by wiping, to FFipe. * — , ten 
einde toe vegen, to Sweep entiiely or 
to the end. 

Afveger, m. Wipe^, 

Afveging, vr. Wiping. 

Afvergen , b. w. to Demand or Require 
from one. 

Afverging, vr. Demanding. 

Afverven, Afveiiwen , o. w. met Heb- 
ben , zie Afgeven, o. w. * — , b. en 
o. w. met Hebben , vs. to Go on with 
die ing till all is done, to Die entirely; 
zie ook Verwen. 

AtVijlen , b. w. door vijlen afzonderen , 
to File off. ♦ — , door vijlen korier ma- 
ken , to Shorten or Lessen with a file, 

Afvijler, m. Filer. 

Afvijling, vr. Filing off, etc. ' 

Afvijlsel, o. , zie Vijlsel. 

Afvillen , b. w. to Flay , to Strip off the 
skin , to Skin. 

Afviliing, vr. Flaying. 

Afvisschen, b. w. uitvisschen , to Empty 
by fishing. * — , afscheppen, to Skim, 
Fish. * — , o. w. met Hebben, to 
Finish fishing. 

Afvleijen, b. w. to Obtain by flattery , 
to Coax i^one out of a thing.) * — , o. 
Obtaining, by flattery. 

Afvliegen, ongel. o. w. met Zijn, to 
Fly off or away ; fig. van andere snelle 
bewegingen , als: Zijn hoed vloogaf. 
His hat flew off; Hij vloog de trappen 
af,//« ran down stairs with all imagina- 
ble speed; De bond vloog op hem af. 
The dog rushed in upon him. * — , mec 
Hebben, als: Op en — , to Fly up and 
down. * — , b. w. door vliegen verwij- 
deren of afzonderen , als: De vogel heefc 
het glas van de tafel afgevlogen. The 
bird threw down the glass from the table 
by flying against it ; De duif heefc zich 



AFVL 

deneenen vleiijiel afgevlogen ^The pigeon 
lost a wing by flying. 

AfvMtren, ongeL o. w. met Zijn, to 
Flow or Run down. 

AfvlietJng, vr. Flowing or Running 
down. 

Afvlijmen, b. w. to Cut off'with a lancet 
or fleam, 

Afvlijming, vr. Cutting of with a lancet 
or fleam. 

Afvloeijen, o. w. met Zijn, to Flow 

.or Run down. * — , met Hebben , als: 
Deze rivier heeftden heuvel afgevloeid. 
This river formerly flowed down the hill. 

Afvloeijing, vr. Flowing dowij. 

Afvoederen, b. w. to Feed ^ to Give the 
provender^ zie Afvoeren in de voorlaat- 
ste beteekenis. 

Afvordering , vr. Feeding. 

Afvoerder, m. Conveyer^ etc, zie Af- 
voeren. 

Afvoeren , b. w. naar beneden vneren , 
als : Koopwaren eene rWier— ^toTrans- 
port wares down a river. * — , wegvoe- 
ren , to Transport , Carry , Convey. * — , 
bet voeder geven , to Give to cattle the 
usual food ^ zie Afvoederen. * — , men 
hec inzetten van voering in een klced 
eindigen, to Finish all the lining. 

Afvoering, vr. Transporting ^Carrying ^ 
etc. 

Afvorderaar , m. One that demands or re- 
quires from another. 

Afvorderen , b. w. to Demand or Require 
_from. 

Afvorderlng, vr. Demanding , Requiring. 

Afvragen , ongel. en gel. b. w. to Inter- 
rogate ^ Ask; Ik zal heihem stellig — , 
I shall ask it him so that he must give n 
positive answer ; sprw. Zoo vraagc men 
den boeren de knnst af, A fooliih ques- 
tion deserves no answer. * — , afeischen , 
to Demand i sprw, lemand het hemd van 
bet lijf — , to Inquire into the minutest 
particulars of a persist'*: actions. 

Afvraging, vr. Askings etc. 

Afvriezen, onreg. o. w. met Zijn, 
door vriezen worden afgezonderd , to 
Freeze off", to Be lost by freezing ;i,V\]- 
ne vingers waren bijna afi:^evrorcn , Tne 
frost had almost made me lose my fingers. 
* — , met Ilebben, als: Het heefc af- 
gevroren , It freezes no more , // has done 
freezing. 

Afvrijveu, zie Afwrijven, enz. 

Afvuren, b. w. to Shoot or Fire off, to 
Discharge. ♦ — , o. w. met Hebben, als: 



AFVU 



57 



Afgevuiird hebben , to' Have done firing; 
fig. HIj heeft afgevuurd, It is donewith 
him. (^Discharging. 

Afvuring , vr. Shooting or Firing off, 

Afwaaijen , ongel. en gel. b. eno. w. met 
Zyn , door waaijen afzonderen en af- 
gezonderd worden , to Blow off. * — , 
naar beneden waaijen of gewaaid wor- 
den, to Blow down. 

Afwaarts , zie Nederwaarts. 

Afwaarcsch , zie Nederwaartsch. 

Afwachcen, b. w. to Stay or Wait for. 

Afvvachter m. One that waits for. 

Afwacluing, vr. Waiting for. 

Afwachtster, vr. , zie Afwachter. 

Afwaken (Zich), w. w. to Weary one'*s 
self by watching. 

Afwallen , b. w. to Fence in, to Shut in 
with ramparts. ' 

Afwalling, vr. Fencing in. 

Afwandelen, b. vv. door wandelen , af- 
zonderen , to Walk off. * — , moede wan- 
delen , als : Zich — , to Fatigue one'^s self 
by walking. * — , o. w. met Zijn, to Walk 
from , to Leave ; Ik ben van hem afge- 
wandeld, / left him. 

Afwaschster, vr., zie Afwasscher. 

Afwasschen, ot7gel. b. w. door wasschen 
afzonderen, to Wash off" or away; fig. 
Al het water der zee kan die schande 
niet afwasschen , All the water of the 
sea cannot clear (^him , her , etc. ) of that 
blemish.* — , sclioon wasschen, toClean 
by washing, to Wash; fig. 2ijne handen 
van eene zaak — , to Determine to let a 
business go as it may. 

Afwasscher, m. Washer. 

Afwassching, vr. Washing off" or away. 
* — , Washing. 

AfWateren, b. w. in de perserijen gebr , 
voor met golven persep, als : Wij hebben 
de gordijncn afgewaterd , We have finish- 
ed watering the curtains , We have wa- 
tered them entirely. * — , o. w. met Hehr 
ben, eene plaats hebben, waar het water 
afloopt , als: Mijn tu-n watcrr aan deze 
zijde af. The water runs fjf from my 
garden or Illy garden has an outlet for 
the water on this side. 

Afwacering, vr. het afwateren, zie Af- 
watcren. * — , inzond. plaats, waar he 
water afloopt , Outlet for the water, 

Afweegster, vr. , zie Afweger. 

Afvveeken, b. en o. w. met Zijn, to Se- 
parate by soaking. 

Afweekinx, vr. Soaking , Separation cau- 
sed by soaking. 



58 



AFWE 



Afweenen , b. w. to Expiate by tears. 
* — , als: Zich — , to Weary one^s self 
by weeping , to Cuy one'*s eyes out. 

Afweerder , m,, Afweerster , vr. One that 
wards off". 

Afweg, m. Byroad, Byway, Bypath , Side- 
way ; fig. Op afwegen geraken, to Take 
bad courses. 

Afwegen , ongel. h. w. door we gen af- 
zonderen , (o Weigh and put aside ,• ook 
enkel : to Weigh. *—, to Weigh entire- 
ly or all that must be weighed ;fi^. Zij- 
nc krachten naar den arheid — , to Ad- 
just one''s forces to the work. * — , e. 
w. met Hebbcn , to Finish weigh- 
ing. 

Afweger, m. Weigher. 

Afwcging, vr. Weighing. 

Afvveiden , b. w. het gras afeteo , to Graze 
off all the grass of a field. * — , d. 
w. met Hebben , fig. Van zijn onderwerp 
— , to Digress from one''s subject, Ziede 
Aanmerking op Uitwciden. 

Afweicting, vr. Grazing off all the grass 
of a field. 

Afwenden , b. w. af keercn , to Turn aside 
or off. * — , bij zeelieden , als : Een schip 
— , to Beat off. * — , in het schermen, 
als: Een' slag — , to Ward off or Par- 
ry a blow; fig* verhinderen , to Avert or 
Prevent, to Ward off;Z\Q\\ van iemand 
— , to Break with one; ook: to Have 
an aversion from one. 

Afwender , m. He tliat turns off or a- 
side, etc. 

Afwencling, vr. Turning aside , etc.*—, 
inzond. in het krijgsw. , Diversion ; Den 
vijand eene — raauen, to Cause or Give 
a diversion to the enemy. 
Afwendster, vr. , zie Afwender. 
Afwennen , b. w. to Disuse , Disaccustom, 
to Break one of (^a custom)'; Zich iets 
— , to Leave off, to Break one''s self of, 
to Discontijiue'; Een kind van de borst 
— , zie Spenen. 
Afvvenner, m. One that disuses or breaks 

of a custom. 
Afwenning , vr. Disusing, Breaking of 
a custom , Leaving it off. 
Afwenster, vr. , zie Afwenner. 
Afwentden, b. en o. w. met Z'ijn , to 
Roll off or down. 

Afwenceling, vr. Rolling off or down. 
Afweren , b. w. to Ward off * — , af- 
wenden , to Avert , to Keep off, to Turn 
away. 
Af we ring, vr. Warding cff, etc. 



AFWE 

Afwerken , b. w. door werken afzonde- 
ren , to Work o^,* Zich van iets— (los 
werken), to Get loose. ♦ — , ten einde 
werken, als: to Work out or Finish one'' s 
task. * — , o. w, met Hebben , als : 
Afgewerkt hebben , to Have finished 
(one^s task , etc.y 

Afwerking, vr. Working off. * — , Fi- 
nishing, 

Afwerpen, ongel, b. w. naar beneden 
werpen, to Throw or Cast down. * — . 
door werpen afzonderen-, to Throw off; 
De herten werpen de horens af. The 
stags shed their horns ; De slang werpt 
hare huid af, The snake lays off or ea>ts 
her skin; fig. Met ]i\k — , to Throw off 
the yoke , to Free onc'*s self from slave? y. 
* — , o. w. bij zeelied. , zie Afgieren. 
Afwerper, m. One that throws or casts 
down , €tc, 
Afwerping, vr. Throwing or Casting down 

or off, ttc, 
Afwerpster, vr. , zie Afwerper. 
Afweven, ongel. b. vf .to Finish weaving, 

to Weave entirely. 
Afweving, vr. Weaving, zie Afweven. 
Afwezen , onreg. o. w. met Zijn , to 
Be off, to Be distant or at a distance; 
Rotterdam is drie uren van Gouda af, 
Rotterdam is at three leagues'* distance 
from Gouda; fig. Ik wenschte wel van 
dat genootschap af te wezen, I wish to 
be no more a member of that society.* — , 
tegenst. van verpligt zijn , als : Ik kan 
niet afzijn, u te melden , / find it in- 
cumbent on me to inform you , / cannot 
forbear informing you. * — , gegcheidea 
zijn, als: Hij is van zijne vrouw af, 
He is separated from his wife. * — , be- 
vrijd zijn van iets, als: Hi] is van de 
boete af , He is free from the fine ; A's 
ik slechts van hem af ware , If only I 
could disengage myself from him ; ook : 
// only I could get rid of him. Aanni. 
Dikwerf vindt me« ook Af wezen of 
Af zijn, schijnbaar als eene zaraenstiil- 
ling, wanneer Af bij eene verkorting 
gebruikt wordt, zie Af. * — , niet re- 
genw. zijn, veraud.; nog enkel over in: 
Afwezen , o. Absence. 
Afwezend, zie Afwezig. 
Afvvezendheid, zie Afwezigheid. 
Afwezig , bv. Absent. 
Afwezigheid, vr. Absence. 
Afwijken, ongel, o. w. met Zijn, af- 
deinzen , /(? Retreat, Retire; ficr. V.m 
het kwaad— , to Eschew or Forsake evil; 




AFWIJ 

Van de waarheid — , to Depart from 
truth ; Hij wijkc hiervan geen haar 
breed af , He won'*t abate an inch o«V. 
* — , van elkander wijken, to Give way ^ 
to Tield; fig. verscheiden zijn, to Dif- 
fer^ Vary; Wij wijken aanmerkelijkvan 
elkander af, iP'e differ widely. * — , to 
Deviate, Decline, to Turn away, off 
or from, to Swerve, (from, van). 

Afwijkend, bv. Anomalous. 

Afwijker, ra. One that retreats, etc, 

Afwijking, vr. Retreating , etc. * — , 
inzoiid. van de zon of het kompas , DB' 
clination; (oostelijke of westelijke) — 
van een schip , van de middaglijn van 
vercrek, Departure. 

Afwijkster, vr. , zie Afwijker. 

Afwijzen, ongel. b. -w. een teekengeven 
cm zich te verwjjderen, to Give a sign 
for making one retreat; fig. wegzenden, 
wegjagen , to Turn off. * — , van de 
handwijzen , to Refuse; ( bij hec geregtj, 
to Non-suit , Abate. ♦ — , afslaau , to 
Repulse. 

Afwijzing, vr. Refusal, etc. * — , in- 
zond. in de zeevaartk. : De — van het 

" kompas. The declination of the compass. 

Afwillen, onreg. o. w. mecHebben, als: 
Plij wilde de kamer niet af, lie would 
not leave the room. Aanm. Uit hoofde 
van een uitgelaten werkw. , is het niet 
mogelijk , alle beteekenissen op te geven. 

Afwinden, ongel. b. w. door winilcn af- 
doen , to Wind or Reel all Qthe thread, 
etc.). * — , o. w. met Ilebben , ais : 
Afgewonden hebben , to Have finished 
winding or reeling. 

Afwinder, m. fFinder, etc. ^ {etc. 

Afwinding, vr. Winding or Reeling off, 

Afwindster, vr. , zie Afwinder. 

Afwinnen , ongel. b. w. van iemand win- 
nen , to Win from one; Hij won niij al 
mijn geld af, He won all my money; 
Den vijand ecne plaats — , to-'Take a 
place from the enemy;Cig. voorkomcn, als: 
Het iemand — , to Get the start or 
the better of one ; (overtrcilen,) to Sur- 
pass or Outdo one. 
Afwippen, b. en o. w. met Zijn , to Slip 

down. 
Afwipping, vr. Slipping down. 
Afwischstcr, vr. , zie Afwisscher. 
Afwisschen-, b. w. door wisschcn afzon- 

I deren , to Wipe off; fig. lemands trancn 
— t to Dry one*s tears, to Soften onc''s 
grief. * — , door wisschcn iemi{;cn , to 
Wipe. 



AFAVIS 



59 



Afwisscher , m. One that wipes off". *—, 

Wiper. ' (Wiping. 

Afwfssching, vr. Wiping off. * — , 

Afwisseien , b. w. door wisselen vcrkrij- 
gen , to Take from one by a change ; 

Die Jood heeft raij al mijn vreerad geld 
afgewisseld en Nederlandsch daarvoor 
in de plaacs gegeven , That Jew took all 
my foreign coin from me and gave me 
Dutch money for it. * — , aflossen , to 
Relieve. * — , veranderen , to yary. 
* — , o. w. net Zijn, veranderen , to 
Change. * — , to Intermit. 

Afwiss:?lend, bv. Changeable , 'Variable. 
* — , Alternative. * — , bw. Alternately. 

Afwisseling, vr. Relieving one another; 
inzond. in: Bij — , By turns. Alter- 
nately. 

Afwitten, b. w. ten einde toe witten , 
als: Zij hebben den iDUur afgewit , They 
have white-washed the whole wall ; Hij 
heefc de plank afgewit (geheel wir ge- 
maakt). He has whited the board en- 
tirely. * — , o. w. met Hebben , van wit 
gemaakte dingen sprekende , afgeven, 
to Wear off. 

Afvvitting, vr. Whitewashing, * — , 
Whiting. 

Afwoekeren, b. w. to Obtain or Get 
(^from one^ by usury. 

Afwockeriug, vr. Obtaining from one 
by usury. 

Afwrijven, ongel. door wrijven afzon- 
deren, to Rub off. * — , schoon wrij- 
ven , to Rub entirely. * — , o. w. met 
Hebben , als : wij hebben afgcwvevenjre 
have finished rubbing Qor clea*iing\ 

Afwrijving, vr. Rubbing off. *—, Clean- 
ing, Rubbing. 

Afwringen, ongel. h. w. door wringen 
afzonderen, to Wring or Wrest off; fig. 
Iemand een geheira — , to Extort a 
secret from one. * — , ten einde wrin- 
gen, to Wring all that must be wrung. 
* — , o. w. met Hebben, als: Afge- 

I wrongen hebben , to Have dove wringing. 

Afwringing, vr. Wringing or Wresting 
^ff' *— » Wringing all. 

Afzadelen, b. w. to Unsaddle. 

Af^adeling, vr. Unsaddling- 

Afzagen , b. w. door zagcn afzonderen , 
to Saw off. * — , kortcr zagen , to 
Shorten by sawing. * — , ten einde za- 
gen , to Go on with sawing till all is 
sawed. * — , o. w. met Hebben, als: 
Zij hebben afgezaagd , They hare finished 
sawing. 



60 



\vz\. 



Afzager, m. One that saws off^ etc. 

Afzaging, vr. Sawirjg off\ etc, 

Afzakken, b. w. alles iii zakken doen , 
to Sack { all that must be put in sacks ). 
* — , o w. met Zijn, naar beneden zak- 
ken, to Sink, Slide or Drop down; 
Van den nmur — , to Slide down the 
wall; fig. Eene rivier — , to Come down 
along a river. * — , wijken, to Shrink 
back, to Retreat. * — , wegsluipen , to 
Slide off, to Steal dway. 

Afzakker, m. One that sacks , etc. * — , in- 
zond. afzakkertje, zie Afzakkertjejl 

Afzakkercje, o. geraeenz. , zie Afzet- 
tertje. ^ 

Afzakking, vr. Sacking all. * — , Sinking, 
Sliding or Dropping down; Vi^. Shrink- 
ing hack, Rtiireating. * — , Sliding 
of^f, Stealing awny. 

Afzej^gen, nnreg. b. w. to Give notice 
or Send word, that any thing formerly 
agreed upon is put off, to Counter- 
mand; Eene uirnoodiging laten — , to 
Disinvite one; Een bezoek la'.en — , to 
Send an excuse. 

Afzegger, m. One that countermands. 

Afzegging , vr. Countermanding. 

Afzeilen, b. w. door zeilen afzonderen , 
to Lose or Break; Hij zeilde zijn' 
boegspriet af, He lost his bowsprit ; Hij 
zeilde mijn' boegspriec af, lie broke 
my bowsprit. * — , o. w. met Zijn, on- 
der zeil gaan , to Set sail , to Sail away, 
to Put to sea; Op een schip — , to 
Bear down upon a ship ; Op eene plaats 
— , to Sail towards a place. 

Afzeiling, vr. Breaking. * — , Setting 
sail., Departure. 

Afzenden , ongel. b. w. to Despatch, to 
Send off, to Expedite. 

Afzender , m. One that despatches , Send- 
er ; De — van dezen brief, Tiie person 
that despatched this letter. 

Afzending, vr. Despatching. 

Afzendster, vr. , zie Afzender. 

Afzengen , b. w. to Singe off, (^bij heelm.,") 
to Cauterize. 

Afzenging , vr. Singeing off, (^j heelm.) 
Cauterization. - 

Afzetsel , o. bij boomkweek. , Layer. 

Afzetster, vr. , zie Afzecter in de 2 
eersce beteek. 

AfzCtten, b. w. naar beneden zetten, 
to Put or Take down; fig. in lietstaats- 
best. , to Depose from one''s office; (een' 
koning") to Dethrone; (in hecinuncw. , 
als:) Geld — , to Cry down a coin. *—, 



AFZK 

in de krijgsd. , als: Een geweer — ^ to 
Foot arms. * — , verwijderen, to Set or 
Put off; fig. lemand koel — , to Turn 
one off with a cool answer. ♦ — , in den 
handel verkoopen, to Sell, to Find a 
purchaser f)r. *—, bij wondh, , to Am- 
putate , to Cut off. * — , in degeneesk., 
to Purge ; van- hier: Afzectende midde- 
len. Purges, Purgatives , Medicines 
causing evaucation or provoking urine. 
Laxatives or Diuretics. * — , bij boom- 
kweek. , to Lay s to Set off., to Take 
slips or shoots of plants and flowers and 
raise new plants from them. * — , bij 
voerl. , to Set out. * — , bij teekenm. , 
to Colour or Illuminate. * — , bij verw., 
to Set off (^with green, etc. y ♦ — , bij 
kleerm. en naaisc, als: Een* rok met 
zijden galon — , to Set off a coat with 
silk lace. * — , bij letterz. , to Compose 
all that must be composed; De zetter 
heefc het blad afgezet , The compositor 
has finished the sheet. *— , verminderen, 
to Abate ( the price of). 

Afzetter, m. One that sets off or down, 
etc. '■^ — , inzond. bedrieger. Sharper^ 
Shuffling fellow. * — , zie Afzettertje. 

Afzccterij, vr. fam. Swindling tricks. 
Sharping. 

Afzetcercje , o. verkl. zie Afzetter. ♦ — , 
inzond. in het dag. lev. van een glaasje 
likeur of jenever, dat na het gebruik 
van spijzen , v\?ijn , enz. wordt genut- 
tigd, a!s: Als deze flesch ledig is, 
zullen wij een — nemen. When this 
bottle is finished , we'' II take a dram* 

Afziedcn, ongel. b. w., zie Afkoken. 

At'zieder, ni., zie Afkoker. 

Afzieding, vr. , zie AfKoking. 

Afziedsel, c, zie Arkooksel. 

Afziedster, vr. , zie Afzieder. 

Afzien , onreg. o. w. met Hebben, als: 
Wij moeten wel van ens — , We must 
look sharp about us or look out sharp; 
fig. Van eene zaak — , to Wave a busi- 
ness ; Van zijn regt — , to Desist from 
one''s right ; Geheel Van iemand — , to 
Break all intercourse with one. * — , 
b. w. tot het einde toe zien,als: Ik kan die 
vlakce niet — , (of afkijken). My sight 
does not reach to the end of this plain ; 
fig. bepalen, als: Ik kan den uitslag 
daarvan nog niet — , / cannot determine 
as yet the issue of it ; Ik zal het hier- 
mede maar — , /'// make shift with this, 
ril content myself with this, * — , af- 
loeren , zie Afkijken. 




AFZl 

__]zTgtelijk , bw. Unsightly, 

Afzigtig, bv. Very ugly or Much deform- 
ed , Hideous. * — , bw. Hideously. 

Afzigtigheid , vr. Hideousness. 

Afzijn , zie Ufwezen. 

Afzijpelen , o. w. met Zijo, to Run down 
gently, to Distil^ to Drip down, 

Afzljpeling, vr. Dripping down ^ etc. 

Afzij'pen, zie Afzijpelen. 

Afzijperen, zie Afzijpelen. 

Afzijpering, vr., zie AfzijpeHng. 

Afzijping, vr. , zie Afzijpeling. 

Afzngen, ongel. -b. w. als : Eenen lof- 
zang — , to Finish a hymn. * — , in bet 
zingen van de wijs afbVeigen, als: Hij 
heefc den voorzanger (van de wijs) afge- 
zongen, He sang so that the singer 
lost his tune. 

Afzitten, ongel. o. w. met Hebben , op 
een' afstand zitten , te Sit at a distance, 
*— , met Zijn, afscatipen , to Dismount^ 
Alight {from horseback), 

Afzoeken , onreg. h. w. to Search and 
take; Al de rupsen van een' boom 
— } to Pick all the caterpillars from a 
tree, 

Afzoeking; vr. Searching.^ Picking. 

Afzoenen , vr., zie Aficussen. 

Afzoening , vr. , zie Atknssen. 

Afzonderen , b. w. afscheiden, to Sepa- 
rate^ to Put asunder ; fig. Zich — , to 
IFithdraw from the world, to Live by 
one''s self; van hier: Afgezonderd leven , 
to Live Retired or remote pom all 
society, to Live by one''s self, Zie ook 
Afgezonderd. 

Afzondering, w. Separating ; ^^, Retire- 
ment ; In de — leven, zie (bij Afzon- 
deren^ Afgezonderd leven. 

Arzoncferlijk, bv. alleen, Separate. ♦— , 
bijzonder, Particular, Peculiar.* — , 
bw. Separately , Asunder, (^by myself , 
himself, etc.). {Finish. 

AT/ .omen, o. w. to Seam entirely , to 

Afzooming, vr. Seaming, etc, 

Af-iuigen, ongel. b. w. to Suck off. *—, 
lij boomkwcek, , to Ablactate ; zie ook 
Zuigen. 

Ai/iiiging, vr. Sucking off ♦ — , Ablac- 
t.uion. 

Ai'zuipen, ongel. b. w. gcracen, zie Af- 
diinken. 

Af/.ullen, onrcg. o. w. met Hebben , als: 
llij zal de kamer af, He shall leave the 
room. Aanni. Wcgcns een uitgcla:en 
^•'crkw. kunnen al de betcekenissen nict 
' ;v: :}e^.v:n ucir.'c;.i. 



AFZW 



61 



Afzweepen , b, w. met eene zweep afzon* 
deren , to Whip rff. * — , uaar beneden 
zweepen , to Whip down. 

Afzwecrder, m. , Afzweerster, vr. One 
that abjures , Forswearer. 

Afzwemraen , ongel. o. w. met Zljn , 
to Swim off" or away. * — (Zich), w. w. 
to Weary one''s self by swimming. 

Afzweren , 072gel. b. w. to Abjure , to 
Renounce or Recant solemnly , to For- 
svv'ear ; Zijne godsdienst — , to Forswear 
one''s religion. * — ^ to Free one^s self 
from a thing by an oath. * — , o, w.mec 
Zijn, to Fall off by ulceration , to 
Fester away ; Zijn nagel is afgezworeu , 
//// nail is festered away. 

Afzwering , vr. Abjuring, forswearing. 

* — , Falling off" by ulceration, 
Agaac, m. en o. Agate. 
Agaatsceen, m., zie Agaat. 
Agaten, bv. Agaty , Agate, 

Agent, m. Agent. ♦ ■— , inzond. voorden 
kooph. , Commissary for commercial af- 
fairs , Agent , Consul. 

Agentschap , o. Agency, 

Agio , o. in den konph. , Agio. 

Agrimonie, vr. zeker kruid. Agrimony, 

Agurkje, o. Gherkin. 

Agiirkjsspot , m. Gherkin-pot, 

Ahorij , i^hornboora, ra. Maple, Maple- 
tree. 

Ai , lusschenw. , Ay! , Oh! , Ah! 

x\juin, m. Onion, 

Ajuinachtig, bv. Onio'nlike. 

Ajuinbed, o. Onion-bed, 

Ajuinblad, o. Onion-leaf. 

Ajuinbol, m. Onion, 

Akaderaie, vr. hoogeschool , University. 

* — , genoocschap ler beoefcuing van 
kunstcn en wetenschappen , Academy. 

Akadcmieburger, m. Student. 

Akadcmielcven, o. Academical life. 

Akademieplaats, vr. , zie Akademie- 
stad. 

Akadcmieprediker , m. Preacher in a uni- 
versity. ^ 

Akaderaicstad, vr. T'ownwitha university. 

Akadcinisch, bv. Academical. 

Akadcmist, m. Academist. 

Akedemievricnd , m. Friend at tie t:^:i- 
versity. 

Akanr, m. Acanthus. 

Akelci, vr. in de kruidk. , Aquilcgia, 
Columbine, 

Akclig, bv. naar. Dreary , Ghastly. *— , 
trcurig, D'^tf:.'! ^ Clromy, ISle.ntJchcly ^ 
Sad. •-. ■ •":. 



62 



AKEL 



Akeligheid, vr. Dreariness. ♦— , Dismal- 
ness, Gloominess. 

Aker, m. eminer^ Pail. * — , op de Velu- 
we eene soort van middelbaren kecel , 
JJrass kettle of a middling size. * — , zie 

Akerspek, zie Eikelspek. 

Akker, m. Field. * — , (Gods akker , v^r- 
otid. Churchyard, enkel gebruik. in:) 
sprw. Gods waterover Gods — laten loo- 
pen, to Be extremely careless about every 
thing. 

Akkerbouw , m. bebouwen van den akker. 
Tillage.* — , landbouw. Agriculture, 
Husbandry, 

Akkerbrem , vr. Dyer^s-weed, 

Akkeren, b. en o. w. met Hebben , 
to Plough , Till. 

Akkergereedschap , o. Ploughing tools , 
Implements of husbandry. 

Akkerhanevoet , m. Crow-foot. 

Akkerkruid, o. Danewort , Dwarf elder. 

Akkerland, o. Arable ground or land, zie 
Bouwland. 

Akkerlieden, m. meerv. , zie Akkerman. 

Akkermaalsbosch, Akkennaalshour, o. 
Copse of oakwood, 

Akkerman, m. Husbandman. 

Akkerveld, c, zie Akkerland. 

Akkervoor , vr. Furrow, Ridge. 

Akkerwerk, o. Tillage. 

Akkerwet, vr. in de Rom, geschiedenis , 
Agrarian law, 

Akkoord, o. Contract, Agreement ;Z\ch 
•aan hec — houden, to Stick to the agree- 
ment. * — , inzond. in de toonk. , Accord. 

Akkorderen , b. vj.tq Agree on ^ to Make 
an agreement ^ fi^. dinj^en , to Cheapen. 

Akonijc , o. en vr. in de kruidk. , Aconite ^ 
Wolf ''s-bane. 

Akse , vr. , zie Aakse. 

iVkte, vr. Deed, Instrument , Act , Roll. 

Aktie^vr. bij regcssel. , Action, Suit, 
Lawsuit; Daarover hebt gij geene — te- 
gen hem , For that yoti cannot bring an 
action against him ^ Tou cannot sue him 
for that ; van daar : fig. Zij hebben — 
gehad , They have been at variance to- 
gether. * — , bij koopl. , aandeel in eene 
ondernem. , Action^ Share, * — , inzond. 
aandeel in fondsen , Share ( in the stocks ); 
De akcien zijn gcdauld , TJie stocks are 
fallen; fig. De akti'-n zijn met hem ge 
daald , It is much altered with him , He 
must be more submissive now. * — , bij 
redenaars. Action. * — , bij krijgsl., Ac- 
tion , Fight , Engagement, 



AKTI 

Aktiehandel, m. Stock'jobbing,, 

Aktiehandelaar , , m. Stock-jobber, 

Aktichouder, m. Actionary. 

Al, bv. (^onverbuigb. voor lidvv. en voor- 
naamw.) All; sprw. — de blaifencle hon- 
den bijcen niet , Barking dogs seldom 
bite; zie ook Alles. * — , m. bij dichc. of 
In den verb, stiji, The deity ,. God; De 
ongeschapen — , The uncreated Gr^d.*—, 
o. Universe ; Het zigtbaar — , The vi- 
sible universe. The creation. * — , alles, 
AU ; Is die hetal?, Is this all?; sprw. 
Einde goed, — goed. All is well that 
ends well. * — , bw. reeds , Already. * — , 
ruim , wel, als: Die is — zoo groot als 
het andere , This is rather larger than 
the other ; Het is — te kleiu , It is by far 
too little. *—, als een blootstopw. voor 
tegenw. deelw. , als: — spelende, Play- 
ing ; sprw, — doende leert men , Expe- 
rience is a good teacher. * — , voegw. , 
Though, A/though; — is bij onder dan 
ik , Though he is (^or be) older than I, 
* — y in den zin van zelfs (bw.) en in- 
dien( voegw. ),£ve«//i-— kwame hij niet. 
Even if he did not come ; — prijst gij 
hem nog zoo zeer, Praise him ever so 
much; sprw. Ilij zoii zich beslabbcren, 
— at hij hazclnoten, zie Beslabberen ^ — 
roept men St. Joris, men hondt wel aan 
de manen , Help yourself and God will 
help you. 

Alant,m. in de kruidk., Elecampane, 
Helen ium. 

Alantsvvijn , m. Elecampaned wine , Ele- 
capane wine. 

Alantsworcel, m. Elecampane , Starwort. 

Alarm, m. (en o.) Alarm. 

Alarmblazer, m. Alarmist, 

Aiarmklok, vr. Alarm bell, Alarmrum, 

Alarmkreet, m. Cry of alarm, 

Alarmplaats, vr. Alarm-post, 

Alarmtrora , vr. Alarm-drum, 

Alarmiroramel, vr., zie Alarmtrom. 

Albast, o. Alabaster., White marble. 

Albasten, bv. , zie Albastereu. 

Albaster, o. , zie Albsst. 

A'.basteren, bv. Alabaster. 

Albasterwit, bv. White as alabaster. 

Albedil, m. en vr. Find-fault , Caviller. 

Albedrijf, m. en vr. Bu!>y-body, Sir-posi- 
tive in all. 

Albedil , zie Albedrijf. 

Albereids, zie JBereids. 

Albeschik, zie Albedrijf. 

Aldaar, bv/. There. 

Aldus, bw. Thus. 



ALDU 

uisdanig, xie Dusdanig. 
Aieer, bw. meesc voorafj^eg. van Voor , 

als : Voor en aleer gij yenre\it,\ Before 

yoti are goins* 
Alfpapenkruid, o. Bryony, 
Algebra, vr. , zie Stelkunsc. 
Algebraist, m. Algebraist, 
Algebrai'sch , bv. Algebraic , Algebraical. 

* — , bw. Algebraically. 

Algemeen , bv. General , Universal ; Eene 
algemeene ziekte , An epidemical disease. 

* — , bw. in het algemeen, over hec al- 
gemeen, Generally^ In general^ Gene- 
rally speaking. * — , o. publiek , P«/;//c. 

* — , algemeenheid, als : In hec — , Over 
het — , Generally ^ In general. 

Algemeenheid, vr. Generality^ Univer- 
sality. 

Algcrmeenmaking, vr. Generalization. 

Algemeen wording, vr. Becoming general. 

Algcnoegzaam, bv. All-sufficient. 

Algenoegzaamheid, vr. A.l-sufficiency. 

Algoed, bv. Supremely bountiful or mer- 
ciful. 

Alg« ede, o. Sovereign good, 

Algc ede, m. God. 

Algoedertieren ,bv. All-merciful. 

Algredertierenheid , vr, Blercijulness ^ 
Mercy. 

Algoedheid, vr. Supreme bounty or mercy. 

Alhier, bw. Here ^ In this place. 

Alhoewel, voegw, , zie Hoewel. 

■Alikruik, vr. Periwinkle ^ Shell-snail^ 
Sea-snail, 

Alkerines, o. Alkermes, 

jAlkoof, vr. Alcove, 

Alcoran, m. Alcoran, Alkoran, 

Alkove, zie Alkoof. 

AUe, bv. {verbuigb. zonder door een 
lidvv. of voornaamw. gevolgd te zijn,) in 
opziiU tot de enkele declen eener soort, 
de algemeenheid ann^.^ Ail; — mcnschen , 
All wen; Wij — , All of us.* — , alleen 
scaaiide voorallemenschcn, doch in die gc- 
val s;eeds.^//^w, behalvc in den 2. naamv., 
AH; Aller oogen , The eyes of all. *— , 
in o]i/iigc tot eenige hocdanighcid , door 
ccn iienkbeeldig nw. uitfredrukc , de ge- 
icdi.cid aandnidcndc. All; — hoop is 
vcrloren , All hope is lost; In allcnernst. 
In a:l earnest. * — , mcide beteek. van 
tlk , in opzigt tot elk van dcdeelen, die 
ctMi .'.;chcel uitmaken, in het bijzonder, 
Jivct y ; — weken , Every week ; — drie 
jaren , Every th'd year; Zich ann — 
(icdcrc soorc van j ondengd overgeven, 
to Bt given to all manner of vice ;s]pT:vf. 



AILE 



63 



— begin is moeijelijk, Every beginning 
is hard; — hone is geen timmerhoui. 
One cannot make a silk purse of a 
sow'^s ear, 

Alledaagsch , bv. Daily , Happening every 
day, Quotidian; De alledaagsche koorts, 
The quotidian fever; Een — kleed. An 
every-day suit ; fig. gemeen , Indifferent , 
Commonplace, 

Alledaagschheid, vr. fig. Indifference. 

Alleen, bw. Alone, {by myself, thyself, 
himself, herself; itself, one^s self, our- 
selves , yourself or yourselves , themsel' 
ves^; Hij v^'as — , tie was alone or by 
himself; De gedachte — baart afgrijzen. 
The very thought is shocking; sprw. Een 
ongeluk komt zelden — , One mischief 
comes on the neck of another, * — , zie 
P2nkel, Slechu. * — , ongehuwd,. als: 
Een man — , A single man, 

AWsenhAndel, m. 3Ionopoly. (^Autocrator. . 

Alleenheerschcr, m. Blonarch , Autocrat, 

Alleenheerscht-res, vr. Autocratrix, Auto- 
crat rice. 

Alleenheersching, vr. Monarchy, Auto- 
cracy. 

Alleenig, bw. welnig gebr. , zie Alleen. 

Alleenlijk, bw. niemand dan , enkel,^/o«^. 
Only ; — hij is daartoe in scaat> Jle alont 
{Only he') is able to do it, * — , niers 
dan,enkel. Only, Merely; Ik dronk — 
wijn, / drank only wine ; Ik verzoek 

— deze gunst, I beg this favour only, 
Alleenspra:»k, vr. Soliloquy, JMonologue. 
AUeenzang, m. Monody. {All of it, 
AUegaAr, bw. All together, Alt of them, 
AllegaAnje^ o. mengelmoes , Mishmash, 

Hodge-podge. ♦ — , any game at cards 
that does not require a fixed set of 
players, 

Al!e"^gader, zie Allegaftr. 

Allegorie, vr. Allegory, 

AUegorisch, bv. Allegoric, Allegorical ; 

— voorstellen, to Allegorize, *—, bw. 
A'legorically. 

AUemaal, zie Altemaal, 

Allemaii, voornw. ook:Jan — ,(^dikwills 
ten onregtc : Jan en — ,) Every body; 
sprkw. iJat — zcgt , is gemeenlijk waar, 
A general {una^iimous) report is com- 
monly true , The voice of the people is the 
voice of God; Als nice komt tot iet , is 
het allemans verdriet, Als niet komr lot 
iet, kcnt het zlch zelf niet , zie bij let; 
Ilet is allemans gading, // ;V a //i/»^ //i^' 
suits evety body. 

AUeniande", \x. Allcmande. 



C4 



ALLE 



Allemanshoer, vr. Common prostitute, 
strumpet or harlot, 

Allemansvriend, m. Friend of every one. 

Allen, m. en vr. , zie op AUe. 

Allengs» Allengskeiis, bw. By degrees , 
Gradually, 

Alleinhalve, bw. Every where ^ Any 
where. 

Aller, tweede «v. van Alle, geplaats voor 
bv. en bw. in den overtrefF. trap, aandiii- 
dende,dat bet voorwerp, waaraan de lioe- 
danigbcid v/ordt toej^ekend, alle andere 
voorwerpen overcreft^ in het Kng. wordt 
die aller uitgedrukc door: Most, soms 
door very , na het niet-bcpal. lidw. en 
een voornaamw. , en Aoov of all na een 
bcpal. lidvvoord, als: Dc allerbcste, 77i^ 
very best, Een alleruitiTinntendsc man, 
A most excellent man ; De allereerste, Tiie 
first of all ; bij titcls, als: Zijne aller- 
christelijkste majcsteit, Ills most chris- 
tian majesty. Aanm. Om aller in dit ge- 
val met ongepastce gebruiken, moecen er 
ten minste drie voorwerpen zijn. 

Allerbest , bv. Best of all; fig. Excellent, 
Most excellent. * — , bw. fig. 3Iost excel- 
levtly, 

Allerchristelijkst , bv. 3I^st Christian. 

AUergeringst , bv. Minutest, Mo'st dimi- 
nutive, zie Gcring. 

Allerhande , zie AUerlei. 

Allerheiligen , o. , Allerheil'gendag, m. 
in de R. cath. kerk , All-saints''-day, 

AUerhoogsc, bv. overir. trap van hoog , 
met voorv. van alle, Blast high. Su- 
preme; De allerhoogste , The supreme 
being. The Lord. 

Allerlei , bv. onverbnigb. , Of all sorts or 
kinds. All manner of; — boeken , All 
sorts of books ; — ondeugd, Ail manner 
of vice. 

AUerliefsc, bv. qvertr. trap van lief, met 
voorv. van aller, Most chartning ; M\jn 
allerliefste kind , 31y darling ; Dat is — , 
That is charming indeed, * — ,bw. Most 
charmingly. 

Allermeesc, bv. overtr. trap van veel, met 
voorv. van aller, Most of all , Blost part. 
* — , bw. Particularly , Especially. 

Allernaast , bv. overtr. trap van na , met 
voorv. van aller , Next , Next door, * — , 



bw. Closely , Hard by. 

Eve: 
where. 



Allerwegen, bw. 



very where. Any 

Allerzielen, c, Allerzielendag, m. All- 

sonW-day, 
A lies, o. All i Every thing, A y thing. 



ALLES ' 

Alleszins, bw. In all respects. Aanm. Al- 
ieszins behoort men te schrijven, even 
als geenszins : de uitspraak vordert de s. 

Altnagt, vr. Almightiness ^ Omnipotence; ' 
fig. bij dichi. , Irresistible power^ 

Almagt'ig, bv. Almighty , Omnipotent, 
All-powerful; De Alniagtii^e , God al- 
miglity , The omnipotent being. 

Almagtigheid., vr. Almightiness, 

Almanak, m. Almanac, Calendar. 

Almanakdrukker , m. Printer or Publisher 
of almanacs. 

Almogend, zie Almagiig. 

Almogcndheid, zie Almagtigheid. 

Aloe, vr. Aloe. 

Aloeboom , m. Aloe , Aloes-tree. 

Aloehout, o. Aloes-wood, 

Aloeplant, vr. Aloes-plant, 

Alom , bw. Every-where. 

Alomtegenwoordig, bv. Every-where pre- 
sent , Present every-where. Omnipresent, 
Ubiqnitary. 

Alomtegenwoordighcid, \x. Omnipresence, 
Ubiqtiity. 

Alodi, o. in het muatw. , Allay, Alloy. 

Aloud , bv. Ancient. 

Aioudheid , vr. Remote antiquity, 

Alpen , m. meerv, Alps. 

Alphabet, o. Alphabet. 

Alphabetiscb , bv. Alphabetical, *—, bw. 
Alphabetically. 

Alpisch, bv. Alpine. 

Alreede , Alreeds, bw. Already, zie 
Reeds. 

Alrisin, m. in de kruidk. , Mandrake, 

Als, voegw. Cna zoo, ^ As; Zoo groot 

— hij , As tall as he. *—, (zonder zoo,) 
Like, As; Zij zingt — een engel, She 
sings like an angel; Ik merkhec — eene 
bijzondere gunst aan , / consider it as 
a particular favour. * — , alsof, As if; 

— wist hij het met. As if he did not know 
it. * — , indien , If, In case; — het zoo 
is. If this is the case; - het u beiieft. 
If you please ; — hij komt, /;; case he 
comes. * — , toeu , wanneer, fF'hen ; Ik 
meende juist te vertrekkcn, — hij kvvam, 
/ 11^/7^ ready to depart , when he came. * — , 
terwijl , fFhile^ fFhilst; — ik daaraan 
bezig was. Whilst I was performing it. 

Alsdan , bw. , zie Dan. 

Alsem, m. Wormwood. * — , het aftrek- 
sel daarvan, als : Wijn met — , Worm 
wood-wine ; fig. Zijne pen in gal en — 
doopep , to Wi ite virulently or with ran- 
conr ^ to Dip one^s pen in gall. 

Alsetrhier, o. Wormwood-beer , Purl. 



ALSE 

Alsembitter, o. Wormwood-bitter gin. 
Alsemflesch, vr. Bottle with wormwood 

gin. 

Aiseraknop, m. Wormwood-seed. 
Alsemolie, vr. Wormwood-oil. 
Alsemwijn, m. , zie Wijn met alsem,op 

Alsem. 

Alsmede , bw. Also , Likewise. 
Alsnog, bw. , zie Nog. 
A!snu, bw. , zie Nil. 
Alsof, voegw. As if; zie Ali en Of. 
Alstoen, bw, , zie Toen. 
Alt , vr. Counter-tenor. 
Altaal , vr. Universal language. 
Altaar, o. Altar ; sprw. Die het — be- 

dieut, moec er van leven , Every one 

must live by his business. 
Altaarblad , o. Backboard of an altar. 
AUaardieiiaar, m. Altarist. 
AUaardienst, vr. Mass ^ Office. 
Altaardoek, o. Altar-cloth. 
Altaargeheimenis, vr. Mystery of the 

altar. 

AUaargewaad , o. Chasuble. 
Akaarkaars, vr. Altar-candle. 
A-lcaarkleed, o. , zie Altaardoek. *— , al- 

taargewaad, Chasuble. 
Altaarstuk, o. Altar-piece. 
Altaartrap , m. Step of the altar. 
AtcaarverhemeUe , o. Canopy. 

Altegader, zie AUegadr. 

Aheraaal, bw. All^ All of them , All of 

it ^ All together. 

Aheraet, bw. Sometimes , Now and then. 

AUhans, bw. At least. 

Altijd , bw. Always^ Ever; sprw. Hij is 

— in het hoekje, waar de slagen vallen, 

zie Beshbberen. 

Altoos , bw. akijd , Always. * — , althans, 

At least. 

Altsleutcl, m. Counter-tenor-key. 

Altspeler, m. Counter-tenor. 

Altscem, vr. Counter-tenor. 

Alczanger, m. Counter-tenor. 

Alain , m. Alum. 

Aluinaarde, \x. Alum-earth ^ Aluminous 
earth. 

AluinachtJg, bv. Aluminous. 

Aluingeest, m. Spirit of alum. 

Aluinkokcr, m. Alnm-boiler. 

Aluiiikokerij , vr. Alum-house. 

AUiinraaker, ra. A>umboiler. 

Aluinmakerij , vr. Aluvi-housc. 

Aluinsteen, m. Alum-s/one. 

Aluinwater, o. Alum-water. 

Alvermogen, o. , zie Almagr. 
I TOLL. ENG. WOO no. 



ALVE 6.5 

Alvermogend, zie Almagtig, 
Alvleesch, o. Pancreas. 
Alvorens, bw. en voegw. Before. 

Alwaar, bw. Where. 
Alweder, Alweer, hw. Again. 

Alwetend, bv. Omniscient ; De Ahveten- 
de , The omniscient being. 

Alwecendheid , vr. Omniscience ^ Omnis- 
ciency. 

Alwijs, bv. All-wise, 

Alwijsheid, vr. Supreme wisdom. 

Alzegenaar, m. God. 

Alziend, bv. All-seeing. 

Alzoo , bw. Thus , So ,-Tlet werd — bevon- 
den , It was found to be so. * — , voegw. 
Because , Whereas , Since ; — hij een man 
van verraogen is. Since he is a warm 
man. '^ — , derhalve , Therefore. 

Alzoodanig, zie Zoodanig. 

Alzulk, zie Zulk. 

Am, vr. bijna, zoo nietgansch, veroud., 
zie Minne. 

Amandel, m. zekere vrucht , Almond. 
* — , k-ielklier, Almond^ Tonsil, 

Amandelboom , m. Almond-tree. 

Amandeldeeg, o. Almond-paste. 

Amandeldrank, m. Decoction of almonds. 

Amandelkern, vr. Almond-kernel, 

Amandelkoekje , o. Almond-cake. 

Amandelmeel, o. Almond-paste. 

Araandelmelk, vr. Almond-milk., Emul- 
sion, 

Amandelolie, vr. Almond-oil, 

Amandelpit, vr. Almond kernel, 

Amandehaart, vr. Almond-tart. 

Amandclzeep, vr. Ahnond-soap, 

Aiaarant, vr. zekere bloem , Amaranth. 

Amarantkleur g, adj. Amaranthine. 

Amaril, m. zekere steen , Emery, Tripoly. 

Amazone , vr. in de geschiedk. , Amazon; 
fig. grooce steruc vvonvt ., Amazon ^ Fi- 
rago. * — , naam van een vrouwciirLjd- 
kleed , Joseph , Amazon , Riding dress. 

Amhacht, o. Handicraft, Trade., Pro- 
fession ; Op een — doen , to Bind ap- 
prentice to a profession; sprw. 'c Is met 
hem twaalf ambacluen en dertieu ongc- 
\uk\iex\.,Whatever line of business he enters 
into ^ it always miscarries A rolling stone 
catches no mots. * — , ambachtsheerlijk- 
heid. Manor.. 

Ambachtsbewaarder, m. Keeper of a manor. 
Ambachts^ezel , m. Journeyman, 
Ambachcsheer, m. Lord of a manor, 
Ambachtsheerlijkhtid, vr. Manor. 
Ambachtshuis, n. , zie Gomecntehuis. 



GG 



AMBA 



Ambaclitslcamer, vr. , zie Gemeenteka- 
mer en Gildekamer. 

Ambachtslicden , vr. meerv, , zie Am- 
bachtsman. 

Ambachcsmaii, m. (meerv. Arabachtslie- 
den,) Handicraftsman^ Tradesman. 

Aaibachtsrekening, vr. Bill of a trades- 
man, 

Ainbaclusvrouw , vr. Lady of a manor. 

Anibassade, vr. Embassy^ Embassage^ 
Embassage, 

Aiubassadeur, m. Embassador, Embas- 
sador; Vrouw van een' — , Ambassa- 
dress , Embassadress. 

Amber, m. Amber, 

Amberbloem , vr. Purple sweet sultan. 

Ambergeur, ni. bij diclic. Ambrosial 

fragrance , Fragrance. 

Auibergrijs, o. Ambergris. 

Amberpeer, vr. Pear of a musky -fla- 
vour, 

Arabroos, ni. Ambrosia, 

Ambrozijn, o. Ambrosia. 

Arabt , o. bediening , Office , Employment^ 
Charge y Post, ♦— , * — , regtsgebied, 
Jurisdiction. 

Ambteioos , bv. Private, Without an 
office , Out of office, 

Ambtenaar, m. any person employed in a 
public^ office. Officer. * — , inzond. 
commies , Kevenue-officer, 

Ambtgeld, o. Tax upon offices , the money 
that must be paid at a person'* s entering 
upon an office, 

Ambtgenoot, m. Colleague. 

Ambiman, ra. op somm. plaacs. , schout, 
drost, Chief magistrate of a village, 

Ambtsbetrekking, vr. Function. 

Ambtsbezigheden , vr. meerv. Functions 
relative to an employment , Business. 

Ambtsbroeder, zie Ambtgenoot. 

Ambtschrijver, ra. Scribe of a village. 

Ambtshalve, bw. {Ex officio,) By virtue 
of one'' s office. 

Ambtsnaam , m. Title that one bears on 
account of one's offiice. 

Ambtsverngcingen, zie Ambtsbezigheden. 

Ambtszegel, o. Official seal. 

Ameldonk , o, veroud.. Starch. 

Amelnuel, o. veroud., Amelcorn. 

Amen , bw. Amen i fig. fam. Ja en — 
zeggen op lets , to Assent to a thing. 

Araerij , vr. enkel gebr. in : In eene — 
In a moment. 

Aaietist, m. en o., Ametisrsteen , m. 
Amethyst. ! 

Anime, zie Am. ' 



AMMO 

Ammoniak , m. Ammonia, 

Ammoniackaardig , bv. Ammoniacal. 

Ammoniakgom,vr, Gum ammoniac. {horn. 

Ammoniakzout , o. Sal ammoniac , Ilarts- 

Amorcisatiekas, vr. in hec financiewez. , 
Sinking-fund. 

Ananas, vr. Ananas, Pine-apple, 

Ananasplant , vr. Ananas-plant. 

Ander, bv. en voorn. Other; (Aanm. in 
het Eng. als bv. onverbuigb. , als voorn. 
in het meerv. met s ,•) Andere menschen, 
Other people ; Des aiideren daags , The 
other day; Een — , Another; De au- 

' dcren. The others ; Andercn, Others; 
Om den anderen dag , Every other day ; 
De eene na den aiidcren. One after ano" 
ther ; Het andere geslacht, The fair sex; 
De andere oever. The opposite shore; 
Andere kleederen aandoen , to Shift one'*s 
clothes; Dae moogt gij anderen wijs 
maken , I am not to be bubbled; Dae is 
iets anders , This is quite different, Zie 
ook Anderen eu Anders. 

Anderdaaj2sch, bv. als: De auderdaagsche 
koorts , The tertian fever or ague, 

Anderdeels, bw. On the other hand, 

Anderendaagsch, zie Anderdaagsch. 

Anderhalf, bv. One and a half; — sche- 
pel. One bushel and a half , A bushel 
and a half. 

Andermaal , bw. A second time , For the 
secohd time; Eens en — , Repeatedly. ^ 

Anderman , ra. Another; sprw., zie 
Leer en Riem. 

Anders , bw. op eene andere wijze , 
Otherwise, In another manner ; Het is 
niet — , It is so. To be sure; — den- 
kend. Otherwise thinking; — gezind. 
Otherwise minded. *—, buitendien , Be- 
sides , Else; Niemand anders, No body 
else or besides ; Wie — , Who else. *—, 
ten minste , At least. *— , voegw. maar. 
But; —, indien gij, enz. of ludien gij 
— , But if you, etc. *—, voorn. eigen- 
lijk de 2de naamv. van Ander, meest 
gebruik. na niet of niets, ook voor 
niec^~ niets, iets, wat, als: Niets — , 
of — niet, Nothing else ; lets — , Some - 
thing else?; W^t-^ ^hat else? ;W&t -, 
Something el:e. 

Anderwerf, zie Andermaal. 

Anderszins, bw. in een' anderen zin. 
Otherwise, In another sense. * — , in 
een ander geval. , Else. *— , overigens. 
In another respect. In other respects. 
Besides ;/z^f. Aanm. Het woord behoorde 
Kiet. Andetzins te worden geschreven. 



ANDIJ 

Andijvie, vr. Endive, 

Andijviebed, o. Edive-bed, 

Andij vieblad , o. Endive-leaf, 

Andijvieplaiu, vr. Endive-plant, 

Andjjviesla, vr. Endive- salad, 

Andijviestruik, AndJjviestrouk, m. Bunch 
of endive, 

Andijvie-zaad, o. Endtve-seed, 

Andoreu , m. in de kruidk. , Uoarhound. 

Anemoon, vr. eene bloem, Anemone^ 
JVindflower, 

Ang, bv, en bw. veroud, zie Eng. 

Angel , m. vau somraige diereii , Sting. 
* — , vischangel , Angles Mec den — 
visschen , to Angle. * — , voetangel , 
Caltrop. * — , stekei van eene korenaar , 
Beard, Arvn. 

Aiigelier, m. eene bloem. Pink, Carna- 
tion, Aanm. Men schrijve liever Anje- 
lier. 

Angeltje , o. verkl. w. van Angel ; in- 
zond. fig. Zij zijn wel verzoend, maar 
er is nog een — in hun hare blijveu 
zicteu , Though they are reconciled , there 
is still a small remainder of their old 
grudge, 

Angst , m. Anguish , Anxiety, 

Angsielijk, bw. , zie Angstig. 

Angscig, bv. Anxious, Uneasy, * — , 
bw. Anxiously. 

Angstkreec, m. Lamentable outcry, 

Angscigljjk, zie Angscig, bw. 

Angstvallig, bv. Anxious, Fearful, * — , 
bw. Anxiously, 

Angst valligheid, vr. Anxiousness , Fear- 
fulness, 

Angstvalliglijk , zie Angstvallig, bw. 

Anijl, m., zie Indigo. 

Anijs, m. zckerzaad, Anise. ♦— , zekere 
drank, Anise-seed-spirit. 

Anijsbeschuic, vr. , Anijsbeschuitje, o. 
Biscuit baked with anise-seed, 

Anijsboom , ra. Anise-seed-tree. 

Aiiijsllesch, vr. Bottle for or with anise- 
spirit, 

Anijsglas, o. Glass for aniseseed-spirit, 

AnJjsmelk, vr. Anise-seed-milk, 

Anijssraaak, m. Taste of anise, 

Anijswater , o. Anise-seed-water, 

Anijszaad, o. Anise-seed. 

Anj«r, m. in sommige streken , zie An- 
jelier, 

Aiijelier, zie Angelicr. 

Anker, o. van een schip , Anchor ;' Ten 

— komen, Het — werpen, to Cast anchor; 
Ilet — ligten , to Weigh anchor; Voor 

— zija' rijdeu , to Ride at anchor; liei 



AKKE 



67 



-- kappen , to Cut the cable; Ilet schip 
drijlt voor — , of Het — sleept. The 
anchor drives or comes home ; Met — is 
onklaar. The anchor is foul; Het — 
hangc. The anchor is a-trip; Een — 
bekleeden, to Shoe an anchor; Het 
groote — , zie Plechtankerj fig. Hij is 
het — raijner hoop, Cn him all my hope 
depends. * — , in de bouwk. , Brace, 
Holdfast. * — 9 zekere maat , Anker, 

Ankerarm , m. Arm of an anchor, 

Ankerbalk , m. Anchor-beam, 

Ankerboei , vr. Buoy. 

Ankeren, o. w. met Hebb^n , to Cast 
anchor , to Anchor , Moor, 

Ankergeld , o. Anchorage^ Hafbour-' 
dues, pi, 

Ankerhals, m. Crown of an anchor. 

Ankergrond, m. Anchoring-ground, An- 
chor-hold, Anchorage, 

Ankerhaak , m. Nut of an anchor. 

Ankerhanden , vr. meerv. Flooks of an 
anchor, 

Ankerl:ruis , o. Anchor-cross , Crown. 

Ankcroog, o. Eye of an anchor, 

Ankeroor, o. Ear of an anchor. 

Ankerplaats, vr. Anchoring-ground , An- 
chorage. 

Ankerregc, c, zie Ankergeld. 

Ankerring , m. Ring of an anchor. An- 
chor-ring. 

Ankerschacht, vr. Shank of an anchor, 

Ankerscboen , m. Shoe of an anchor. 

Ankersmcderij , vr. Smithy for anchors. 

Ankersmid , m. Anchor smith, 

Aukersteel, ra. Shank of an anchor. 

Ankerscok , m. Stock of an anchor.. 

Ankertalie , vr. Capstan. 

Ankertol, m. , zie Ankergeld. 

Ankertouw, o. Cable; Het — te rcgt 
leggen , to Coil the cable, 

Ankervoering, vr. Lining of the bow, 

Ankervormig, bv. Anchored, Formed 
like an anchor, 

Ansjovis , vr. Anchovy. 

Ansjovissaus, vr. Anchovy-sauce. 

Antichrist, m. Antichrist. 

Antilope , vr. Antelope. 

Antwoortl, o. Answer^ Reply; — beko- 
men , to Get an answer; fig. Ecuhonciule 
lach was al zijn — , lie only >ttutneti 
a contemptuous sneer ; — dcr gjiuccnte 
(in de Engelsche kerk), Response of the 
congregation. 

Antwoorden , b. en o. w. met Hebben , 
to Answer ^ Reply. Cfi^zigt. 

Apciibukiiuis, Apeubakkes , o.,zieApcii- 



G8 



APEN 



Apenbek, m. , zie Apengezigt. 

Apengeslacht , o. Species of apes or 
monkeys, 

Apengezigt, o. Face of an ape or mon- 
key; fig. An ugly phiz, 

Apenkoning, m. zekere aap, Aqtiiqui. 

Apenkop , m. Head of an ape or monkey; 
fig, domoor , Blockhead. 

Apenkuur, vr., zie Aperij. 

Apenliefde, vr The love which apes bear 
to their young ; fig. Extravagant love 
of parents to their children. 

Apenrok, m. Coat of an ape; ^g. Very 
tight and short coat; ook : A merry 
Andrew''s coat. 

Apenspel, o., zie Aperij. 

Apenwerk , o. , zie Aperij. 

Aperij, vr. Apish trick. Farce, Buf- 
foonery. 

ApiD, vr. She-ape, She-monkey, zie 
IVleerkat. 

Apocrijf, bv. , Arocryphal; De apocrijfe 
boeken, Tiie apocrypha, 

Apostel, m. Apostle; fig. vulg. Hij is 
een ruige — , lie is a notable blade ^ a 
libertine , boon companion. {pi. 

Apostelambc, o. Apostleship.*-~,Aj)OStles , 

Aposteldom , o. , zie Apostelambc. 

Apostelscbap, vr. , zie Apostelambt.*— , 
Apostles, pi. 

Apostelscheiding , vr. Separatian of the 
apostles (15 Julij). 

Apostelzalf , vr. Apostolorum unguentum, 

Apostolisch , hv. Apostolic , Apostolical, 
* — , bw. Apostolically. 

Apotheek, vr. Apothecary^s shop, 

Apoiheker, m. Apothecary , Pharmaco- 
polist. 

Apothekersbediende , m. AiiOthecary^s 
assistant. 

Apothekersboek , o. Dispensatory , Phar- 
macopoeia, 

Apoihekersdoosje , o. Apothecary'^s box. 

ApothekersdrankjCjO. Apothecary'^s potion. 

Apothekersf lesch , vr. Apothecary^s bottle. 

Apothekersf leschje, o. Apothecary'' s pliial. 

Apothekersgewigt,o. Apothecary'^s weight. 

Apoihekershandboek , o. , zie Apothekers- 
boek. 

Apochekersgezel, m. Apothecary"* s boy. 

Apotliekersjongen , m., zie Apothekers- 
gezel. 

Apothekersknecht, m. , zie Apothekers- 
gezel. 

Apochekerskunst , vr. Pharmacy. 

Apothekersleerling , m. Apoihecary'^s 
i^pprentice. 



APOT 

Apothekerspond, o. Apothecary'' s pound, 

Apothekerspotje, o. Apothecary'^s pot. 

Aputhekersrekeuing, vr. Apothecary'' s bill. 

Apoihekerswinkel , m. Apothecary''s shop. 

Appel, m. zekere vruchc, Apple; fig. 
In een' zuren — bijten , to Be obliged 
to do any thing against the grain , to 
Make a hard shift; sprw. Een rotten 
— in een mande, maakt het gave oofc 
te schande, One sct^bbed sheep mars the 
whole flock; De — vale niec ver 
van den stam , The mother a bawd, the 
daughter a whore. * — , voor andere 
dingen , als : De — van het cog , The 
ball or apple' of the eye. The pupil ; 
De — van een degengevesc , The pom- 
mel of a swordhilt; zie ook Rijksappel, 
Adamsappel. 

App61, o. bij regtsgel. , Appeal, ♦ — , 
bij krijgsL, Sounding or Drumming troops 

■ together, CalL 

Appelaar , m. Apple-tree. 

Appelazijn, m. Apple-vinegar, 

Appelbloeisel, o. , zie Appelbloesem. 

Appelbloesem , m. Blossom of apple-trees, 
* — , o. eu bv. Apple-blossom , Pale red. 

Appelboora, m. Apple-tree. 

Appelboomen, bv. Of an apple-tree. 

Appelboomgaard, m. Orchard of apple- 
trees. 

Appelbrij , m. Apple-marmalade. 

Appeldrank , ni. Cider. 

Appelffaauwte , vr. fig. fam. Swoon, 

Appelgraauw , o. en bv. van paarden , 
Dapple grey. 

Appelgraauwrje, o. DaplAe-grcy. 

Appelgroen , bv. Of the colour of green 
apples. 

Appelhof, m. , zie Appelbooragaard. 

Appelkern, vr. , zie Appelpit. 

K^^^\Y\%i, St. Apple-chest. * 

Appelkoek, m. Apple-cake, 

Appelkoekje, o. Apple-cake, 

Appelkuil, m. Apple-hole, 

Appellant, m. bij regtsgel.. Appellant. 

Appelleren, o. w.metHebben^ bij regts- 
gel. , to Appeal. 

Appelman , ni. Apple-man , Fruitier , Ap- 
ple-monger ; sprw. De — komt cm ziju 
geld , a saying , which implies , that it 
is unwholesome to make an immoderate 
use of fruit. 

Appelniand, vr. Apple-basket. 

Appelmannetje , o. verkl. w. van Ap- 
pelman, enz.,* sprw. Het — komt om 
zijn geld, zie Appelman. 

Appel raarkc , vr. Apple-market. 




APPE 

Appelinelk, vr. Blilk-porridge with apples. 

Appelmoeg, vr. Apple-panade, Apple- 
sauce^ Apple-marmalade, 

Appelpaii, vr. Apple-pan. 

Appelpannekoek , ra. Pancake with apples, 

Appelpint, vr. , zie Appelraoes. 

Appelpic , vr. Apple-kernel. 

Appelprol, vr. , zie Appelmoes, 

Appelrond , bv. Round as an apple, 

Appelschijf , vr. Slice of an apple, 

Appelschil , vr. Apple-paring. 

AppeliChinimel, m. Dapple-grey horse^ zie 
Appelgraauwcje. 

Appelschip , o. Apple-ship. 

Appelschotel , m. Apple-plate, 

Appelschui: , vr. Apple-boat. 

Appelsina, m. China-orange^ Sweet orange, 

Appelsmaak, in. Taste of apples. 

Appelsteel , m. Stalk of an apple, 

Appelstruif, vr. A,>ple-cake. 

Appehaarc, vr. Apple-pie, 

Appeheef, vr. scheldvv. , Apple-woman ; 
fig. Scold y Billingsgate-wench. 

Appelton, sv. Apple-barrel. 

Appeliuin, m. , zie Appelboom^aard. 

Appelvrouw, vr. Fruit-woman^ Apple- 
woman, Apple-monger, 

Appelvvijl', o., zie Appelvrouw en Ap- 
pelieef. 

Appelwijn, in., zie Appeldraiik. 

Appelzik, m, Apple -bag, ^ 

AppelzaU", vr. Pomatum, Pomade, 

Appelzolder, m. Apple-loft. 

Appelzuur, o. Acid of apples, 

April , m. April. 

Aprildag, ni. April-day, 

Aprilmaaiid, vr. M-nth of April . 

Aprilnachc , m. April night, 

Aprilweder, Aprilweer , o. April-wea- 
ther, 

Arabier, m. fig. in sommige spelen, a 
stroke or hit happening only by good luck, 
not by the skill of the player, 

Aruk, ra. Arrack, Rack. 

Arakilesch , vr. Arrack-bottle. 

Arakpancli, vr. Punch mede with arrack. 

Arbeid, m. vverk , Labour, IFork. * — , 
gisting , Fretting , Fermentation; Dc wijii 
is in den — , The wine is upon the ftet 
or is working. * — , barensnood , Labour, 
Travail , Cnildbirth ; Eene vrouw in — , 
yl woman in labour. 

Arbeiden , o. w. raec Ilcbben, werken, 
tolFork, Labour. * — , van vochten , 
to Fret , fVork or Ferment. 

Arbeider, in. Labourer, H^orkman , La- 
bouring man. 



ARBE 



69 



Arbeidsliec^en, m. mcerv. Labouring people. 

Workmen , Labourers. 
Arbeidslooii,ra. en o. fFages,pl.Hire,Pay, 
Arbeid&lui, m. meerv. gemeenz. , zie Ar- 

beidsUeden. 
Arbeidsmari, m. Qmeeiv, Arbiidslieden,) 

zie Arbeider. 
Arbeidscer, vr. Labouring or Working 

woman , zie VVerkvrouw. 
Arbeidsvolk, o. , zie Arbeidslieden.^ 
Arbeidzaam , bv. Laborious , Ltdustrious , 

Diligent. * — , bw. Laboriously , Indus- 
triously , Diligently, 
Arbeidzaaraheid, vr. Industry, 
Architect , m. Architect. 
Arduin, m. en o. Freestone, 
Ardninen, bv. Of freestone. 
Arduinsceen , m. , zie Arduin. 
Arend , ra. naam van een' roofvogel , 

Eagle * — , zeker gesiernte , Eagle ; zie 

ook Adelaar. 

Arendsklaauw, m. Pounce of an eagle. 
Arendskop, m. Head of an eagle, 
Arendsnest , o. , zie Adelaarsnesu 
Arendsneus , m. Aquiline nose, 
Arendsoog, o. Eye of an eagle ; fig. Sharp 

looking eye, 

Arendsceen , m. Eagle-stone , Aetites, 
Arendsveder, Arendsve^r, vr. Feather 

of an eagle. 
Aretidsvleugelen , ra. mrv. Eaglets win^^ ; 

Hg. EagWs swiftness, Swijtness of an 

eagle. 
Arg, bv. Malignant, Bad. * — , bw. 

Badly. *— , o. Bud intention. Evil design; 

llij heefthet zonder— gedaan,/7£? njenut 

no harm with it; Hlj heeft er gcen — 

in , He means no harm , He is a poor 

simpleton ; — denkcn , to Suspect some ill, 

Aanra. Hec woord Arg met zijne allci- 

dingen en zamenstellingen is door Erg 

vervangen . met uitzondering van Argliit 

en Argwaan, 

Argdenkend, hv. Suspicious. 
Argeloos , bv. Inoffensive , Harmless, *— , 

bw. Harmlessly. 
Argeloosheid , vr. Inoffensiveness , Harm- 

lessness, 

Argeren, zie Ergeren. 
Argcrlijk, zie Ergerlijk, 
Argerms , zie Ergernis. 
Arglist, vr. BluUce , Cr..ft, 
Arglisrig, bv. ALiltcious^ Crafty, Frau- 

dulcnt. * — , bw. Craftily, 
ArglistigUeid , vr. Maliciousness, Cr.::- 

t in ess, 
Arglistiglijk, zieArglistig, bw. 



TO 



ARGU 



Argusoogen , o. meerv. fig. Very sharp 

looking eyes, 
Argwaan , m. Suspicion^ Mistrust^ Sur- 
mise. 
Argwanen, b. w. to Smpect, 
Argwanig, hv. Suspicious. * — , hvf.Sus- 
piciously. 

Ark, vr. in dc bijbelges. , Ark; De — 
cies verbonds. The ark of the covenant. 
Arm, HI. Arm; lemand in de armenslui- 
ten , to Embrace one; Eene vrouw den 
— geven, to Lead a lady; Iig. magt, 
als : De vvercldlijkc — , The secular arm 
or power ; sprw. Vorscen hebben langc 
armen , Kings have long arms , The power 
I'/ kings reaches far. * — , genegenheid, 
als: lemand met opene armen ontvangen, 
to Receive one with open arms. * — , 
hiilp, als: lemand in den — nemen , to 
Avail one^s self of some person'*s assistance, 
* — , iets, dat in de gedaante naar 
ecn' arm gelijkc, als: Een — der zee, 
ecner rivier, y^« arm of the sea, of a 
river; De armen cener kerkkroon , The 
branches of a church-lustre ; Een scoel 
met armen. An arm chair, elbow-chair. 

Arm, bv. Poor, Indigent^ Necessitous ; 
fig. schaars bezittendc, als: — in (aan) 
vrienden, Having few friends. * — , on- 
gelukkig, als: Die arme rrouw!, That poor 
woman, * — , bw. Poorly. 

Armader, vr. Brachial vein. 

Armadildier, o. Armadillo. 

Armband , m. armsieraad , Bracelet , Arm- 
let, * — , band voor een' gekwetstcn 
arm , Sling or Bandage. 

Armbeen, o. Facile., Bone of the arm. 

Arrabcstunr, o. College of overseers of the 

poor, 

Armbestimrder, m. Overseer of the poor. 

Armbezorger, m. Overseer of the poor. 

Armblaker , ni. Branched candlestick. 

Armborst , vr. Cross-bow. 

Armbreuk, vr. Breaking of an arm. 

Armbuidel , Arrabuil , m. , zie Armzakje. 

Armbus, vr. A'msbasket. 

Armelijk, zie Arm, bw. 

Armenbestuiir , zie Armbes'uur. 

Armenbestniirder, zie Armbestuurder. 

Armenbezorger , zie Armbezorger. 

Armcnbus, zie Armbus, 

Arraengcld , zie Armgeld. 

Arraenkas , zie Armkas. 

Armenschool, zie Armschool. 

Armgeld, o. Money destined for the poor, 

Avmgesmijde, o. Bracelets , pi. 

Armharugj bv. Mean, Pitiful, Poor- 



A^MH 

spirited, ♦ — , bw. Meanly , Piti- 
fully. 

Armhartigheid, vr. Meanness ,Pitifulness, 
Poor spiritedness. 

Armhartiglijk, zie Armhartig, bw. 

Armhuis , o. Hospital for the poor. 

Armhuisjongen, m. Boy brought up in a 
hospital. Parish-lad. 

Armkas, vr. Fund destined for the poor. 

Armkind , o. Child brought up in a hos- 
pital. Parish-lad or Parish-lass » 

Armkussen , o. Elbow-cushion, 

Armleuning, vr. Elbow-piece, Arm, 

Armloos , bv. Without arms, 

Armmeester, ra. , zie Armbezorger. 

Armoede , vr. Poverty, Indigence , Need; 
fig. Zijn geld in — verrercn , to Have a 
scanty entertainment for one''s money. 

Armoedig, bv. Poor, Indigent, Needy, 
Destitute. * — , bw. Poorly; — leven , 
(0 Live in indigence, 

Armoedigheid, vr. Poverty, Indigence , 
Neediness, IFant, 

Armoediglijk , zie Armoedig, bw. 

Arraoedje , o. fig. Little one has. 

Armozijn , o. Sarcenet. 

Armpijn, vr. Pain in the arm, 

Armpijp , vr. Focile. 

Armpost, m. Poor'*s-box, 

Armring, m. Bracelet , Armlet. 

Armschaen , vr. Armlet. 

Armschool, vr. Charity-school. 

Armsgat, o. Arm-hole. 

Armsnoer, m. Bracelet, Armlet. 

Armspier, vr. Muscle of the arm. 

Araistoel, m. Arm-chair, Elbow-chair, 
Easy-chair. 

Arraverzorger, Armbezorger. 

Arm-vol , m. Arm full, 

Aimzakje , o. , zie Kerkzakje. 

Armzalig, bv. Miserable, Pitiful. * — , 
bw. Miierahly , Pitifully. 

Armzaligbeid, vr. Miserahleness , Piti- 

/ulness. (Narren, enz. 

rren, (een bespottelijk woord, ) enz., zie 

Arrest, o. bij regtsgel. , Seizure. *— , in 
hec krijgsw., Arrest. 

Arresianc, m. Prisoner. 

Arresteren, b. w. bij regrsgel. , to Seize. 
* — ? geVan^en zetten, to Arrest. * — , 
in den kanselarijsc. , to Resolve, 

Arsenaal, o. Arsenal. 

Arsenik, m. , zie Rottekruid. 

Ariikel, o. afdeeling, Article. * — , bij 
koopl. . eene enkele soort van koopwc- 
ren , Article ; In het — van tabak gate 
thans niet \^i\ om , In the tobacco-line 



I 



ARTI 



ASCII 



ri 



there is not much at hand now. * — , 
de spraakk.,zie Lidwoord. 

Artikelbnef, m. in het krijgsw. enz. ter 
zc«. Military laws or instructions. 

Arcillerij , vr. in het VT\]g$vt. , Artillery^ 
Ordnance. 

Artillerijkunst, vr. Gunnery, 

Arcillerijmeesier, m. Master of the ord- 
nance. 

ArtillerijofRcier, m. Officer of the artillery. 

Anillerijpaard , o. Horse of the ordnance. 

Artillerijpark , o. Pari of artillery. 

Artjllerijschool, vr. Artillery-school. 

Artillerijtrein , m. Train of artillery. 

Artillerist , m. Artillery-man , Officer of 
the artillery. 

Arcisjok , vr. Artichoke. 

Artisjokbed, o. Bed of artichoke. 

Artisjokstoel, m. Bottom of an^artichoke. 

Arts, m. Physician^ Doctor. 

Artseriij , vr. Physic^ Medicine. 

Artsenijbere'der, in. Apothecary. 

Artsenijbereiding, vr. Pharmacy. 

Artsenijdrank, m. Potion. 

Artsenijkunde , vr. Phasic, Medicine, 

Artsenijwinkel , m. , zie Apoihckerswin- 
kel. 

As, vr. aan GQnr\]i\x\g^ Axle-tree ^ Axis. 
* — , aan cen' molen , Spindle^ Beam ^ 
Axis. ♦ — , in de sterre- en aardrijksk,, 
Axis. 

Asarm, m. Arm of an axis. 

Asbest, m. , zie Steenvlas. 

Asbeugel, m. Iron hoop. 

Asch, \r. Ashes pi; Heete of Gloeifende— , 
Embers ; Tot— verbranden , In <{e — leg- 
gen, to Reduce to ashes, to Consume by 
fire; sprw. Tusschen twee stoelen In de 
— zitten , to Be between two stools the 
breech on the ground; fig. Daar ligr m\ 
mijn geheele voornemen in de — , JVow 
my whole scheme is frustrated. *— , van 
de gewoonte der ouden , die de lijken 
verbiandden , ontleend, het overblijtiel 
eens overl. , Aihes; fig. bij d'chters , a!s: 
leinands •— betrcuren, to Bewail one^s 
decease. 

Ascliachtig, bv. Athy. 

Aschbak , ra, TFooden box for putting 
ashes in. 

Aschheer, m. , zie Aschraan. 

Aschbelt, vr. , zie Aschhoop. 

Aschbczera, xn. Broom to swceputshes away 
with, zie Ilaardbezem. 

Aschbrood, o. Bread baked un.^er hot 
ashes, 

Aschbuc , vr. , zie Lijkbus. 



Aschdag, bij R. cath., Ashwednesday. 

Ascbi'.oek , m. Bucking-cloth , zie Loog- 
doek. 

Aschgat , o. Hole thro^ which ashes fall 
down in a hearth, * — , Hole to put ash- 
es in. * — , vulg. , zie Asschepoe?srer. 

Aschgraauw, bv. Ash-coloured, Ashy, 
Ash-pale. 

Aschhok, ra. Place to put ashes in, 

Aschhoop, m. Heap of ashes, 

Aschkar,vr. Cart for transporting ashes, 

Aschkecel, m. Ash-kettle. 

Aschkleur, vr. Ash-colour. 

Aschkleurig, bv. Ash-coloured, Ashy, 
Cinereous, , 

Aschkoek , m. Cake bakedunder hot ashes. 

Aschkolk, m. A^h-hole. 

Aschkruik , zie Lijkbus. 

Aschkuil , in. , zie Aschkolk. 

Aschman , m. Dustman , Raker. 

Aschplant^ \t. Cineraria, 

Aschpot , m. Ash-pot. 

Aschschop , vr. Fire-shovel, 

Aschschuit, vr. Boat for transporting 
ashes. 

Aschvarken, o., zie Aschbezera. 

Aschwater, o. , zie Loog. 

Asera , m, , zie Adera. 

Asemen , o, en b. w. , zie Ademen, 

Asperzie, vr. Asparagus, Sparagus , 
Sparage. 

Asperziebed, o. Bed of asparagus. 

Asperzieplant, vr. Asparagus. 

Aspisslang, vr. Aspic, Asp. 

Aspunt, o. in de sterre- en aardrijksk. , 
Pole. 

Asschepoestster , vr. fig. Slut , Dirty slut, 
Slutty girl, *— , in de fabel, Cinde- 
rella, 

Asschig, bv. Ashy. 

Assignaat, m. in het financiew. , Assig- 
nate. 

Assignatie, vr. bij koopl. , Assignment, 
Bill. 

Assuradenr, m. bij koopl. , Insurer. 

Assuraotie , vr. bij koopl. , Insurance. 

Assurantiekantoor, o. Insuring-offtce. 

At , vt. t. , zie Etcn. 

Aterling, m. en vr. bnstaard. Bastard. 
* — , slecht mensch , Base wretch, 

Aterlingsch, bv. Bastard, 

Atlas, o. en m. in alle beteekenissen , 
Atlas. ♦— , o. zekere stof. Atlas; zie 
dii woord in het andere dcel. 

Atlasforniaat, o. bij drukk. , Atlas. 

Attesia.tie, vr. Testimonial^ Attest, At- 
testation. * — , inzond. ten opz igie \ ai 



T2 ATTI 

hec gedrag van dienstboden. Character. 
AttJsch, bv. fig. als: — veruuft (zout), 

Attic wit Qsalt}. 
Au , zie Ai. 

Augustus, m. oogstmaand , At/gust. 
Auguscusdag, m. Day of At/gust. 
Augustusiriaand , vr. Month of August. 
Augustusvrucht, m. Alight of August. 
Augustuswarmte, vr. U'arfnth in August. 
Aiigustusweder, Augustuswefir, o. ^''ea- 

ther in August. 
Autaar, zie Altaar. 
Auteur^, m. Author. 
Avegaar, m. zekere groote boor, 

Auger. 

Avtregts, bw. Wrong. 
Averegtsch, bv. verkeerd, Wrong; fig. 

slinksch, als: Averegtsche oograerken , 

Sinister designs ; Ecu averegische slag, 

A back hand stroke. 
Averjj , zie Ilaverij. 
Avcruic , vr. in de kruidk. , Abrotanttm , 

Southern wood. 
Avond , m. Evening; (in het Eng. ook 

veelt. Night , als rjGister — , Lastnight; 

Van — , Dezen— , To-night; Morgen 

— , To-morrow evening. * — , voor een' 

lieiligen dag, bijz. wanneerdie op eene 

godsdienstige wijze gcvierd wordc, Eve^ 

als : Kersavond , CHristmas-eve. 
Avondbeurc, vr. Turn to preach in the 

evening ; Domini A hondc niet van avond- 

beurten , Parson A does not like to preach 

in the evening. 
Avondbezoek , o. Visit in the evening. 
Avonddauw, in. Evening-dew. 
Avonddiensc, vr. Evening-service. 
Avondeten , o. , zie Avondkost en Avond- 

maaltijd. 
Avondgebed, o. Evening prayer. 
Avondgesprek , o. Evening-discourse. 
Avondgezang, o. Evening-song. 
Avondgezelschap , o. Evening-party. 
Avondkerk, vr. , zie Avonddiensc. 
Avondklok, vr. Bell rung at night. 

Curfew. 

Avondkoeke, vr. Coolness of the evening. 
Avondkost, m.BIeatsJor supper^pl. Supper. 
Avondles, vr. Evening-lesson. 
Avondlied, o. , zie Avondgezang. 
Avondlucht, vr. Evening-air. 
Avondmaal , o. , zie Avondmaakijd. *— , 

inzond. : Het — des Heei en , The lord's 
supper. 
Avondmaalganger, m. Avondmaalgang- 

ster, m. Communicant. 
Avondmaalsbeker, m. Chalice. 



AVON 

Avondajaalsbrood , o. Holy bread, Hal- 

• lowed bread. 

Avondmaalstafel, vr. Communion-table. 

Avondmaalswijn, m. Wine used at the 
Lord'^s supper. 

Avondmaaltijd, m. Supper, 

Avondmis, vr. Evening-mass, 

Avondposc , vr. Evening-post. 

Avondmuzijk , vr. Serenade , Night- 
music. 

Avondoffer, o. Evening-offering. 

Avondpartij , vr. Evening-party. 

Avondprcek, vr. Sermon preaciied in the 
evening. Evening-sermon.'"^' — , zie Avond- 
dienit. 

Avondregen , m. Evening-rain. 

Avondrood, m. Evening-red, Evening-sky. 

Avondschcmering, vr. Twilight, Dusk 
of the evening. 

Avondschool, o. Evening-school. 

Avondschuit, zie Nachtschuit. 

Avondspel , o. Evening-diversion , Even- 
ing-play , Evening-pleasure. 

AvondspijS, vr. , zie Avondkost. 

Avondscer, Avondsiar , vr. Evening-star, 
llesper. 

Avondstond, m. Evening, Evening-time, 

Avondtijd , zie Avondstond. 

Avondcijdkorting, vr. Evening-diversion. 

Avonduitspanning , zie Avondujdkorting. 

Avonduur , o. Evening hour. 

Avondvermaak , o. Evening-pleasure. 

Avondwandeling, vr. Evening walk, 

Avondwind , m. Evening-wind, 

Avondzon , vr. Evening-sun , Setting sun, 

Avonturen, b. w. to Venture, Hazard, 

Avonturier , m. , Avonturierster, sv. Ad- 
venturer. 

Avontuur , o. Adventure, * — , toeval, 
Luck, Hazard. 

Avontuurlijk, bv. bij geval geschieden- 
de , Adventurous, Venturesome , Hazar- 
dous , Casual. * — , zonderling , Queer, 
Odd, Improbable. * — , bw. Hazardous- 
ly, Improbably , Adventurously. 

Azen , b. en o. w. met^Hebben , als: 
— op lets, meest van dieren , to Feed 
upon, 

Azijn, m. Vinegar. ?,^ 

Azijnachtig, hv. Like vinegar , Acetous, 
Sour, 

Azijnbrouwer , ra. Vinegar-man. 

Azijnbrouwerij , vr. Vinegar-house. 

Azijnen, b. w. to Season with yincgar. 

A'zjjnflesch , vr. Vinegar-bottle , Vinegar- 
cruet, 

Azijngeest, m. Spirit of vinegar. 



^^ 



AZlJi\ 

Azij'nhandel, m. Vinegar-trade. 
Azijnkan , vr. P^inegar-bottle, 
Azijnmaat, vr. Vinegar-measure, 
Azijnmaker, in. Vinegar-man, 
Azijnmakerij , vr. Vinegar-home. 
Azijnplaacs, vr. Place for the making of 
vinegar^ Vinegar-house. 
Azijnsaus , vr. Vinegar-sauce. 
Azijnscelletje, o., zie Zuurstel. 
Azijnton , vr. Vinegar-tun. 



AZIJN 



73 



Azijnvat, o. , zle Azijnton, 

Azijnvcrkooper, ra. Vinegar-man. 

Azijnznur , bv. Acid. ♦ — , o. Radical 
vinegar , Acetic acid. 1» 

Azijnzuurzouc , o. Acetate. 

Azing, vr. Feeding. 

Azuren , bv. Azure , Sky-blue. 

Azuur , m. azuuvsieen , Lazuli^ Lapis la- 
zuli.*— ^q. Azure-colour^ Azure^Sky-blue. 

Azuursieen, m. , zie Azuur, m. 




B. 



B, vr. de tweede letter van de letterlijst, 
^ ,* sprwr. Wie A zegt, moecook Bzcg- 
gen, zie A. 

Baadster, vr., zie Bader. 

Baai, vr. zekere stof, i?«/2^.*— ,gemeenz. , 
Roode — , Red wine , Claret. *— , inham, 
Bay. 

Baaihal, vr. Magazine of baize. 

Baaijen, bv. 0/ baize. Baize. 

Bpaitje, o. matrozenwanibuis , Sailor'*s 
jacket ; fig. gemecnz. : Wat op zijn — 
krijgen, to Be drubbed. 

Baaivangen, o. w. met Hebben , (Ikhaai- 
-vang, enz.) to Scate nimbly and swiftly. 

Baaivanger , m. Grcenlandman , Sailor m 
the Greenland trade ; fig. Able scater. 

Baaiwever, m. Baize-wearer, 

Baaiwinkcl, m. BatZL-siiop, 

Baaizout, o. Bay-salt. 

Baak, vr. elk ding geplaatst cm schepen 
den kocrs te wijztn, z\s: Beacon ^ Lan- 
tern, Pole , Lighthouse, etc., zie ook 
Baken. 

l?aak§eld, o. Beaconage, 

Baal , vr. Bale. 

Baal, o., zie Bal , o. 

BaaUloek, o. Pack-cloth. 

Baaii, vr. Smooth oi- beaten path ^ Cz'C 
ook: Li^nbaan , Maliebaaii)^ ^prw., zie 
Katje ; hg. Op de lange — sciuiiven , to 
Delay, Procrastinate ^ to Put off" for a 
long while i Op de — i^rengen of Tor — 
brcngen, to Bring upon the carpet, to 



BAAN 

Move , Propose , Raise , Start.* — , van 
sneeuw gezuive?jd pad op hct ijs , Path 
on the ice , where the snow has hi en swept 
away ; van hier : De — warm houden , to 
Be seating continually ; fig. to Go on in 
one'^s business ; fig. De — klaar niaken , 
to Prepare every thing, to Remove all 
obstacles^ lemand van de — knikkeren , to 
Supplant one, to Make one lose one^s place; 
Ilij is van de — geslagen , He is at his 
wii''s end. ♦ — , looparing eener dwaal- 
ster, Orbit; fig. De — der deugd, The 
path of virtue. * — , brcedte van sioffen, 
bijz. voor vrouwenkleed. , als : Een rok 
van vier — , A petticoat offour breadths; 
(van zeildock,) Width. 

Baander , m. Ropemaker, 

Baanderheer , m. fig. als: Ilij is geklecd 
als een—, Hij is een regce — , IJe is 
dressed as a lord or nobleman ; Ilij speek 
den — , IJe lords it. 

Baanderij , vr. Rope-yard. 

Baandraaijer , m. , zie Baander. 

Baangeld, o. Money paid for making use 
of a path swept on the ice. * — , Money 
paid for making use of any court or yard 
made up for some play as cricket , nine- 
pins , etc. 

Baanspinner, m. Ropemaker. 

Baantjc, o. vcrkl. w. zie Baan ; fig. be- 
diening, als: Een ( goed)— bekomcn , /<> 
Get into a profttable or lucrative office, 
or employment. 



74 BAAN 

Baaiiveger, m. One that sweeps a path 
en the ice. 

Baar, bv. Bare; De-bare zee. The hare 
(open') sea; fig. Eene bare leugen, A 
manifest lie. * — , niets dan , als : — 
geld. Ready money ^ Cash. 

Baar, vr. golf, JVave ^ Billow. ♦ — , 
werictuig om te dragen (^draagbaar), 
Litter; (^lijkbaar) Bier. * — , gouden 
of zilveren staaf, Ingot. * — , in de 
wapenk. , balk, sireep. Bar. BAAR, 
uitgang van bijvoegel. naamw. ^ hetkorac 
voor J.) achcer zclfst. naamw. , waar 
het beteekent dragencl^ voortbrengend ^ 
of ook wcl hec bezit eener zaak , a!s : 
Vruchibaar, Fruitful; Koscbaar , CW/Zj,* 
Gangbaar (geld_). Current {money); 
II. ) acluer den worcel eeas wcrkw. (in 
het Eug. able, ible); i.) in een' be- 
drijvenden ziii, geschikt om te doen: 
Huwbaar, Manbaar, Marriageable; 
Feilbaar, Fallible; 2.) in een' lijdend. 
zin , <». ) geschikt cm te lijden : Troost- 
baar, Consolable ; Eetpaar, Edible^ 
Eatable; Drinkbaar, Potable^ Drink- 
able; Smeltbaar, Fusible; Lecsbaar , 
Z,<?^/Z'/f,-Kenbaar, Cognoscible, Knowable; 
Beiaalbaar, Payable; b.) verdienende 
te lijden of ce ondergaan: Achibaar, (ver- 
dienende geacht te worden,) Respec- 
table; Strafbaar, Punishable. Zie de 
woorden op baar, 

Baarblijkelijk, bv. Apparent ^ Manifest , 
Evident. * — , bw. Apparently , Evi- 
dently^ Manifestly. 

Baarb!ijkeli\kheid, vr. Evidence ^ Mani- 

festness , Clearness, 

Baard , m. haar aan de kin , Beard; fig. 
fani. lemand in den — varen of vliegen , 
to Beard one ^ to Contradict one with 
spirit; In den — wrijven, to Reproach 
one^ to Tell one a thing to one''s face ; 
sprw. Om 's keizers — spelen , to Play 
only for amusement^s sake. * — , van ko- 
renaren, oesters, enz. Beard; zie ook 
Walvischbaard. 

Baardeloos, bv. Beardless. 

Baarden , o. w. metHebben, to Qet a 
Beard. 

Baardhaar, o. Hair of the beard. 

Baardheu , vr. fig. fara. Bearded woman. 

Baardig, bv. een' baard hebbende , 
Bearded; fig. sierk. Rough, Strong, 
Gigantic. 

Baardroannetje, o. name of a coin with 
a bearded effigy , of a sixpence value, 

Baardscheerdcr, m. , zie Barbier. 



BAAR 

Baardschraper, Baardschrapper m. in een' 
verachc. zin. zie Barbier. 

Baarlid, o. Neck of the urethra. 

Baarlijk, bv. wezenlijk, >veinig gebr. 
dan in: Razen (tieren) al« de baarlijkc 
diiivel, to Foam and fume as a very 
devil, to Fret and fume. 

Baarraoeder, vr. lijfraoeder. Womb, 
Matrice, Matrix; fig. bron, oorzaak , 
Source. 

Baars, m. zekere visch, Perch; sprw. 
Den — vergallen , zie Vergallen. * — , 
a cooper'' s bill, Addice. 

Baarschap, vr, weinig gebr,, zoo niec 
verouderd , Ready money , Cash. 

Baarskom , vr. op eene tafel , Perch- 
basin. * — , vijver voor baars, Perch- 
pond. 

Baarskop , m. Head of a perch. 

Baarsmaal, o. Meal consisting principally 
of perch. 

Baarsnet, o. Perch-net, 

Baarsschotel, m. Perch'plate y Plate for 
or with perch, 

Baarssim, m. a species of monkeys. 

Btarsvin, vr. Fin of a perch. 

Baarvlies , o. Membrane in which the 
fetus is enclosed. Chorion, 

Baas , m. werkmcester , die gezellen houdr. 
Master, * — , zie Timmersmansbaas, 
Metselaarsbaas , enz.; fig. een, die het ge- 
zag voert. Master; Den — spelen, to 
Play the master, to Lord it; Hij is een 
vrolijke — , He is a boon campanien ; 
De vrouw is er — , (speelt er den — .) 
Petticoats are masters there. The wife 
wears the breeches, * — , die in eenige 
kunst uitmunt, als: Hij is hem de ~ in 
het zingen. He surpasses him in singing; 
Hij is een — in het zingen, He is an 
excellent singer. * — , ook in grooite , 
als: Dat is een — van een' snoek, That''s 
a prodigious large pike. 

Baasschap, o. Maitersliii). 

Baat , vr. nut , Profit , Advantage , Gain, 
Interest ; De gelegenheid te — nemen , 
to Avail one''s self of the opportunity, 
* — , hulp, genezing. Benefit, Help, 
Relief; Hij vend weinig — bij dit ge- 
neesmiddel. He had little benefit of that 
remedy; sprw. AHe — helpc, Alle 
baatjes helpen , Many a little make a 
mickle, A penny saved is a penny 
got. 

Baatje , o. verklein w, , zie Baar. 

Baatzucht, vr. Selfishness, Covetousness , 
Avidity. 



BAAT 

Baatznchtig, oy. Selfish, Covetous, Self- 
interested. • — , bw. Selfishly , Cove- 
tously, 

Baatzuchtighcid, vr. Selfishness, Cove- 
tousness , Self-interestedness. 

Bfiatzuchtiglijk, bw. , zie Baatzuchtig. 

Baamven , o. en b. w. , ziehecmeergebn 
Nabaauvven. 

Babbel , m. Babbling, * — , gemeen , 
mond, Blnuth. 

Babbelaar, m. , Babbelaarster , \r. Bab- 
bler , Tattler, Chitchat. * — , zeker 
suikerballetje , a kind of sugar-plums. 

Bahbelarij, vr. Chitchat y Babbling. 

Babbeleguigjcs, o. meerv. , geraeenz. , 
Freaks , Childish tricks, 

Eabbclen, b. en o. w. met Hebben, to 
Chat , Tattle , Prattle , Prate, 

Babbelmoer, vr. gemeenz. , zie Babbel- 
aarster. 

Babijn, enz. , zie Bobijn, enz. 

Babok, m. Booby. 

Babokkig , bv. en bw. Unmannerly. 

Bad , o. vloeistof , waarin men zicli baadc, 
Bath; Een — gebruiken, to Take a 
bath ; De baden gebruiken , to Take the 
-waters, *— , gebrnik vanhecbad, Bath. 
* — , in den bljbelst. : Het — der we- 
dergeboorte , Baptism, Christening. *—, 
badplaats, badhuis, Bath, Bagnio^ 
Watering-place, ♦— , badkuip, zie Bad- 
kuip. 

Badarts , m. (^Regular') physician in a 
watering-place, 

Bader. , b. en o. w. met Hebben , to 
Bathe; Zich — . to Bathe one^s self, 
to Bathe, to Take a bath; fig. Zich in 
vreugde — , to Swim in joy; Zich in 
het bloed der viiandcn — , to Welter 
{Bathe') in the blood of the enemy ; Zich 
in tranen — , to Weep bitterly , to Swim 
in tears. * — , waden, als: Door de 
bagger — , to Splash or Wade thro"* the 
mire. 

Bader, m. Bather, 

Badgast, m. One that frequents a water- 
ing-place. 

Badgcld, o. Money paid for making use 
of a bath. 

Undhcmd , o. Bathing-dress. 

IJadhuis, o. Bagnio, Hot-house. 
Ijiulkamcr, vr. Bathing-room, Balneary, 
Bagnio, Hot-house. 
'atiklced, o. Bathing-dress, 
);\dknecht, m. Waiter in a bagnio. Bather, 
iiadkuip , vr. Bathing-tub. 
3adkuur, vr. Use of a mineral water. 



BADM 7r, 

Badmantel, m. Bathing-cloak, 

Badreis , vr. Journey into a watering- 
place, 

Badschip, o. Bathing-ship. 

Badstoof, vr. Hot bath. Bagnio, 

Badsroofhouder, m. Bagnio-keeper, 

Bad water, o. Water for a bath. Water 
to bathe in. 

Baffen, o. w. met Hebben, to Bark, 
Telp. 

Bag , vr. Jewel. 

B^gazje, vr. Baggage, Luggage. 

Bagazjckar, vr. Baggage-cart. 

Bagazjesiandaard, ni. Baggage-standard. 

Bagazjewageii, m. Baggage-^vaggon, 

Bai>ge , vr. , zie Bag. 

Bagger, vr. Mud, Mire, Dirt. 

Baggerboer, zie Baggerman. 

Baggeren , o. w. mec Hebben, to Draw 
the mud out of a ditch or canal, * — , 
bij lurfmak. , to Draw up the turf-moor; 
fig. Er door been — y to Wade thro'* the 
mire. 

Baggerlieden. m. meerv,, zie Baggerman. 

Baggerman, m. Cleanser of ditches or 
canals, 

Baggermolen , m. Boat to clean canals , 
D redg ing-mach ine, 

Baggernec , o. Net used by cleansers of 
ditches. 

Baggcrpraam, vr. , zie Baggerschuit. 

Baggerschuic, vr., zie Moddcrschuit. 

JBaggcrspade, vr. Spade of a cleanser of 
canals , etc. 

Bagijn, zie Begijn. 

Bagijnra , vr. Cross-jack-yard. 

Bailluw, enz., zie Baljuw , enz. 

Bajert, m. Chaos; zie ook Beijerc. 

Bajoncc, vr. Bayonet. 

Bajonetsteek, m. Wound with a bayonet, 

Bak , m. Bowl , Pan , Large dish , Basin. 
* — , op de schepcn een zeker getal 
raatrozen, voor welke in een' bak wordc 
opgedischt ; ook de bak zclf, waarin 
voor hen wordt opgedischt. Bless; Z\] 
b'ehoorcn tot ^(inen — , T'ney are mess- 
mates ; gemeenz. Komaanden — , Come 
to table. * — , voor becsten , Trough, 
Crib, Manger. ♦ — , voorplecht. Fore 
deck. * — , van eene tbntein, Basin, 
" — , van een' wagcn , Body. ♦ — , rt 
flatbottomed vessel. * — , in dt'n schouw- 
hurg. Pit. * — , wang, Cheek, " — « 
wcleer: rug, zie Acl-uerbaks. 

Bakbeegt, o. voorlastig schip , Ship 
that is too much by the head. Large 
heavy ship; \\g. Unwieldy thing, Mon- 



76 BARB 

ster ; Een •>- van eea' kerel , A huge 
lubberly fellow. 

Bakboord , Larboard. 

Bakboordwacht, vr. Larboar4-')^tcJi. 

Baken , o. zic Baak. * — , inzond. sprw. 
De bakens ziju verzec, The case is al- 
tered. 

Bakelaar, vr. Laurel. 

Bakenen, o. w. met liebben , to Lay buoys. 

Bakenscok, m. Pole or Stake (^stuck in 
the ground to mark out^. 

Baker, vr. Dry nurse ^ Nurse, 

Bakcrdienst , vr. Place of a nurse. 

Bakcren, b. w. to Swaddle; fig. koesteren, 
als: Zicli in de zon — , to Bask in the 
sunshine; Ileet gebakerd zijn, to Be 
very passionate, hasty or hot spur. 

Bakcrmand, vr. Basket used by nurses, 
to keep a child warm (zie ook Vuur- 
mand), whilst they are swaddling it. 

Bakermac , vr. zic Bakermand. *— , inzond. 
De wieg en — van iemand , Place where 
one is born and bred. 

Bakcrmoer, vr. , zie Baker. 

Bakcrpenning, m. Wages of nurses , pi. 

Bakerschelliijg, m. weleer. , Shilling given 
to nurses by those who visit a woman 
lying in ; fig. Large shilling. 

BakerspeUi, vr. Swaddling. pin. 

Baktrfscoel, m. Chair used by nurses that 
swaddle a child. 

Bakhuis , o. , zie Bakkerij in de laatste 
beteek.;fig.gemeenz.,(Bakkes,_)C/i«/)j,^/.,- 
Een leelijk bakkes, An ugly phiz; £en 
iief bakkcdje, A pretty Jace; ook: A 
pretty girl, A girl that has a pretty face. 

Bakebaard, m. nieestalenkel in het meerv. 
gebr. , Wouskers. 

Bakje, o. verkl. w. , zie Bak. * — , in- 
zond. in eene vogelkooi , Drawer(^that 
contains the food ) , Cup. 

Bakken, b. en o. w. met Hebben , in 
deo oven, to Bake. * — , in de pan, 
to Fry; tig. Ik zal het u weer — , /'// 
give you tit for tat , /'// be even with 
you; Iemand eetie poets (koolj — , to 
Play one a trick; Ik zal dac wel — , 
(in orde brengen ,) / shall manage that 
business ; Het zal dezen nacht een koekje 
— , We shall have a hard frost this night. 
Bakker, m. Baker. 

Bakkerij, vr. bakkersambacht , Baker'*s 
trade. * — , hakkcrswinkcl, Baker^s shop. 
* — , bakhuis. Bakehouse. 
Bakkerin , vr. Baker''s wife. 
Bakkersbrood, o, Baker''s bread, 
Bakkersdeeg, o. Baker'' s dough 



BARK 

Bakkersdoditer, vr. Daughter of a baker, 

Bakkersgezel, m. , zie Bakkersknechc, 

Bakkersgild, o. Baker''s corporation. 

Bakkersjongen , m. Baker''s boy. 

Bakkersknechc , m. Journeyman baker. 

Bakkersleerling, m. Baker''s apprentice. 

Bakkersraand, vr. Baker^s basket. 

Bakkersraeel , o. Baker'*s meal or flour. 

Bakkersoven , m. Baker''s oven. 

Bakkersschop , vr. , zie Ovenschop, 

Bakkersvrouw , vr. Baker''s wife. 

Bakkerswagcn , m. Baker^s cart. 

Bakkerswinkel , m. Baker^s shop. 

Bakkerszoon , m. Son of a baker. 

Bakkes , o. , zie Bakhuis, 

Bakloon, m. en o. Money paid for baking. 

Bakoven , m. Baker^s oven, 

Bakpan , vr. Frying-pan. 

Baksel , o. Batch. 

B:ikslagerij , vr. Box on the ear, 

Bakslcde , vr. Large sledge. 

Bakscag, vr. Stay under the scuttle of thet 
main mast , fastened to the foremast. 

Bagstagskoelte, vr. , zie Bakstagwind. 

Baksiagwind, m. Sidewind that fils all 
the sails. 

Baksieen, m. Brick. 

Bakster , vr. Baker , Woman-baker, ( tand. 

Baktaiid , m. Grinder, zie Kies , Maal- 

Bakirog, m. Baker^s trough. Kneading 
trough, Brak». 

Bakvisch , m. Fish fit to be fried. 

Bakwagen, va. Large waggon. (^Testicle. 

Bal, m. rond ligcbaam , Ball; Den — 
slaan (kaatsen), to Play at tennis ; .fig. 
Den — misslaan , to Be mistaken. * — , 
van den voet, Bnll. * — , teelbal , 
Bal, o. Ball, Dancing-party. 
Balans, vr. boom, waaraan de schalen 
hangen , ook : deze boom met de scha- 
len , Balance, Pair of scales. * — ^, 
teeken van den dierennem. Balance^ 
*— , evenwigt, Balance , Equilibrium, 
Equipoise; fig. vereffening van ontvAngst 
eu uitgaaf. Balance. *-', onrusc in 
een uurwerk , Balance. 
Balanseerstok, m. Poy. 
Balansenmaker, ra. Balance-maker. 
Balanseren , b. en o. w. met Hebben, tt 
Poise, Balance, 

Balansmaker , zie Balansenmaker. . 
Balansrekening, vr. Balance. 
Baldadig, bv. moedwillig. Wanton \ 
Mischievous , Petulant. * — ,bw. Wan-, 
tonly . 
Baldadigheid , vr. Wantonness, Mischie- 
vousness. Petulance. 



BALD 

BaldadigUjk, zie Baldadig, bw. 
Balddadig , bv. roekeloos , Foolhardy^ 

Audacious. * — , bw. Audaciously, 
Balddadigheid, m. Foolhardiness ^ Auda- 
ciousness, 

Balddadiglijk, zie Balddadig, bw. 
Balderen, o. w. met Hebben , to Make 

a thundering noise. 
Balein, o. de stof, en vr. het daaruic be- 

werkte, Whalebone. 
Baleinen , bv. Made ofwhale-bonCj IFhalC' 

bone, ' 
Balg, m. afgetrokken huid, die niet aan 

den bulk geopend is. Skin, Slough. 

* — , met veracht. , buik, Paunch; 

fig, Dea — virllen, to Cram or Fill one'' s 

guts, * — , zie Blaasbalg. 
Balie, vr. leuniug, Rail. * — , afschiu- 

sel in eene pleiczaal, Bar; fig. 

Voor de '— koraen , to A^ypear before 

a court of justice, * — , kuip, Tub^ 

Cask. 
Baliemand, vr. Large flat basket. 
Baliewelsprekendheid, vr. Eloquence of 

the bar, 
Baljuw, m. Bailliff, 
Baljiuvazje, vr. Bailiwick. 
Baljuwschap, o. anibt van een' baljuW , 

Ojfice of a bailiff. *—, gebied van eeu' 

baljuw. Bailiwick, 
Baljiiwsvrouw, vr. Bailiff^s wife. 
Balk, m. Beam; fig. Die mag men wel 

aan den — schrijven, This is a very 

unusual thing indeed; sprw. Den splin- 
ter in eens anders oog zien, en niet den 

— in zijn eigen , to See a mote inanothef*s 

eye , and not the beam in one^s own. *— , 

in de wapenschildk. , en in de_ muz. , 

Bar. 

ialkcn, m. in somraige streken , plaars, 

waar koren , enz. geborgen wordt , Loft.- 

ialkcn , o. \v. met lli^hbcn, to Bray. 

Salk^at , o. Opening inawall for a beam. 

Jalkhaak, m. scheepsw. , Cant-hook, 

Jalklecd, o. Ball-dress. 

Jalkleeding, vr. , zie Balkleed. 

lalkon , o. Balcony. 

Jalkslcutel, m. in dc bouwk.. Bracket^ 

Console. 
iDjflallast, m. onderste last' in een schip , 

Ballast; fig. allerlci nutielooze dingeu, 

■^".W5"^j Lumber. 

lallasten, b. w. to Ballast. 
aliasikleed, o. Tarpawling {for the 

ballast^ 

Jallastschip, o. , Ballastschuit , vr. Boat 
to carry ballast ^ Lighter. 



BALL 77 

Balletje, o. verkl. w. zie Bal. ♦ — , in- 
zond. fig. Een — van ietsopwerpen , to 
Bring something upon the carpet ^ to Give 
a hint ofsometiiiug. 

Balling, m. en vr. Exile, Outcast. 

BalHngschap , vr. Exile , Banishment; 
In — zenden, to Exile, Banish. 

Baloorig, hw. Displeased , Out of humour. 
Fretful. 

Baloorigheid, vr. Being out of humour , 
Fretfulness, 

Balsem , m. zeker welriekend Lars , Balm , 
Balsam; fig. vertroosting , Comfort; 
fig. in eeue wonde gieten, to Cowfott 
or Succour one. " 

Balsemachcig, bv. Balmy, Balsamic. 

Balseniappel , m. Balsam-apple. 

Balsemboora, m. Balsam-tree. 

Balseradoos , vr. Balsam-box. 

Balsemden , m. a tree. 

Balsemen, b. w. to Embalm. 

Balsemgeur, xa. Balsamic odour or scent. 
Balsam-odour. 

Balsemhout , o. Balsamic wood. 

Balsemijn, vr. Balsamine. 

Balseming , vr. Embalming. 

Balsemkruid , o. Balm mint, 

Balsemolie, vr. Balm-oil, 

Balspel , o. Tennis. 

Balsturig, bv. Obstinate, Refractory. 

Balsturigheid, vr. Obstinacy, Refracto- 
riness. 

Balaak , m. Scrotum, 

Bamboes, Bamboesriet, o. Bamboo. 

Ban , m. -kerkban , Excommunication ; 
In den — doen , to Excommunicate, 
* — , verbanning. Banishment , Exile; 
In den — doen , to Banish , Exile. *— , 
rcgtsgebied , Jurisdiction, 

Ganbliksem , ra, fig. Excommunication, 
Fulmination. 

Band, m. Band, Cord, String , Tie ;^g. 
In banden zijn, to Be in prison; lemand 
in den — lioiiden, to Keep one within 
bounds; Uit deii — springen, to Shake 
off" all restraint , to Give a loose to one''s 
passions; llet moet van den zak of van 
den — konien, // must come one way or 
another ; Dc — der vriendschap, enz., 
The bonds, of fi iendship , etc. * — , 
hoepel, Hoop. * — , brcukl>and, Truss; 
In een' — gaan , to (f'car a truss; 
zie verder de met band zamengestelde 
woordcn , als : Armband, Ilalsband, 
enz. ♦ — , beslag van een' rotting, 
enz. , Ferrule. * — , in de bouwk. , 



78 



BAND 



boek, Binding; ook : een boekdeel. 
Volume, * — , o. line, Tape^ Ribbon, 
Bandel, m. Hoop, 

Baudelier, m. Belt ^ zie Draagband. 
Bandfabriek, vr. Ribbon-manujactory. 
Bandhond, zie Bandrekel. 
Bandnagel, m. Large nail; ook '.Wooden 

or Iron peg. 
Bandiet , m. Bandit , Banditto , Outlaw. 

Bandnagel , m. ^ certain nail. 

Bandrekel, m. Bandog, Mastiff"; fig. 
Sluggard, Idle fellow. 

Banclnjs, ena. , zie Bindrljs, enz. 

Baneu , b. w. to Level, Pave; fig. Den 
wegtot... — , to Pave the way for; 
Zich een' weg — door, to Make way 
through. 

Bang, bv. bevreesd , Afraid, Anxious.^ 
Timorous; leniand — maken , to Make one 
afraid, to Scare or Fright one, * — , 
akeljg, als: Eene bange eenzaamheid , 
A dreary solitude, * - , bw. Anxiously. 

Bangheid, Bangigheid , f. Anguish, An- 
xiety, 

Banier, vr. Banner, Standard. 

Banierdrager, m. Standard-bearer, 

Banjerheer, m. gemeenzaani, zie Baander- 
heer. Aanm. Het woord wordt in den iig, 
zin dikwijls verkort tot Banjer. 

Bank , vr. Bench. *—, in de kerk,Pew. *—, 
in scholen , Form; fig. Men behoefc het 
ondcr geene scoclen of banken le schiii- 
veu , There is no reason for making a 
secret of it; lets acluer de — werpen, 
to Lay a thing aside, to Reject it ;Doov 
de — , Indiscriminately , Without excep- 
tion. Nothing excepted; ook : Mostly, 
Commonly , Generally ; lemand van de — 
ddnken, to Blake one tipsy, * — , regt- 
bank , Bench or Court of judicature ; 
's Konings — , ( in Londen , ) The king''s 
bench. * — , s:al , sialletje, om iets te 
vcrkoopen , Stall. *—, wisselbank. Bank. 
* —, lombard, zie Lombard, Bank v«n 
leening. * — , speelplaacs. Bank. * — , 
ondiepte, Bank, Shelf, Shallow, 

Bankaard , zie Bastaard. 

Bankaktie , vr. Bank-bill, 

Bankbreuk, vr. Bankruptcy , Failure. 

Bankbreukig, bv. Bankrupt ; — worden, 
to Become a bankrupt , to Turn bankrupt, 

Bankbriefje, o. Bank-note. 

Banken, o. w. met Hebben , to Feast , 
Banquet ; fig. Hij zal daar niec lang — , 
He will not make a long stay there, 

Bankeroet, zie Bankerot. 

Bankeroetier, zie Eaukcrcttier. 



BANK 

Bankerot, o. Bankruptcy, Failure, ♦ — , 

bv. Bankrupt; — zijn , to Be a bankrupt; 

— gaan ofspelen , to Become a bankrupt, 

to Turn bankrupt, to Fail, 

Bankerotcier, in., Eaukerottierster , vr. 

Bankrupt. 
JjXAkti , o. Feast , Banquet , Treat, *—, 
sviikt:r^Qhak^Sweet-meats,pI.*—, in deves- 
tingb., eenigszins verhoogdvoecpadlangs 
een parapet. Small footpath along a pa- 
rapet , Banquette, 
Banketbakker, m. Confectioner, 
Banketbakkerij , vr. Confectioner^ s shop. 

Bankeibakkersjowgen, m. Confectioner"* s 
boy. 

Banketbakkersknecht , v^. Journeyman con- 
fectioner. 

Banketbakkersleerling , vr. Confectioner"* s 
apprentice. 

Bankecbakkersoven , m. Confectioner^ s 
oven. 

Bankeibakkersrol, sv. Confectioner"* s rolU 
ing pin. 

Banketbakkersvrouw , vr. Confectioner'*s 
wife, 

Banketbakkerswinkel, m. Confectioner"* s 
shop. 

Banke'deeg, o. Paste for sweet-meats. 

Bankechatnraetje, o. Small ham. * — , Sweet- 
meats in the form of a ham, 

Banketteerder, m. Banqueter. ' 

Banketteren, zie Banken, 

Bankectering, vr. Banqueting. 

Banketwinkel, ra. Confectioner'*s shop. 

Bankgeld , o. Bank-money. 

Bankhouder, m. lomberdhouder , Pawn- 
broker. * — , die eene speelbank houdt. 
Banker. 

Banknoot, vr. , zie Bankbriefje. 

Bankrot, zie Bankerot. 

Bankrottier, zie Bankerottier, 

Bankvast, bv., als: lemand — maken , /o 
Seize one in order to make him appear 
before a court of justice. 

Banneling, zie Balling. 

Baunen, ongel. b. w. to Banish, Exile. 
* — , bezweren, to Exorcise, Lay.*—, 
in het kaanspel, troevtn, toTrump , (o 
Take by a trump. 

Banvloek, m. Anathema; Den — over... 
uicspreken , to Anathematize. 

Bar, bv. naakt , dor. Barren, Naked. *—, 
guur , Sharp , Severe. 

Barak , vr. Barrack, 

Barbaar, ra. fig. Barbarian, Tyrant, 

Barbaarsch , bv. van eene laal, als: Eene, 
barbaarsche woordvoeging. Barbarism 



BAPxB 

, woest , Barbarous ^ Cruel, Inhu- 
man. * — ,bw. Barbarously y Cruelly. 

Barbaarschheid, vr. Barbarity , Cruelty. 

Barbeel, ra. zekere visch. Barbel, 

Barbier, m. Barber. 

Barbieren , b. w. gemeenz. , to Shave. 

Barhiersbekken , o. Shaving-basin. 

]jarbiersj(ingcn , in. Barber'^s boy. 

Earbiersknechc, m. Barber^- man. 

Barbiersleerling , m. Barber''s apprentice, 

Barbierswinkel , m. Barber^s shop. 

Bard , m. fig. Bard 

Banienzang , in. Song of the bards. 

Bardezaau, m. zekere hellebaard. Par- 
tisan. 

Baren , b. w. terwereldbrengen, to Bring 
forth, to Get Qin childbed'), to Bear; 
fig. veroorzaken , to Cause. 

Barcnsnood , m. Labour , Travail , Child- 
birth. 

Barensteel, m. Label. 

Barensween, o. meerv. Throes. 

Barg, m. Barrow, Barrow-hog, Male 
swine gelt. 

Bargie , zie Bark, 

Bargoensch, o. Slang, 

Barheid , vr. Barrenness, * — , Severity 
{of the weather). 

Baling, vr. Bringing forth ; fig, Causing, 

Bark, vr. zekere schuit. Bark, 

Barkan , o. Barracan. 

Barkanwever, ni. Barracan-weaver. 

Barkhouten , o. meerv. scheepsw. , 
IFales. 

Barm , m. a kind offish. 

Barmhartig , bv. Campassionate ,BIerciful, 
* — , b\v. Compassionately, 

Barmhartigheid , vr. Compassion, Mercy , 
Pity. 

Barmte, vr. Heap of earth, 

Barnen , b. en o. w. veroud. , zie Bran- 
den. 

Barncn, o. enkelnogfig. in: In 'c — van 
'cgevaar, In the heat of danger. 

Barning, zie Branding. 

Barnsceen , m. Amber. 

Barnsteencn , bv. Amber, 

Barometer, m. Barometer, 

Baromecerbuis, vr. Tube of a barometer. 

Barometergraad , m. Degree of the baro- 
meter. 

Baron , m. Baron. 

Barones, vr. Baroness, 

Baronet, m. Baronet. 

Bsronij , vr. Baronage. 

Saronpeer, vr. a kind of pear. 
Darouschap , o. Barony, Baronage. 



BARR 79 

Barrevcetbroeder , m. Barefoot friar'. 
Cordelier. 

Barrevoecer, m. One that goes barefoot. 
* — , zie Barrevoecbroeder, 

Barrevoets , bw. Barefoot. 

Barsch , bv. Harsh , Snarp , Fierce, Stern. 
* — , bw. Harshly , Sharply , Fiercely , 
Sternly. 

Barschheid, vr. Harshness, Sharpness, 
Fierceness , Sternness. 

Barsie, zie Bark. 

Bars:, enz , zie Borst , enz. 

Bas, in. in de toonk., Base ^ Bass; De 
generale(doorgaande) — , The thorough- 
base. * — , zekcr spe»;k. , Base-viol, Bass- 
viol. 

Bass , m. Bashaw, 

Bassen , zie Baffen, 

Bassctspel, o. Basset, 

Bassleutel, m, Bass-cliff", 

Bassnaar, vr, Bass-string, 

Basson , vr. Bassoon. 

Basstem, vr. Bass-voice. 

Bast, ra. van booraen , Bark, Rind.* — , 
vanboonen, enz., Husk, Co4 , Coat; 
fis> geraeen , buik , Guts , pl.^ Paunch. 

Bastaard, m. onecht kind. Bastard ; le- 
mand — ir.aken , to Disinherit one. * — , 
in zameiistellingen bcteckenc zoo veel 
als vreemdsoonig, onecht. Mongrel, 
Spurious , Counterfeit , Adulterated. 

Bastaardbroeder, m. Bastard brother. 

Bascaardij , vr. Bastardy. * — , in de taalk., 
Lnpurity , Barbarism. 

Bastaardkind , o. Bastard, Bastard child. 

Bastaardmaking, vr. Disinheriting. 

Bastaardnachtegaal, ra. Bastard nightin- 
gale. QpJ. 

Bartaardschrifr,vr. Secretary-hand, Italics, 

Basiaardsoort , vr. Spurious sort, 

Bastaardsuiker , vr. Inferior sugar. 

Bastaardiiitgang , ra. loreign termination. 

]5astaardwiji» , ra. Adulterated wine. 

Bastaardwindhond , m. Greyhound of a 
mixed race. 

lUstzdrdwoordyOJPord taken from another 
language. Foreign word. 

Bastaaniziister, vr. Bastard sister. 

.Basiachtig , bv. Like a bark , or cod. 

Bascerd, enz., zie Bastaard, enz. 

Bastig, bv. Barky, Husky. 

Basviool , vr. Bass-viol. 

Baszanger, ra, Bass. 

Bataljon , o. Batalion. 

Bacen , o. w. met Hcbben, to Avail, 
to Tield profit. 

Baiheugcl, m. ccne plant, Germander, 



r:.o 



BATI 



Baiig, bv. voordeelij^ , als overschot : Een 
— slot van loo gulcleii hebben, to Have 
loo guilders remaining ; Mij korac een — 
slot van lo gulden , Per balance due to 
me 10 guilders. 

Hatist, o. Lawn, Cambric. 

Batiscen , bv. Lawn , Cambric, 

Batistwevcr, m. Lawn-weaver. 

Batsch, bv. Fierce, Proud. * — , h\v. 
fiercely. Proudly. 

Bacschhcid , vr. Fierceness , Proudness, 

Batterij , vr. inhetkrijgsw. en in de na- 
tuurkunde, Battery. 

Baviaan, ra. Baboon. 

Baziliskus, m. zckere slang, Basilisk, 
Cockatrice. 

Bazin , vr. Mistress. 

Bazuin , vr. a kind of trumpet , Sackbut. 

Bazuinblazer, m. Trumpeter. 

Bazuinen , b. en o. w, met Hebben, 
to Soujtd the trum/et, to Trumpet ;fi^. 
leinands lof — , (meescal uiti)azuinen ,} 
to Trumpet one'' s praise; Zijn'eigen' lof 
— , to Be one''s own trumpet. 

Bazuingeluid , o. Sound of a trumpet. 

Bazuingeschal, o. Sound of trumpets. 

Bazuinklank , m. Sound of a trumpet. 

Ba2nintoon, m. Trumpet-tone. 

Be , onscheidb. voorz. van zamenst. dat 
I. ) den zln der daarinede zamengest. 
werkvv. versterkt , als : Een papier be- 
schrijven , to Fill a piece of paper with 
writing ; of 2.) tot eenig voorwerp be- 
paalt en de niet overgankelijke werkw. 
in overgankelijke verandert, als: Lag- 
chen, fo L<3?/^/z,* Belagchen, to Laugh 
at, to Ridicule,- zie de zamengesceide 
woorden. 

Beaarden , b. w. to Cover with earth, to 
Earth. 

Beademeu , b. w. to Breathe upon or 
against. 

Beademing, vr. Breathing upon or against. 

Beambte , m. (Public) officer. 
Beambt.^chrijver, m. Actuary, * — , 5^- 
cretary. 
Beamen , b. w, to Assent to , to Ap- 
prove of. 

Beaming, vr. Assenting to. Approbation. 
Beangst, bv. Anxious., Uneasy, Afraid. 
Beangstheid, vr. Anxiousness , Anxiety, 
Fear, Uneasiness. 
Beangscigen, b. w. to Frighten, Litimi- 
date, Terrify, to Make afraid, 
Beangstiging, vr. Frightening^ etc, *—, 
Anxiety. 
BcHUtwoordelijk , bv. Answerable. 



BEAN 

Beantwoordelijkhejd, vr. Answerable- 
ness. 

Beantwoorden , b. w. to Answer. * — , 
o. w. met Hebben, fig. als: — aan , to 
Answer. 

Beantwoorder, m. Answerer. 

Beantwoording, vr. Answering. 

Beantwoords:er, vr. , zie Beantwoorder. 

Bearbeiden , bw. to Work properly, to 
Elaborate , to Compose ; Een' akker — , to 
Cultivate or Plough a field; Een welbe- 
arbeid werk. An elaborate work, 

Bearbeider, m. One that works , Author. 

Bearbeidiug , vr. Working properly , Com- 
posing, 

Beascht, (w. dw. van het ongebr. Beas- 
schen.) adj. Covered with ashes ^ Ashy. 

Beasemen, zie Reademen. 

Beaseming, zie Beademing. 

Bebinden , ongel. b. w. to Tie about. 

Bebinding, vr. Tieing about. ' 

Beblocden, b. v.'. to Blood, to Sully with 
blood; Bebloed , Bloody. 

Bebloemcn , b. w. to Coyer or Embellish 
with flowers. 

Beboeten , b. w. to Fine, 

Beboeting, vr. Fining. 

Bebolwerken, b. w. to Fortify or Encom- 
pass with bulwarks, 

Bebolwerk^ig, vr. Fortifying with but- 
warks. 

Bebond, v. t. , zie Bebinden. 

Bebonden , v. Avf., zie Bebinden. 

Bebouwen, b. w. bet land, to Till , Plough, 
Cultivate, * — , eene plaats , to Fill with 
buildings , to Build upon. 

Bebou wing , vr. Tilling. * — , Filling with 
buildings. 

Bed, o. Bed; Te — of Naar — gaan , to 
Go to bed; Te — zijn of liggen, to Be 
or Lie a bed; Te — leggen, Naar — bren- 
gen , to Bring to bed; fig. hnvvelijk. 
Marriage.* — ^ in een' imn. Bed, Plot. 
* — , (bedding) eenerrivier, Bed, Chan- 
nel. * — , ineene mijn, laag, ^^^, Layer., 
Stratum. 

Bedaagd, bv. Aged, Old, Elderly, Ad- 
vanced or Stricken in years. 

Bedaagdheid, vr. Age, Elderliness, 

Bedaan , v. dw. , zie Bedoen. 

Bedaard, (v. dw. ,'zie Bedaren). *— , bv 
Sedate, Calm, Composed.* — , (Bed; 
delijk , ) bw. Sedately , Calmly. 

Bedaardheid , vr. Sedateness, Compose 
Tranquillity, Calmness, 

Bedacht, v. t. en v. dw. , zie Bedenl; . 
Bedachtzaam , bv, Con^icicrate , Cinn'r- \ 




BEDA 

Circumspect. • — , bw. Considerately , 
Cautiously J Circumspectly, 

Bedachtzaamheid, vr. Considerateness ^ 
Caution^ Circumsppction <, Forethought^ 
Foresight. 

Bedammen , b. w. to Dam , to Enclose 
{Shut in') with a dam, or to Separate by 
a dam. 

Bedammiiig , vr. Damming. 

Bcdampen, b. w. to Damp upon, to Cover 
•svith vapour, 

Bedamping, vr. Damping upon, 

Bedanken , b. w. dank bewiizen, to Thank, 
to Return thanks, * — , afdanken , to Dis- 
miss , Discharge. * — , o. w. mec Ileb- 
ben , het aangebodene beleefdelijk af- 
slaan, to Thank for, to Refuse or De- 
cline a thing politely , or with a thanks- 
giving for the offer made; en van daar 
inzond. eene uitnoodiging niet aannemen, 
als : Hec spijc raij , dai Mevr. uwe zus:er 
bedankc heefc, I am sorry your sister has 
declined the invitation ; en — ,eenambc 
nederlegfren, als: Die minister heefc be- 
dankt. That minister has resigned. 

Bedanking , vr. Thauk,ing , etc. , zie Be- 
danken. 

Bedaren, o. o. met Zijn , to Grow or 
Become calm or appeased; Eindelijk bc- 
daarde hij,(of begon hij x.q — ,)Atlast 
he grew more calm; De wind, de pijn. 
cnz. bedaart , The wind , The pain , etc, 
abates; Ik ben van dien schrik nog niet 
bedaard , / have not yet recovered myself 
from thatfrif!;ht. •— , b. w. we in. gebr. , 
to Appease. Zie ook Bedaard, 

Bcdaring, vr. Abating. • — , Appeas- 
ing, 

Bcdauwcn, b. w. to Bedew, 

Bedauwing, vr. Bedewing. 

Beddedekeii , vr. Blanket , Coverlet ; 
Gestikce — , Counterpane ^ Counterpoint; 
Ruwe — Rug. 

Bcdcleflesch , vr. TFarming-bottle. 

Beddegocd,'o. Bedding. 

Bcddejak , o. van eene vrouw , Nightfall. 
* — , zie Slaaprol* 

Bcddekleed, o. , zie Betldcsprei. 

licddekwasc, m. Suspensory, 

Beddelaken, o. Sheet. 

I'eddcnkooper, ni. Upholsterer. 

Beddciimaakstcr , vr. , Beddenmaker, m. 
die bedden maakc en verkoopt , Upholster- 
er. *—, die bedden opmaakt,(^opschudc,) 
Bed maker. 

Beddtnstopper, m. , Bcddcnstorsrcr , vr., 
IJOLL. ENG. WBK. 



BEDD 



81 



One whose business is to f 11 beds with fea- 
thers, 

Beddenwinkel, m. Upholsterer'' s shop. 

Beddepan , vr. Warming-pan. 

Beddepisser, m. , Bcddepisster , vr. Bed- 
pis ser. 

Beddeplank, vr. Shelf in a bedstead. 

Beddesprei, vr. Quilt. 

Beddescee, vr. , zie Bedstcde. 

Beddescok, m. Bed-staff. 

Berfdestroo , o. Beds'traw. 

Beddetafel , vr. Night-table. 

B e d d e t i j k , v r. Tick , Bed- tick. 

Beddeveer, w. Bed-feather. 

Beddevulsel , o. All that with which a 
bed is stuffed , as: Feathers , Down , etc. 

Beddewamier, zie Bedwarmer. 

Beddevvas, o. TFax for stiffening bed-tick. 

Beddezak, in. Covering of a bed. 

Bedding, vr. van eene rWier , Bed, Chan- 
nel. * — , in deu vestingb. , zoldering 
voor het geschiu. Platform. 

Bedc , vr. verzoek , In treaty , Solicitation, 
Request, Petition. ♦ — ,* inzond. in de 
Nederl. gcschicd. instelUng eenerbelas- 
ting. Petition for imposing some tax or 
charge upon the people. 

Bededag , m. prayer-day , Day of prayer. 

Bedced , v. t. , zie Bedoen, 

Bedeelen, b. w. ta Distribute , Dispense, 
Allot; van daar inzond., Bedeeld wor- 
den , to Be supplied or supported by the 
church or the parish. 

Bedeeler, m. One who distributes , etc. 

Bcdechng, vr. Distributing. * — , inzond.. 
Allotment given to the poor. Charity. 
Bcdcclster, vr. , zie Bedeeler. 

Bedeesd, bv. Perplexed, Confused, At a 
loss. Sky. * — , bw. //; confusion, Shily. 

Bedecsdhc'd, vr. Perplexity^ Confusion, 
Shines s, 

Bedehuis, vr. Chapel (^for prayers). 

Bedekken, b. w. dekken, to Cover; fig. 
bewimpelen , to Cover , Excuse , Conceal. 
*—, in den vestingb. , als : Bedekte weg. 
Covered way , Corridor, zie ookBedckt. 

Bcdekking, \r. hec bedekken , Covering. 
*— , liccgcne bcdckt, Covering, Cover. 
* — , inzond. gcleiwacht, Escort. 

Bcdeksel, o. , zie Bedekking in de 2. be 
teckenis. 

Bedckt, fv. dw. , zie Bedekken ).*—,b.'. 
Secret; lets — houden, to Keep a thinz 
close or secret. •— , (Bedektclijk,3bvr. 
Scxrctly, 

BcJ.i-laar, m. Brgga; , Ulcndicant. 
6 



Z2 



BEDE 



Bc(1e1aarach|:ig , bv. en bw. , zie Bedel 
achtig. 

Eedclaarfdeken , m. , zie Lappendeken. 

licdelnarsdoelen, in., Bedelaarsherberg, 
vr. Receptacle of beggars. 

Bedeiaarster , vr. , zie Bedelaar. 

Bedelachtig, bv. en hw. Beggarlike , 
Beggarly, 

r.cdtiares, vr. , zie Bedeiaarster. 

Bedelarij , vr. bedelen , Beggary ,• [fig. Im- 
pottunate iutreaty. 

Bcdelarm, bv. Beggarly^ Very poor. 

Bedelbrief, m. Licence granted for begging. 
* — , Letier containing sorre beggarlike 
request^ Beggarly supplication, 

Bedelbroeder , jn. Mendicant. 

Tedelbrok, m. Begged piece, 

Bedelbrood, o. gcbedetd brood , Begged 
bread. * — , Beggar'*s-livelihood; — etcn, 
to Live upon charity. 

Bedelen, b. en o. w. met Hebben , to 
Beg, Mendicate , to Ask alms ; van daar 
inzond, verzoeken , to Beg, Intreat. 

B'delraonnik, ni. Mendicant friar , Men- 
dicant. 

Eedelofte , vr. bijna veroud., gelofte, 



Vow. 



\ 



Bedelorde, tn. Order of mendicants. 

BedelstaF, m. Staff of a beggar ; fig. Beg- 
gary , Mendicity ; Tot den — brengen , 
to Reduce to beggary. 

Bedel ven , ongel. b. w. begraven , to Bury^ 
to Hide or Conceal in the ground^ to Earth; 
fig. De wereld lag in onvvetendheid bc- 
dolven, Tlie world was sunk in ignorance. 

Bedelzakyra. Beggar^ s pouch; fig. Tot den 
— geraken, to Be reduced to beggary; 
Aan den — helpen, to Reduce to beggary. 

Eedenkelijk, bv. te bedenken, Lnagina- 
ble. * — , betgene bedenking vordert, 
Serious, Litricate , Nice, Critical; — 
voorkomen, to Appear to be critical. 

Bedenkelijkheid , vr. Seriousness, Intri- 
cateness, Criticalness. 

Becienken, onteg. b. w. overdenken , to 
Consider, Think or Deliberate upon, to 
Ponder, Weigh, to Take into considera- 
tion. * — , uitdcnken, to Invent , Contrive, 
Lnag-'ne. * — , ten voordee'.e aan iemand 
den^en, als : leniand in zijn tescament — , 
to Remember one in one'' s last will.* — 
fzich), w. w.io Consider, to Be consi- 
dering ; 'Bedenk u wel , Duly consider; 
van daar: Op eene zaak bedacht zijn, /<? 
Think upon a thing, to Keep it in wind. 
* - , van besluit verandcren , to Change 
one''s mind, *^ — , o. Consideration ; le- 



BEDE 

niand tjjd van ~ jjeven , to Give one ti>r,e 
sufficient to think duly upon a things to 
Give one time to consider.* — , twijfel, 
als: Bniren — , Undoubtedly ^ Without 
doubt, 'No doubt. * — , argwaan, Sus- 
picion. 

Bedenker, tn. One that considers , etc. *—, 
inzond. , Liventor, Contriver. 
Bedenking, vr. Consideration ; lets in — 
(bedenken) nemen,/o Take a thing into 
consideration. ♦- — , aanmerking, Reflec- 
tion , Remark. 

Bedenkscer, vr. One that considers. * — , 
inzond., Inventress , Contriver. 

Bedenktijd, m. Time for considering upon 
a thing. Time to consider, 

Bedeplaats, vr. Charel. 

Bederf , o. Ruin , Perdition, zie Verderf. 
* — , verlies van waarde, verrotting, 
Spoiling , Corruption, 

Bcderfehjk, bv. Corruptible. 

Bcderfelijkheid, vr. Corruptibleness. 

Bederfster , vr. , zie Bederver. 

Bedcrven , on^el. h. w. to Corrupt , Spoil, 
Vitiate, Taint; Bedorven vleesch, Fly- 
blown meat. Tainted meat ; fig. vji'l:- 
tlen , to Seduce , Spoil, Debauch , Corn., r. 

Bederver, m. Corrupter , Spoiler ; fi^\ St- 
ducer, Debaucher. 

Bederving, vr. Corrupting , Corruption ; 
fig. Seducing, Debauching, 

Bedestond, m., zie Biduur. 

Bedevaart , vr. Pilgrimage, 

Bedevaart^^anger , m. , Bedevaartgangster, 
vr. Pilgrim, Palmer. 

Bedsvaartreiziger , m. Pilgrim. 

Bedgang, m. Bedside. 

Bedgenoot , m, en vr, Bedfellow , Bedmate, 

Bedgordijn, vr. Curtain of a bed. Bed' 
hangings, pi, 

Bedied , o. , zie Beduidenis. 

Bedieden , zie Bedn;den. 

Bediedsel, c, zie Beduidenis. 

Bedienaar, m. die bedient, inzcndv in; 
— des goddelijken vi^oords, Minister cf 
the Holy word, 

Bedicnde , ni. die ee}:e bedien^r-^ hecfc , 
meest v^ zambnst. gebr. , One that holds 
an office. Officer, (zie de zamengest, 
woorden: Postbcd:e>Kle , enz. ) * — , m. 
en vv. Servant , Domestic servant. At- 
tendant. * — , in herifergen, Waiter. 

Bedienen , h. w. to Scn'c, Atte/id, AJ-' 
minister ; Eene kerk — , to Set ye a clr 
(^as a minister); Een' zieke — , t 
tend a sick person. '^ — , inzord. 1 
diensten doeo , to Serve , Aitsnd 



I 




BEDI 

Wait on; De tafel bedienen , to VTait at 
table. * — (zich),w. w. als : Zich van 
lets — , to Blake use of^ to Avail one^s 
self of, to Make free wiih ; inzond. aan 
tafel, als: Zichzelven— , to Ilelpone^s 
self. 

Bediening, vr. Service, Aitcndance.*—, 
anibt , Office, Employment , Place. 

Bedierf , v. t. , zie Bederven. 

Bedijen , o. w. met Zijn , to Swell , 
Grow, to Grow bigger; sprw. Ohregi- 
vaardig jjoed bedijt niet, /// gotten , ill 
spent , III gotten gooch have no blessing. 

Bedijken, b. w- to Dike , to Shut in, to 
Encompass or Inclose with a dike. 

Bediiking , vr. Diking, Encompassing with 
a dike, 

BedUal , zie Albedil. 

Bed'llen, b. w. besturen , to BJana^e , 
Govern, * — , berispen , to Censure , Cri- 
ticize , to Find fault with , to Cavil at. 

Bediller, ni. Blanager, * — , inzond,, 
Findfault , Caviller. 

Bedilling, vr. Managing. * — , inzond.. 
Censuring. 

Bedilster, vr. , zie Bediller. 

Bedilziek , bv. Censorious. 

Bcdilzuchc , vr. Censoriousness. 

Bcdin? , o. voorwaarde , Condition ; Onder 

— , Upon cojfdition. * — , verdrag , Agree- 
ment ^ Contract, Convention, Engage- 
ment. 

Bcdingcn, ongeh h. \v. to Stipulate , Con- 
dition. * — , inzoifd. al dirgcndc den prijs 
van iets bepalen , to Bargain, Cheapen; 
Ik kon het niet minder — , / could not 
bargain it for less. 

Bcdinging , vr. Stipulating. *—, Bar- 
gaining. 

Bedisselen , b. w. bij timmerl. , to Give 
the proper shape to a piece of timber by 
chip/)ing or hewing it with an addice ; fig. 
tn Blanage ; Ik zal dat wel — , Pll ma- 
mge it. 

Bedisscling, vr. Chipping with an adice , 
zie Bedisselen ; irzond. fig. Blanagcment. 
cdlegerig, bv. Bedrid, Clj^ical , Clinic, 
Confined to one^s bed. 

Bcdlegeriglieid , vr. Being bedrid. 

Bcdoelen, b. w. mecnen , to Aim at, to 
Have in view, to Intend. * — , te ver- 
saan willen geven , to Understand. 

R<.doen(^Zich), tfwfr^. w. w. to Foul Otte'*s 
self with ordure; fig. vu]g. Men zou zich 

— ! , Good lack a day I , Ws sutpt ising in- 
deed I 

edolf, v. t., zie B-delven. 



BEDO 



C3 



Bedolven, v. dw. , zie Bedelven, 

Bedompt, (v. dw. van hetveroud. werkw. 
Bedompcn. ) * — , bv. vochti^ , Damp , 
Dampish, Moist. ♦— , Close., Stifling.*— , 
duister, Dnsly, Dark , Obscure. 

Bedompiheid, \'T. Dampness. « — , Dark- 
ness , Obscurity. 

Bedonderen , b. w. gemeen , door verba- 
zing verbijsteren , als: Hij was (siond) 
bedonderd, lis was thunderstruck ; lie 
laat mij niet iigc — ,1 am not easily con- 
founded. 

Bedong, v, t. , zie Bedingen. 

Bedongen, v. ^\v,, zie Bedingen. 

Bcdorven , v. dw. , zie Bederven. 

Beciotster, vn , zie Bedotcer. 

^Bedotten, b. w. to Gull ., Bubble , to Im- 
pose upon , to Take one in. 

Bedotter, m. GuUer, Cheat. 

Bedottiiig, vr. Gulling, Bubbling. 

Btdoven , v. dw. , htc zeltde als Gcdcni- 
peld , zie Dunipcien. 

Btdraaidheia , vr. fig. Confusion , Pt;- 
plexity, 

Bedraaijen , h. \v. fig. to Entangle, En- 
snare; Ik ben er mede bedraaid, I am 
entangled in it. 

Bedrag, o. Amount; Ten bedrage van, 
To the amount of, 

Bedragen, ongel, b. w. to Amount to. 

Bedreef , v. i. , zie Bedrijven. , 

Bedrect , v. t., z'e Bedrijren. 

Eedreigen, b. w. , zie Dreigen in de i. 
beteekenis. {Threat. 

Bedreiging, vr. Threatening. *—, Menace, 

Bedremraeld, (_v. dw. van BedrLinmelen.) 
* — , bv. Perplexed, 

Bedreinmeldheid , vr. Perplexity,*' 

Bedremmelen , b. w. to Pcrflex. 

Bedrenimcliug, vr. Perplexing, •— , ver- 
legenheid, Perplexity. 

Bcdretcn , v. dw. , zie Bedrijten. 

Bedreven,(v. dw. , zie Bedrijven.) ♦— , 
bv. Skilled, Fersed, Conversant, Expert, 
Skilful. (pcricncc. 

Bedrevenheid . vr. Skill , Expertness , E:~ - 
•-Bedriegelijk, bv. Deceiving, Deceitful, 
Fahe. * — , bw. Deceitfully. 

Bedricpelijkheid, vr. Deceitf'ulness, 

Bcdriegen , ow^e/. b. vr. to Drceive. Cheats 
Trick J Gull , Bubble , to Impose I'vou , i o 
Take in , to Beguile; Zich. — , to Mistake, 
to Be mistaken, 

Cedriegerij , vr. Imposture , Artifice , /de- 
ception. 

Bedricgster, vr. , z'e Bedrieger. 

Bedrijf, o. Aitun, Act. * — , ir.r. r.'. 



84 



BEDR 



beroep, Trade, Profession. ♦ — , id 
den tooneelst.. Act. 

Bedrijfal, zie Albedrijf. 

r.cdrijlster, vr. , zie Bedrijver. 

Bedrijten, ongeLb.w gemeen, to Befoul 
with ordure^ to Beshite. (eu\ 

Bedriiter, ra. gemeen. One who befouls y 

Bedrijtster, vr., zie Bedrijtcr. 

Bedrilal, zie Albedril. 

Bcdrillen, b. w. doen dreunen , to Cause 
a trembjing or qnakiiig; fig. to Blanage. 

Bedriller, ra. , zie Albedril. 

Bcdrilliug , vr. fig. Managing. 

Bedrilster, vr. , zie Albedril. 

Bedrinken, ougel. b. w. to Make tipsy, 
to Fuddle, to Make drunk; Zich — , 
to Get drunk. 

Bedroefd, (v. dw. zie Bedroeven\ ♦ — , 
bv. aangedaan. Sorry, Sad, Afflicted, 
In low spirits , Grieved. *—, bedroe- 
vend. Sad, Sarrowful, JVoful , Dis- 
tressing, Afflicting; Hij ii in bcdroefde 
omstandigheden , lie is in sad circum- 
stances , He is in a woful plight ; Met 
is — om te zien. It makes one''s heart 
bleed to see it; Dat is — , /; is a pity ; 
fii?. slechc, Scanty, Pitiful, Miserable. 

Bcdroefdheid , vr. Sorrow, Affliction, 
Sadness, Grief, Dejection. 

Bcdroeg, v. t. , zie Bedragen. 

Bedroeven, b. w. to Afflict, Grieve. 

Bedroevend, bv. , zie Bedroefd in dc 
2de beteek. 

Bcdroeving, vr. Grieving, Afflicting. 

Bedrog, o. Deception, Fraud , Deceit , 
Imposition, Imposture, Sham, Cheat, 
Trick , Knavery ; Om — voor te komea , 
to Prevent being imposed upon. 

Bedrogen , v. dw. , zie Bedriegen. 

Bedronk, v. t. , zie Bedrinken. 

Bedronken , v. dw., zie Bedrinken. 

Bcdroog, V. t. , zie Bedriegen. 

Bedroop , v. t. , zie Bedruipen. 

Bedropen, v. dw. , zie Bedruipen. 

Bedroppelen . b. w. to Make wet by drip- 
ping , to Drip , to Drop upon. 

Bedruipen, ongel. h. w. to Blake wet by 
drippiug. *—, bij koks en keukenm. , 
to Baste ; sprw. Eene vette gans be- 
drnipt zich zelve , He that has the means 
within himself, wants no assistance ; 
Hij kau zich zeer goed — , He is in 
easy circ: mstances, 

Bedrnipiig, vr.^ zie Bedruipen. *^->in« 
zond. Basting, 

Bedroiplepel , m. Basting-ladle. 
Bcdrukken, b. w. io Print, Itnprint , 



BEDR 

Stamp; fig. to Oppress; zie ooTc Be- 
drukt. 

Bedrukc, (v. div^. zie Bedriikkeu,) • — , 
bv. Sad, Sorrowful. 

Bedruktheid , vr. Sadness , Sorrow.. 

Bedrappen, b. w. , zie Bedroppelen. 

Bedsponde , vr. Forepart of a bedstead ; 
fig. Bedside, Bed, zie Sponde, 

Bedscede , vr. Bedstead, 

Badstroo, o, Bedstraw. 

^edcafel, vr. , zie Beddetafel. 

Bcdnchc, (v. dw. van bet veroud. Be- 
duchten). *— -, bv. Afraid, Appre- 
hensive; Ik ben voor nieti — , I am 
not apprehensive of any thing. 

Bed;ichtheid , vr, Apprehensiveness. 

Bedu^den, b. w. to Signify; fig. Dat 
heeft weinig te — , That is of little 
signification , no great matter. '* — , 
aanwijzen , to Show , Indicate; fig. Ik 
zal hem dat wel — , I shall teach him 
that. Never mind, I shall make him 
do that. 

Bediiidenis , vr. Signification. 

Bcduiding, vr. Signifying. * — ^Showing. 

Beduidsel, o. Signification. 

Beduimelen, b. w. door veel aanraken 
bezoedeltn, to Thumb. 

Beduimeling, vr. Thumbing. 

Beduivelcn , b. w. gemeen, to Bedevil, 
Perplex y Confuse, to Put to a non- 
plus. 

Beduiveling, vr. gemeen. Bedevilling, 
Perplexing. 

Bediiizeld, (v. dw. van het veroud. Be- 
duizelen.3 * — , bv. zie Duizelig. 

Bedunken , o. w. enkel gebruik. in : Zich 
laten — , to Think. * — , o. Opinion. 
Sentiment; Mijns bedunkens, Naarmiii 
-- , According to my opinion , / think ' 
Bletltinks. 

Bediuir, m. B-sharp. 

Beduursleurel, m. B-sharp-cliffl. 

Bedvriend, m., Bedvriendin, vr. Bcii 
fellow, Covsort, Spouse , Partner, 

Bedwang, o. Restraint, Subjection, 

Bedwarmer, m. , zie Beddepan. 

Bedwelmd, (v. dw. zie Bedwelmen" 
* — , l»v. verlegen. Perplexed, Stui 
ncd. ♦ — , dnizelig. Ready to faini 
Giddy. 

Bedwelradheid, vr. Perplexity. * — 
Giddiness. 

Bedwelmen, b. w. to Stun, Perplex, 
Make giddy. 

Bedwelming, vr. Perplexing , Stunnin 
\ * — , zie Bedwelradheid. 



;i 



BEDW 



m 

iBedwingen, ongel, b. w. onderwerpen , 

j to Subject, Subdue^ Conquer, Fan- 

' guisli, * — , intooraen , to Restrain, 

Cheeky Curb ^ Bridle; fig. Zijne hans- 

togien — , ro Check one^s passions, 

Bedwinger , ra. , Bedwings:er , vr. Sub- 
duer, * — , One that restrains. 

Bedwong , v. c. , zie Bedvvingen. 

Bedwongen, v. dw. , zie Bedvvingen. . 

Beeedigd, (v, dw. zie Bceedigen^. *— i* 
bv. Sworn, 

Beeedigen , b. w. lemand een' eed af- 
nemen , to Swear Qone^, to Put (one) 
to an oath. " — , met cede bevestigen, 
to Swear to , to Affirm by oath , to Take 
an oath upon (a thing').. 

Beeediging, vr. Swearing, * — , Swear- 
ing to, Aj firming hy oath. 

Beefaal, ra., zie Sidderaal. 

Beek , vr. Brook , Ritl , Rivulet. 

Beekwaier, o. Water of a brook y Run- 
ning water. 

[Beeld , o. Image, Representation of a 

i tiling. • — 5 inzond. standbceld , Image, 

\ Statue; fig. eene schoone gcstalte , als: 

i Eeu — van eene vrouw , A beauti- 
ful woman. ♦ — , alle voorstelling van 
iets aan het verstand , denkbceld. Idea, 
Ideal representation; De treurige be- 
minc alle beclden, die zijne treurigheid 
voedsel geven , An afflicted person 
cherishes all such ideas as feed his 
melancholy. * — , afgodsbceld , afgod , 

5eeldelijk , bv. in de letterk. en spraakk.. 
Figurative, Tropical, • — , hw. Figura- 
tive /y. 

Jeelden, b. w. to Form; Beeldende 
kunsten , Imitative arts , as , sculpture, 
drawing , engraving , etc. 
Jeeldenaar, m. Draught of the several 
coins of medals or money, 
'eeldendienaar, m. One that worships 
' im acj; es , Iconolater. 
l$eeldc'ndienst, m. IForshippingo/ images. 

iceldenleer, vr. Iconology. 

eeldenrijk, bv. in de Ictcerk. , Flowery, 
^ull of images. Figurative. 

eelderig, zie Becldig. 

leeldgieicr, m. Caster or Founder of 

images. 

leeldhoiiwen , b. w. to Carve. 

iceUlhouwer, m. Carver .^ Statuary, 

'ecldhoiiwerij , vr. Carving, Sculpture. 

eeldhouvveribeitel , m. Statuary'^s chisel. 

leeldaouwersgercedichap , o. Statuary's 

\tooIs , pi. 



BEELD 



85 



Beeldhouwersbainer, m. Statuaryy ham- 

mcr. 
Beeldhouwersjongen , m. Statuary^*- 

boy. 
Beeldhonwersknccht, m. Journeyman 

carver. 
Beeldhouwerswinkel , m. Statuary^s 
shop. 

Beeldhouwerskunsc , vr. , zie Beeld- 
houwerij. 
Beeldig, bv. Beautiful. *—, bw. Ex- 
tremely; — schoon, Extremely beauti- 
ful. 

Beeldkramer, m. Seller of images, 
Beeldrijk, zie Beeldenrijk. 
Beeldschrifc , o. Hieroglyphics , pi. 
Beeldsnijder, m. , zie Beeldhouwer. 
Beeldsnijderij , zie Beeldhouwerij. 
Beeldsnijdersgereedscliap , o. Carver'^s 

tools, pi. 
Becldspraak, vr. , zie Beeldschrifc. 
Beeldsprakig, bv. Hieroglyphical, 
BeeUlstormer, m. in de kerk. gesch. , 
Iconoclast, 

Beeldstorraerlj , vr. Destroying of images. 
Beeldtenis, vr. Image , Representation, 
Bceldvverk , o. Imagery. 
Beemd, m.BIead, Meadow, Field. 
Been, o. (zondcr meerv.) Bone; Een 
kam van — , A comb {made) of bone; 
fig. Ilij is niets dan vel en — , He is 
nothing hut skin and bones, * — , 
(niecrv. Beenen of beenderen,) knock , 
Bone; Een — kluiven, to Pick a bone ; 
fig. Ik vind daar gecn — in , / 
don''t see any harm in that, I don't sec 
any reason for being scrupulous, * — , 
inzond. dat been, hetwelk het ligchann> 
draagc, (meerv. Beenen,) Leg; Ilct 
dik van het — , The calf of the leg; 
Op de — komcn, to Recover from an 
illness ; Blet het eene — in het graf 
zijn, to Have one foot in the grave; 
Een leger op de — brengen , to Raise 
an army; De ganschc stad is op de — , 
The whole town is stirring. * — , mcor 
bep. de pijp of het been tusschcn de 
knie en den voet. Shank, 
Beenachtig , bv. Bony. 
I'ecnader, vr. Artery of the leg. 
Bcenascli, vr. Bonc-'ashes , pi. 
Bccnbedckking, vr. Coveting for the 
leg, 
Beenbcdcrf , o. Corruption of a hone , 

Caries, 
Beenbeschrijvcr, m. 0'''"^^^"'-^t Osteo- 

logcr. 



i ^. 



8G 



BEEN 



BeenbescUrijvInji , vr. Osteology. 
Beenblok, o. Locks {for horses^ ^^gO^ 

pi. * — , Stocks , pi. 
Beenbobr, vr. bij woudh., Trepan. 
lieenbreker, n. eea vogel , Ossifrage , 

spray. 
Beenbi-eiik , vr. Fracture of the leg. 
Beenderen , o. meerv. , zie Been. 

i'eenderhiiis , o. Chamelhouse. 
>->cendermeel , o. Bone-meal. 
Boenderolie , vr. JSone-oil. 

Beendersoep, vr. one-soup. 

Bcendraaijer, m. Turner in bone ^ zie 
Ivoordraaijer. 

Beendroog, bv. P'ery dry. Quite dry. 
Beeneter, m. , zie Beenbederf. 

Beenen, bv. Of bone. Blade of bone , 
Bone. 

Bcenhakker, tn., zie Vleeschhoiuver. 

Beenharna., o. Armour for the legs, 
Chisse, Greaves , pi. 

Becnhuid, vr. , zie Beenvlies. 

Bt^eiii^k bv. Bony. * — , in zamenst. 
Legged, zie «]e zainengcsc. woordeii. 

Bcenijzer, o. Fetter, Shackle. 

j'eenlijm, vr. en o. Osteocolla. 

■'eenloos, bv. Boneless. 

ricenpijp , vr. Focile , Bone of the leg. 

neenschecn, vr. Cui.<se. *—, Splint. 

'Jcenscbroef , vr. Screw for the legs. 

Beenstof, vr. Bony matter. 

Beencje, o. verkl, w. zie Been, inzond. 
lemand een — zetcen ofligten, toTrip 
up one'*s heels y to Trip one (ook: fig.) 

Becnvijl, vr. Rugin. 

Beenvlies, o. Periosteum. 

Vseenvreter, m. , zie Beciicrer. 

Beenwording , vr. Ossification. 

Becnzenuw, vr. Nerve of the leg. 
>Beenzwachtei, m. Srvathe for the leg. 

Beenzwarc, o. Black of hones. 

Beenzweer, vr. Ulcer cf a hone. 

beer, m. Bear; Een joiu^e — , Ahenr''s 
cub; Een ongelikte — , An nnlicked 
youth, A brutal ill-hred fellor.' ; fig. 
vulg. Den — loslaten , to Indulge in 
all manner of debaucheries. * — , zeker 
gcsternte : De groote — , ookciikel: 
De— , {\yzge\^ ,) Charles''s wain. The 
greater bear ; [)(-, groote en kleine — , 
The greater and lesser hear {ursa ma- 
jor, et ursa minor), * — , mannetjes- 
varken, Boar. * — , zeker stormtuig 
de r o 11 d e n , Ca tap ult , Ram mer. * — , 
een dikke muur, Blole , Pier. 

BeerenHaar, o. Bear'^s hair, 

Beerenhoeder, ni. Bear-ward. 



BEr;R 

Bccrenhol,* o. Beards den. 

Bcerenhuid, vr. Beards skin; sprw. Dc 

— verkoopen , eer de beer gevangen is, 
to Sell the beards skin , before he is 
caught. 

Beerenklaauw, m. zekere bloem , A- 

canthus, Bear'^s-foot. 
Beerenleider , m. Bear-ward. 
Beerenoor, o. Ear of a bear, * — ^ eene 

Moem, Bear''s-ear , Auricula, 
Beerenpoot, in. Beards paw, 
Beerenvel, o. Bear''s hide or skin. 
Becrenvec, o. Beards fat. 
Beerenwachcer , zie Beerenleider. 
Beergestarn:e , o, , Beergesternte , o. , 

zie Beer. 
Beerin , vr. She-bear. 
Beersteker, ra. , zie Nachtwerker. 
Beerven , b. w. to Inherit, to Acquire 

by inheritance. 
Beerving, vr. Inheriting. * — , erfenis. 

Inheritance. 
Beest, o. (o«/. vr.^ Brute, Beast; fig. 

Hij is een — , He is a brute; De — 

spelcn , to Bluster and bully , to Play 

the devil. * — , zeker kaartsp. , Basset. 

* — , in sommige sa-eken: lieesieu. 

Cattle. 
Beestachtig, bv. Beastly, Bestial ; iig. 

Beastly, Brutish ^ Brutal, Rude, 

Rough, Unmannerly ., Inhuman. * — , 

b\v. Brutally, Roughly. 
Beestachiigiieid , vr." Brutality. 
Beescendokter , m. Cow leech. 
Beestenmarkc, vr. Cattle-market. 
Beestenspel , o. Menagerie. 
Beestcnstal, ra. Stahle for cattle. 
Beestiaal , o. helasting op hec vee , Tax 

upon cattle. * — , vee , Cattle, 
Beestig, zie Beestachtig. 
Beestigbeid, zie Beestachcigheid. 
Beet, in. Bite; Een' — in iecs doen, 

to Bite in a thing. * — , ciond-vol , Bit, 

Morsel ; leraand een' — broods geven , 

to Give one a bit or morsel of bread ; 

fig. Mij* zal er geen' — v^n hebbcn , 
,IIe shan''t have a hit of it. * — , ge- 

beten plaats, Bite ; — van eene vloo , 

Flenhite. * — , bw. bij visschers , als : 

— bebben, to Have fish at the augle , to 
Have bite; van daar: Icmand of iets — 
krijeen, to Catch one , to Lay hold of 
one; fig. lets — hebben, to Have catch- 
cd (comprhend^d) a thing; lemand — 
nemen, to Catch cue, to lake one in , 
to Trick or Bubble one^ *— , v. t. 
zie Bij ten. 



IT 



BEET 



Beet, vr. (^e) zie Beetwortel. 

Beetje, o. verkl. v/. zie Beet; van daar: 
Eeii ^, ("v/einigje ,)yf little^ Some. 

Beetwonel, m. zckere wortel , Beet. 

Bef, Va. bij predik. gebr. , Band; Man- 
tel en — aanhebben , to Wear a cloak 
and hand. 

Befaamd, bv. bekend : onl. meest in een' 
kwaden zin , iVoror/o«.r,- thans echter in 
een' goeden en kwadenzin, doch meest 
in een' goeden, Famous^ Renowned. 
* — , bw. Nocorioualy. * — , Famously. 

Befaamdheid, vr. Notoriousness. * — , 
Renown , Favie. 

Befdrager, in., zie Befman. 

Befi^en , b. w. to Put on a hand. * — , 
o. w. met Hebben, to Wear a hand; 
Gemanteld en gebefr. zijn, zie Mantel 
en bef aanhebben op Bef. 

Befman, m. spocw. voor een' predikaut, 
zie Zwartrok. 

Ecfranjen, b. w. to Befringe, 

Begaafd, (v. d\v. zie Begaven.) * — , 
bv. met (inzond. goede)hoedanigheden 
voorzien , Endowed; Een zecr — man , 
(eea man van veel begaafdheid of 
begaafdheden ,) A man of great endow- 
ments or talents ^ A man of parts; Een 
— redenaar, An able orator. 

Begaafdheid, vr. Endowment ^ Talents., 
pl.^ Parts ^ pl.^ zie Begaafd. 

Begaan , onreg. b. w.betreden, toTread 
or IValk upon; Dit pad word t veel — , 
This path is much frequented ; Dit pad 
is veel — , This is a heaten path. * — , 
bedrijven, (meest in een' kwaden zin ,) 
to Commit^ Perpetrate^ Do. *"— , o. 
w. met llebben, voortgaan met ieis te 
doen, als: Laat mij maar — , Do hvt 
leave the management of that business 
to me , Do hut let me alone. *— , v. dvv., 
(zie bet werkw. ) bckommerd, als: Ik 
ben er zeer over ofmede — , / am very 
much concerned at it. 

r.cc'aapster, vr., zie Begaper. 

B-'gaf, v. CUV., zie Begeven. 

Besapen, b. w. to Gape wide enough to 
sw.i/low a thing; sprw. Hij begeert 
nieci: dan bij — kan , IJt's eyes are bigger 
than his belly; iig. aangapen , to Gape, 
Stare or Gaze at. 

B'-gaper, m. fig. Gazer., Starer. 

B<?ga}>ing, vr. fig. Staring at. 

Bega\en, b. w. to Endow; zie ook Be- 
gaafd. 

Bcgccfster, vr. , zie Regcvcr. 

l)Ogccrder, m. Desircr. 



BEGE 87 

Begeeren, b. w. verlangen, to Wish , 
Desire. * — , inzond. naar het btz'c 
van iecs haken , to Covet; Gij zult nice 
begeeren uws naasten , enz. Tiou shaft 
not covet, etc., * — , zijne begeerte te 
kennen geven , to Ask, Desire. * — , 
dit met magthebbing doen , vorderen , 
to Require, Demand.* — , o. zie B2- 
gcerce in de i. beteck. 

Begeerig, bv. verlangend. Desirous, 
Longing. * — , inhalig, Covetous. 

Begeciigheid , vr. Desire, Longing. *—, 
Covetousness. 

Begeerlijk , bv. aanlokkelijk , Desirable^ 
Taking, Attractive. * — , inhalig, 
Covetous. 

Begcerlijkheid, vr. Desirableness. ♦ — , 
Covetousness. 

Begeerster, vr. , z'e Begeerder. 

Begeerte, vr. Desire, Wish, Longing; 
Wat is uvve — ? , What is your desire ?, 
What do you want? ,'Eene brandende" — 
naar roera , A i ardent desire for fame. 
* — , wil , Will , Intention J Pleasure. 

Begekken , b. w. to Make a gnme of, 
to Turn into ridicule, to Ridicule, 

Jeer, Banter, Befool. 

Begeleiden, b. w. to Accompany , Con- 
duct. 

Begeleider, ra.Accompanier , Companion , 
Conductor, 

Begeleiding, vr. Accompanying, Con- 
ducting. 

Begeleidster, vr. , zie Begeleider. 

Be.nelukzaligen , b. w. toBeatify, Bless, 

Begelukzaliging , vr. Beatifying. 

Begena.ligcn, b. w. to Par'don , to Give 
grace. 

Beqenadiging, vr. het begenadigen. 
Pardoning. * — , vergifFenis , Pardon. 

iJfgeven , ongel. b. w. schenken , als: 
Een arabt — , to Conner an office, to 
Dispose of a vacant office. * ~ , verla- 
icn , als: Zijne krachten begonnen licni 
le — , His strength began to fail him; 
God zal n niet — , God will not leave 
you; Gij znlt mij niet — , Tou will not 
abandon me. *~ CZich), w. w.toGo^ 
Enter., Repair^ Report, to Betake ove^s 
self; Zich naar hnis — , to Go home: 
Zich in den ccht — , to Enter into wed- 
lock, to Marry; Zich terrust — ,/o Betake 
one'^s self to' rest; Zich in gevaar — , 
to f^enture one''s self; Z'ch op devbi": 
— , to Betake one"*! self to flight. 

Begever, m. One that has an ofjicc ;• 
confer. Collator. 



88 



BKCK 



Begeving, vv. Conferring (^of an office^, 
*— , Leavings Abandoning. 

Begieten, ongel. b. w. to IVater ^ Be- 
sprinkle; fig. Een werk — , to Drink on 
the success of a commenced work. 

Begieter, m. One that waters, 

Begieting, vr. TFatering. 

Begietster, vr. , zie Bejjierer. 

Begilcigen, b. w. to Present .^ to Make a 
present of; leniand met iecs — , to Pre- 
sent one with a thing; lemand met ecu 
ambt— , to Confer an office on one; Eeu 
godshuis — y to Endow an hospital or 
almshouse, 

Begifciger, m. One that presents another 
with a thing. * — , inzond. van een lios- 
pitaal, enz. , Donor. 

Begifciging, vr. Presenting with. * — , 
inzond. , Donation, 

Begifcigster, vr. , zie Begifciger. 

Begijn, vr. Beguin. 

Begijnekoek, m, a kind of ginger- 
bread, 

Begijnenhof, o. Convent ofbeguins. 

Begin , o. Beginning , Commencement ; — 
vail een* veldtogt, Opening of a cam- 
pain; — van een werk, Entrance. * — , 
oorsprong, Origin^ Original, 

Begt.ng, V. t. , zie Begaan. 

Beginnen,o/7^^/. b. en o. w. met Hebben,een 
begin makcn , to Begin , Commence ; — te 
lagchen , to Fall a laughing. * — , aanvan- 
gen , ondernemen , to Commence ^Under- 
take ^ to Enter upon ^ Z)ojWat zultgij 
nu — ? , TFhat will you go about 
now ? 

Beginner, m. Beginner., Novice ^Tyro. 

Beginsel, o. aanvang. Beginning. * — , 
aanvangsgrond, Principle , Element , Ru- 
diment; Kwade beginselen (^grondbegin- 
selen) , Bad principles ; Beginseleneener 
weienschap , Elements of a science, 

Beginselloos, bv. Unprincipled, 

Beginster, vr. Beginner. 

Beglimpen, b. w. , zie (bij Glimp) Een* 
glitnp aan iets geven. 

BegUmping ,vr. Colouring ^Making plau- 
sible. 

Begluren, b. w. tj Leer or Peep at ^ to 
Spy. 

Begluring, vr. Leering at. Spying. 

Begliuirder, m. , Begluurster, vr. One 
that leers or peeps at , Spy, 

Begon , V. t. , zie Beginnen, 

Begonnen, v. dw. , zie Beginnen, 

Begoochelaar, m. , Begoochelaarster, vr, 
Deluder, Beguiler y Enchanter. 



BEGO 

Begoociielen, b. w. te Fascinate, Delude, 
Beguile , Bewitch , Enchant. 

Begoocbelins , vr. Fascination , Delusion, 
Illusion^ Witchcraft , Enchantment. 

Begooijen, b. w. gooijende bereiken, to 
Throw at , to Throw as far as.* — , op 
iets gooijcn, to Throw on, to Cover. 

Begoot, V. c. , zie Begieten. 

Bcgoten, v. dw. , zie Begieten. 

Eegraafplaats , vr. Burying-place , Church' 
yard, * — , Sepulchre^ Grave. 

Begraasd , bv. Covered with grass , Grassy. 
* — ', een' grassmaak hebbende, als : B'e- 
graasde boter , zie hec betere Grasboter. 

Begraaiiwen , b. w. to Snarl or Growl at. 

Begraauwing , vr. Snarlingor Growling at, 

Begrafenis , vr. Burial , Interment , Sepul- 
ture , Obsequies, pi. 

Begrafenisbidder , m. Inviter to burials, 
a person employed for inviting relations 
to a burial and giving notice of a decease. 

Begrafenisfonds , o. Burial fund. 

Begrafeniskosten, m. ineerv. Funeral 
charges, 

Begraven, ongel. b. w. to Bury ^ Inter; 
fig. Ach ! dat het in vergetelheid begra- 
ven ware .', /^Fb///^ to God, that it were 
buried in oblivion. * — (Zich), w. w. zich 
verschansen , to Be intrenched. 

Begraving, vr. Burying; zie ook Begra- 
fenis. 

Begreep, v. t. , zie Begrijpen. 

Begrensd, (v. dw. van het verond. Be- 
grenzen, van grenzen voorzien.) *— , 
bv. fig. Limited. 

Begrensdheld, vr. fig. Being limited. Li- 
mitation ; zie ook Bekrompenheid. 

Begrepen , v. dw , zie Begrijpen. 

Begrijnen, ongel. en geLh.vf. to Bewail , 
zie Grijnen. 

Begrijnzen , b. w. , zie Aangrljnzen, 

Begrijpelijk , bv. te begrijpen, Intelligi- 
ble , Comprehensible , Conceivable. * — , 
goed van hegvlp ^ Quick of apprehension. 
* — , bw. Intelligibly , Comprehensibly. 

Begrijpeljjkheid, vr. Intelligihleness , Con- 
ceivableness, * — , Quickness of appre- 
hension, 

Begrijpen , ongel. b. w. grijpende vatren, 
to Seize , Catch. * — , behelzen , to Con- 
tain , -Comprehend , Encompass ; Dat is 
hieronder niet begrepen, T/.'<7/ is not in- 
cluded; fig. met het verstand bevatten , 
to Understand , Comprehend , Conceive. 

Begrimmen, zie Aangrimmen. 

Begrimming, zie Aani^rimming. 

Begrinten, b. w, to Gravel. 



^ 



BEGR 



Bi:ii\ 



89 



BegrJncing, vr. Gravelling. 

Bej^rip , o. elke voorstelling der z'el, Idea^ 
Notion. * — , verstand , oordeel , Ap- 
prehension , Judgement ; Schrander van 
-^ zijn , to Be quick of apprehension. ♦— , 
hetgene beknopt en begrijpelijk zamcn- 
gevat is, als: Een kort — eenerleer,^ 
compendium , Summary , Abridgement of 
a doctrine. 

Begi'oef, V. t. , zie Begraven, 

Begroeijcn, b. en o. w. raec Zijn, to 
Overgrow, 

Begroeijing, vr. Overgrowing, 
' Begroeten, b. w. to Salute., Greet. 

Begroeting , vr. Saluting^ Greeting , 
Salutation. 

Begrommelen, b. w. to Begrime, 

Begromtnen , b. w, to Grumble at. 

Begrooien , b. w. to Compute , Estimate, 
Tax, Rate, Value, 

Be^rooting, vr. Computation y etc,,, zie 
Begrooten. ♦ — , inzond. van *s lands uit- 
gaven en inkomsten , Budget, 

Begruizen , b. w. to Soil. 

Beguichelaar, enz., zie Begoochehar, enz. 

Begdnstigen, b. -w. to Favour , Patronise, 
to Promote one^s interest; fig. to Promote, 
to Be favourable , to Favour, 

Begunstiger, m. Favourer, Protector, 
Patron. 

Begunstiging, vr. Favour, Protection, 
Patrocinatinn , Patronage ; fig. Oiider — 
van den wind, By favour of the wind. 

Begiinstigster, vr. Favourer ^ Protectress, 
Patroness. 

Behaard , bv. Hairy, 

Bchagelijk, bv. Pleasing, Grateful,, Agree* 
able , Delightful, * — , bw. Pleasing- 
ly , etc. 

Bt'hagelijkheid, vr. Pleasingness , Grate- 
ful ties s. 

Behajren, b. w. to Please ySuit, to Agree 
with ; Zij — niij nice. They do not please 
me , I do not like them. * — , o. Pleasure, 
Liking to a things to Like it, to Be pleased 
by it. 

Behaging, vr. Pleasing. 

Bclialcn , b. w. to Obtain ^ Get ^ Carry; 
pc overwinning — , to Get orQntaiii the 
victory^ to Get the better of it ; Den prijs 
— , to TVin the prize; fig. berrckken, 
als : Gij moet niij daariu nice — , You must 
not compromit me in that business ; Ik wil 
in die zaak niet bchaaW zijn, I don'' t like 
to appear as interfering. 

Behaliag, vr. Obtaining, «/r. , zie Bc- 
halcn. 



Behalve, bw. Except, Save.*—-,Besi(tes, 

Bchandelcn, b. w. to Handle, manage; 
fig. zich omtrent iemard gedragen , to 
Use , Treat , to Deal with, * — , met den 
ceesc bearbeiden, to Treat upon, to 
Treat. 

Behandeling , vr. Handling ; fig. Treating, 
Treatment , Usage. * — , Treating upon. 

Behandigen, b. w. toWeliver , Transmit, 
Hand. 

Behandiging , vr. Delivering. 

Bebangen , ongel, b. w. to Hang (^with 
tapestry ). 

Behanger , m. One that hangs rooms ordeals 
in hangings , Paper-hanger. 

Behangersjongen, m. Paper-hanger'*S'boy. 

Behangerskneoht, m. Paper-hanger" s man. 

Behangerspap, vr. Paper-hanger'^s paste. 

Behangerstrap,vr. Paper-hanger'' s steps, pi. 

Behangerswinkel, m. Paper-h anger'' s shop. 

Behanjisel, o. Han gings,pl.. Tapestry, • — , 
gordijn , Curtain, 

Behangselpapier, o. Paper-hangings, pi. 

Beharcigen, b. w. to Mind, to Take t9 
heart. 

Behartigenswaardig , bv. Worth reflection. 

Bchartiger, m. One that takes to heart. 

Behartiging, vr. Minding, Taking to 
heart. 

Behartigster, vr. , zie Behariiger. 

Behebd, (v. dw. van hec ongebr. Bebcb- 
ben.) ♦ — , hv. Subject or Liable to J Af- 
fected , with. 

Beheer. o. Management, Direction. 

Beheerder, m. Manager , Administrator, 
Director. 

Beheeren , b. w. to Manage, Govern, Ad- 
minister, Direct. 

Beheering , vr. Administration , Manage 
ment , Direction, 

Beheer.Nchen, b. w. to Rule, Manage ^ 
Govern. •— , in dc spraakk, , zie Re- 
geren. 

Beheer.«cher, m. Ruler, Blaster, LorJ , 
Sovereign. 

Beliccrschir.g,vr. Rule., Government., Com- 
mand , Sway, Authority, Dominion, 
Empire. 

Behccrschster, vr. Ruler, zie Behcer- 
schcr. 

Beheerstcr, vr. Manager, Administratrix. 

Bebeinen, z'c Omlieincn. 

Bchcining, zie Ombeining. 

Bebekscn , b. w. i^emeenz. , to Bewitch. 

Bchcksing, vr. Bewitching , Bewitchcry. 

Behelpen (Zich), ongel. w. w. zich bcdic- 
nen, to Avail one's selj\of^^^f icvreden 



90 



BEIIE 



zijn met, to Blake sIuTnvith; Zicb zeer 
moeten — , to Live miserably, 

Behelzen, b. w. to ContaitJ. 

Behemoi , m. zeepaard , Behemot. 

Behendi;^ , bv. Ilandv , Dexterous^ Adroit^ 
Agile, Clever, Expert , Nimble , Ex- 
peditious. * — , loos , Sly , Cunning. * — , 
bw. Dexterously , Cleverly , Expertly , 
Nimbly , Expeditiously. * — , Slily , Cun- 
ningly. 

Behendiglieid, vr. Handinest, Dexterity^ 
Cleverness , Nlmblene^s. *— , Sliness, 

Beliendiglijk, zie Behendig,bvv. 

Bchield, v. t. , zie Behouden. 

Bshielp, V. t. , zie Bebelpen. 

Behieiiw, v. i. , zie Bchouwen. 

Behing, v. t. , zie Behangcn. 

Behoeden , b. w, /o Guard, Preserve, 
Shelter, Keep, TV. itch. Save. 

Behoeder, m. Guarder ^ Preserver, 

Behoeding, vr. Guarding, Preservation. 

Bohoedraiddel, o. Preservative. 

Behoedscer, vr. , zie Behoeder. 

Behoedzaam ,hv. Prudent, Cautiaus , Cir 
cumspect. Heedful. * ~ , bw. Prudently. 

Behoedzaamheid , vr. Prudence , Cautious- 
ness , Caution , Circumspection , Heed- 
fulness. 

Behoer, o. bijna veroud. nog overig in: 
Ten behoeve van. For the sake of,In 
behalf of; Te inijnen behoeve. In my 
behalf. 

Behoefte, vn nooddrufc. Want, Need. 
* — , in zamenst. at iieij^eoe toe iecs noo- 
digis, als: Krijgsbehoeften , Ammuni- 
tion ; Mondi^ehoefcen , Victuals. Zie de 
zamen^cst. woorden. 

B^'lioefcig , bv. Needy, Necessitous , In- 
d'gent .Penurious , Poor. * — , hy^.Nee- 
dily , Poorly. • 

Behocfiigheid, vr. Indigence, Penury, 
Poverty, TVant. 

Behoeven , b. w. to Want, Need, to Be 
in need Qwatit) of, to Have occasion fur; 
sprw. Goede wijn bchoefc geen' krans. 
Good wine needs no hush. * — , o. w. 
met Hebben, to Need, to Be neces- 
sary, 

Behooren , o. w. met Hebben , betanie- 
lijkheidshalve moeten , to Be proper, 
or suitable , OugJit ; Gij behoordec dat 
gedaan te hebben, Tou ought to have 
{should have") done that. * — , toebe- 
hooren , to Belong, * — , vereischt wor- 
den , to Be required or requisite. * — , o, 
als: Naar — , A< it ofght to be. 
Behoorlijk, bv. Proffer, Due, Fit, De- 



BEHO 

cent. Right. ♦ — , bw. Properly , Duly. 
Ijehoorlijkheid, vr. Properness. 
Behoud , o. Preservation, Safity, 
Behoiiden , onreg. b. w. to Keep ; van daa.r: 

Zijn arabt — , to Remain in one"* s office. 

* — , verlossen, to Save. * — , (v. dw., 

zie^jet werkw.) * — , bv. Safe. 
Behoudenis, vr, zie Behoud. 
Beh oudens , voorz. Save, 
Bchoiider, in. Preserver. 
Bchouding, vr. Keeping. * — , Preserving. 
Behoudsier, vr. , zie Behouder. 
Behouwen , ongel. h. w. to Hew. 
Behuisd, bv. , zie Gehuisd. 
Behuizing, zie Iluizing. 
Behulp, o. hecgene tot iets hclpt, als: 

Met kan tot — dienen,// may serve for 

a shift. 
Behulpzaam , hv. Assisting. * — , tot hel- 

pen genegen , Helpful, Kind ^ Willing 

to assist. Serviceable. 
Behulpzaamheid, vr. Aid, Assistance. *—, 

Readiness to help. 

Behuwdbroeder, m. Brother-in-law. 
Behuwddochter, vr. Daughter-in-law. 
Behuwdmoeder , vr. Mother-in-law. 
Behuwdvader, m. Father-in-law, 
Behuwdzoon , m. Son-in-law, 
Behuwdziister, vr. Sister-in law, 
Behuwelijken, b. w. to Get by marriage. 
Behuwen, b. w. , zie Behuwelijken.*—, 

zie Behuwd in de zamengest. woorden. 
Bei , vr. , zie Bes. 
Beide , vr. Both ; Gij beide , Both of you; 

De — vrienden , Both the friends ; Geen 

van -, Neither; Ecu van — , Either. 
Beiden , o. w. met Hebben , to Abide , 

Bide, Tarry, Stay. * — , h. w. to Stay 

or Wait for. 
Beiderhande , Betderlei , bv. Of both kinds. 
Beijeren, o. w. met Hebben, to Chime, 

to Play upon the bells. * — , in scram ige 

streken , slmgeren , to Dangle, 
Beij"eraar, m. Chimer, 
Beijering, vr. Chiming. 
Beijert , m. , zie Bajert. * — , in eene her- 

berg, Commonhall , Public room. Tap- 
room. 

Beijveraar, m. One that endeavours, Zealot. 
Beijveren (Zich), b. w. to Apply one^s 

self zealously to a thing, to Endeavour, 

to Strive. 
Beijvering, vr. Endeavouring, Zeal. 
Bcijzelen, b. w. to Cover with hoar-frost. 
Beijzeling, vr. Covering with hoar-frost. 
Beimel, m. Chisel. 
Beitelaak, m. a kind of boat. 



1^' BE[T 



BRKA 



01 



Beicelen, b. w. to Chisel. 

Beitelhccht , o. Handle of a chisel. 

Beireling , vr. Chiselling. 

Bejnard , hv. Aged ^ Advanced in age. 
Stricken in years. 

Bejaardheid, vr. Age. 

Bejaen,b. w. inde redeneerk. , /£? -<r^^n», 
Assent, 

Bejag , o. Pursuit , Aim , Intent^ Purport, 

Bejagen , ongel. en gel. b. w. ovtral jagcn, 
als : Ilet land — , to Hunt all about the 
country. * — , verkrijgen , to Get. * — , 
screven naar iets, als: Zijn voordeel — , 
to Strive or Stand for one''s interest. 

Bejamraeren , b. w. to Lament, Bemoan, 
Piiy , Deplore. 

Cejammerenswaardi^ , bv. Lnmentable , 
Deplorable, * — , bw. Lamentably , De- 
plorably. 

Bejaramerenswaardighcid, vr. Being lamen- 
table^ Deplorableness. 

Beie<>enen, b. w. ontmoeten , to Meet , to 
Meet with ^ to Light upon. * — , behan- 
deleu , to Use , Treat. 

Beje evening , vr. Bleeting. * — , Treatment, 
Usage. 

Bcjoeg, V. t. , zie Bejagen. 

Bek, m. van een* vogel , Bill, Beah, 
Nib. * — , van een viervoeiijj dier, JMouth, 
Muzzlc,Chaps^ pl.^Jaw;aEcT\ paanlden— 
afrijden , ook : Een paard — afrjjden(nf: 
bekaf rijden), to Override a horse ; fig. 
— af zijn , to Be quite spent with fatigue. 
* — ,gcmeen, van menschen , Mouthy 
Chaps, pi.; fig. Icmand den — snoercn , to 
Make one hold one''s tongue ;fi'j;. Bekken 
trckken, to BLike faces or wry moutJis. 
* — , van eene pen. Nib. * — ,vauecnc 
schroef. Chaps ^ pi. 

Bekaaid , bv. van visch , door het Tang op 
dc kaai liggen bedorven , als: Bckaaide 
visch , Fish that is half dead by having 
lain too long on the quay; fic>. vcrlcgcn, 
als: Ilij stond er — van, He was quite 
confounded, at a loss , at anon-plus.*— , 
vin schepen , door dc hitie geborsten , 
//;// of rents or cracks. 
Bokaden, b. w. to Surround with dikes 
dams. 

Bokakken,b. w. gemcen , to Beshite , to 

Fnil with ordure. 
Bckalken, b. w. to Besmear with lime, 
]kkal<ing, vr. Besmearing with live. 
Ikkallen, b. \v. bcpratcn, to Talk (ore 
into something, ieina\idiot \cr$) ,to P''r- 
stiadc.,^ — , lastercn, /o /i/^/'/ V ' 

' ter by slander^ to Slander. 



Bekamen, z-e Bekancn. 

Bekampen, b. w. to Fight, Withstand. 

Bekainping, vr. Fighting. 

Bekanen , o. w. mec Zijn , to Become musty 
or mouldy, 

Bekeef , v. t. , zie Bekijven. 

Bekeek, v. c. , zie Bekijken. 

Bckeeren , b. w. to Convert. 

Bekeerder, m. Converter. * — , zendeiing, 
Blissionary, 

Rekeering , vr. Conversion. 

Bekeerlijk, bv. Convertible, 

Bekeerlijkheid , vr. Convertibility. 

Bekeerling, m. en vr. Convert. 

Bekeerster, vr. , zie Bekeerder. 

Bekeken, v. dw , zie Bekijken. 

Bekend, (v. dw. , zie Bekenncn.) ♦ — , 
bv. Known ^ Public^ Notorious ; lets als 
— aannemen, to Take something for grant- 
ed; lecs — maken , to Make a thing 
known., to Divulge or Publish it; Ilex. 
zal weidra — worden , It will soon become 
public , get abroad or be spread about ; 
sprw^. Naar den bekenden weg vrageli , 
to Inquire about a thing one knows already. 
* — , in kennis , Acquainted , FamiJia'r; 
IMec iemand — worden , /o Get acquaint- 
ed with one ; Iemand met ... — inaken , 
to Blake one acquainted with . . . ; Ik zal 
u me: die familie — maken , Pll introduce 
you to that family, 

Bekeiide, m, en vr. Acquaintance. 

Bekcndraaker, m. One that makes known. 
Publisher. 

Dekeiidmaking, vr. JSotification , Publi- 
cation, Proclamation, Advertistment. 

Bekeiidwording, \r. Spreading or Getting 
abroad. * — , Golfing acquainted. 

Bekennen ,b. w. belijden, to Confess, Own, 
Acknowledge , Avow. ♦— , ondcrscheidcn, 
to Distinguish. ♦ — , beslapen , to Lie 
with. *— , in een' bijbeis. z\n , predi- 
ken , to Preach the doctrine rf 

Bckenner, m. One that confesses. Confess- 
er, * — , Preacher. 

Bekcnning, \r. Confessing, Owning.* — , 
Lying with, 

Bekencenis, vr. Confession , Avowal , Ac- 
knowledgement. 

Btkcr, ni. Cup, Goblet, Bowl, Beaker, 
Bumper ; fi^. Vtcl van iien — houden , to 
Be a lover of drinking. ^ 

Bckcren , o. w. mcr Ilebbcn, to Tipple, 
Tope, Guzzle., to Drink hard. 
Bekerliout, o, bij houik. , Round titnher. 
Bekcnrdor, m. One that seizet atu! ''.. . 

i BckeurLM), b, w. to Seize and fi:t^\ 



92 



BI KE 



Bekeiiring , vr. Seizing and fining. 
Bekeven, v. dw-, zie Bekijven. 
BekijTsier, vr., zie Bekijver. 
Bekijk,o. , als: Vcel bekijks hcbben , to 

Be much looked at, to Be stared at, to 

Draw all eyes upon one. 
Bekijken, ongel. b. w. to Look at, to Behold, 

yiew. Contemplate, 
Bekijker, m. Looker at , Beholder. 
Bekijking , vr. Looking at. Beholding, 

Contemplation. * — , bekijk : Veel — heb- 

ben, zie Bekijk. 
Bckijkster, vr., zie Bekijker. 
Bekijven, ongel. b. w. to Chide, Scold, 

Rebuke , Reprimand. 
Bekijver, in. Rehuker , Chider. 
Bekijving, vr. Chiding, Scolding* 
Bekje , o. verkl, w. , zie Bek. *— , inzond. 

fiemeenz,, Btiss , Kiss. * — , bakkesje, 

•Is: Dat is een lief — , That is a sweet 

pretty girl ; Mijii lieve — , My darling!, 

My love! 
Bekkeu , o. Basin ,* Een barbiers — , zie 

Scheerbekken. * — , voor zieken , zie 

Ondersteek. * — , in de onileedk.. Basin; 

fig, Koopman&chap in bet — leggen, 

(openbaar te koop stellen,) to Offer 

wares by public sale ; In het — verkoopen, 

to Sell publicly , by open sale. 
Bekken , o. w. met Ilebben , in de scheepv. 

gebr. le veel op Aen wind lij?gen , to Luff 

up too much of one^s self. 
Bekkensel, o. Skull, Cranium, 
Bekkeneelberg, m. in de bijbels. gescbied., 

Calvaria, 
Bekkeneelnaad, m, in de ontleedkunde, 

Suture. 
Bekkeneelvlies, o. in de ontleedkunde, 

pericranium. 
Bedlaagde , m. en vr. in regten, Defendant, 
Beklaagster, vr. , zie Beklager. 
Bekladden , b. w. to Bedaub , Bedash , 

Besmirch , Bespatter , Soil , Sully, Stain; 

fig. to Stain or Blast one'^s character or 

reputation. 
Bekladder, m. One that stains , etc.; fig. 

Slanderer. 
Bekladdingjvr. Staining^ etc.;^g.Staining 

one'^s character. Slandering , Slander, 
Bekladster , vr. , zie Bekladder. 
Beklag, o. Co«/?o//;;^, Commiseration; In 

hec — zijn, to Be pitied, * — , klagt, 

Complaint, 
Beklagelijk, bv. Deplorable^ Lamentable, 

Pitiful , Sad. * — , bw. Deplorably, Piti- 
fully , Sadly. 
Beklagelijkheid , vr. DepJorahleness. 



BEKL 

Beklagen, b. w. to Pity, Commiserate ^ 
De,plore, Regret , Lament , Bewail , Be- 
moan. * — , aankiagen , to Accuse, Im- 
peach, to Inform against ;ls:m2y)dh\jhei 
geregt — , to Inform (^Dress a complaitit} 
against one. * - CZich),w. vf. to Com- 
plain. * — , reden van berouw hebben, 
to Repent {of a thing"). 

Beklagenswaardig , bv. Commiserable , 
Pitiable. 

Beklager , m. One that pities ^ etc^ , Pi tier. 
* — , Informer. 

Beklaging,vr.Coww/;^r^/;V;^. • — ,Inform' 
ing. Information., Impeachment, 

Beklanc, bv. als : Een beklante winkel, 
A shop that has a great many customers, 

Beklappen , bw. to Betray, 

Beklapper, m. Betrayer. 

Beklapping , vr. Betraying, 

Beklapster , vr. , zie Bekbipper. 

Beklaiueren , b. w. to Clamber upon, 

Bekleedeii, b. vf. t9 Cover , Deck or Array 
with garments , to Clothe ; fig-, opsrauk- 
ken , to Give a good turn or a colouring 
to {a thing). * -— , bij dichr. , als: Ilec 
veld met gras — , to Array the fields with 
verdure. * — , met planken beschieten , 
als: Een schip — , to Cover a ship^s 
sides with planks; Een' muur — , to 
Wainscot a wall. * — , ieraand lets opdra- 
gen , dat tot eer verscrekt, als: lemand 
met een ambt , een' titel — , to Invest 
one with an office, a title.* — , waarne- 
men , als ; Een ambt — ,to Bear an office, 
to Occupy /5(/)o^;,'lemandsplaats— , to Re- 
present one, 

Bekleeder, m. One that covers , etc, zie 
Bekleeden. 

Bekleeding, vr. Cov^r/;;^, zie Bekleeden. 

Bekleedsel, o. Covering , z\e Bek eeden 
in alle beteeken. , behalve in de twee 
laacsce. 

Bekleedster, vr. , zie Bekleeder, 

Beklemd, (v. dw. , zie Beklemmen.)*— , 
bv. Oppressed, Anxious, 

Beklenidheid, vr. Oppression, Anxiety. 

Beklemmen, b. -w. klemmen , te Pinch; 
fig. to Distress, Afflict. Zie ook Beklemd. 

Beklemniing , vr. Pinching ; fig. Distress- 
ing , Anxiety. * — , ( in sommige gewes - 
ten ,) a charge laid upon a farm; Met 
eene eeuwige — , Liable to a charge of 
a loo years, zie Eeuwig. 

Beklijven , o. w. to Stick or Cleave; fi^. 
voorspoedig zijn, to Succeed ; sprw. Blij- 
ven doet — , A rolling stone catches or 

I gathers oo moss. 



I 



BEKL 



BERO 



93 



Beklitnmen, ongeh b. w. to Climb ttpon^ 

to Ascend; Een' berg — , /o Climb upon 

II hill; De muren eenerstad — , toScale 

the walls of a town. 
Bcklimraer, m. One that ascends or scales, 
Ueklimming, vr. Ascending or Scaling. 
Beklimster , vr. , zie IJeklimmer. 
Beklinken, ongel. h. w. to Rivetj fig. 

Die zaak is beklonken. That affair is 

brought to a conclusion. 
Beklom, v. t., zie Bekliramen, 
Beklommen, v. cUv. , zie Beklimmen. 
Beklonk, v. r., zie Beklinken. 
Bekloiueren, b. w» to Dirty , Bespatter, 

Bemire. 

Beklontering, vr. Dirtying. 
Beknaauwen, b. w. to BegnaWj to Gnaw at, 
Beknabbelen, b. w. to JVibble at, 
iieknabbeling , vr. DUibbling at» 
Jkkneep , v. t. , zie Beknijpen. 
Beknellen, zie Beklemmen. 
Bcknepen , v. dw. , zie Beknijpen. 
Bcknibbelen, b. w. to Haggle, Higgle, 

Cheapen, to Beat down the price, Z'le 

Afdingen. 
Bcknibbcling, vr. Cheapening , etc. 
Beknijpen, ongel, h, w. to Pinch or 

Squeeze off", 
Bcknopt, bv. Concise , Compendious , Suc- 
cinct, Brief , Short. * — ,W. Concisely, 

In a narrow compass, 
Bcknoptheid, vr. Conciseness , Compendi- 

ousness y Succinctness, Brevity, Short- 

iiess, 

iBeknorren , b. vi. to Grumble at, to Chide, 
Rebuke, Reprimand. 
Bckocht, V. t. en v. dw. , zie Bekoopen. 
* — , inzond. in den koop bedrogen, 
als : Met of Aaniets — zijn, to Be over- 
7 cached with something, to Have bought 
a tiling too dear. 
Bckoelen, b. en o. w. met Zijn, to Cool. 
Bckoeling, vr. Cooling. 
Bckoken, b. w. met de spljsvcrzorging 
van iemand bclast zijn, to Board one, 
to Cook for one; fig. Ecne bekookte ver- 
haiuleling , An elaborate treatise. 
Bekoking , vr. Cooking^ for one. 
iBckonielijk, bv. Obtainable , to Be had, 

Cowcatable. 
Bckoracn , onreg, b, w. to Get ^ Obtain ; 
Dat boek is met mcer tc— , TJiat book 
is no more to be got or had, * — , ont- 
vangen, to Get, Receive.* — , o. w. toe 
mu of schadc verstrckkcn , als : Die spijs 
bekomt mij wcl , That meat agrees well 
with me; Wei bekome hec u ! , Much 



good may it do you ! ; Zijne brooddron- 
kenheid zalhem slechc — , He will repent 
of his wantonness. * — , beter worden , 
als: Die plane is veel — , That plant is 
greatly improved; Hij begint wat le— , 
He begins to recover , to come to, 

Bekoraing, vr. Getting, Receiving. 

Bekommerd, (v. dw. , zie Bekommeren.) 

* — , bv. Concerned , Uneasy , Anxious. 
Bekommerdheid, vr.,zie Bekommeringin 

de 2. beteekenis. 

Bekommeren, b. w. to Trouble, Afflict, 
Disquiet ;Dzi bekommerc mii niec , That 
does not trouble me , That does not give 
me any concern or uneasiness ; Z'\ch over 
iets — , to Mind, to Care for, to Con- 
cern one''s self with , to Trouble one^s head 
about. 

Bckommering, vr. Troubling, e/c. ♦ — , 
Care , Anxiety , Grief, Solicitude , Con- 
cern. 

Bekoramernis, vr. , zie Bekommering in 
de 2. beteekenis. 

Bekomst, vr. gemeenz. , Fill, Satiation ; 
Ik heb mijne — daarvan , I have my belly 
full; fig. Ik heb mijne — van die'zaak , 
/ have got my full of that business , I do 
not care for meddling any more with that 
business , I am sick uf it. 

Bekoopen , onreg. h. w. fig. als : Hij zal 
het met den hals moeccn — , It will cost 
him his life.* — ,raetofaaQ ieisbekochc 
zijn, zie Bekocht. 

Bekoordcr, m. Charmer. * — , Tempter. 

* — , Enticer , Seducer. 
Bekoorlijk, bv. Charming, Ravishing, 

Attractive, * — , bw. Charmingly, 

Bekoorlijkheid, vr. Charmingnes's , At- 
tractiveness. * — , als: Bekoorlijkhcdcu, 
meerv. Charms, 

Bekoorster, vr. , zie Bekoorder. 

Bekoren, b. w. berooveren, to Charm ; 
Ilij is van haar bekoord , //<; is charmed 
(smitten^ with her. * — , verzoeken , to 
Tempt. ♦ — , verleiden , to Seduce , En- 
t}ce. 

Bekoring , vr. Charming. * — , Tempting, 
Temptation. ♦ — , Seducing , Enticement. 

Bekorstcu , b. w. to Jincrust. 

Bekorten, b. w. to Shorten , Abridge ; fig. 
Iemand in iets — , to Overreach one. 

Bekorting, vr. Shortening , Abrids^emcnt. 

Bekostigen , b. w. to Defray, to Bear the 
expense of, 

Bekosriger, m. Defrayer. 

Bekostiging, vr. Defraying. 

Bekostigsccr , vr., z e "Bcicostiger. 



94 



BEKO 



r-el^outen, zie Beprateu. 

Ijekrabbelen , b. w. to Scratch all over. 

Bekrabben , b. w. to Scratch, 

Bekraclnij^en , b. w. toConfitm^ Avouch^ 
Authenticatt , Ratify. ^ 

Bekrachtiger, m. Coiifirmer, 

Bekrachtiging, \r.Coi7finnati$n ^ Raiifi' 
cation. 

Bekrachtigster, vr. , zic Bckrachtiger. 

Bekransen, h. w. to JFreath^ Crown ^ 
to Crown or Adorn with garlat'ds. 

Bekransiiij? , vr. JVreathiug^ Crowning 
wit]} garlands, 

Bekrasseti, b. w, to Scratch, to Blake 
scratches upon, 

Bekrassing , vr. Scratching. 

Bekreec, v. t. , zie Ik'krijcen. 

Bekreten, v. dw. , zie Bekrijten. 

Bekreuncn (Zich), w. w. to Mind, to 
Care for ; Wij — ons daarover (ook: 
ons desj niet, TFc don'^t care for that, 

Bekrijgen, zie Beoorlogen. 

Bckrjjging, zie Bcoorloging. 

Bekrijten, ongel. b. w. weinig gcbr. dan 
in het v. dw. Bekreten , tf^et with tears. 

Bekrimpen (Zich), zie Inkrinapen (zich). 

Bekriuiping, zie Inkrimping, 

Bckron-ipen , v. dw. zic Bekrimpen. 
* — , bv. eng., naauw , Narrow , Small ; 
Eene bekrompene woning, A narrow 
habitation i fig. van hart. Narrow- 
minded ; Een — verst?nd , A narrow 
understanding ; In — omstaudigbcden 
zijn, to Be in straitened circumstances. 

* — , bw. Narrowly ;, — wonen, to Be 
narrowly lodged; — leven, to Make a 
poor shift ^ to Live iriscrably, 

Bekrorapenheid, vr. Narrowness, Small- 
ness ; fig. — van harr. Narrow-mind- 
edness ; — van verstnnd, Siiallowness of 
wit; — vanraiddelen^ fFant of fortune. 

Eetri)onen , b. w. to Crown ; fig. Eene 
bekroonde prijsverhancieling , A treatise 
that has obtained the prize. 

Bekrooner, in. One that crowns. 

Bekrooning, vr. Crov,>ning. 

Bekroonster , vr., zie Bekrooner. 

Bekroop , v. t. , zie Bekrulpen. 

Bekropen, v. dw. , zie Bekruipen. 

Bekrozen , (v. dw, van bee veroud. 
werkw. Bekruizen , met roei besraeren.) 

* — , bv. Sooted. 

Bekrniden, b. w. to Season with spices, 
to Spice. 

Bekruijen \ ongel, , cnreg. en gel, b. w, 
Kniijend met iets bedekken , als : Een 
akker met raest — , to Bring dung on 



BEKPi 

a field with a wheelbarrow. * — , op iets 
kruijen, als: Dit pad mag niet bekru d 
worden, // is not allowed to appear with 
a wheel-barrow on this path. 

Bekruipen , ongel. b. w. to Creep or Crawl 
upon or at. * — , in het krijgsw., als: 
Eene schildwacht — , to Surprise a 
sentinel ; fig. De Hefde bekruipt somtijds 
het ongevoeligste hart , Love sometimes 
steals into the most unfeeling heart; 
Een nieisje — , to Lie with (^Deflour ) 
a girl. 

Bekruisen , b. w. kruiswijze bestrij^en , 
als: Kanonnen , die den mondder haven 
— , Pieces of ordnance tJiat command the 
entrance of the harbour on both sides ^ 
Zich — , (bij R. Caih.,) to Cross one*s 
self, to Blake the sign of the cross. 

Bekuipen, b. w. to Coop up in barrels 
or casks ; fig. door kuiperijcn verkrij^en 
of belcggcn, als: Een bekuipt ambt. 
An office obtained by intrigues ; Dacwi»s 
een bekuipt werk , That was a contrived 
plot. 

Bekuiper , m. fig. Intriguer, 

Bekuiping , vr. Cooping up in barrels ; fig. 
Obtaining by intrigues, *— , Contriving. 

Bekuipster, vr. , zie Bekuiper. 

Bekwaaio, bv. gepast , Fit, Proper, 
Qualified ; Ter bekwamer rijd , At the 
proper time , /;; tlie nick of time. * — , 
inzond, van menschcn , de vereischte 
bekwaamh. hebnende, Able, Capable, 
Clever, Qualified. * — , in stiiat orazijne 
bezighedcn te verrigten , en bep. niet 
door dronkenschap verhinderd. Sober. 
* —, bw. Ably, Cleverly. 

Bekwaainheid, vr. Capacity, Aptness, 
Aptitude. * — , Bckwaamheden , mrv. Ta- 
lents,pl., inzond. van den geest ,) P«r;.r, 
pi. ; Een man van grpoce bekwaamheden, 
A man of great parts. 

Bekwaammaker, m., Bekwaaramaakster , 
vr. Qualifier. 

Bekwaammaking, vr. Qualifying. 

Bekwameljjk , zie Bekv/aam , bw. 

Bekw^amen , b. w. to QuAlify ;h]lr\:\Qnkt\ 
gebr. in: Zich — , to Enable ouc'^sself^ 
to Make cne''s self able. 

Bekwaming , vr. Qualifying. 

Bekwelen , b. w. van vogelen , betreurcn, 
to Bemoan , Bewail, 

Bekwijlen,'.b. w. to Slaver, Bespawl. 

Bel, vr. Bell; sprw. zie Aanbin-.^ 
den. * — , in zamenst. ook b^aas, als :^ 
Waterbel , Bubble; zie ook Ilopbel. .;| 
iBelaagster, vr. , zie Belager. 




BELA 

Belappen , b. w. f;emeen, to Detract ^ 
Calumniate^ Slander, 

Belabberd , (v. chv. van bet veroud. Be- 
labberen, Biilcoimeren.) * — , bv. gem. 
in bet algemeen , slecbt, ellendij; , Poor , 
Pitiful; Hij za^ ev — uic , He made a 
pitiful figure. * — , bw. Poorly , Piti- 

Belabberdheid , vr. Pitifulness. 

Belachster, vr. , zie Belagcher. 

Beladdereu, b. w. to Scale. 

Beladdering, vr. Scaling. 

Beladen, oitgel. b. w, to Load {a wag- 
gon^. Lade or Freight {a ship); fig. in 
den bijbelsc: Met zonden — , Loadeu 
or Charged with sift. 

Belading, vr. Loading, Lading. 

Belagchelijk , bv. Ridiculous , Laughable; 
— maken, to Ridicule, * — ,.bw. Ridi- 
culously. 

Bolagchelijkheid , vr. Ridiculousnesi, 

Belagchen , ongel, b. w. to Deride , to 
Laugh at. 

Belagchenswaardig , zie Belagchelijk. 

Belagcher, m. Derider. 

Belagching,. vr. Laughing at ^ Derision. 

Bclagen, b. w. to Lay snares for, to 
Lie in ambush against, to li^ayiay. 

Belager, m. One tnat lays snares. (Jaying. 

Bclaging, vr. Laying snares for , fFay- 

Behikken, b. w. kwaadspreken , to Speak 
ill of, to Slander, Calumniate. * — , 
met iak toemaken, to Seal. 

Bclakker, m. Slanderer, Calumniator. 

Belakking, vr. Slandering, Cahamny, 
* — , Sealing. 

Belaksttr, vr, , zie Bclakker. 

B<.:la;jden, o. \v. met Zijn, to Land ; fig. 
Ik weec nier , v.-aar hij beland is, / 
d!fn''t know what is become of him. 

h'. lang , o. gewigt , Importance , ffeight. 
Moment, Consequence , Import. * — , 
voordeel , Advantage; — bij ic:s heb- 
bcn , to Be interested in a thing; — in 
iecs stelleu, to Interest one''s self in a 
thing; — iu iciuand stelleu , to 
Interest one''s self in one''s favour. 
Selangcloos , bw. Disinterested, Free 

Jro7n self-interest, 

j?)elangeloosheid , vr. Disinterestedness. 
)Clangen, b. \v. betrelFen, enkel gcbr. 
in: Wat mij , (u , cnz.} belaiigt , .^/; 
lior me, {you , etc. ) ; Wat dat (die zaak ) 
belangt. As for {^IVhat concerns') that 
business, 

L'langeude , vr. Concerning ; — d'e zaak, 
\Concsrning ^Relative to) (hat afj^air. 



BELA 



05 



Belanghebbende , m. en vr. Party corcern- 
ed in an affair, 

Belan^hebbcr, m. , Belanghebsrer , vr. , 
zie Belanghebbende, 

Belangrijk, bv. Important, Tf-^eighty , 
Interesti}7g. 

Belangrijkheid, vr. Importance ^ Conse- 
quence, IVeight. 

Belangstelling, vr. Concern, Interest. 

Belangwekkend, bv. Interesting. 

Belangzoeker, m. SelJ-interestcd person , 
S(lfi:h person. 

Behingzoekscer, vr., zie Belangzoeker. 

Belangzuchc, vr. Selfishness. 

BeliingzuchLig , bv. Self-interested , 
Selfish. 

Belappen, b. w. bet lappen ofverstellen 
van iemands goed bezorgen , als : lemand 
— en benaaijen , to Have a ca*e for ail 
that is to be mended or sewed among a 
person''s clothes. * — , met lappen be- 
zetten , to Paich. 

Belas, v. r. , zie Belezen. 

Belastbaar , bv. Taxable. 

Bclasien , b.w. to Load , Burden , Charge; 
fig. schattingen opleg^tu , to Tax., to 
Lay or Impose charges upon. * — , bc- 
velen , to Bid, Order, to Direct one 
to do a thing. 

Belasieren, b. w. to Slander , Calumni- 
ate, Detract, Defame. 

Belastering, vr. Slandering , Calumni- 
ating. 

Bclasjung, vr. Loadirg. * — , inzond. 
schatting , Tax, Imposition, Chatge. 

Belastingsbiljet , o. Bill of taxes, 

Belasringschuldige , m. en vr. Person 
liable to contribution , or obliged to pay 
taxes. 

Belacten, b, w. to Cover with laths, to 
Lath. 

Belderom, vr. , zie Gildos, 

Beleden , v. dw. , zie Belijdcn, 

Beleedj v. t. , zie Belijden. 

Bcleedigen, b. w. toOf'j'end, Insult^ 
IFrong, Injure, to Give off nee y to 
Affront. 

Boicedigend, bv. Offensive, Injur inns. 

Bcleedigu-r , ijj. Offender, Insulter , 
Injur er. 

Be'eedlging, vr. Offence , Insult , Injury, 
Affront. 

B-lccdigster , vr. , zie Belcediger. 

Belccfd, (v. dw. zie Bcleven.) * — , bv. 
P lite. Courteous, JVellbred , Civil. 
*— , bw. P'lUtcly^ Courteously, Civilly. 

Bclcerdelijk , zie Beleet'd, bv/. 



9G 



BELE 



Beleefdheid,' vr. Politeness ^ Good-breed- 
itjg , Courtesy , Civility , Urbanity* 

Eeleefdheidshalve, bw. Out of politeness, 

Beleemen , b, w. to Loam. 

Beleenen , b. w. geld op pand voorschie- 
tea , to Lend upon pawn. ♦ — , geld 
tegeii pand opnemen , to Borrow money 
upon a pawn. * — , als een leengoedop 
iemaud vestigen , to Enfeoff, 

Beleener, m. One who lends or borrows 
on a pawn , etc. 

Beleening , vr. Lending or Borrowing 
upon pawn. * — , Enfeoffment , zic Bc- 
Iceiien, 

Beleenster, vr. , zie Beleener. 

Beleesster, vr. , zie Belezer. 

Beleg, o. Siege; Het — voor eenestad 
slaan , to Lay siege to a town , to Besiege 
a town. 

Belegen, v. dw. zie Beliggen, • — , bv, 
niec versch , Stale. 

Belegeraar, m. Besieger, 

Belegerde , m. Pesieged, 

Belegeren , b. v/. to Besiege; fig. omrin- 
gen , to Besiege. 

Belegering, vr. Besieging, * — , zie Beleg. 

Belegeringsgeschut, o. Besieging artil- 
lery. 

Belegeringskunst; vr. Art of besieging, 

Belegeringstroepen, m. mQcrv, Besieging 
troops, 

Beleggen, onreg, en gel, b. w. to Over- 
lay,^ Cover,* — , (mec zijde") to Lace 
{with silk^. *— ', doeu bijeeu koraen , 
to Appoint (^a meeting). * — , op rente 
zetten, als: Geld — , to Put out money 
to use, * — , bestnren, als: Zijne zakeu 
wel — , to Contrive or Manage one^s 
affairs well, * — , scheepsw. vastsjor- 
ren, als: Een tonw — , to Belay a rope. 

Belegger, m. One that covers, etc, ^ zie 
Beleggen. 

Belegging, vr. , Covering, etc, zie Be- 
leggen. 

Beleghouc, o. sclieepsw", , Belaying cleat. 

Belegsel,-o. Lace, Galloon, Trimming, 
Edgings Bordering {of a garment). 

Belegster, vr. , zie Bolegger. 

Belegstuk, o. , zie Belegsel. 

Beleid, o., overleg^ Prudence, Cau- 
tiousness. * — , bcstiiur. Direction , 
Management. * — , v. dw. zie Beleggen 
en Beleiden. 

Beleide , v. t. , zie Beleggen, 

Beleiden, b. w. to Direct , Manage. 

Bfileider, m. , Bcleidsier, vr. Director, 
Manager, 



BELE 

Belekken , h, w. to fPet or Stain by leak- 
ing, dripping or dropping upon. * — , 
o. w. met Zijn, to Be wetted or stained 
by drops of water , etc. falling upon it } 
zie ook Belikken. 

Belemmeraar, m. , Belemraeraarster, vr. 
Hinder er, 

Belemmeren, b, w. to Hinder, Impede, 
Obstruct, 

Belemmering , vr. Hindering, Impeding, 
* — , hinderpaal , Hinderance , Impedi" 
ment. Obstacle; — der spiaak, Im* 
pediment in one''s speech. 

Belenden , o. w. mec liebben , to Be 
contiguous, 

Belending, vr. Being contiguous , Con- 
tiguity. 

Belet, o. Hinderance, * — , inzond. ver* 
hindering om bezoek teontvangen, als: 
Heefc uvv Iieer ook — ?, Is your master 
unengaged? , May I wait upon your 
master? 

Beletsel, o. Impediment, Hinderance, 
Obstacle. 

Beletcen, b. w. to Prevent, Hinder. 

Beletcing, vr. Preventing ^ Hindering. 

Beleven, b. w. tot een zeker tijdperk 
leven, to Live to see; Wie zal den al- 
gemeenen vrede — ?, HHio will live to 
see a general peace? * — , van daar: 
iecs zien gebeuren , als: Dat beb ik in 
raijn dagen niet beleefd, / never saw 
{experienced^ the like in my lifetime. 

Belezen , ongel. b. w. ecu bezwerings 
yoorschrifc over iemand lezen, to Con- 
jure er Exorcise by reading a conjuror'^s 
formule. * — , door het lezen van toover' 
verzen betooveren, to Enchant, Be- 
witch; van daar: fig. overreden, to 
Persuade. Belezen , Tv. dw. zie hec 
voorg. werkw^.) * — , bv, veel gelezeu 
hebbende, Having read nnich\ Ac- 
quainted with a variety of books , Book- 
teamed, Versed in booh. Read. 

Beiezenheid, vr. Book-learning , Being 
acquainted with a variety of books, 
Reading. * — , bep. van oude schrij vers , 
Erudition. 

Belezer, m. Persuader , zie Belezen. 

Belezing, vr. , Persuasion , zie Belezen. 

Belgeri (Zich), w. w. to Take ill., to 
Resent , io Be angry or displeased.* — bw. 
met den 3. pers. ontevredenmakeu , als: 
Het beige u nlet, dat, enz.. May it 
Hot displease you, etc. 

Belging, vr. Resentment, Anger. 

BeJgziek , bv. Passionate. 



^ 



BELG 



BELO 



97 



Belgziekte, Belgzuclic, xr.Passtonatenesa. 

Belhamel, m. liamel mec eene bel, tot 
geleide der kudde , Bell-wether; fig. 
aanvoerder van rauitelingen , Ring- 
leader, 

Beliefster, vr. , zie Believer. 

Beliegen , ongel. b. w. to Belie. 

Belieger, m. , Beliegster, vr. One that 
belies, 

Beliep, v. t. , zie Beloopen. 

Believen, b. w. met Ilebben, to Please; 
Hij trachtte haar te — , He endeavoured 
to please her; Als 'c u belieft , If it 

? lease you. If you please; Als 'tube- 
iefc, mijn Hecr! (^het antwoord van 
een' knecht die geroepen wordc,) Com- 
ings Sir! * — , ter aanneming van het 
aangebodeue, als: Als 't u beliefc, 
mijn Heer, I thank you ^ Sir. ♦ — , te 
wille zijn, to Gratify one^s desire. *— , 
o.Pleanure^ Liking, Desire, Wish; 
Als het uw — is , If it is your pleasure 
or desire; Naar uw — , As you please. 

Believer, m. One that pleases , etc., zie 
Believen. 

Believing, vr. Pleasing^ etc., zie Be- 
lieven. 

Beligchamen , b, w. to Embody , Incor- 
porate. 

Belijden , ongel. b. w. hekennen, to Con- 
fess , Acknowledge , Own , Avow, ♦ — , 
aankleven, to Profess; Zich metiets— , 
to Make shift with a thing. 

Belijdenis , vr. Confession , Avowal. * — , 
geloofsaankleving, Confession of faith. 
* — , sekte , Communion , Sect , Church, 

Belijder, m. , Belijderes, vr. Confessor, 
Professor, 

Bclijmen, b. w. to Glue, Liming. 

Belijraing, vr. Gluing, Lime. 

Belijnen, b. w. to Draw lines upon, to 
Rule. 

Lelijning, vr. Ruling. 

Bclikken , b. w. to Lick at, to Lick. 

Bclkoord, vr. Bell-rope. 

Bcllcn, o. w. met Hebben , to Ring, to 
Rini^- the bell. * —, b. w. to Ring for. 

Bcloerder, m. Spy. 

Beloeren, b. w. to Spy, 

Ijclocring, vr. Spying. 

licloerster, vr., zie JJeloerder. 

Bclofte, vr. Promise; sprw. — maakt 
schuld, One must be as good as one''s 

\ word. 

Bclofcenis, vr. , zie Belofre. 

Belogun, v. dw. , zie Beliegen. 
IIOLL. ENG. VVBK. 



Beloken, (v. dvr. van hetveroud. werkw. 
Beluiken.) ♦ — , bv. gesloten , Closed 

* — , betrokken, als: Hij zag er — 
uit. He looked frowningiy. * — , even 
voorbij , als : — paschen , Past easier. 

Belomraeren, b, w. to Shade, Over- 
shade. 

Belommering, vr. Shading, 

Belonken , b. w. to Ogle. 

Belonker, m. Ogler. 

Belonking, vr. Ogling, 

Belonkster, vr. , zie Belonker. 

Beloofster, vr. , zie Belover. 

Beloog, V. t. , zie Beliegen. 

Beloonen , b. w. to Reward , Recompense, 
Remunerate , Requite. 

Belooner, m. Rewarder, Requiter. 

Belooning , vr. het beloonen , Rewarding, 
etc.*—, hetgene, waarmedemen iemaiul 
beloont. Recompense, Remuneration, 
Requital. 

Beloonster, vr. , zie Belooner, 

Beloop , o. de gang van lets. Course, 
Way; Dit is 's werelds — , het — 
der wereldsche dingen, That is the 
course of the world; Eene zaak op haar 
— laten, to Leave a thing as it is, to 
Let it have its own course without med- 
dling with it. * — , uicerlijke gedaante , 
Shape; Een schip van een goed — , A 
ship that has a good shape. * — , be- 
drag. Amount. 

Beloopen , ongel, b, w. door loopen be- 
reikeu , to Reach orOvertake by running; 
fig. Door ccn' storm — worden , to Be 
overtaken by a storm. * — , al loopende 
verrigten, als: Ik hcb nog vcel le — , 
/ have still a great tnany errands to do, 
* — , bcdragen, to Amount to. 

Beloven , b. w. toezeggen, to Promise. 

* — , doen verwachtcn , to Bid fair ; 
Een veel belovend joiigeling, A very 
hopeful youth , A promising youth. 

Belover, ra. Prcmiser. 

Beloving, vr. Promising. 

Bclroos , vr. St. Anthony^ s fire. Erysipelas. 

Belt, vr. Heap. 

Beluidcn , Beluijen , b. w. to Ring the 

passing bell , zie Overluiden. 
Beluiken , b. w. veroud. , zie Belokea. 
Beluisteraar, m., Beluisteraarster , vr. 

Eavesdropper. 
Beluisiercn, b. w. to Eavesdrop, to 

Listen, to Overhear. 
Behiistering, vr. Listening. 
Behd, 0. gcmcen, beset, Understand- 



98 



BELU 



ing^ Knowledge; Zijn — kwijt zijn , 
to Have lost one^s wits. 

Belust, (v. dw. , van hec veroud. werkw. 
Belusien.) * — , bv. begeerig, inzond. vaa 
zwan^ere vrouvven, Longing; — opiecs 
zijn , to Long ( Have a longing) for ; Ik 
ben — te weten , / long to kwow. 

Belrstheid, vr. Longing. 

Bemagtigen, b. w. to Conquer^ Subdue^ 
to Take by jorce; Eene stad — , to Take 
or Reduce a town; fig. Eene dicpe zwaar- 
TOoedigheid had hem' bemagcigd , //^ii'^i; 
given to a deep melancholy. 

Bcraagtiging , vr. Conquering ^Suhduing^ 
Taking. 

Beniannen, b. w. to Man., Equip. 

Beiaanning, vr. Manning, * — , scheeps- 
nianschap, Crew, 

Bemantelen , b. w. met een' mantel dek- 
ken , to Cover with a cloak., to Cloak ; fig. 
bewiinpelen , to Cloak , Palliate , Colour. 

* — , in de krijgsk. , to Fortify or Sur- 
round with ramparts. 

Bemanteling, vr. Cloaking. 

Bemascen, b. w. to Mast, 

Bcmasting , vr. Masting. * — , Masts , pi. 

Bemerkbaar, bv. Perceptible, Percei- 
vable. 

Bemerkbaarheid , vr. Perceptibility. 

Bemerken, b. w. to Perceive, Remark, 
Discover, to Take notice of. 

Beraerker, ra. Perceiver. 

Bemerkinff,vr. hec bemerken, P<?rc5;V/;;^, 
Remarking. * — , zanmQrkiug, Observa- 
tion , Remark. 

Bemerkster, vr. , zie Beraerker. 

Bemesien, b. w. to Dung^ Manure.*—, 
mest. Dung, Manure. 

Bemescing, vr. Dinging, Manuring. 

Bemiddelaar, m. Mediator, Interposer. 

Bemiddelaarster, Bemiddelares, vr. Me- 
diatrix., Interposer. 

Bemiddeld, (v. dw. , zie Bemiddelen.) 

* — , bv. IFarm , At ease , Rich , Monied; 
Hij is een — man , He is a monied (^warm) 
man. 

Bemiddelen, b. w. to Mediate, Accomo- 
date , Compose , Adjust or Settle {a quar- 
rel or dispute). Zie ool< Bemiddeld. 

Beraiddeling, vr. Mediation , Accomoda- 
tion^Adjt^stment or Settlii;g( ofa dispute). 

Beniind, bv. Loved .> Beloved., Dear. 

Beminde , m. en vr. geliefde , Sweetheart. 

* — , ook van getrouwde lieden , als : 
Mijne eerbiedenis aan uwe — , My duty 
to your lady Qspouse , partner). 

Betru-inaar, m. , Beminnaarster , Beminna- 



BEMI 

res, vr. Lover. * — , van eenigeschoo- 
ne kunst , Amateur , Dilettante 

Beminneljjk, bv. Lovely, Amiable, En- 
dearing. * — , bw. Amiably. 

Beminnelijkheict , vr. Loveliness, Amabi- 
lity, Amiableness. 

Betninaen, b. vf. liefhebben, to Love. 
* — , liefhebberij voor lets hebben , to 
Be a lover of, to Like , Fancy , to Be 
fund of, 

Benrmnenswaardig , bv. Lovely , Amiable, 
Endearitig. 

Berainnenswaardigheid, vr. Loveliness, 
Amability , Amiableness. 

Beniodderen, b. w. to Bemire, Mud, 
Bemoil , Dirty. 

Bemoddering, vr. Bemiring, Mudding. 

Bemoedigen, b. w. to Encourage, 

Bemoediger , m. Encourager. 

Bemoediging, vr. Encouraging , Encou- 
ragement. 

Benioedigster, vr. , zie Bemoediger. 

Bemoeial,zie Bedilal. 

Bemueijelijken , b. w. to Thwart ^ Cross, 
Oppose. 

Bemoeijelijking, \t. Thwarting, Crossing, 

BemoeJjen(Zich),\v. w. to Meddle (^with), 
to Concern one^s self {about), to Inter- 
fere {in). 

Bemoeijenis, vr. , zie Bemoeijing. 

Bem'^eijing, \r. Meddling. * — , poging, 
Endeavour , Pains , Trouble. 

Eeiiiol, m. B-flat. 

Bemulsleutel, m. B-flat-clif. 

Bemorsen, b. w. to Dirty, Sully, Soil, 
Bedaub, Foul. 

Bcmosc, (v. diW., van hec ongebr. Be- 
mossen. ) * — , bv. Mo'^sy , Moss-grown. 

Bemuren , b. w. to Wall about , to Encom- 
pass with a wall , to Wall. 

Ben, w. Basket , Seattle, Blaund. 

Ben, I. pers. van den teg, t. der aant.w., 
zie Zijn. 

Benaaijen, b. w. naaijen , to Sow or Stitch 
every where. * — , hetgene voor ieraniid 
genaaid moet worden , bezor2;en , als : 
lemand bewasschen en — , to Have a ac->-e 
for the washing and entertaining of o:.' 
linen. 

Benaarstigen, b. w. to Apply one'^s . 
to, to Study; Zich — , to Exert c/ 
self with assiduity and diligence. 

Benaarsciger, ra. One that applies >- 
exerts one'*s self. 

Benaarsciging, vr. Applying, Exeri':'.^ . 
Application. 

Benaarscigster, vr. , zie Benaarstigen 



■i BENA 

Benaasten, zie Naasten. 

Benaasting, zie Naasting. 

Benaauwd , (v. dw. , zie Benaauwen.) 
* — , bv. eng. , Narrow, Close; — op 
de borsc, Short-breathed, Oppressed. *— , 
bevreesd ^Afraid, Uneasy, Anxious. * — , 
benaauwend , Stifling , Close, Sultry. * — ) 
bw. Narrowly. * — , Anxiously, 

Benaauwdheid , vr. Closeness. * — , Anxie- 
ty , zie Benaauwd. 

Bcnaauwen , b. w. to Bring into straits; 
Zich om eens anders wil — , to Bring one''s 
self into straits for the sake of another; 
Eene scad — , to Annoy Dor is tress a town, 
to Block it up closely , in order to reduce 
it. Zie ook Benaauwd. 

Benaauwer, m. Oppressor. 

Benaauwing, vr. Oppression, Annoyance. 

Benaauwster, vr. , zie Benaauwer. 

Benadeelen , o. w. to Injure , Hurt , Pre- 
judice, Disadvantage ; lemand in ziine 
eer — , to Hurt or Blast one''s reputation. 

Benadeelep, to. One thai hurts, prejudices. 

Benadeeling , vr. het benadeelen, Hurting, 
Prejudicing. * — , nadeel, Hurt, Pre- 
judice. 

Benadeelster, vr. , zie Benadeeler. 
I Benaderen, zie Naascen. 

Benadering , zie Naasting. 

Benam , v. t., zie Benemen. 

Benamcn, zie Benoemen. 

Benaming, vr. hec benamen, iV'^w/w^/;«^, 
Denominating. " — , nzzm , Name , De- 
nomination. 

Benavd , (v. dw„ zie Benarren.)*- , bv. 
Perplexed, Puzzled, At a loss. In a strait. 
Difficult. 

Bcuardhcid , vr. Perplexity , Strait , Con- 
fusion. 

Etnarrcn, b. w. fi^. to Reduce to straits, 
to Perplex, Puzzle. Zie ook Benard. 

Bendti, vr. Band, Troop, Company, (In 
een' kwaden zin,) Gang. 

Boncdcn , vnorz. en bw. Beneath , Below, 
Underneath. * — , inzond. in eene late- 
re verdieping , Down stairs ; Naar — ko- 
men , — kouien , to Come down stairs, 
to Come down ; fii;. Dat is — mij , That is 
too low for me, lam above it. That is 
not consistent with my character. * — , 
zcew. : — den wind , Leeward. Zie de za-' 
inen^f'Stelde woorden, 

iBencdcnbuur, m. Neighbour that lives 

j below. 

|Benedeneinde, o. Lower end. Bottom. 

Ijcncdengevel, m. Lower ^art of t'.e 
front. 



BENE 



99 



Benedenbuis, o. Lower house , Lower part 
of a house 

Benedenkauier, vr. Lower room , Ground' 
room, 

Benedenkant , m. Lower side. 

Benedenland , o. Low land. Low country. 

Benedenlucht, vr. Lower air. 

Benedenraam , vr. en o. Lower window. 

Benedeiirand, m. Lower rim, border. 

Benedenrjjn, m. Lower Rhine. 

Benedenstad , vr. Lower town , Lower part 
of a town. 

Benedenste, bv. Lowermost. * — , o. Lower- 
most part. 

Benedenverdieping , vr. Ground-floor. 

Benedenwoning, vr. Ground-floor. 

Benedenzaal, vr. Salloon or Room on the 
ground-floor. 

BenedijcM. , b. w.« zegenen , (meestbij R. 
cath. gcbr. ,) to Ble^s; De genebedijde 
mnagd. The blessed vitgin. 

Beneemster , vr. , zie Benemer. 

Beiiecn , zie Bei-.eden. 

Beneenen , b. w. to Deny. 

Beneening , vr. Denying , Denial. 

Beneep , v. t. , zie Benijpen. 

Beneffeiis, zie Bcnevens. 

Benemen , ongel. b. w. to Deprive , to Take 
away from ; leniand hec leven — , to Take 
away one''s life. 

Beneiner, m. Dcpriyer.^ 

Beneming, vr. De/.tiving. 

Bencpen , v. dw. , zie Benijpen. *— , bv. 
Puzzled, Perplexed, At a loss. Sad; 
Er zcer — uiizicn , to Look very sad. 

Benepenheid, vr. Perplexity , Sadness. 

Benevelen, b. w. to Clond or Cover with 
a mist or fog; fig. to Cloud, Dim, De 
waarheid — , to Darken the truth ; De 
drifien— het vers'.and , The understand- 
ing is blinded by one''s passions. * — , eea 
weinig dronken maken, to Fuddle. 

Beneveling , vr. Covering with a mist, zie 
Benevelen. 

Bcnevens, zie Nevens. 

Bengel, m. poori- of boomklokje , Little 
bell at a town-gate for giving notice of 
the opening or shutting of it , or of the 
departure of barges vr ships. * -^ , on- 
deugende jongen , Naughty , Ru.e or 
Clownish boy. Blackguard. 

Bengelen , o. w. met llebbeu , toRinr the 
bell, zie Bengel. 

Bengelkruid, o. zckere plint, Blercury. 

'Benieuwen , b. cn o. w. met Ilebben , met 

den 3. onbep. pcrs. als : Het bcnieuwc 

mij ,(^IIctzal mij — ,)ofhij daar gcwccsc 



ICO 



BENIJ 



is,(ook:Ik ben benieuwd , zeer be- 
uieuwd , oiu te weten , of hij daar ge- 
weest is,) / long very much to know whe- 
ther he has been there. 

Benijden, b. w. to Envy, Grudge; Het 
is beter benijd danbeklaagd te zjjn,/?^/- 
ter be envied than pitied. 

Benijdenswaardig, bv. Enviable. 

Benljdenswaardigheid, vr. Enviable con- 
dition. 

Benijder, m. Envier. 

Benijding, vr. Envying. 

Benijdster, vr., zie Benijder. 

Benijpea, ongel. b. w. to Pinch^ Squeeze. 
Zie ook Benepen. 

Benjiun , vr. zekere welriekende bars , 
Benzoin. 

Benne , zie Ben. 

Benoembaar , bv. Denominable. ♦— , Fit to 
be nominated or appointed, 

Benoerabaarheid , vr. Fitness to be nomi- 
nated or appointed. 

Benoemen , b. w. een' naam geven , to 
Name, Denominate. * — , to eenige be- 
diening aansrellen, to Appoint, Nomi- 
nate; Hij werd tot. secretaris benoenid, 
He was appointed secretary. 

Benoemer , m. Denominator, * — , One that 
appoints. 

Benoemingjvr. Naming, Denominating. 
*—, Nomination , Appointment. * — , 
Patent, Diploma. 

Benomen , v. dw. , zie Benemen. 

Benoodigd,(v. dw. van het ongebr werkw. 
Benoodigen.) *— , als: lets — hebben, 
of Om iets — zijn , to Have occasion for 
a thing, to Stand in need of it , toTVant 
it. * — , bv. noodig. Necessary. 

Benoodigdheid , vr. Want , Necessity. * — , 
het noodige, meest enkel: meerv, , Be- 
noodigdheden , Necessaries. 

Benoorden, voorz. en bw. Lying or Situate 
to the north. 

Bent, s. Academy, Society, Company, 
Corporation. 

Bentgenootschap , o. , zie Bent. 

Bentleus, vr. Badge of a corporation, 

Bentnaam, ra. Academical name. 

Bentvogel , m. fig. Member of a corpora- 
tion. 

Benuchteren, b. w. to Make sober, to 
Sober. 

Benuchterjng, vr. Makingsober, Sobering. 

Benzoin , zie Benjain. 

Beoefenaav, ra. One that applies one'' ssplf 
to rr'frtr study or exercise , Student. 

Beoefenaarster , vr. She who studies. 



BEOE 

Beoefencn, b. w. aanleeren , to Study , 
Exercise. * — , nitoefenen , to Profess ^ 
Exercise; van hier : (in de wisk.)Be- 
oefenende (Werkdadige) meetkunde, 
Practical geometry. 

Beoefening, vr. Studying, * — , Profess- 
ing, 

Beolien , b. w. to Oil. 

Beoogen , b, w. bskijken , to Eye , to Look 
at ; fig. bedoelen, to Aim at, to Design, 
Lit end. 

Beooging , vr. Looking at ; fig. Designing, 
Intending. 

Beoordeelaar, m. Judge, Critic. 

Beoordeelaarster , Beoordeelares , vr. 
Judge. 

Beoordeelbaar , adj. To be judged. ^ 

Beoordeelen , b. w. to Judge , Criticize. 

Beoordeeling, "J^' Judging ^ Criticizing, 

* — , Critique , Criticism, 
Beoorlogen , b. w. to War , to Make war 

upon or against. 
Beoorloger, m. One that makes war 

against. 

Beoorloging, vr. Warring, 
Beoosten , voorz. en bw. Lying or Situate 

to the east, 
Bepaald, (v. dw. van Bepalen.} ♦— , bv. 

Fixed, Determined. * — , juist , Precise. 

* — , bw. zie Eepaaldelijk. 
Bepaaldelijk , bw. stellig , Determinately, 

Positively, * — , dn'\Ae\\]V. , :Distinctly. 

Bepaaldheid , vr. Fixedness. * — , Preci- 
sion, 

Bepaalster, vr., zie Bepaler. 

Bepaarlen, b. w. to Pearl ^ to Adorn with 
pearls; Bepareld, Pearled. 

Bepalen, b. w. met palen omringen, to 
Surround with pales ; fig. beperken, als: 
Zijne wenschen — , to Limit one''s desires. 

* — , stuiten, to Set bounds to , to Bound; 
De stroom bepaalde zijne overwinning, 
The river set bounds to his victory. *—, 
vast siellen, to Fix , Appoint, Determine. 

* — , voUedig voorstellen, to Define, to 
Give a definition of. * — , in de spraakk. 
onderscheiden , als : Het bepalend en niet- 
bepalend lidwoord, The definite and in- 
definite article, 

Bepaler , m. One that surrounds with pales^ 

etc. , zie Bepalen. 
Bepaling , vr. Surrounding with pales ; fig. 

Limitation. * — , Determination. * — , 

Definition, zie Bepalen. 
Bepalingswoord, o. Determinative, 
Beparelen , zie Bepaarlen. 
Bepeileu, zie Peilen. 



r 



BEPE 



BEPR 



101 



Bepeiling, zie Peiling. 

Bepeinzea , b. w. to Ruminate or Muse 
upon. 

Bepeinzer, m. Mnser. 

Bepeinzing, vr. Musing. * — , Medita- 
tion. 

Bepekken, zie Bepikken. 

Bepekking, Z'e Bepikking. 

Bepennen , b. w. to Feather^ to Quill. 

Bepenning, vr. Feathering ^ Quilling. 

Bepcrken , b. w. palen oni iets zetten , to 
Fence or Hedge in ^ to Put limits to; fig. 
matigen, to Limits Moderate. 

Beperker , m. One that fences in; fig. One 
til at limits. 

Bepei'king, vr. Fencing in; fig. Limita- 
tion. 

Bepcrkster, vry zie Beperker. 

Beperkc , (v. dw. van Beperken.) * — , 
bv. Jig. Limited^ Narrow. 

Beperktheid , vr. fig. Being limited , 
Narrowness, 

I Bepikken, b. w. to Pitch. 
Bc-'pikking, vr. Pitching. 
Bepisscn, b. w. vulg. to Bepiss, to Piss 

upon. 
Beplakken , b. w. to Paste upon ^to Paste 

over.^ to Cover, 
Beplaicker, m. One that pastes upon. 
''eplakking, vr. Pasting upon. 
Beplaksel, o. Thing pasted upon another. 
;Beplakster, vr. , zie Beplakker. 
Beplauken,* b. w. to Board ^Wainscot. 
Beplanking, vr. Boarding ^J'Fainscoting. 
Beplaiuen , b. -w, to Plant or Set trees on, 

etc.^ to Plant; fig. Met geschuc — , ro 

Plant with cannon, 
Beplantcr, m. One that plants trees, etc,^ 

Planter, 

kplantiiig, vr. Planting. 

>epleisteren, b. w. to Plaster , to Plaster 

over, 

Scp'eistcring, vr. Plastering. 
3eplcicen, b. w. to Defend or Controvert 

by- pleading, to Plead, 

}eplciter, m. Pleader, 

k'pleiiing, vr. Pleading. 

^cplciister, vr. , zie Bepleiter. 

eplocgbaar, bv. Arable. 

icploei^cii, b. w. to Plough, Till. 

icploe^ing, vr. Ploughing, Tilling. 

JcpUiifflcn, b. w, to Plume. 

epluizen , ongel. b. w. to Pick at. 

epoieii, b. w. ,zic Beplanten in de eigen- 

ilijke bcteek, 

icpoting, zie Beplanting. 

epraaigtcr, vr. , zie Bepratcr. 



\ 



Bcpraten, b. w. to Persuade (one into, 
iemand tot) by words, to Weedle one 

(into a thing., iemand tot iets), 

Beprater, m. Persuader. 

Beprating , vr. Persuasion, Wheedling* 

Beproefster, vr. , zie Beproever. 

Beproeven, h,\f, to Try , Essay , to Make 
a trial of. 

Beproever, in. Trier, 

Beproeving , vr. Trial. 

Beraad, o.overleg. Deliberation , Consi- 
deration ; In — nemen , to Take into con- 
sideration, to Consider upon. ♦— , besluit, 
als : Ik heb raijii — bij mij , / am fully 
resolved. 

Beraadslaagster, vr. , zie Beraadslager, 

Beraadslagen, o. w. metHehben, en: Zich 
— , w.w. to Consult, Deliberate, Dis- 
cuss, Debate, 

Beraadslager, m. One shut consults, etc. 

Beraadslaging, vr. Consultation , Delibe- 
ration , Discussion , Debate. 

Beraamster, vr. , zie Beramer. 

Berad, bv. weinig gebr., van rijtuigen of 
raderen : bereden , gebruikt , IJ^ed ; Een 
beradde wagen , A waggon that has been 
used before , that is not quite new. 

Eeraden (Zich), w. w. to Take into con- 
sideration , to Consider upon ; Wei of 
kwalijk beraden iuiecszijn, to Act with 
or without circumspection or due conside- 
ration ; Zich weder — , to Alter one''s 
resolution, 

Beradin^, vr. Taking into consideration. 

Beramen, b. w. to Concert, Contrive, 
Dispose, to Fix upon. (triver. 

Beramer , m. One that concerts , etc , Con- 

Beraming, vr. Concerting^ Contriving^ etc, 

Berberisse, vr. zekere plant, Barberry, 

Berbcrissestruik , m. Barberry. 

Berd , o. (enkel gebr. in :) Te berdc bren- 
gcn , to Bring upon the carpet ., to Allege, 
Quote .^ Produce, Propose, Blove, 

Bercdderaar, m. , Beredderaarster , vr. 
Blanager. 

Beredderen, b. w. to Manage, 

Bcrcddering , vr. Managing. 

Bereden , v. dw. , zie Bcrijdcn. 

Bcreed, v. t. , zie Beriidcu. 

Beregcnen, o. w. met ^ijn, to Become or 
Be wet with rain, 

Beregt , zie Bcrigt. 

Beregten , b. w. winkelwaren aan den koo. 
per afgeven , to Help a customer to the 
commodity h» wants. * — , bij R. C^th : 
Een' zieke — , to Administer the viaticum 
or sacrament to a sick person. 



102 



BFRE 



Beregter, m. Otje that helps custmners to 
the commodity theywant. * — , Adminis- 
tering the viaticum to a sick person. 

Beregtster, vr., zie Beregter, 

Bereiden , b. w. to Prepare , Dress ; Zich 
— , to Prepare one''s self^ to Make one's 
self ready i Bereid zijn cot ets , to Be 
ready to do something. 

Bereider, ra. meesc in zamenst. gebr. , 
preparer^ Dresser. 

Bereiderij , Bereiding, vr. Preparing, 
Dressing. 

Bereids, b\v. Already. 

Bereidsel , o. Any thing prepared for 
being used to something else , Prepara- 
tion. * — , inzond. bij wijnk. , Isingglass, 

Bercidner, vr. , zie Bereider. 

Bereidvaardig, zie Bereidwillig. (held. 

Bereidvaardigheid, vr. , zie Bereidwillig- 

Bereidvaardiglijk , zie Bereidwilliglijk. 

Bereidwillig, bv. Ready ^ Willing to do 
some tilings Officious. * — , bvv. Readily y 
Officiously. 

Eereidwilligheid, vr. Readiness ^ Offi- 
ciousne^s. 

Bereidwilliglijk, zie Bereidwillig, bw. 

BereLk, o. Reach; fig. Dae is boven mijn 
— , boven het — van mijn verstand , 
That is beyonnd n^y sphere:, above my 
abilities. 

Bereikbaar, bv. Attainable. 

Bereiken , b. w. to Reach ^ Attain; fig. 
Hij had naaiuvelijks zijn twincigste jaar 
bereikt , He had hardly reached the 
age of tM'cnty; Wij bereikten te^jen den 
avond de stad , ff^e got to the town to- 
wards the evening; Zijn oogmerk — , to 
Gain one''s end. 

Bereiking , wr. Reaching ; £1^. Attaining, 
Reaching , Getting , Gaining. 
.Bereisbaar, bv. That may be travelled 
over or frequented. 

Bereisd, (v. dw. zie Bereizen). *— , 
bv. Having travelled much , Travelled. 

Bereisdheid , vr. Having travelled mu^h. 

Bereisster, vr. , zie Bereizer. ' 

Bereizen , b. w. to Travel through or 
over. *— , bezoeken , als: Dc kermissen 
— , to Frequent the fairs ; zie 00k Be- 
reisd. 

Bereizer, m. Frequenter. 

Bereizins^ , vr. Travelling over. * — , 
Frequenting. 

Berekenen , b. w. oprekenen, to Compute, 
Calculate, Rate, Estimate. * — , in j 
rekening brengeu , to Put or Bring to \ 
one''s account. 



BFRE 

Berekeninj^, vr. Computation , Calcula- 
tion , Estimation. *'—, Putting to one''s 
account. 

Berennen, b. w. to Invest, Inclose, 
Besiege , to Block up , to Blockade. 

Berenner, ra. One that invests, etc.. 
Besieger. 

Berenning, vr. Investing, Blockade. 

Berenster, vr. , zie Berenner. 

Berg, m. Blount ain. Hill, Mount; 
sprw. Gouden bergen beloven, to 
Promise whole mountains of gold, to 
promise great matters; Bergen en daleu 
oiitmoeten elkander nooit , maar dc 
nienschen wel. Men meet, when moun- 
tains stand still; Hij is dien — nog niet 
te boven, He has not conquered that 
difficulty yet; De haren rezen hem te 
berge, His hair stood on end or started 
up. * — , zie Hooiber^, Korenberg. 

Berg , m. gesneden varken , zie Barg. 

Berg- o. a kind of scab or scurf on the 
head. 

Bergaarde, vr. a particular kind of c^rth 
found in some mountains , Tcllow 
oker. 

Bergachtig, bv. Mountainous , Hilly. 

Bergachtigheid, vr. Mountainousness. 

Bergaf, bw. Downhill. 

Bergatnot, vr. zekere peer, Bergamot , 
zie Bergamot in het andere deel. 

Bergamotboom , m. Bergamot-tree. 

Bergamotolie , vr. Bergamot. 

Bergamocpetr, vr. Bergamot. 

Bcrghewoner, m. , Bergbewoonscer, vr. 
Highlander , Mountaineer. 

Bergen, ongel. b. w. to Save ; fig. Hij 
heeft zich nog in tijds geborgen, ^ //<? 
has absconded in the proper time ; Hij 
is geborgen , He has made his fortune. 
* — , wegleggen, to Put by, to Lock 
up; Ik heb het op eene goede plaats 
geborgen, I have put it in a safe place. 

Bergblaauw, o. Lapis lazuli. 

Bergbouw, m. Mining. 

Bergeppe, vr. , zeker krnid , White 
thorn. 

Berger, ra. One that save';, etc. * — , 
inzond. strand vnnder, Salver. 

Berggeel , o. Telhw oker. 

Berggeest ^ nir Mountain-goblin. 

Ber^ggeit, vr. Wild goat, zie Klip- 
geit. 

Berggeld, o., zie Bergloon. 

Berggeregt , o. Bergmote. 

Berggevaarce , o. Large mountain. 

Bergglas, o. Rock-crystal. 



BERG 

Ber»god, m. en vr. in de fabell. , Deity 
residing on the mountains , Mountain- 
deity. 

Berggodinnen , vr. meerv. Oreades, 

Ber;?gi-oen, o. Cinnabar^ Fermi/ion, 

Ber^haan, m. ff^oodcock. 

Berghen , vr. IVild hen. 

Berghoen , o. Woodcock , fFild hen. 

Berj^in^, vr. Saving. * — , inzond. van 
strandvonders, Salving, Salvage. *— , 
Putting by. 

Bergkauw, vr. Mountain-jackdaw. 

Bergkap , vr. , zie Kap van een' hooiberg. 

Bergketen, vr. Range of mountains ^ zie 
Gebergte. 

Eergkriscal, zie Bergglas. 

Bergkruin, vr. Summit of a mountain. 

Bergland , o. Blountainous country ^ High- 
land. 

Bergliedea , m. meerv. , zie Bergman. 

Bergloon, m. en o. Salvage-money. 

Bergman, m. (meerv. Berglieden,),M/«gr. 
♦ — , zie Bergbewoner. 

Bergrauis, vr. Lemmer, Lemming , Sable 
mouse. 

Bergnimf, vr. Oread. 

Bergop , bw. Uphill. 

Bergplaats,vr. Bewaarplaats, Repository^, 
Magazine, Closet, Locker. * — , vnj- 
plaats , Asylum , Refuge. 

Bergpreek , vr. , zie Bergrede. 

Bergrac, vr. Marmot, Dormouse. 

Bergrede, vr. Sermon pronounced by Christ 
on the mountain. 

Bergroede, vr. , zie Roede van een' hooi- 
berg. 

Bergrotjvr. , zie Bergrat. 

Bergrug, m. Ridge of a hill. 

Bergspits, vr. Top of a hill. Peak. 

Bergsrad, vr. Mnuntaiu-town, 

Bergster, vr. , zie Berger. 

Bergstof, vr. Mineral. 

Bergs tofgroef, vr. Mine. 

Bergtop , ra. Summit of a mountain. 

Bergwater, o. Water , that comes from or 
out of the mountains, 

Bergwerk, o. Bline. 

Bergwerker, m. Miner, 

Bergzour, o. Mineral-salt, Rock-salt. 

Bericd , V. t., zie Beraden. 

Bcrickcn , ongel. b. w. to Smell at, 

Bcrieking, vr. Smelling at. 

Bericp, V. t. , zie Beroepen. 

Bcrigt, o. onderrigting, //7/<'///^^wf«, /«. 
formation , Communication ^ — gcven , to 
Give notice, to Give an account. * — , op- 
gave van bemcrkiiii;cn , Advice. ♦ — , aau- 



15ERI 



103 



kondlging van eenigwerk , Proposal. * — , 
-in de nieuwspapieren , Advertisement. 

Berigten , b. w. onderrigtin?en niededee- 
\en,to Inform, Impart, Tell. * — , be- 
raerkingen maken , als : Hec werd aan 
den burgemeester gezonden cm te — , It 
was sent to the burgomaster in order thai 
he should send up his informations or 
remarks. 

Berigr.er, Berigrgever, m., Berigtgeef- 
ster, Berigcster, w. Informer , One that 
gives intelligence or advice. Reporter. 

Berigtschrifc, o. Writing containing some 
intelligence or advice , Report. 

Berigtschrijfster, vr. , Berigrschrijver, m. 
Writer of some intelligence or advice , 
Re'porter. 

Berijden , ongel. b. w. als : Een paard be- 
rJjden,/o Mount a horse; Een' weg 
— , to Pass on a road ;sprw. Hij berijdc 
een slecht paard bij die zaak , That un- 
dertaking oj his will give him no profit. 
* — , dresseren , to Break. 

Berijder,m. ii/V^r, Riding-master , Horse- 
breaker , Dresser , Jockey. 

Berijding, \r. Riding , etc. , zie Berijden. 

Berjjdster, vr. Rider. 

Berijmen, b. w. to Put into rhyme, to 
Rh^me, Versify. 

Berijmer, m. One that puts into rhyme. 
Rhymer, Versifier. 

Berijraing , vr. Putting into rhyme , Versi- 
fication. 

BerJjmscer, vr. , zie Berijmer. 

Benl , Berilsteen , m. Beryl. 

Beringen , b. w. raec een' ring voorzien, 
als: Eene merrie — , to Ring a mare. 

Berispelijk, bv. Blamable, Reprovable , 
Condemnable, Censurable, Faulty. * —, 
bw. Blttmably. 

Berispelijkheid, vr. Blamableness , Re- 
provableness, 

Berispen , b. w. bestrafFen , to Blame , 
Reprove, Reprehend, to Find fault wit h^ 
to Censure. * — , mondeling bestraffen , 
to Rebuke, Chide. 

Berisper, m. B lamer. Reprover , Repre- 
hender , Find-fault. 

Bcrisping, vr. Reproof, Censure, * — , 
mondelijke bescra{Iiii2^ , Rebuke, 

Berispster, vr. , zie Berisper. 

Berk , m. Birch. 

Bcrken, bv. Birchen, Birch. 

Berkenblad , o. Birch-leaf. 

Berkcnbast , m. , zie Berkcnscbori. 

Berkenboora , ra. , zie Berk. 

Berkcnloof, o. Birch leaves , pi. 



104 



BERR 



Eerkeumeijer, m. berkentik^ Birch tm'g, 
* — , drinkbeker bij de ouden^ Bumper. 

Berkenschors , vr. Bark of the birch-tree. 

Berkeiicak, m. Birch-twig. 

BerkenvvJjn, m. Birch-yvine. 

Berkenworcel, ni. Root of the birch-tree. 

Berkhout , zie Barkhouc. 

Berkoen, vr. Supporter ^ Prop. 

Berlijnschblaauw , bv. en o. Prussian blue, 

Berline, vr. zeker rijtuig, Berlin. 

Berloque, vr. Watch-trinket. 

Berm, m. in de vest, bouvv., Berm ., (« 
space of ground left at the foot of a ram- 
part on the outside^ designed to receive 
the ruins of the rampart ^ and to prevent 
their filling up the fosse'). * 

Bernagie, vr. zekere plaut, Borage. 

Bernen , zie Barnen. 

Berning, zie Barning. 

Bernsteen, zie Barnsreen. 

Bernsieenen, zie Barnsteenen. 

Beroemd,(v. dw. van Beroemen.) ♦ — , 
bv. Famous, Renowned^ Celebrated^ Emi- 
nent. * — , bw. Famously. 

Beroemdiieid, vr. Fame. Renown^ Repu- 
tation , Glory , Celebrity. 

Beroemen (ZichJ,w.w. to Boast or Brag 
of a thing. Zie ook Beroemd. 

Beroeming, vr. Boastings Bragging. 

Beroep, o. bednjf. Profession, Trade, 
Business, Calling, Trade. * — , beroe- 
ping cot een (meest kerkelijk) ambt,^o- 
cation. " — , Beroeping op een hooger 
geregt , Appeal; In — komen , to Bring 
in an appeal. 

Beroepen , b. w. zoo hard roepen , dac 
iemand hec hoore , als : Ik kan hem niet 
meer — - , He is no more within call. * — , 
doen bjjeen komen, to Call together , to 
Convoke, Summon. * — , toe de waarne- 
ming van een ambt roepen, to Appoint. 
*— , als: Zich — op, to Appeal to; Zich 
op iemand — , to Refer to one. 

Beroeper, m. Appealer, Appellant. 

Beroeping , vr. , zie Beroep in de 2. en 
3. beteek. 

Beroepsbezigheid, w. Business. 

Beroepsbrief, m. Letter of nomination or 
vocation. 

Beroepshalve , bw. On account of one''s 
profession or calling. 

Beroepszaak , vr. Function (^of one''s of- 
fice , etc, ). 

Beroerd, (v. dw. , zie Beroeren.) * — , 
bv. lam. Paralysed , Paralytic. * — , ge- 
meen , Miserable , Pitiful. * — , bw. ge- 
meen. Miserably. *— , zeer ^ Extremely. 



BERO 

Beroerder, m. One that touches , etc.*— ^ 
inzond. die onlusien verwekc, Pertur- 
bator. 

Beroeren , b. w. aanraken , to Touch, *— , 
omroeren, /# 5i/r,' fig. onluscen verwek- 
k^n, to Trouble, Alarm, Disturb. Zie 
ook Beroerd. 

Beroerdheid, vr. Apoplexy, Palsy, Pa- 
ralysis. * — , gemeen, Pitifulness. ^ 

Beroerte , vr. ruscversioring , Distur- 
bance , Commotion , Combustion, Uproar , 
Sedition. ♦— , geraaktheid, Apoplexy, 
Palsy , Paralysis. 

Beroesten , o. w. met Zijn , to Grow rus- 
ty , to Rust. 

Beroesting, vr. Growing rusty, 

Beroken, v. dw. , zie Beruiken. 

Berokken, b. w., zie Lee meer gebniik. 
Berokkenen. 

Eerokkenaar, m., Berokkenaarster , vr. 
One that breeds mischief. Cause , Author, 

Berokkenen, b. w. verwtkkeu, in een' 
kwacien zin , to Cause , Produce; Kwaad 
— , to Breed mischief, to Pint evil, 

Berokkening, vr. Breeding (^mischief), 

Beroofster , vr. , zie Beroover. 

Berooid, bv. arm. Indigent, Needy, 
Bare, Bereft of every thing; Bene berooi- 
de henrs , An empty purse,* --, yerward, 
als : Een — hoofd hebben , to Be in des- 
pair, to Be tit one''s wit^s end. 

Berooidheid, vr. Poverty, Indigence, 
Neediness , Wretchedness. 

Berook , v. t. , zie Beruiken. 

Berooken , b. w. in den rook hangen , to 
Besmoke, to Dry or Hang in the smoke; 
Berookc, Smoky, Dingy, * — , in de ge- 
neeskunde, mec kruiden berooken, to 
Fumigate, 

Berooker, m. One who besmokes , etc, 

Berooking vr, Besmoking , Drying, in the 
smoke, * — , Fumigation. 

Berookster, vr., zie Berooker. 

Berooven, b. w. ontnemen, to Deprive, 
Bereave , Strip , to Take away , to Rob; 
Iemand van het leven — , to Take away 
one''s life; fig. Dit coeval beroofde mij 
van de gelegenheid , This accident de- 
prived me of the opportunity ; van daar : 
Van alle hoop beroofd zijn, to Be bereft 
of all hope. * — , mec geweld en weder- 
regcelijk ontnemen, to Rob, Steal, 
Plunder. 

Beroover, ni. One that deprives, etc. 

Berooving, vr. Privation. * — , gewel- 
dige oucneming , Robbing , Depreda- 
tion, 




BERO 

Berouw, o. Repentance^ Penitence^ 
Compunction; — hebben over, to Re- 
pent ^ Regret. 

Berouwen , b. w. met den 3. pers. als: 
Het berouwde mij , dac , enz. / repent- 
ed^ that ^ etc.; Ue moeite zal mij niet 
— , / shall not regret the paths I 
took. 

Berouwhebbend, bv. Repentant. 

Berrie , vr. Hand-barrow. 

Bersc, ni. Crack., Burst, Chink, Cleft, 
* — , in handen of lippen , Chap. 

Bersten, ongel. o.w.mecZijn, to Burst., 
Crack, to Split asunder ; Ilec schip sriet 
zich op eene rots te — , The ship split 
upon a rock; fig. Van spijc — , to Burst 
with anger; Hec moec buigen of — , 
That affair must be made an end of one 
way or another; Zich te — lagchen, to 
Split one''s sides with laughing. 

Berucht, bv. befaamd, thans meest in 
een' kwaden zin , Famous, Notorious, 

Beruchtheid, vr. Notoriousness. 

Beruiken, zie Bcrieken, 

Berusten, o. w. met Hebben, in bev^^a- 
ring zijn, als: Deze papieren — onder 
mij , These papers are under my care , 
/ am the depositary of the papers. * — , 
steunen, to Rest, Depend; Op hemsteunt 
de welvaart des huisgezins , The welfare 
of the family rests upon him. * — , ge- 
noegen nemen, als: In iemands raad- 
geving — , to Acquiescg in , to Assent 
to one''s advice. * — , bUjven , 
als : Wij zullen hec daarbij laten — , 
We shall leave that affair as it is. 

Berusting, vr. als: Die dingen zijn bij 
mij in — , These things are under my 
care, or deposited with me. 

Bcs , vr. Berry. 

Bes, vr. Besje , oude vrouw, Old 
woman , Granny , Crone. 

Beschaafd, (v. dw. zie Bcschaven). ♦— , 
bv. Polite , Civilized. *— , bw. Politely. 

Beschaafdhcid, vr. Politeness, Civility, 
Goodmanners. 

Bcschaafster , vr. , zie Beschaver. 

Bcschaamd, (v. dw. zie Bcscliamen.) 
• — , bv. Bashful, Ashamed. * — , bw. 
Bashfully. 

Bcschaamdheld, vr, Bashfhulness , Ti- 
midity, Confusion, 

Beschaardcr , m., Beschaarstcr , vr. 
Pilferer. 

Beschadigen , b. w to Hurt, Impair, 
Damage, Blast. (pairs, etc. 

IkschaUiger, m. One that hurts, im- 



BESC 



105 



Beschadiging, vr. Beschadigen, Hurt- 
ing, Impairing.*^, aangebrachte schade , 
Hurt , Damage. 

Beschadigster, vr., zie Beschadiger. 

Beschaduwen, b. w. to Shade y Over- 
shade. 

Beschaduwing , vr. Shading. 

Beschamen , b. w. to Confound, to Make 
ashamed, to Put one to the blush; Dae 
werk beschaamt zijn' meester niec, 
That work does honour to the maker of 
it. Zie ook Beschaamd. 

Beschaming, vr. Confounding. 

Beschansen , b. w. to Intrench, Fortify, 
to Coyer with forts , bulwarks. 

Beschansing , vr. Intrenching. 

Bescharen ,b.w.heimelijkzich toeeigenen, 
to Pilfer , to Purloin away privately, 

Bescharing, vr. Pilfering. 

Beschaven, b. w. met eene schaaf glad 
maken, to Plane; fig. verbeteren, to. 
Correct, Revise, * — , wcllevend ma- 
ken , to Civilize, to Polish. Zie ook 
Beschaafd. 

Beschaver, m. fig. One that corrects, 
Civilizer, etc. Zie Beschaven. 

Bt'schaving, vr. Planing; fig. Correct- 
ing , Correction. * — , Civilizing , Po- 
lishing. * — , Civilization. 

Bescheen , v, t. , zie Beschijnen. 

Bcscheec , v. r. , jsie Beschijten. 

Bescheid, o. herigi , Intelligence. *—, 
inzond. geschreven berigt , Record, 
Report. * — , * — ,antwoGrd, Answer; 
leiiiand kwaad — geven , to Answer one 
rudely; Wat — gaf hij n ?, IVnat answer 
did he give you ?; van daar : demand — 
doen , (zijne gezondheidsinstelling be- 
antwoorden ,) to Pledge one. 

Bescheideu, ongel. b. \v. bestellen , to 
Appoint , Rendezvous. * — , bepalen , 
to^ Fix ; Elk zijn — dccl, Every one 
his allotted part. 

Bcscheiden , hv. Discreet , Modest. *— , 
bw. Discreetly, Modestly. 

I>escheidenheid , vr. Discretion, Modesty , 

Bcscheidenlijk , zie Bescheiden , bw. 

Bcscheiding , vr. Appointing. ♦ — , Fix- 
ing. 

Beschemeren, zie Beschaduwen. 

Bcschemering, vr. , zie Beschaduwing. 

Bcschenen, v. dw. , zie Beschijr.en. 

Bcschenkcn , ongel. b. w. begiftigen, to 
Endow or Present one with a thing. " — , 
te (Irinken geven, als: Hij heeft ons 
dapper bcschonken. He has treated us 
largely, * — , dronken maken, to 



lOG 



BESC 



Fuddle, to Make tipsy. Zie ook Be- 
schonken. 

Bescheren , ongel. b, w. sclieren , to Shave 
or Share. 

Bescheren, ongel. b. w. toedeelen , als : 
Wie v/eet, wat geluk of ongeliik de 
Hemel ons nog kan — ?, ffHio knows what 
good or ill fortune Heaven may have in 
store for us? 

Beschering , vr. Sharing or Shaving. 

Beschermen , b. w. to: een sc'.ienn strek- 
ken, to Screen^ Shelter; Deze boomen 
— mij voor de hicce. These trees screen 
me from the heat; fig. verdedigen , to 
Defend, Maintain, Shelter, Cover, 
Protect. 

Bescherraengel, m. Tutelar angel , Guar* 
dian angel. 

Beschermer, m. Defender, Maintainer , 
Protector ; — des geloofs , ( ticel van 
den koning van Engeland,) /)^/««^^r 
of the faith. 

Beschermgeest , m. Tutelar genius. 

Beschermsiod , m., Beschermgodin , vr. 
in de fabell. , Tutelar deity. 

Beschernihcer , m'. Protector , Patron. 

Beschermheilige, m. bij ll.Cath. , Tutelar 
saint , Patron, *- , \\\ Tutelar saintess , 
Patroness. 

Bescherming , vr. Protection , Patronage , 
Patrocinat'ron. 

Beschermster , Beschermvrouw , vr. P^- 
troness. 

Bescheren, v. dw. , zie Beschijcen. 

Beschiecen , on^el. b. w. op iecs scbie- 
ten , to Cannonade , Batter^ Bombard, 
to Fire upon. * — , met schiecen berei- 
ken , als: Ik kan die hoogte met dit ge- 
Vv'eer — , The shot of this gun will 
reach that height; fig. Zijn doel — , to 
Hit one'^s aim. ♦ — , ter eere vaniemand 
schieten , als : De prins werd begroet 
met een en twintig schoten , The 
prince 'was salutea with twenty one 
shots. 

Beschieten, ongel. b. w. raet plankenbe- 
kleeden, to W'ainscot. * — , o. w. met. 
Zijn, vot-deren, als: Dat werk beschiet 
. niec. That work does not advance. * — , 
toegaan, als: Mijneoogen — vauslaap, 
My eyes grow dim, drowsy. 

Besch'ccing, vr. Ca-inonading , etc, 

Beschijnen, ongel. b. w. to Shine upon, 

Beschijning , vr. Shining upon. 

Beschijten, ongel. b. w. gemeen, op iets 
schijten, to Be^hite ; fig, bedriegen , to 
Cheat, Cull, Trick. 



BESCII 

Beschijter, m. One that beshites ; fig 
Cheat , Cheater, 

Beschijterij , \r. gemeen, Beshiting ; fig. 
Cheating. 

Beschijtscer, vr. , zie Beschijter. 

Beschik, o. bijna veroud , Disposal, Di- 
rection , Management. 

Beschikbaar, bv. Disposable. 

Beschikal , zie Albeschik. 

Beschikken , b. vv. toezenden , to Procure y 
to Provide one with. * — , hec bescbik 
over iets hebben , to Have the direction 
or management of a thing. * — , o. w. 
to Dispose {of, over). 

Beschikker, m. One that procures. * — , 
Director, Manager. 

Beschikkii^g, vr. , zie Be^chik. 

Beschiksrer, vr. , zie Beschikker, 

Beschideren , b. w. to Paint. 

Beschideriog, vr. Painting. 

Beschimmeld, (v, dw. zie Beschiramelen). 
* — , bv. gemeen, zie Schimmelig; f\^, 
gemeen. Bashful, At a loss. 

Beschimraeldheid , vv. Mouldiness ; fig. 
gemeen , Bushfulness. 

Bescliimmelen , o. w. met Zijn, toMotild, 
to Grow mouldy. Zie ook Beschimmeld. 

Beschimmeling, vr. Moulding, Growing 
mouldy. 

Beschimpen, b. w. to Taunt, to Scoff 
at , to Jeer , Affront. 

Beschimper, m. Taunter. 

Beschimping , vr. het beschimpen , Taunt- 
ing. * — , aangedane schimp , Taunt, 
Insult, Affront. 

Beschimpscer , vr. , zie Besckirapcr. 

Beschoft, bv. veroud, beschaafd; nog 
over in: Onbeschoft. 

Beschonk, v. t. , zie Beschenken. 

Beschonken , v. dw. zie Beschenken. *— , 
bv. Tip^y , Intoxicated Half-seas-over. 

Beschonkenheid, vr. Tipsiness, Intsxi- 
cation, 

Beschoor, v. t. , zie Bescheren. 

Beschoo: , v. t. , zie Beschieten. 

Beschoren, v. dw. , zie Bescheren. 

Beschot , o. houten beschutsel, jff^ain- 
scot. * — , afschiusel , Partition ; Be- 
schotten, meerv. op schepen , Bulk- 
heads. 

Beschoten, v. dw. , zie Beschieten. 

Beschouwelijk, bv. Speculative , Con- 
templative, zie Bespiegelend. 

Beschouwen, b. w. hezien, to Look at, 
to Behold, C -ntemplate ; fig. beoordee- 
len , als: Hoe beschouwt gij die 7aak?, 
How do you consider (^fFhat do you think 



BESCIIO 

about') that ajfair? * — , in de wisk., 
als: De beschouwende meeckuncle, zie 
Bespiegelende. 

Beschouweiiswaardig , bv. Worthy of bsh:g 
looked at. 

Beschouwer, m. Ove that beholds ^ con- 
sider!; , ContempJator. 

Beschouwing, vr. bezien , Contempla- 
tion; fig;, beoordeelin^, Consideration. 

Beschouvvster, vr. , zie Beschotiwer. 

Eeschreden , v. dw. , zie Beschrijden. 

Beschreed, v. t, , zie Beschrijden. 

Bef:chreef , v. t. , zie Beschrijven. 

Besciireijeii, b. w. to Deplore, Lament ^ 
Be^vail , Deplorable. 

Beschreijenswaardig , bv. Lamentable^ 
Deplorable. 

Beschreven , v. dw. , zie Bevxhrijven. 

Beschrijden , ongel. b. w. to Bestride, 

Beschrijfelijk, bv. Describable. 

Beschrijfster , vr. , zie Beschrijver. 

Besclirijven, ongel. b. w. vol schrijven , 
to Write all over ; Een vel papier — , 
to Fill a sheet of paper with writing. 
* — , in geschrifc stellcn , to Put down 
in writing. * — , een schrifielijk berigc 
van iers geven , to Record, Describe, 
to Write the history of. * — , schrifce- 
lijk oproepen , to Fowvoke; van daar 
(inde Rom. gesch. ) : Beschrevene va- 
ders, Conscript fathers. ♦— , in de wisk. 
verbeelden, als: Een' cirkel — , to 
Describe a circle ; Een geschoten ko- 
gel beschrijfc eene kromme lijn , A ball, 
being shot , makcF a crooked line. 

Beschrijver, m. Describer. * — , meesc 
in zamenst. gebr. , zie Aardbeschrijver , 
Levensheschrijver , m. 

Beschrijving, vr. Writing all over , etc.^ 
zie Beschrijven. * — , inzLond. schrifie- 
lijk verhaal. Description. Zie ook <ie 
zamensrell. Aardbeschrijving, Levensbe- 
schrijving, enz. 

Beschrijvingsbiljet , o. Bill of taxes. 

Beschroomd, bv. Anxious., Timid , Ti- 
morous. * — , adv. Anxiously, Timidly. 

Beschroomdheid, vr. Anxiousness , Ti- 
midity. 

iBeschiiir, vr. Biscuit. 

Beschiiirbakker, m. Biscuit-baker. 

Beschuitblik , o. Biscuii-ptate. 

Bcscliniideeg, o. Dough to make bis- 
cuit of. 

Beschuickriiimcl , o Crum of biscuit. 

Bcschnimand, vr. Biscuit basket. 

Bcschuicpap, vr. Biscuit-pap. 

iBeschuicton , vr. Biscuit-cask. 



BKSCHU 



107 



f Beschuittrommel , vr. Biscuit-box. 

Beschuldigbaar , bv. Accnsable. 

Beschuldij^en , b. w. schuldig verklaren, 
to Accuse , Charge , to Lay to one'^i 
charge. * — , berispen, to Blame. 

Beschuldiger, m. Accuser. 

Beschuldiging, vr. Accusation. * — , 
Blame. 

Be^chuldigster , vr. , zie Beschuldiger. 

Beschutsel , zie Bejchot. 

Beschutsheer , zie Schutsheer. 

Beschurscer, vr. One that screens , de- 
fends , etc. 

Beschutsvrouw, zie Schutsvrouw. 

Beschutten, b. w. tot een bcschuisel strek- 
ken, to Screen, Shelter; fig. behceden , 
to Protect , Defend. 

Beschutter, m. One that screens , etc.*—., 
inzond. Hound that takes care of the 
game that is killed. 

Beschutiing, vr. Screening ; fig. Defend- 
ing , Protection , Favour ; Onder de — 
van den nacht , Favoured by night. 

Besef, o. Notion, Idea, * — , zie Be- 
wustheid. 

BesefFeloos , bv. Licomprehensive. • — , 
zie Bewusceloos. 

Beseffeloosheid, vr. Being incomprehcu- 
sive. * — , Bewnsieloosheid 

BesclTen , b. w. to Comprehend, Conceive , 
to Have a notion of. 

Beseffing, vr. Comprehending. 

Besje , o. Old woman , zie Bes. 

Besingelen, zie Omsingelen. 

Beslaan , onreg. b. w. met hamerslagen 
vast maken , ais: lets met koper — , to 
Overlay a thing with copper ; Ken' 
verer— , (bemnli'en,) to Tag a lace or 
point; Een paard — , to Slice ahorse; 
fig. Beslagen ten ijs komen, to Be well 
prepared, provided with all the neces- 
sary means for perfohr.ing a business. 

• — , door slaan vermengen , als: Mecl 

— , to Make a dough , batter or paste. 

* — , in besl.i? nemcn , tn Seize; Sche- 
pen — , to Lay an embargo on ships. 

* — , schcepsw., inbindcn, als: De zei- 
len — , tn Furl the sails, to Take them 
in ^ to Bind them up clo<e to the yards. , 

• — , vcrviillen, als: Dat zal veel plaats 

— , That will take up much room; Dit 
boek beslaat bijna duizcid bladzijden. 
This bonkfills(^ctivsists of about a thtusand 
poges. * — , vcrwij^en , als: Inboete— , 
to Fine. * — , o. w. metZiin, met damp 
bezwalkt wordco, ais: l5e glazen — . 
Tlie glasses grow dull by the vapour, *— , 



108 



BESC 



beschimmelen , to Mould, * — , gelukken, 
to Succeed. 

Beslabben , zie Beslabbereu. 

Bsslabberaar , ic. Slabberer. 

Beslabbereu , b, w. to Slabber , Bedaub 
{in eating"); sprw. zie Noot. 

Beslabbering , vr. Slabbering. 

Beslag, o. het aanhouden, Seizure, (op 
schepen,) Embargo. * — , slagen , uic- 
slag. Issue. * — , teneindebrenging ,, 
als: Die zaak heefc haar — , That affair 
is fully terminated. * — , hetgene , waar- 
mede beslagen is, als: Hec — van een 
wicl, Tiie band of awheel ; — van een' 
veter, 7^ag of a lace; — van eenpaard, 
Shoes of a horse ; — van eeu' rot- 
ting , Ferrule; — van een boek , Clasps 
of a book. * — , beslagen meel, Batter. 

Beslagen, v. dw., zie Beslaan. 

Besiagnagel, m. Stud. 

Beslapen , ongel. b. w. als : Een bed — , 
to Lie in a bed. * — , vleeschelijke ge- 
meenschap hebben , to Lie with , to Have 
a carnal conversation with. * — , bera- 
den , als : Zich op iets — , to Advise with 
one^s pillow about a thing , to Postpone it 
to the next day , in order to consider it. 

Beslaping, vr. Lying in, etc., zie Be- 
slapen. 

Beslechten , b. w. to Settle , Accommo- 
date. 

Beslechter, m. One that settles y Accom- 
modator. 

Beslechting, vr. Settling, Accommoda- 
tion. 

Beslechtster, vr. , zie Beslechter. 

Besleep , v. t. , zie Beslijpen. 

Besliep, v. dw. , zie Beslapen. 

Beslijken, b. w. to Bemire^ Bemoil. 

Beslijpen, ongel. b. w. to WHiet or Polish 
entirely; tig. Een beslepen oordeel , A 
sharp understanding. 

Beslissen, b. w. to Decide. 

Beslisser , ra. Decider. 

Beslissing, vr. Decision. 

Beslisster, vr. , zie Beslisser. 

Besloeg, v. t. , zie Beslaan. 

BeslomTeren , h. w. to Involve in all sorts 
■ °f difficult affairs; Eeue beslommerds 
zaak, An intricate affair. 

Beslommeriug , vr. Encumbrance , Being 
involved in a variety of intricate affairs. 

Beslooc, v. t. 5 zie Besluiten. 

Besloten, v. t., zie Besluiten.*—, bv. 
inzond. tegenst. van open, als: Bij — 
water, The canals being frozen ; Beslo- 
tene jagt The time when iiunting is pro- 



BESL 

hibited; — tijd, (bij R. Cath. ,) Time 

when it is not allowed to marry , Lent ; 
Eene beslotene scad, A town that is block- 
ed up or surrounded by an enemy; ook: 
A walled town. 

Besluit, o. einde, Conclusion; Tot — , 
To conclude. * — , besHssing , be- 
paling. Resolution .^ Decree, Act; Een 
— nemen, to Take a resolution, to Resolve; 
Een — van den raad, A decree of the 
senate. * — , gevolgtrekking , Conclusion, 
Consequence. 

Besluiteloos, bv. L'resolute. * — ,hvt. Ir- 
resolutely. 

Besluiteloosheid, vr. Irresolution. 

Besluiten, ongel. b. w.sluicen, enicel gebr. 
in het v. dvi^. , zie Besloten. * — , bevat- 
ten, als: In zich — , to Contain. ♦ — , 
b. en o. w. met Hebben, een einde ma- 
ken , to Conclude. *—, een voornemen 
tot iets bepalen , als: Tot iets — , to 
Resolve upon a thing. *—, na raadple- 
ging vastscellen, to Decree, * — , aflei- 
den , to Infer. 

Beslniting, vr. Containing , etc., zie Be- 
sluiten. 

Besmeerder, m. , Besmeerster, vr. One 
that greases , soils. 

Besnieren, b. w. met smeer bedekken, to 
Grease. * — , bezoedelen , to Soil , Be- 
smear^ Bedaub. 

Besmenng, vr. Greaiing. *— , Soiling. 

Besmeccelijk , bv. ligt vuil wordende, 
That is apt to become dirty. *— , aan- 
stekend , Infective, Contagious , Pesti- 
ferous , Catching. 

Besmetteljjkheid, vr. Infectiyeness , Con- 
tagiousness. 

Besir.ecsier, vr., zie Besmetter. ^ 

Besmeiten, b. w. bevuilen , to Stain., Spot, 
Soil , Bedaub. * — , aansteken , to Infect. 

Besmetter, m. One that stains, Infecter. 

Besmetting, vr. Staining , Spotting , Pol- 
lution. * — , annsieking , Infection , Con' 
tag ion. 

Besmullen, zie Beslabberen. 

BesmuUer, zie Beslabberaar. 

Besmulling, zie Beslabbering. 

Besmulsier, vr. , zie Beslabberaar. 

Besnaauwen , b. w. to Snarl at. 

Besnaren , b. w. to String. 

Besneden , v. dw. , zie Besnijden. ♦-', 
bv. fig. Wei — van aangezigt, Having 
a pretty or charming face. 

Besnedene, ra. en vr. One that is circum- 
cised. 

Besneed, v. t. , aie Besnijden. 



BESN 

Besneenwen , o. w. met Zijn , to Be snowed 

upon ; van hier : Besneeuwd , bv. Covered 

with snow. 
Besnijden , otigeh b. w. to Cut or carve 

into some shape; (fi^. zie Besneden*) 

inzond. to Circumcise , zie Besnijdenis. 
Besnijder, ra. One that cuts into some 

form, * — , inzond. Circumciser. 
Besnijdenis, vr. hec wegsnijden van de 

voorhuid aan hec mannelijke schaaradeel, 

of (in sommige oorden) een uiistekend 

deel van hec vrouwelijke^ ten opzigte 

der manneii is heteene godsdienstige in- 

stelling bij de Joden en Mahoraedanen , 

Circumcision. 
Besuoeijen, b. w. to Prune ^ Lop ^ Trim; 

van hier: Geld—, to Clip money; fig. 

lemands magt — , to Lessen one'' s power. 
Besnoeijer, m. Lopper. * — , inzond. 

Clipper. 
Besnoeijing , vr. Lopping. • — , Clipping. 
Besnoeister, vr. , zie Besnoeijer. 
Besnot, bv. Snotty. 
Besnuffelen , Besnuffen, b. w to Smell or 

Snuff at ; fig. to Pry into. 
Besnuffeling , vr. Smelling at ; fig. Prying 

into. 
Bespaarder , m. , Bespaarster , vr. One that 

spares , saves , Sparer, 
Bespannen, ongel. b. w. to Put the horses 

before^ to Put horses /o ,* Metsnaren — , 

to String. * — , met de hand meten, to 

Span. 
Bcspanning , vr. Putting horses to. ♦ — , 

Stringing. *— , Spanning. 
Bcsparen , b. w. U Save , Spare. 
Bcsparing, vr. Saving, Sparing. 
Bespacten , b. w. to Bespatter , Bedash. 
Bespatting , vr. Bespattering. 
Bespeelster, vr. , zie Bcispeler. 
Bcspckken, b. w. to Lard, to Stuffwith 

bacon. 
Bcspekking, vr. Larding. 
Bcspelen , b. w. to Play upon. 
Bcspcler, in. One that plays upon. 
Bcspeling, vr. Playing upon. 
Bespeiirbaar, bv. Perceivable , Percep- 
tible, 
Bespeurder , m. One that perceives , etc.^ 

Perce iver 

Bespeuren , b. w. to Perceive , Apprehend, 

Discover , See. 

Bcspciiring, vr. Perceiving , etc. 

Bcspeirsier, vr. , zie Bespeurder. 

Bespicden , b. w. to Spy. 

Sespieder, m. Spy. 

3espicding, vr. Spying. 



BESN 



109 



Bespiedster, vr. , zie Bespieder. 

Bespiegelen, b. w. als : .Zich — , to View 
or Behold one'^s self in a looking-glass , 
to Look at one''sselfin « ^/^n ,• fig. aan- 
dachcig beschouwen , als : in de wisk. , 
Bespiegelende (beschouwende) meet- 
kunde , Speculative geometry. 

Bespiegeling , vr. Contemplation , Specula- 
tion. 

Bespikkelen, b, w. to Speckle, Spot, 
Dapple, 

Bespikkeling, vr. Speckling. 

Bespoedigen, b. w, to Speed, Accelerate, 
Hasten. 

Bespoediging, vr. Acceleration, Hasten- 
ing. 

Bespoelen , b, w. to Wash. 

Bespoeling , vr. Washing. 

Bespogen , v. dw. , zie Bespugen. 

Bespoog , V. t. , zie Bespugen. 

Bespoot,v. t. , zie Bespuiten. 

Bespoten, v. dw. , zie Bespuiten. 

Bespotster, vr. , zie Bespotter. 

Bespottelijk , hv. Ridiculous ^ Laughable. 

* — , bw. Ridiculously. 
Bespottelijkheid, vr. Ridiculousness. 
Be'spotten , b. w. to Ridicule , to Mock at. 
Bespotter, ra. Rid'culer. 

Bespotting , vr. Ridiculing. 

Bespraakt, bv. Having the faculty of speech. 

* — , inzond. wel bespraakt, zie die 

woord. 
Bespraaktheid, vr. Being endowed with 

the faculty of speech. 
Besprak, v. t. , zie Bcspreken. 
Bcsprek, o. inondelinge onderhandeling, 

als : Ik ben reeds met hem daarover in 

— , / have already spoken with him 

about if. 
Bcspreken , ongel. h, w. bestellen , to 

Bespeak. * — , bedingen, to Stipulate. 

* — , bii uiterstcn wil raaken , to Bequeath, 

* — , betooveren, to Charm with words, 
to Conjure. 

Bespreking, vr. Bespeaking. * — , Stipu- 
lation. *—, Bequeathing. * — ,Charming. 

Besprcngen, b. w. door sprcnkclen bc- 
vochtigen , to Besprinkle. * — , inzond. 
bij R, Cath. : Met wij water — , to A<perse 
whh holy water, * — , bestrooijen , to 
Powder, 

Bcsprenging, vr. Besprinkling. ♦ — -, As- 
persion. * — , Powdering. 

Besprenkclen , zie Bcsprengcn. 

Bcsprenkcliug, vr. , zie Besprenging. 

Bespringcn , ongel. b. w. to Reach by 
leaping or jumping, to Leap upon. * — , 



110 



BESP 



inzond. van groote dieren , dekken , to 
Cover ^ Line , to Leap upon ; fi>?. aanran- 
den , to Assail , Assault , Attack , to Fall 
upon unawares. 

Bespringer, m. , zie Bespringeii ; iuzoud. 
fig. Assaulter^ Assailant. 

Bespringing, vr. Reaching by jumping. 
* — , Covering ; ^g. Assault. 

Besproeijen , b. w. to Bsiprinkle. 

Besproejjing , vr. Besprinkling. 

Besprong, v. t. , zie Bespringen. 

Eesprongen , v. dw, zie Bespringen. 

Bfspugen, ongel. b. w. to Bes/ew^ Bespit, 

Bcspuging, vr. Bespewing ^ Bespitting. 

Bespuiien, ongel. h. w. to Spout upon, 
to Syringe. 

Bespuiting, vr. Syringing. 

Bespuwen , b. w. , zie Bespngen, 

Bespiiwing, vr. , zie Bespiiging. 

Bessenbooni, ra. Currant-tree. 

Bessengelei , vr. , zie Aaliiessengelei. 

Bessenjenever , m. , zie Aalbcssenjenever. 

Bfssennat, o. , zie Aalbesseniiat. 

Bessensap , o. Currant juice. 

Bessensop , o. Gooseberry fool. 

Bessenstniik , m. Currant-bush. 

Bessenwijn , m. , zie Aalbessenwijn en 
Kriiisbessenwijn. 

Best , overtr. crap van goed , bv. en bw. 
en van Wei , bw. » Best. * — , ook wcl 
in den dagel. spreektr. als eenstelleiule 
trap gebezigd voor uittnLunend, Excel- 
lent. * — , bw. Best. * — , Excellently. 

* — , o. welvaart , voordeel , Advantage, 
Welfare, Weal ; He: strekc tot uw — , 
// serves for your "welfare ; Ik beooguw 
— , I only desire your advantage ^ Het 
gemeene— , The common weal , The pu- 
blic well/are ; (Gemeene best, zie Ge- 
meenebesr;) Ik heb het om— wille ge- 
daan , / did it wit/i a good intention, to 
promote general contentment. * — , inspan- 
ning van krachten , als : Zijn — doen , 
to Do one'^s utmost , to Do one^s best. * — , 
algenieen gebriiik , als : lets ten beste ge- 
ven , to Treat with; lernand ten beste 
(eigenl. ten beeste") houd.en, to Rally 
one ^ — , vr. bes, besje, Old wotnan , 
Granny^ Crone. 

Bestaan, onreg. o. w.- met ITebben, zijn, 
to Have a being, to Exist. * — , zamen- 
gesreld zijn , to Consist. * — , een mid- 
del van bestaan hebben, to Subsist or Live. 

* — , op zekere wijze geaard zijn, als : 
Zij— zoo niet. They are not so. That is 
not their way, custom or practice. * — , 
verma.ig-cliapt zijn, als : Eikanrter — , ;<? 



BEST 

Be related, relations or kinsmen. * — , 
passen, als: Dae bestaat met de rede, 
That is agreeable to reason, conforma- 
ble to the dictates of reason; Die rwee 
ambtcn kunnen te zamen niet — , Those 
two offices are incompatible. * — , b. w. 
ondernemen , to Attempt, Undertake , 
Venture. * — , o. aanwezen. Existence. 
* — , zatnengesteldbeid, Consistence. ♦—, 
kostwinning. Subsistence , Livelihood. 

* — , aard , Inclination , Character, Way, 
Practice. * — , onderneming , Enterprise, 
Attempt, Unidet taking. 

Bestaanbaar , bv. That may exist , Possible, 

* — , dat zamen bestaan kan , Consistent, 
Compatible, *— , onderiieembaar. At- 
tempt ible. That may be undertaken. 

Bestaanbaarheid, vr. Possibility.*— , Con- 
sistency^ Compatibility. * — , Attempts- 
bleness. 

Bcscaanlijk, zie Bestaanbaar. 

Bestaanlijkheid, zie Besraanbaarheid. 

Bestak , V. t. , zie Besteken. 

Bestaken , b. w. to Prop , Stake , to Sur- 
round or Support with stakes. 

Bi-'staking , vr. Supporti.g with stakes, 

Bestal , V. t. , zie Bestelen. 

Bestand, bv. als: Tegen lets — zijn , to 
Be able to withstand , to Be a match for. 

* — , o. wapenschorsiug , Truce, Suspen 
sion of arms. 

Besranddeel, o. Element, Primary part, 

* — , Ingredient. 

Beste, m. en vr. als: Mijn of Mijne bes- 
te , My dear. 

Besteden, b. w. bestcllen , bezor^en , als: 
leniand op een ambacht — , to Bind one 
apprentice ,'In den kost — , to Board. *—, 
aanwenden, to Employ; Zijne vriend- 
schap is aan dien knaap slecht besieed , 
His friendship is ill bestowed on that fel- 
low. * — , geld uitgeven , to Spend ; Hoe 
veel hebt gij daarvoor besteed ? , What 
does this stand you in ? * — , als : Een werk 
— , zie Aanbesteden. 

Besteder,m. One that binds , boards, etc., 
zie Besteden. 

Besiedirg , vr. Binding one apprentice. 

* — , Boarding. * — , Employing. * — , 
Spending.* — , zie Aanbesreding. 

Besteedster, vr., zie Besteder, *— , inzond. 
Woman that helps families to servants 
and the latter to a service. Procurer. 

Besteekband , m. bij boekb. , Headband. 

Besteeksel, o. The things with which 
something is stuck. 

Besieekster, vr. , zie Besteker. 



BEST 

Bestek , o. omvang , Compass ; In een kor- 
ter — brengen, to Abridge,'^— ^ bij stuurl.: 
Eeii — maken , to Point (I.e maps. 

Bcsceken, ongel. b. w. to Stick ; ^g. Met 
bloenien — , to Adorn with flowers ; Een 
bescoken werk , zie DoQre:estoken. 

Besceker, m. One tliat sticks. 

Bestcking, w.- Sticking. 

Bestel, o. besiuur, Administration^ Direc- 
tion , Management ; Het — der regering, 
The nominating of the mngistrates, 

Bescelen , ongel. b. w. to Rob. 

BestelgeUl , o. Money paid to the person 
that carries something to one; Is het — 
van den brief betaakl ?, Has the letter- 
carrier or post-man been paid 'i 

Bescel'ng, vr. Robbing. 
j Bescelleu , b. w. bescheiden , to Appoint. 
i * — , bezorgen , to Carry , Bear., Bring. 
; * — , bespreken , to Bespeak , Order , to 
1 Have or Get a thing made. * -, beschik- 
ken , als: Ik heb nog veel te — , / have 
' still many directions to give. * — , benoe- 
men, to Nominate. 

Bescelier, m. One that appoints ., etc^zxe 
BestcUen. * — , inzond. brievenbesceller, 
; Letter-carrier, Post-man. 

Besreliing, vr. Appointing^ etc., zie Be- 
! stellen, 

I Besceliingslijst, vr. , zie Inteeken- 
I lijsc. 

BescelJoon, m. en o. , zie Bestelgeld. 

Bestelster, vr., zie Besteller. 
1 B steniaat, m. Crony. 

Besremmen, b. w, voor iets stemmen , to 
yote ; fig. bepalen , to Fix upon, to Ap- 
point ^Design. * — , voorbeschikken , to 
Destine. 

Bes:emining, w. Voting; fig. Appointment, 
Designation. * — , beschikking totiecs, 
Destination. 

Bcscenioeder, Besteraoer, vr. groocmoe- 
der, Grandam , Granny. * — , elke ou- 
de vronw , zie Bes in de 2. beteek. 

Bcsrempolen, b. w. /o5r«>«/) ,• fig. lemand 
met een' naam — , to Give a name to one. 
♦ — , bekrachtigen , to Confirm. 

Bescempcling, vr. Stampings etc., zie 
Besterapelen. 

Bestendig , bv. duurzaam , Permanent , 
Stable , Durable , Lasting, Uninterrupt- 
ed^ Continual. *—, stand vas'ig. Constant, 
Steady. * — , bw. Permanently. ♦— , Con- 
stantly. 

Besrcndigcn, b. yf. to Render durable , to 
Make . . . Inst. 

BcsiendigheiJ, vr. Permanence , Stability, 



BESTE 



111 



Continuance , Duration. * — , Constancy, 
Steadfastness. 

Besiendigljjk , zie Besrendig , bw. 

ikscervin, ongel. b. w, uit oorzaak van 
iecs scerven , als Dit ongeval zal hij — , 
This accident will cost liim his life. " — , 
o. w. met Zv^xy .) to Turn pale (^at a thing, 
bij iets); fig. koud worden , opdroogen, 
to Dry up *—, van vleesch , malsch wor- 
den , als : Vleesch laten — , to Mortify 
meat. 7At 00k Bestorven en Onbestorven. 

Bestevader, Besreva^r, m. groorvader, 
Grandfather , Grandsire. * — , elke ou- 
de man , Old man , Hoary head. 

Bes;evenen, b. w. to Direct the course of 
a ship to (^some place, eene plaats). 

Bestier, zie Bes iiur, 

Bestieren, zie Besturen. 

Besfierf, v. t. , zie Besi-erven. 

Bestippe^en, zie Besiippen. 

Bestippeling , zie Bestipping. 

Besiippen, b. w. to Point, to Put points 
upon, to Dot. 

Bestipping, vr. Pointing, Dotting. 

Bestoken , b. w. to Batter, Cannonade, 

Bestoken , v. dw. , zie Besteken. 

Bescolen , v. dw. , z'e Bestelea. 

Bestolpen, zie Bestulpen. 

Bestond , v. t. , zie Bestaan. 

Becsoof , V. t. , zie Bestuiven. 

Best"ppen, b. w. hetgcne voor iemaud 
gescopt moet worden, bezorgen, als: 
lemand benaaijen en — , to Have a care 
for the making and mending (^darning) 
of-' one'' s linen, etc. 

Bestopping, vr. The darning of one^s 
stockings , etc. 

Bestorinen , b. w. to Assault , Storm jfig. 
lemand — , to Fall upon one unawares ; 
Zijn gemoed werd doorberouw bestormd, 
His mind was disturbed by repentance. 

Bestornier, m. Assaulter. (bance. 

Bescorming , vr. Assault ; fig. Distur- 

Bestorten, b. w. to Spill upon something. 

Bestorven , v. dw. , zie Bestcrven. *— , 
bv. ouderloos. Orphan. (fig* Tipsy. 

Bcstoven , v. dw. , zie Bestuiven. ♦—, bv. 

Bcstraflolijk, bv. Reproachablc , Repre- 
hensible , Blamable. *—, bw. Reproach- 
ably , Reprchensibly , Blawably. 

BestrafFelijkheid, vr. Reproachableness ^ 
Reprehensibleness , Blamablencss. 

BesiraiTen, b. w. to Chide, Reproach, 
Rebuke, Reprehend , Reprimand. 

Bcs:ra{rer, ni. Ciiider, Rchuker. 

DestrafTing, vr. Chiding, Reproach, Re- 
buke, 



112 



BESTU 



Bescrafster, vr. , zie Bestraffer. 

Bestralen , b. w. to Irradiate , to Shine 
upon. 

Bestraling, vr. Irradiation^ Shining 
upon, 

Bestraten, b, w. to Pave; Een bestrate 
weg , A paved way , A causey , Acause- 
way. 

Bescracing, vr. Paving. 

Bescreden, v. dw. , zie Bestrijden. 

Bestreed, v. t. , zie Bestrijden. 

Besireek, v. t. , zie Bestrijken. 

Bestrijden^ ongel. b. w. bevechten, to 
Attack, Fight, Oppose, Contend, Combat, 
Stand. *— , mec vvoorden , to Contest, 
Controvert, Debate, Dispute; fig. aan- 
vechten, (in den godgel. sc.,) als : Van 
den duivel bcstreden worden, to Be 
tempted by the evil spirit. * — , goed- 
maken , betalen , als: De kosten — , tc 
Afford the expense. 

Bestrijder, in. Opposer, Opponent^ An- 
tagonist, Enemy. 

Bestrijding, vx. Opposition, Controversy, 
Debate. 

Bestrijdster, vr. , zie Bestrijder. 

Bestrijken, ongel. b. w. op ietsstrijken, 
to Stroke. * — , sirijkende mec iets be- 
dekken, als: Met zalf — ; to Salve, 
to Do over with salve; Met olie — , to 
Oil; Met vet — , to Grease; fig. langs 
eene oppervlakte heenschieten , to Com- 
mand. 

Bestrijlcing , vr. Stroking. *— , metzalf, 
Salving, etc.; fig. Commanding. 

Bestrikken, b. w. met stnkken versieren, 
to Adorn with knots or ribbons, * — , in 
een» strik vangen, to Ensnare , to Catch 

4n a snare, to Entrap. 

Bestrilcking, vr. Adorning with knots or 
ribbons; fig. Ensnaring, 

Bestrooijen, b. w. to Bestrew, to Strew 
or Scatter upon , to Strew over ; Vleesch 
met peper — , to Powder meat with 



Bescrooijing, vr. Bestrewing, * — ^Pow- 
dering. 

Bestruiven, b. w, eig. met struif bezoe- 
delen ; doch enkel fi^. bezwangeren , to 
Get with child , io Impregnate. 

Bestuiven , ongel. b. w. to Cover with 
dust. * — , o. w. met Zijn, to Be covered 
with dtist^ to Become dusty. Zie ook 
Bestoven. 

Bestulpen, b. w. to Rake up the fire and 
cover it with a curfew. * — , met eene 
stulp dekken , to Cover with a lid. 



BESTU 

Besturen, b. w. to Steer; fig. regeren , 
to Direct, Govern, Manage, Rule. 

Besiuring, vr. Steering; fig. Direction, 
Management, Government, Rule. 

Bescuur, o. bewind , Government , Di- 
rection , Blanagement. * — , personen , 
die besturen, (of in zamenst. Staatsbe- 
stuur , ) Government, Zie ook Gemeente- 
bestuur. 

Bestur.rder, ra. Governor, Director, 
Manager, Ruler, 

Besiuurster, vr. Governess , Directress , 
Manager, Ruler, 

Bescuwen , b. w. , zie Omstuwen. 

Bet, veroud. w. voor Becer, enkel in 
zamenst. gebr. , als: Betweter, One 
that pretends to know every thing better , 
Pedant, Pretender to learning, Wise- 
acre, Sir-positive ; Betovergrootvadcr , 
Great-great-grandfather ; Betovergroot- 
moeder , Greatgreat-grandmother. 

Botaalbaar, bv. Payable. 

Betaalbaarheid , vr. Bing payable. 

Betaaldag, ra. Payday. 

Betaalkancoor , o. Pay-office, 

Betaalmeester, m. in liec krijgsw., Pay- 
master. , 

Betaalsheer, Betaalsman , m. One that is 
to pay, 

Betaalscer, vr. , zie Betaler. 

Beiaaltijd, m. Time for payment. 

Betalen, b. w. to Pay, to Discharge a 
debt; Laat elk zijn gelag — , Let each 
pay his club; sprw. Hij zal hec gelag— , 
de ballen — , He will be the sufferer for 
it. It will come home upon him ; fig. ver- 
gelden, als: Ik zal hec u — , Ikzalhet 
n betaald zetten , /'// repay you in your 
own coin, Pll return you tit for tat ,- 
(^like for like^, Pll serve you with the 
same sauce, Pll give you a Rowland for 
your Oliver, 

Betaler, m. Payer , Paymaster, 

Betaling, vr. Payment; Hg, Return. 

Betameiijk , bv. Becoming, Decent, 
Beseeming, Decorous. * — , bvf. Becom- 
ingly , Decently , Decorously, 

Becamelijkheid, vr. Becoming , Decency , 
Propriety, Decorum. 

Betamen, b. w. met den 3. pers., to 
Become, Beseem, Suit, to Be decentto, 

Betasien, b. \v. bevoelen , to Feel , Touch. 
* — , handelen, to Handle. 

Betasting, vr. Feeling , Touching. * --, 

Handling, 

Bete, m., zie Beet, m. 

Betcekenen, b. w. beduiden , to Signify, \ 



Bl BETE 

Mean, Imply. * — , bekend raaken, in 
regten, als: lemand eeu vonnis — , to 
Notify a sentence to one. 
Beteekeuis, vr. Signification , Meaning, 
Sense. 
Betemmen , b. w. to Tame , Curb , Break , 

Bridle. 
Becemming , vr. Taming, Curbing , Break- 
ing. 

Beter , (vergr. trap van goed , bv. en bw. 

en van wel , bw.) bv. en bw. Better; 

zie Goed en Wel. * — , inzond. bw. 

j a!s: — worden , to Recover {from an 

I iilness^; — zijn , to Be recovered. Zie 

' de zamengesteide woorden. 

jj Beteren , o. w. raec Zijn , ( metdenklemt. 

op Be^, to Recover (^from an illness^. 

* — , b. w. verbeteren, als: Hij kan hec 

nice — , (in den gemeenz. spreektr, ge- 

beteren,) He can'*t kelp it; Zich — , 

to Amend one''s life, to Change for th". 

better, *— , boeten, als: Manslag werd 

oudtijds gebererd mec zckere hoeveel- 

hetd vee , The punishment for homicide 

was anciently a fine of cattle. 

Beteren , b. w. (met den klemc. op te^ 

to Tar. 
Bcterhand , vr. als: Aan de — zijn, 

to Begin to recover , to Grow better. 
Beterhuis, zie Verbeccrhuis. 
Betering, zie Beterschap. 
Betering , vr. Tarring. 
Beternis, zie Beterschap. 
Beterschap, vr. Recovery {from an ill- 
ness). * — , levensverbecering, Amend- 
ment {ofone''s lifey 
Beterwetcn, o. , als: Hij deedhettegen 
zijn — aan , He did it against his con- 
science , tho'' he knew better. 
Beteugelen , b. w. door een' tcugel oe- 
dwingen , to Bridle, Curb, Check; fig. 
Zijne driften — , to Check or Restrain 
one^s passions. 

Betengeling , vr. Bridling; fig. Checking, 
Restraining. 
teuterd, (v. dw. van het ongebr. 
'crkw. Beteureren. ; *— , bv. Perplexed^ 
Von founded , Confused. 
^leteuterdbeid , IJeteiiterinR , vr. Per- 
lexedness , Perplexity , Confusion. 
itigten, b. w. to Accuse^ Impeach, 
fMrge. 

ftigter , m. Accuser. 
etigting, vr. Accusation , Impeachment. 
Bctigtgter, vr. , zie Betigier. 
3etijden , zie Betijen. 
HOLL. ENG. VVBK. 



BETIJ 



113 



Betijen , o. w. met Hebben , bijna veroud. 
doch nog gebr. in : lemand laten — , 
(zijn' gang Izten gaan ,) to Let one have 
one''s mind , to Let one alone. 

Beijgen, gel. en ongel. b. w. weinig gebr., 
zie Betigien. 

Betimmeren , b. w. to Fill up with a 
building or buildings , to Btiild on; le- 
roands licht — , to Shut up one''s light 
by some building; sprw. (hem de loef 
afsteken), to Surpass or Outdo one in 
something. * — , zie Aftimnieren. 

Beiimraering, vr. Filling up with a build- 
'"Si — van iemands lichc , zie Betim- 
meren. ♦— , zie Aftimmeren. 

Beting, vr. scheepsw. , Bit. 

Betinghout, o. scheepsw., Bit. 

Betingkop , ra. Bithead. 

Betinglap , m. Doubling of the bits. 

Betingslag, m. Bitter. 

Betogen , v. dw. van het veroud. , werkw. 
Betiegen , Covered. 

Betonie, vr. zeker kruid, Be ton j. 

Betonnen, b. w. to Place buoys. 

Betonning, vr. Placing buoys. 

Betoog, o, {oo^j Demonstration. 

Betoogbaar, Betoogelijk, bv. Demon- 
strable, 

Betoogen, b. w. to Demonstrate , ShoM' , 
Prove , to Make evident , to Clear up 
by argument. 

Becooging , vr. Demonstrating. 

Betoombaar, bv. Restrainable , To be 
curbed, zie Betoomen. 

Betoomen, b. w. , zie Beteugelen. 

Betoomer, m. One that bridles, checks , 
restrains , Restrainer. 

Betoomipg, zie Betengeling. 

Bctoomsier, vr. , zie Betoomer. 

Bctoon , o. (o(j) Shewing, Shew. 

Betoonen, b. w. to Shew; lemand veel 
vricndschap — , to Shew one a great 
friendship , to Oblige one. 

BL'cooning, vr. Shewing. 

Betooveraar, m. , Betooveraarster, vr. 
Enchanter; fig. Charmer. 

Beiooverea , b. w. tooverij aan iemand 
oefenen, to Bewitch, Enchant; fig. in- 
nemen , to Charm. 

Betoovcring , vr. Enchantment ; fig. 
Charming. 

Betoovergrootmoeder, Beioovergrootva- 
der , zie op Bee. 

Betouwcn , b. w. Tackle, Rig. 

Beiraand , (v. dw. van het veroud. werk\r. 
betraneu.) ♦— , bv. fTet with tears, 
8 



114 



BliTR 



Betrachren, b. w. to Perform, Aecom- 
tlish. Do, Fulfil, 

Betrachter, m. Performer. (^plishing. 

Betrachting, vr. Performance ^ Accom- 

Betrachtster, vr. , zie Cctrachcer. 

Betrad, v. t. , zie Betreden. 

Betralien, b. w. to Grate up, to Bar, 

Bctrappelen , b. w. to Trample upon. 

Bctrappen , b. w. op lets iiappen , to 
Trample upon ; fig. achterhalen, vatten, fc 
Catch,Take,Seize,to Get hold of^O^ heecer 
daad — , to Take in the fact. 

Beiredeu , ongel. b. w. op iets trcden , 
t4} Go or Walk upon ; Hij zal nimmer mijn' 
dorpel wt(2r — , lle''il never come under 
my roof again ; Het pad dcr deiigd — , 
to W^alk on the path of virtue , to Live 
virtuously. 

Betrcding, vr. Walking upon. 

Betreffen , ongel. b. w. met den 3. pers. 
to Concern, Regard; Dae beuefc den 
welstand van etu geheel Imisgezin , 2'he 
•welfare of a whole family is concerned in 
it; Wat mij betrtfc, As for me, 

Betreffcnde, (tcgenvv. dw, van Betref- 
fen.) * — , voorz. Concerning. 

Betrekkelijk, bv. Relative; in de spraakk.: 
Ecn — voornaamwoord , A relative 
pronoun. * — , bw. Relatively. * — , voorz. 
Concerning , About, 

Beirekken , ongel. b. \v. ingaan , als: De 
winterkvt^acieren — , to Go into winter- 
quarters ; Een huis — ^ to Go and live 
tn a house. ♦— , inwikkelen , als : lemand 
in eene zaak — , to Involve one in an 
aff^air ; lemand in regteu — , toSueone 
before a court of judicature. * — , be- 
driegen, to Dupe, Trick, Cheat, Gull. 
* — , o. w. met Zijn, van de lucht , to 
Grow cloudy; Eene betrokkene lucht, 
A cloudy sky ; fig. Hij zag er zeer be- 
trokkeu uit , He lookedvery gloomy , sad, 

B^trekker, m. degene diebecrekc, zie 
Betrekken. 

Betrekkirg, vr. de daad van Betrekken, 
zie Betrekken. ♦ — , gemeenschap, Re- 
lation, Connexion, Affinity; Ik sta in 
geene — met hem , / have no relation 
with Jim, * — , familiebecrekking, ^/W- 
red, Relationship. * — , verhouding, 
Rito, Proportion ; Met — tothetgene 
ft-ij straks zeidet, With regard to what 
you were saying just now. 

Betrekster, vr., zie Becrckker. 

Besireurder, m. Lawenter, Deplorer. 

Becreuren, b. w. to Lament , Deplore, 
Bewail, Bemoan. 



BETR 

Betrenrenswaardig, bv. Lamentable , De- 
plorable. 

Becreuring, vr. Lamentation, 

Bctreursier, vr. , zie Betreurder. 

Bctroeven, b. w. to Trump. 

Betrof, v. t. , zie BetrelFen. 

Becrofi^en , v. dw. zie Betreflfen. 

JJeirok, V. t. , zie Betrekken. 

Bctrokken, v. dw. , zie Betrekken.* — ,bv. 
' Cloudy, Lowering; fig. Sad. 

Bccrokkenhcid, vr. Cloudiness ; ^g. Clou- 
diness of look , Sadness. 

Bctrouwen, b. vi\ venrouwen, toTrust; 
leoiand iecs — , to Trust one with a 
thing. 

Betrouvven , b. w. to Acquire or Get by 
marriage, 

YiCiztin , b. w. to Bathe, 

Betting, vr. Bathing, 

Betuigen , b. w. verklaren, to Declare ^ 
Affi'm , Assure, Protest, *—, betoonen , 
to Skew; Dank — , to Return thanks. 

Betuiging, vr. Declaration. * •— , Pro- 
fession. 

Buiuinen, b. w. , zie Oratuinen. 

Beuiining, vr. , zie Omtuiiiing. 

Beiweter, ra. , zie op Bet. 

Betwjjfeleu, b. w. to Doubt of, to 
Question, 

Bctwijfeling, vr. Doubting of a thing. 

Betv^istbaar, bv. Disputable ^ Controver- 
tible, Contestable, 

Betwisten , b. w. tegenspreken , to Dis- 
pute , Contradict , Gainsay , Contest, 
* — , aanjpraak op ieis inaken , to Dis- 
pute, Contest, to Claim jrum one. 

Betvv'ister, m. Disputant, Controvertist , 
Disputer. * — , One that contests , Claifo- 
ant, 

Betwisting , vr. Dispute , Controversy , 
Debate, Contest. 

Betwistster, vr. , zie Betwister, 

Beu , bv. verzadigd, als: Ik lien dat — , 
/ am tired of that , I am sick of it. 

Beugel , m. metalenof hoiiten ring, Iron 
hoop or ring. Bow, Cramp-iron. * -, stijg 
beugel , 5/;>r«/),'(Zi!veren ofgouden)— ^ 
van eene tasch , {silver or gold .Spring 
of a purse. * — , bcugeltasch, Purse witli 
a spring * — , in eene beugel baan , Iron 
thro'' which a ball is to be played; sprw. 
Dat kan niec door den — , That won^t 
do indeed. That canU be excused. * — , 
aan een geweer. Handle. 

Beugelbaan, zie Klosbaan. 

Beugeien , zie Klossen in de 2. beteek. 

B'wUgelspel, zie Klosspel. 



JBengelrasch, vr. 



BEUG 



engelrasch, vr. , zie Beu.eel. 

Beuk , m. zekere boom. Beech ^ Beech- 
tree. *— , vr. beuknoot, Beech-nut^ 
Beuknoten , (^als voeder ,) Beech'masi , 
Buck-mast, 

Beukelaar, m. Buckler, Shield. 

Beiiken , bv. Beechen. 

Beuken , b. w. to Knock , Beat , Drub , 
Lick , Taw , Thrash. *— , inzond.: Scok- 
visch — , to Beat stockfish. 

Beukenblad , o. Beech-leaf. 

Beukenboom, zie Beuk. 

Beukenbosch, o. Wood of beech-trees. 

Beukenhaag, Beukenheg , vr. Beech-hedge. 

Beukenhout, o. Woud of the beech-tree. 

Beukenloof, o. Beech-leaves. 

Beiikeunoot, vr. , zie Beukaoot. 

Beuknoot, vr. , zie Beuk. 

Beukentak, m. Twig or Branch of the 
beech. 

Beukenwortel , m. Root of the beech. 

Beuker, m. One that knocks, etc., zie 
Beuken. 

Beukerij , vr. , zie Batterij. 

Beukhamer, m. Mallet. 

Beuking, vr. Knocking, etc, 

Beukolie, vr. Beech-oil. 

Beukster, vr. , zie Beuker. 

Bcul , m. Hangman , Executioner ; fig. 
Cruel man,Tornientor , Bntcher , Tyrant. 

Beulachtig, bv. Cruel, Tyrannical. * — , 
bw. Cruelly, Tyrannical /y. 

Beulen, o. w. metHebbeu, fig. to Toil, 
Slave , Drudge. 

Beulin, vr. llangman''s wife; fig. Cruel 
•woman. 

Beuling, m. worse. Sausage; fig. on- 
kundig werkman , Bungler. * — , on- 
noozel niensch. Simpleton, Idiot, Nin- 
ny , JNin-compoop , Ninnyhammer , Nizy , 
Oaf, Dolt. 

Beulingvrouw , vr., BeuHngwijf, o. Wo- 
man that sells sausages, 

Beulschap, o. Office of an executioner. 

Bciilsdochtcr , vr. IIaf/gmau'*s daughter. 

Beulsknecht , ra. llangman^s man. As- 
sistant-executioner. 

Beulspost, m. Office of a hangman. 

Beulsvrouw, vr. , zie Beulin in de i. 
bcteek. 

Beulswerk , o. Ilangman'^s work. 

Beulszoon, m. IIangman'*s son. 

Jieun , vr. , zie Bun. 
Bcun,ni. zolder, Garret. 
Beunhaas, m. Ojie that exercises a trade 
■without being legally admitted to ii. 
•— , especially at Amsterd.im, Ouc 



BEUN 115 

that commissions for settling parchases 
between merchants, tho'' not being a 
sworn broker , van hier : Commissioner, 
Agent. 

Bcuuhazen, o. w. met Hebbeu, to Be 
a beuniiaas, zie dat woord. 

Beurder, m. Receiver, 

Beuren, b. w. to Lift up , zie Opbeuren 
in de eigenl. beteek, * — , outvangen. 
to Receive, 

Beuren , o. w. met Zijn , gemeen , zie 
Gebcuren. 

Beurs, vr. geldbeurs, Purse. ♦ — , toe- 
lage voor studenien. Stipend. * — , 
der kooplieden. Exchange , Change. 

Beurscli, bv. van vruchien , Overripe, 
Rotten. 

Beursgebouw , o. Exchange. 

Eeurschheid , vr. Being overripe , Rot- 
tenness. 

Bcursdag, m. Day of which one goes 
to change. 

Bcursklok, vr. Bell that ritrgs at ex- 
change-time. 

Beursknechc , m. Officer that keeps th§ 
exchange clean. 

Bc'ursplein , o. Exchange. 

Beursprijs, m. Change-price. 

Beursspe) , o. S^.ecutation. 

Beurstijd , in. bjj koopl. , Exchangc-timo, 

Beursuur, o. IJo:jr of the exchange. 

Beurt, vr. Turn; Bij beurten , By turns ; 
van daar bij scbippers : Aan de — lig- 
gen, to Be the first that is to set ofi'; 
en in zamenst. , als : Beurcman, Eeuri- 
scbipper, m. Captain or Master of a 
vessel or barge, who must keep turns 
with ills fellow captains , as they regu- 
larly goto and return from any other place. 
fig. Dat buitenkansje is hem te — geval- 
kn, 'ihat good luck fell to his share. 

Bcuriclings, bw. liy turns. Alter- 
nately. 

Beurtelingsch, bv. Alternate; Bcurte- 
lingsche afwisseling, Alternation. 

Bcurtgezang, o. Alternative song. 

Beurtlieden, Beurilui, m. raecrv. van 
Bcuriman. 

Beurtman , m. , Beurtschip , o, Vessel or 
Barge of iuch a captain. Packet-boat, 

Beunraan , Beunschippcr, m. , zie op 
Beurt. 

Bcurtverwisseling, Beurtwisseling , vr. 
Alternation. 

Beurzenmaker, ra. Purse-maker. 

Beurzensnijdcr, m. Pickpocket, Pick- 
purse, Cutpurse. 



116 



BEUPt 



Beurzig, zie Beursch. 

Beuzelaar, m. , Beuzelaa-ster, vr. die 
beuzelingen vertelc , Trifler, * — , die 
beuzelingen doet , Idler. 

Bfiuzelachtig, bv. Trifling. * — , adv. 
Triflingly. 

Beuzelachtigheid, vr. Trifle^ Nonsense. 

Beuzelarij , vr. Mere nonsense^ Fiddle- 
faddle. 

Beuzelen, o. w. met Hebben , to Trifle. 

Beuzeling, vr. Trifle^ Fiddlefaddle. 

Beuzelkraam , vr. Toy-shop. 

Beuzelkramer , m. Toy-man. 

Beuzelpraat, m. , Beuzeltaal , vr. Idle 
chat, Fiddlefaddie ^ Chitchat. 

Beuzelwerk , o. Trijling work, 

Bevaarbaar, bv. JSiavigabh. 

Bevaarbaarheid , vr. Navigableness. 

Bevaarder, m. Navigator. 

Beval, V. t., zie Bevelen. 

Bevallen , b. w. met Zijn, to Be brought 
to bed or Be delivered (of, van). * — , 
b. w. behagen , to Please ; Bevalc het 
u ? , Does it please you ?, Do you like it ? 

Bevallig , bv.' Pleasing , Pretty, Taking, 
Captivating y Graceful, Lovely , jlmia- 
hle. * — , bw. Pleasingly , Charmingly , 
Gracefully , Lovely , Jlmiably. 

Bevalligheid, vr. Pleasingness , Charming- 
ness , Gracefulness , Grace, Amiahle- 
ness i Bevalligheden , meerv. Charms. 
• — , in de fabelk. , als : De drie be- 
valligheden , The three graces. 

Bevalliglijk , zie Bevallig, bw. 

Bev ailing, vr. verlossing van een kind, 
Delivery, Being brought to bed of a 
child. Confinement. 

Bevang , o. , zie Omvang. 

Btvangen, ongel. b. w. vermeesteren , 
als : De slaap bevangt mij , I grow drowsy 
{or sleepy'); Van den drank — zijn, to 
Be tipsy, intoxicated; Mec vrees oF 
koude — zijn, to Be struck or seized 
with terror or cold; Met droefheid — 
zijn , to Be overwhehned with sorrow. 

Bevanging, vr. Being seized with. 

Bevaren , ongel. b. w. op iets varen , als : 
Eene zee — , to Navigate (Live) on 
a sea; De west — , to Use the JVest- 
Indin irade; Een schip — , to Work a 
ship , til Have the management of a ship. 

Bevaren, ^ v. dw. van Bevaren j. * — , 
bv. door veel varen daarin bedreven. 
Expert. 

Bevaring , vr. Navigating , etc. 
Bevacrelijk, bv. ligc bevatcende, Com- 
/) rehensive , uipprehensive , Intelligent , 



BIiVA 

Quick of apprehension , Discerning. * -» 
iigc bevat kunnende worden , Intelligi- 
ble, Easy to be understood. Clear, Per- 
spicuous, Plain. * — , hw. Intelligibly y 
Clearly, Perspicuously , Plainly. 

Bcvattelijkheid, w. Intelligence. * — , 
Intelligibleness , Perspicuity , Perspi- 
cuousness , Clearness. 

Bevatren, b. w., zie Omvatten; fig. in- 
houden, to Contain. *-— , vcrsuan , 
to Comprehend, Understand ^ Apprehend , 
Conceive, 

Bevatcing, vr, , zie Omvatting,* fig. 
Containing. * — , Comprehending. *—,Un- 
derstanding. Conception. 

Bevechten , ongel. b. w. bescrijden, to 
Fight, Combat. * — , door vechten ver- 
krijgen , to Acquire by fighting ; De 
overwinning — , to Carry or Win the 
day , to Be victorious. 

Bevechcer, m. Fighter, Combattant } — 
der overwinning , Victor. 

Bevechting, vr. Fighting; — der over- 
winning, Victory. 

Beveelscer, vr. , zie Beveler, 

Beveiligen, b. w. to Secure, Defend^ 
Shelter. 

Beveiliger, m. Securer, Defender. 

Beveiliging, vr. Securing, Defence, 
Shelter. 

Beveiligster , vr. , zie Beveiliger. 

Beveinzen , zie Veinzen en Oncveinzen. 

Bevel, o. last. Order, Charge, Injunc- 
tion, Commandment. * — , inagc cm ce 
bevelen, Command. 

Bevelbrief , zie Lascbrief. 

Bevelen . ongel. b. w. een bevel geven, 
to Order ^ Command, Enjoin, Bid, 
Charge. * — , toevcrcrouwen , to Com- 
mit. * — , aanbevelen, to Recommend. 

Beveler, m. One that orders ^ etc, zie 
Bevelen. 

Bevelhebber, rb. aanvoerder, inzond in 
hec krijgsw. , Commander. 

Bevelhebberschap , o. Command. 

Beveling, vr. Ordering, etc., zie Be- 
velen. 

Bevelschrift , o. Mandate, Order, In- 
struction. 

Bevelvoerder, m. Commander. 

Beven , o. w. met Hebben, to Tremble, 
Shiver , Shake , Qnake , Shudder ; fig. 
vreezen , to Fear; Voor gevaar — , 
to Fear danger. 

Bever , m. zelcer dier. Castor, Beaver. 
* — , een helmstuk, Beaver. * — , bever- 
hoed, zie die wocrd. * — , o. weleer, 



BEVE 

de stofvan beverhaar gcmaakt, Beaver^ 

Castor, * — , thans , a coarse woollen cloth. 
Bevergeil, o. Castoreum. 
Beverhaar , o. Beaver-hair , Castor. 
BeverhoedjO. Beaver^ Castor. 
Bevernel, vr. zeker kruid, Pimpernel^ 

Burnet. 
Beverfch, bv. Blade o/'bever. 
Bevcrvel, o. Beaver-skin. 
Bevesti.qen . b. w. vast tnaken , to Fasten; 

fig. bckrachcigen , to Confirm^ Affirm. 

* — , in het krij^sw. verscerken, fo /"l^r- 
tify ^ Entrench * — , in de predikd. in- 
buldigen , to Invest. 

Bevestiger, m. fastener; fig. Confirmer, 

• — , Fortifier. * — , Invester. 
Bevesciging, vr. Fastening ; i]^. C nfir- 

mation , Affirmation. * — , Fortification. 

• — , Investiture ; zie Bevescigen. 
Bevicl , v. t. , zie Bevallen. 
Bevijlcn, b. w. to File at. 
Btrvijling, vr. Filing. 
Bevind, o. State;'Nazr— van zaken, As the 

cases stands , or stood. 
Bevindelijk, bv. To be experienced. 
Bevinden , ongel. b. w. to Find, See ; Zich 

— ,(^zijn,) to Be; Z ch wel of kwalijk 

— , to Be well or ill ; fig. Z'ch bij iets of 

iemandwel of kwalijk — , To he well or 

ill offiwith a thing or a person. 
Bevinding , vr. Experience. * — , Situation, 

State, zie Bevind. (zie Bevangen. 

Beving, v. t. (met den klemt.op ving, ) 
Beving,vr. (met den klenn. op Be,) 

Trembling , Quivering Shaking, 
Bcvitifjcren , b. w. to Finger i to Touch with 

the fingers. 
Bevisschen, b. w. to Fishy to Fish in. 
Bcvlakkcn , b. vr. , zie Bevlckken in de 

eigcnl. beteck. 
Bevlckken, b. w. besmetten , to Stain ^ 

Dirty, Soil, Defile, Pollute, Sully ;i\g. 

to Defile; Hethuwclijks ed — , to Defile 

the nuptial bed. 
Bevlekker, m. Stainer , Defiler. 
Bevlekking, vr. Staining, Soiling y De- 

filitig ; zie ook Zelf bevlekking. 
Bevlekster, vr , zie Bevlekker. 
Bevlijtigen (Zich), w. w. to Afiply ont''s 

self, to Be diligent, indnstriou: or oisi- 
I dunns. * — , to Endeavour. 
iBevlijtiging, vr. Application ^ Industry, 
I Diligence , Assiduity. 
Bevlocren , b. w. to' Pave or Floor, 
Bevloering, vr. Paving, Flooring, 
Bevocht, v. t. , zie Bevcch'cn. 
Bevocluen , v. dw., zie Bevccbtcn. 



BEVO 



117 



Bevochtigen , b. w. to Wet, Moisten , Wa- 
ter , Humect, Irrigate. 

Bevochtiging, vr. Wetting, Irrigation. 

Bevoegd, (v. dw. van hec veroud. Bevoe- 
gcn. ) * — , bv. bekwaam , Able , Fit , 
Qualified; leraand toe ieis — maken , to 
Qualify one {Make one qualified^ fo-r a 
thing. * — , regtraatig, Competent, * — , 
(Bevoegdelijk,) bw. .(^^/j'. * — , Compe- 
tently. 

Bevoegdheid, vr.Ableness, Qualification: 
* — , Competence. 

Bevoelen , b w. voelen , to Feel , Handle, 
Grope. * — , bevinden , to Be ; Zich niec 
wel — , to Be ill or indisposed. 

Bevoer,v. t., zie Bevaren. 

Bevolen , V. dw. , zie Bevelen. 

Bevolken, b. w. to People, Populate. 

Bcvolker , w. One who populates. 

Bevolking , vr. Peopling , Populating. *—, 
de inwoners , Population. 

Bevolkc, (v. dw. , zie Bevolken.) •— , 
bv. Populous, 

Bevolkiheid, vr. Populousness, 

Bevond, v. t. , zie Bevinden. 

Bevonden , v. dw. , zie Bevinden. 

Bevoogden , b. w. to Give a guardian, 

Bevoogding, vr. Giving a guardian. 

Bevoordeclen , b. w. to Advantage, 

Bevoordeeling , vr. Advantaging. 

Bevooroordceld , bv. Prejudiced , Prefrt' 
dicial * — , bw. Prejudicially. 

Bevooroordeeldheid , vr. Prejudicialness. 

Bevoorregten , b. w. to Favour by some 
privilege or prerogative , to Privilege. 

Bevoorregting, vr. Favouring one by a 
privilege. Privileging. 

Bevoorwaarden, b. w. to Stipulate , Con- 
dition. 

Bevoorwaarding, vr. Stipulation. 

Bevordcraar, m. , Bevordcraarscer , vr. 
Promoter, 

Bevorderen, b. w. bespoedigen , to Acce- 
lerate , For-ward. * — , het docl doen na- 
dercn , to Promote , Forward. * — , toe 
hoogeren trap van eer vcrhcfFcn , inzond . 
in het krijgsw. , to Advance; Ilij is nog 
n'lethcvorderd, He has no advancement vet. 

Bcvordering , vr. Accelerating. * — , Pro- 
motion. * — , Advancement , Preferment. 

Bevorderlijk , bv. Apt or Proper to pro- 
mote or forward a design , Conducive {to, 
voor). 

Bevorens, bw. en \oc^w. Before. 

Bevorki , bv. Forked. 

Bcvrachien , b. w. to Freight, Load or 
Lade {^aship^y to Load (« wagg»n). 



IIP, 



BEVR 



Bevrachter, m. Freighter ^ Loader, Lader. 

Bevrachting , vr. Freighting^ Lading^ 
Loading. 

Bevrachcsrer , vr. , zie Bevrachrer. 

Bevragen , ongel. en geUjkvl. b. w. to In- 
quire after ^ Te — bij , enz. , Informa- 
tion to be had at , etc. 

Bevraging, vr. Inquiry after. 

Bevredigen , b. w. gerusc stelleii , to Pa- 
cify , Appease ; lemand — , to Appease 
one''s anger; Zich met iemand — , to Recon- 
cile with one i fig. voldoen , betalen , to 
Satisfy. 

Bevrediger, m. Pacifier. * — , Reconciler. 

Bevrediging, vr. Pacification. * — , Re- 
conciliation ; fig. Satisfying. 

Bevredigsrer, vr. , zie Bevrediger. 

Bevreemden , b. w. met den 3. pers. to 
Surprise, Astonish, Amaze, to Appear 
or Seem strange to; Dat bevreemdt mij, 
/ am greatly surprised at it. 

Bevreemdend , bv. Surprising, Strange, 
Odd. 

Bevreemding, vr. Surprise^ Amazement, 
Astonishment ; Ik kan u mijne — nlet vei*- 
bergen , / cannot conceal from you how 
much I am amazed. 

Bevreesd , bv. Fearful, Afraid, Frigh- 
tened. * — , b\v. Fearfully. 

Bevreesdheid, vr. Fearfulness, Fright, 
Fear. 

Bevriend , bv. verwant. Related (^hy 
kindred's. * — , door vriendschap veree- 
nigd. Allied by friend<hip. 

Bevriendheid, vr. Alliance, Relation, 
Affinity, 

Bevriezen , onreg. o. w. met Zijn en b. 
w. to Freeze. 

Bevriezing, vr. Freezing. 

Bevrijden , b. w. to Free , Deliver ,Resctie, 
Redeem , Affranchise . Acquit , Rid ,• 
Zich van lets — , to Rid one'' s self or to 
Get Rid of a thing. 

Bevrijder, m. Deliverer , Redeemer. 

Bevrijding, vr. Freeing, Deliverance , 
Rescue , Redemption. 

Bevrijdstcr, vr. , zie Bevrljder.l 

Bevroeden, b. w. to Apprehend, Compre- 
hend, Conceive. 

pjevroeder, m. Abprehender. 

Bevroeding, vr. Apprehending, Compre- 
hending, Conceiving. 

Bevroedsrer, vr. , zie Bevroeder, 

Bevroeg, v. t. , zie Bevragen. 

Bevroor, v. t. , zie Bevriezen. 

Bevroren en Bevrozen, zie Bevriezen. 

Bevruchten , b. w. to Impregnate. 



BEVR 

Bevrnchting, vr. Impregnation. 
!Bevuilen,b. w. to Soil, Foul, Dirty, 

Besmut. 
Bewaaijen , b. w. to Blow upon or against. 

* — , o. w. met Zijn, to Be blown upon. 
Bewaakster, vr. , zie BewaUer. 
Bewaarder, m. Keeper , Guard , Ward, 

* — , meest in zaraensc. , als : Gevangen- 
beviraarder , Grootzegelbewaarder , enz., 
zie die woorden. 

Bewaarheiden , b. w, to Testify , Verify , 

Confirm , Prove, 
Beviraarmiddcl , o. Preservative. 
Bewaaniis , zie Bewaring. 
Bewaarj5laats, vr. Depository. 
Bev/aarscer , vr. , zie Bewaarder. 
Bewaken , b. w. to Watch, Guard, 
Bewaker, m. JVatch. 
Be waking , vr. Watching. 
Bewallen,b. w. toCover or Surround with 

walls , to Wall. 
Bewailing, vr. Surrounding with walls, 

Walliug. 
Bewand,laar, m. , Bewandelaarster, vr. 

Walker. 
Bewandelen , b. w. to Walk upon or in , 

to Walk ^ Tread ;Qg. Het padderdeiigd 

— , to Live virtuously , to Walk upon the 

path of virtue. 
Bewandeling, vr. Walking in or upon, 

TreadifJg. 
Bewangen , b. w. to Clamp, Fish. 
Bewapeneii , b. w. , zie Wapcnen. 
Bewapeiiing , vr., zie Wapening. 
Bewaren, b. w. wegieggen, to Spare, 

Save. * — , zorg dragen , to Guard, Pre- 
serve , Save , Keep. 
Bewaring, vr. Sparing, Saving. *—, 

Guarding , Preservation , Keeping. 
Bewaseraen , b, w. to Cover with vapour. 
Bewaseming, vr. Covering with vapour. 
Bewasschen , ongel. b. w. to Have a care 

for the washing of one^s linen , to Wash 

for. 
Bewassen , ongel. o. w. mer Zijn, to Be 

overgrown , to Grow. * — , b. w. to 

Overgrow. 
Bewaieren , b. w. to Water.. Irrigate. 
Bewacering, vr. Watering, Irrigation. 
Bev/eegbaar, bv. 3Iovable. 
Beweegbaarbeid , vr. Movahleness. 
Beweegmiddel , o. Spring , Cause , Moving 

power. 
Bevveegoorzaak , vr. First principle. First 

moving cause , First motor. 
Beweegrad, o. , zie Drijfrad; fig. zie 

Drijfve^r. 



BEWE 

Bewcegreden , vr. Motive^ Incitement^. 
Reason. 

Beweegster, vr. , zie Beweger. 

Beweenen , b. w. to Deplore , Lament, Be- 
wail , Bemoan^ to Weep or Mourn 

for, 

Beweener, m. One that deplores^ etc., 
Deplorer , Lamenter ^ Moaner, 

Beweeniiig, vr. Deploring^ etc. 

Bcwcenlijk, bv. Deplorable. 

Bewcenscer , vr. , zie Beweener. 

Beweerder , m. A-.sertor^ Affirmer. 

Bewcerschrifc, o. Written assertion. 

Bowcersrer, vr. , zie Btwecrder. 

Bewees, v. t., zie Bc\vij^en. 

Bcwcgelijk, bv. beweegbaar. Movable. 
* — , clat zich beweegc of bev/egen kan. 
Mobile , Having motion ( enVe\ in tegenst. 
van: Onbewegelijk , ifJo//o;;/e.fj'"). * — , 
dat anderen bewegen (d. i. Treffen)kan 
of beweegt , Moving , Affecting, Touch- 
ing. 

Bewegelijkheid, vr. Movahleness. * — , 
Mobility. * — , Movingness , zie Bewe- 
gelijk. ■- 

Beweger, m. Blover , Motor. 

Bewegjng , vr. Motion ; fig. Uic eigenc — 
doen , to Do of one"* s own accord ; Oe eer- 
6te — (opwelling) van toorn beJwingen, 
to Check the first access of anger. * — , 
oploop, oproer, Commotion , Disturb- 
ance, Emotion, 

Bewelkomen, zie Verwelkomen, 

Bcweren , b. w. to Assert, Affirm. 

Bewering, vr. Asserting^ Assertion. 

BeAverkelijk , bv. mr.eijelijk Requiring 
Jahour^Laborious^Difpcult* — , gcschikc 
oni bewerkt te wordcii , Fit to be pre- 
pared or to be brought about. 
Bewcrkeliikheid , vr. Difficulty,* — y Fit- 
ness to be prepared or to be brought 
about. 
Bewerken , b. w. to Work at , to Prepare, 
to Make ready , to Accomplish, * — , nii- 
voergin , to Cause, Effectuate , to Bring 
about, to Be instrumental to. 
Bewerker, ni. Agent , Operator , Author. 

* — , Workman. * — , I/rtrument. 
Bewcrking, vr. Workmanship. * — , uit- 
voering ^Igency , Operation , Instrumen- 
tality. 
Beweiksielliqen , b. w. to Cause , to Bring 

about., to Effect. 
Bewerksrclliiring, vr. Causing ^ Bringing 
about , Effecting. 
Beweikster, vr. , zie Bewerker. 
Bewerktuigen , b. w. to Organize. 



BE\^E 



119 



Bewerkruiging , vr. Organization, • — , 
Organism. 

Bewerp , zie Ontwerp. 
Bewcrpen , ongel. b. w. door werpen be- 
reiken , to Reach by throwing, to Throw 
upon, to Throw far enough, * — , ont- 
wcrpen, to Project, Plan, 
Bewesten, voorz. en bw. Lying or Situatt 

to the west of. 
Bewettigen , zie Wettigen. 
Bewettiging, zie Wettiging. 
Bewezen , v. dw. , zie Bewijzen. 
Bewierookeu , b. w. wierook toewaaifcn , 
to Incense .^ Cense ; fig. prijzen , to Com- 
mend , Praise. 
Bewierooker, m. Incenser ; fig. Prai<er, 
Bewicrooking, yr. Incensing; fig. Cgw- 

mending. Praising. 
Bewierooksrer, vr., zie Bewierooker. 
Bewierp , zie Beworp. 
Bewies, v. t. , zie Btwassen, 
Bewiesch , v. , zie Bewasschen. 
Bewijs, o. hecgene, wa.irmede men ^c^8 
bcwijst , Proof, Testimony, Warrant. 
*— , gemeenz , schijn, Shew, Appearance, 
zie Bcwijsje. 

Bewijs'^aar , bv. Provable , Demonstrable. 
* — , bw. Provably. 

BcwijsNaarhe^d , vr. Being provable or 
demonstrable , Demonstrauleness. 
Bewijsgrond , m. Ground or Foundation 
for proving something. Argument, 
Reason. 

Bewijsje, o. fig. gemeenz., een weinig, 
A tittle. Some. 
Bewijskracht , vr. Demonstrative quality, 
Bewijsplaats, vr. Passage for proving 

something, Atlega (ion. 
Bewijsredc , vr. , zie Bewijsgrond. 
Bcwijsstuk , o. Ducument by which a thing 

is to be proved. 

Bewijzen , ongcl. b. w. aan den dag lcggen> 

to Prove , Verify , to Blake evident , to D«- 

monstrate. * — . doen blijken , to Shew. 

Bewilligcn, b. w. to Grant, Allow, to 

Consent to, to Agree with. 
Bewilliger, m. Granter, One that alUv/s, 

consents to , agrees with, 
Bewilliging , vr. Grant , Allowance , Cot*- 
sent. Agreement. 
Bewilligstcr , vr.,zie Bewilliger. 
Bcwimpelen, b. w. Palliate, Colour, 
Cloak. 
Bewimpeling, vr. Palliation, Colour. 
Bewind , o. Dcstuur, Government ., D're^- 
ticn, hlanugrment, * — , bcstuurdcrs, 
GovernmentyGoyernors^pl., Directors,pl. 



120 



BEWI 



Bewinden, ongel, b. w. to Wind or Wrap 
about. 

Bewindhebber, in. Administrator. * — , 
inzond. in ds Nederl. gesch. : De bcwind- 
hebbers der Oosc-lndische compagnie , 
The directors of the East-India -company. 

Bewindhcbsccr , vr, Administratrix. 

Bewinding, vr. Winding about. 

Bewindsel, o. Bandage^ Swath ., Roller. 

Bewindslieden , m. mrv. , tie Bewiiidsman. 

Bewindsman , ra.(meerv. — lieden,) Ma- 
gistrate , Placeman. 

Bewindvoerder, m. Administrator ^ Di- 
rector. 

Bcwitteii , zie Witten. 

Bewoeleu , b. w. , zie Bewinden. 

Bewoeling, zie Bewinding. 

Bewogen, v. dw. , z'\?. Bewegen. 

Bewolken , b. w. to Cover with clouds ., to 
Obnubilate , Cloud; vaa hier ; Bewolkt, 
Cloudy. 

Bewolking, vr. Clouding. 

Bewond, v. t. , zie Bewinden. 

Bewcnden , v. dw. , zie Bewinden. 

Bewonderaar, ra., Bcwonderaarster , vr. 
Admirer. 

Eewonderen , b. w. to Admire. 

Bewondercnswaardig , hv. Admirable. * — , 
bw. Admirably. 

Bewonderenswaardigheid^ vr. Admirable- 
ness , Admirability. 

Bewondering, vr. Admiration. 

Bewonen , b. w. to Inhabit., to Live or 
Dwell in. 

Bewoner, m. Inhabitant .^ Dweller. 

Bewoning , vr. Inhabiting. 

Bewoog, V. c. , zie Bewegen. 

Bewoonbaar , bv. Habitable , Inhabitable. 

Bewoonbaarheid, vr. Habitableness. 

Bewoonster, vr. , zie Bewoner. 

Bewoorden, b. w. to Express in words., 
to Word. 

Bewoording, v. Expressing in words. 
Wording. * — , uitdrukking , Term., Ex- 
pression. 

Beworp, v. t. , zie Bewerpen. 

Beworpen, v. dw., zie Bewerpen. 

Bewusc , bv. Known; Die is niij niec — of: 
Ik ben daarvan niec — , I know nothing 
of it , / am not conscious of it ; De 
bewnste zaak , Tlie affair you know of. 
The affair in question. , 

Bewusteloos , bv. Without knowledge. 
Without one'*s senses, 

Bewusteloosheid , vr. Being without know- 
ledge. 

Bewuscheid, vr. Being acquainted with a 



BEAVU 

thing. Knowledge. * -- , inzond. hetken- 

nis draj^en van ons eigen aanvvezen. Con- 
sciousness; Zonder — zijn, to Be in a state 

of stupor or insensibility. 
Bewustzijn, o. , zie Bewustheid. 
Bezaaibaar, bv. That may be sown. 
Bezaaijen , b. w. met zaad bestrooijen, ;o 

Sow ; lig. to Sow , Cover , Besprinkle. 
Bezaaijer, m. Sower. 
Bezaaijing , vr. Sowing ; fig. Covering, 
Bezaan , vr. schecpsw. , het achcerste zeil, 

Mizen , Mizzensail. 
Bezaai:sbras , ra. Brace at the mizzen-mast. 
Bezaansdeaipgordings, vr.meerv. Mizzen- 

b rails. 
Bezaansfials , m. Blizzen-tag, 
Bezaansraars , vr. Mizzen-top. 
Bezaausmast , ra. Mizzen-mast. 
Bezaanspispocten, m. iwcavv. Mizzen- bow- 

liness. 
Bezaansschuifspier , vr. Mizzett'Slide. 
Bezaansspriet, m. Mizzensprit. 
Bezaansstag , vr. Mizzen-stay. 
Bezaansscagzeil, o. Mizzen-'staysaiJ. 
Bezaanswanc, o. Mizzen-shroiids , pi, 
Bezabheren , b. w. to Slabber^ Slaver, 
Bezadigd, (v. dw. , zie Bezadigen}. *— , 

bv. Composed, Calm, Sedate. * — , bw. 

Composedly , Calmly, Sedately. 
Bezadii^diieid, vr. Composedness., Calmness, 

Sedateness. 
Bezadigen , b. w. to Calm , Tranquillize. 

Zie ook Bezadigd. 
Bezag, V. t. , zie Beziea. 
Bezalven, zie Zalven. 
Bezanden , b. w. to Sand, to Cover yvith 

sand. * — , begrinten, to Gravel. 
Bezanding , vr. Sanding. * — , Gravelling. 
Bezat, V. t. , zie Bezirien. 
Bezeeren, b. w. Wound, Hurt. 
Bczeering, vr. Hurting. 
Bezeeveren , b. w. to Drivel^ or Slaver 

upon. 
Bezeevering, vr. Drivelling upon, 
Bezegelen, b. w. to Seal, to Put one''s 

seal to; fig. bekrachtigen , to Seal ; lets 

met een' ced — , to Confirm by an oath. 
Bezegeling, \t. Sealing; fig. Confirmation. 
Bezeild, (v. dw. , zie Bczeilen. ) * — , bv. 

als: JEen wel ofslecht — schip^ A good 

or bad sailer. ' 

Bezeilen , b. w. to Reach by sailing, to 

Sail fOj-fig. Menkan hooger' noch lager' 

wal raec hem — , He is fit for nothing, 

Zie ook Bezeild. 
Bezem , ra. Besom, Broom; Een oude — , 

A scrub ; Berkeu — , Birch-broom; sprw. ^ 



BEZE 

Nieuwe bezeras vegen schoou , A new 

broom sweeps clean. 
Bezemband, m. Broom-band. 
Bezenibinder , m. , Bezeinbiudscer , vr. 

Broom-maker. 
Bezemheide , vr. Heath fit for brooms, 
Bezemkri.id , o. Broom. 
Bezemniaker, m. .Bezeramaakster, vr., zie 

Bezemhinder. 
Bezeinman , m. Broom'maker. 
Bezcraschoon, bv. als: — houdcn, to Sweep 

or Broom properly. 
Bezemsceel, Bezenistok , m. Broom-siick^ 

Broom-staff. 
Bezerasiuiver, m. , Bezemstuivertje, o. 

an ancient coin. 
Bezending , vr. Deputation , Commission. 

* — , pak , Bale , Packet. 

Bezet, (v. dw, zie Bezeccen.") ♦ — , bv. 
Occupied ^ Busy ^ Crowded with business^ 
Having noleisure. *— , als : — op de borsc 
zijn, zie Eene bezetdng op de borst 
hebben. 

Jezeten , v. d\v., zie Bezitten. *— , in- 
zond. in eeii'godgel. ziii,als: Van den 
duivel — , ook enkcl : — , Possessed by 
the devil , Possessed^ van daar h»it vol- 
gende : 

Bezecene, m. en vr. bij godgel. , Demo- 
niac , One possessed by the devil. 

Bezecenheid, vr. Being possessed. 

Bezecheid, vr. ^e/w^ crowded or overchar. 
ged with business. ♦ — , zieBezetting in 
de laatsre beteek. 

Bezetteling, m, in den hist. sc. , One of 
the garrison. 

Bezecten, b. w. to Fill nr Occupy (a place'). 

• — ,omzetten, to Beset. * — , inzond. 
in het krijgsw. , als : Eciie plaats — ( in- 
hcbben), to Occupy a place ; De srad is 
gterk bezet, The town is well garrisoned, 
has a strong g-^rr/xow; De sad was door 
den vgand aan alle kanteii bezet , The 
town was invaded or blocked up by th 
enemy on all sides. Zie ook Bczec. 

Bczeuing,vr. de daad van Bczerten, zie 

dit woord. * — , inzo\M\. Garrison. * — , 
' bcnaauvirdheid, 0/'/)r^^5/"w. - <'pde borst, 

Straitness of the lungs ^ Suffocation. 
Bezie, vr. , zie Bcs in de i. l)€teek. 
Bezield, bv. Animated, (^Animate^) Alive, 

Living. 
Beziclen , b. w. leven geven , to Animate^ 

Quicken i fig. aanvuren, to luJLime. 
Bezieling , \t. Animation ; fig. Infi miing 
Bezien, onreg. b. w. bezlgrigen , to Look 
■ aty to View, Behold^ to Take a view of; 



BEZI 



121 



Zich — , to Behold one^s self; fig. Dat zal 
te — staan. That is an uncertain thing 

still, TVe shall see that by the event.* — ^ 
o. Looking at; Dae is niec bezicns waar- 
dig. That is not worth looking at. 

Bezicnswaardig , bv. Worth to be seen, 

Bezig, bv. Busy, Occupied , Engaged (^in 
some work). 

Bezigen , b. w. to Use , to Make use of. 

Beziger, ni. User. 

Bezigbeid, vr. Occupation , Business. 

Beziging, vr. Using. 

Bezigster, vr. , zie Beziger. 

Bezigtigen , b. w. to l^iew , to Take aview 
of, to Ills pec t. Survey. 

Bezigtigcr, m. Viewer. 

Bezigtiging , vr. Inspection, View, Survey. 

Bezigtigster ., vr. , zie Beziirriger. 

Bezijden , voorz. en bw. Next to. Con- 
tiguous;— het imis. Next to the liouse; 
van daar, meer bijz. in den zin van bui- 
ten , als: — het spoor rijden , to Drive 
out of the track ; fig. Dat is — de waar- 
heid. That is not true. That is a story. 

Bezilveren, zie Verzilveren. 

Bezingen, ongel. h. w. to Sing, Celebrate. 

Bezinger, m. Singer. 

Bezinging, vr. Singing, Celebration, 

Bc'Zingster, vr. , zie BezingcT. 

Bezinkcn , ongel. o. w. met Zijn, to Settle. 

Bezinking, vr. Settling. 

Bezinksel, o. Sediment. 

Bezinncn, ongel. b. w. te Find out, to 
Discover ; Zich — ^ to Consider; ook: 
uiocite doen om zich iets tc herinneren, 
to Endeavour to recollect ; ook: zich her- 
inneren , to Remember .^ Recollect, Zie 
ook Bczonnen. 

Bezit , o. Possession ; In — nemen, to Take 
possession of, 

Bczitneming, vr. Taking possession^ 

Ikzitscer, vr. , zie Bczitier. 

Bezitieljjk, bv. in de spraakk. , als : Een 

, — voornaam woord, A possessive pronoun. 

Beziuen , ongel. b. w, op ie's zirten, to 
Sit upon, * - , in cigendoni hebben, to 
Possess. Zie ook Bezeten. 

Beziiier, m. Possessor. 

Bezitting, vr. Possession. 

Bezittingsrcgt , o. Right of possessing. 

Bczoar, m. zekere sccen , Bez'inr. 

Rczocht, V. t. en v. dw. , zie Bczocken. 

Bezoedelen , b. w. tn Dirty , Stain , Soil. 

Bczoedeling, vr. Dirtying, S'aining. 

liezoek, o. Visit; lemand een — gevcn , 
Een — bij iemand alleggen , to Pay a visit 
to one, * — , gezelscbap , dac een ' bezuck 



122 



BEZO 



komt: Wij hebben gtsteren geen — ge- 
had , ff^e saw no company yesterday. 
Bezoekcn , otireg, b. w. een bezoeU af- 
leggen, to Pay a visit to^ to Visits to 
Call upon. * — , zicli ergens been bege- 
ven , als : Vreemde landen — , to Visit 
foreign countries; De kermissen — , to 
Frequent the fairs. * — , de proef 
van iets nemen, als: Bezoek her, en 
pij zulc vinden, enz. , Try it audyoit^ll 
find, etc. ♦ — , in een' godgel. zin , 
plagen toczendeu , to Visit, Afflict, 
Chastise. 

Bezoeker, ra. Visitant^ Visitor. 
Bezoeking, vr. zie Bezoeli. * — , iozond, 
in een' godgel. zin. Visitation, Chas- 
tisement. 

Bezoekstcr, vr. , zie Bezoeker. 
Bczoldel'ng, m. en v r. One that receives 

pay.. Mercenary, Hireling, Retainer, 
Bezolderen , b. w. to Ceil. 
Bezoidering, vr. Ceiling. 
Bezoldigen , b. w. to Pay wages, or a 
salary for the service done , to Give salary 
to, to Retain. 
Bezoldiging , \r. Paying. * — , Pay, 

Payment. * — , Salary^ fVages. 
Bezolding, vr. soldij , Pay; fig. De — 
der zonde is de dood , The wages of\ 
sin is deathm \ 

Bezon, V. t. , 7-ie Bezinnen. (aan). 

Bezondigen(Zich), b. w. to Sin(^against, 
Bezondiging , vr. Sinning. 
Bezong, v. t., zie Bezingen. 
Bezoiigen, v. dw. , zie Bezingen, 
Bezonk, v. t. , zie Bezinkcn. 
Bezonken , v. dw. , zie Bezinken. 
Bezonnen, v. dvv. zie Bezinnen. * — , 
bv. inzond. als tegenstelU van Onbe- 
zonnen , Cautious ^ Considerate. * — , 
bw. Cautiously , Considerately. 
Bezooraen , b. -w. to Hem, Border, to 

Edge about, zie Orazoonien. 
Bezorgd , (v. dw. zie Bezorjjen.) * — , 
bv. Anxiou? , Uneasy., Careful, Solici- 
tous. * — , bw. Anxiously., Carefully. 
Bezorgdheid, vr. Anxinusness , Unea' 
siness , Carefulness, Solicitude. 
Bezorgen, b. w. to Care for, to Take 
care of, to Mind, to Look after; Alles 
is bezorgd, All is in order; fig. Hij is 
bezorgd, (kan jjoed leven,) He has got 
a com/yetcjicy , enough to live upon ; Hij 
is bezorgd, ^besclionken ), He is tipsy , 
(^half-seas-over). * — , besrellen , als: 
Een' brief — , to Send or Carry a letter 
to its direction. Zie ook Bezorgd. 



BEZO 

Bezorger, tn. One who takes care , etc. , 
zie ook de zamengesc. Spijsbezori^er , 
enz. 
Bezorging , vr. Taking care of, etc. , 
z\Q Bezorgen. 

Bezorgscer vr, , zie Beawrger. 
Bezuiden , voorz. en bw. Lying or Situate 

to the south, 
Bezuinigen , b. w. to Save y Spare, to 
Husband it ; Zich beter — , zie Zich 
Bekrirapen. 
Bezuiniger, m. One who lives sparingly. 
Bv-'zuiniging , vr. Frugality , Oeconomy, 
Bczuinigscer, vr. , zie Bezuiniger. 
Bczuren, b. w. t» Be the sufferer for. 
Bezwaar , o. Heavy burden; fig. Grie- 
vance. 
Bezwaard, (v. dw. zie Bezwaren.") •— , 
bv. Anxious, Troubled, Uneasy, ♦ — , 
bw. Anxiously , Uneasily. 
Bezwaarder , m. One wiio charges , etc. 
Bezwaardheid , vr. Being mortgaged. *— , 
A!7xiousne<is , Trouble. 
Bezwaarlijk, bv. Difficult, * — , bw. 
Hardly. 

Bezwaarnis, vr. Grief, Grievance. 
Bczwaarsier, vr. , zie Bezwaarder. 
Bszwacluelen , zie Zwachcelen. 
Bezwachteling, vr. Swaddling, 
Bezwadderen , zie Bezoedelcn. 
Bezwaddering, zie Bezoedeling, 
Bezwalken, b. w. to Dim, Dull or 
Darken by a vapour or steam; fig. to 
Blast, to Cast a blemish upon. 
Bezwalker, m. One who dims, etc. 
Bezwalking, vr. Di^nming , etc. 
Bezwalkster , vr. , zie Bezwalker. 
Bezwangeren , b. w. to Impregnate , to 
Get with child. * — , in de sclieik. , to 
Impregnate. 
Bezwangering, vr. Impregnating. 
Bezwaren, b. w. to Charge, Load., to 
Make heavy; De maag — , to Over- 
charge the stomach; fig. Met belastin- 
gen — , to Charge with taxes ; Een' pe- 
vangene (beschuldigen), to Lay a thing 
to a prisoner'' s charge; Zijn geweren 
met iets — , to Act against the dictates 
of one'' s conscience ; Zijne goederen — , 
( beleenen , ) to Blortgage one''s estate . 
Zich over iets — , (beklagen,) to Com- 
plain of or Remonstrate against a thing. 
Zie ook Bezwaard. 
Bezwaring , vr. Charging , etc. 
Bezweek , v. t, , zie Bezwijken. 
Bezweerder, m. One who swears to a 
thing, etc., zie Bazweren. * — , inzond. 




BEZW 



geestenbezweerder , Conjurer^ Exor- 
cist, 

Bezweeren , b. w. to Wet hy sweating; 
Bezweet zijn, to Be in a sweat. 

Bezweken , v. dw. , zie Bezwijl<en. 

Bezwemmen, ongel, b. w. to Reach by 
swimming. 

Bezweren , ongel. b. w. to Swear to the 
truth of a things to Affirm by nn oath , 
to Take an oath upon , to Swear to. 
• — , Door middel van eeden of bijfje- 
loovige woorden verpligten tot iets, 
to Exorcise , Adjure , Conjure , Raise , 
to Cast out; Den diiivel — , to Exorcise 
(to Cast out'^ the Devil; Geesten — , 
to Raise spirits; fi^. met aandrang 
smeeken , to Conjure , Intreat. 

Bezwerinj;, vr. Swearing to the truth 
of a thing , etc. * — , Exorcism ; fig. 
Entreaty. 

Bezwerinj^sboek, o. Conjuringhnok. 

Bezwerinj^sforraulier , o, Conjurer'^s 
formula or formule. 

Bezwijken ; ongel. o. w. met Zijn , to 

Drop down ^ to Be overcome ( with some 

fatigue or hardship"); fig. Ondcr den 

j last d,er bezigheden — , to Sink under 

the load of affairs. 

Bezvvijking, vr. Dropping down; fig. 
Sinking under a thing. 

BezwijmcH, o. w. met Zijn, to Swoon or 
Faint away , to Fall into a swoon ^ to 
Grow faint* 

Bezwijming , vr. Fainting fit ^ Swoon y 
(bij geneesh.) Lipothymy. 

Bezwoer, v. t. , zie Bezwcren. 

Bezwom , v. t., z\e Bezwemmen. 

Bezvvomincn v. dw. , zie Bezwemmen. 

Bibberen, o. w. metllebben, to Shiver^ 
Shake , Tremble ; Van koiut — ^ to 
Shiver with cold. 

Bibbering, vr. Shivering., Shaking. 

Bibliothecaris , m. Librarian , Library 
keeper y Bibliothecary. 

Bibliotheek, vr. Library^ Bibliotheca. 

Bibliotheektrapje , o. Small ladder in a 
library. 

Bidbank, vr. , Bidbankje , o. Hassock ^ 
Footstool. 

Biddag, zie Bededag. 

Biddoman, m. Beggar, 

B'den , otigel. b. en o. w. gcbcden doen, 
to Pray to or Sen up ove''s prayers to 
(the Almighty^. * — , inzf)nd. aan cafol, 
to Say grace ^ to Bless the table. ' — , 
aan iemand een ver/.ock doen, to Beg ^ 
Pray , Beseech , Entrtat. 



BIDD 



123 



Bidder, m. One who prays, * — , inzoad. 
Begrafenisbidder , zie die woord. 

Bidding, vr. Praying, etc. 

Bidpi.aats, vr. Oratory, Chapel, 

Bidscer, vr. , zie Bidcier. 

Biduur, o. , zie Bedcstond, 

Biecht , vr. bij sommige gezindh. , Con- 
fession ; Te — gaan , to Go to confes- 
sion ; sprw. Bij den duivel le — gaan . 
to Reveal one^s secrets to a false-hearted 
person. 

B^echteling, m. en vr. Penitent, Con- 
fessor, 

Biechten, b. w. de biecht afnemen , of 
biechc doen, to Confess; fig. zie Op- 
biechten. 

Biechter , ra. Confessor, 

Biechcgeld , o. Confessor^s fees, 

Biechting, vr. Confessing, Confession, 

Biechtkind, o. , zie Biechreling. 

Biechrpcnning , m. , zie Biechtgeld. 

Bicchtster, vr. , zie Biechter. 

Biechfstoel , m. Confessionary , Confes. 
sional , Confession-chair. 

Biechccijd, m. Time of confession, 
Shrove-tide. 

Biechtvader, m. Confessor. 

Bieden, ongel, b. w. /<? 0_^^r,' fig. Ie- 
mand de hand — , to Assist one; Iemand 
hec hoofd — , to Make head against 
one, to Face one; We»'rstand — , to 
Resist. ♦ — , loven, aan' ieden , to Bid ; 
Wat biedr uij er voor?, IFhat do yoa 
bid for it?; De meestbiedeiule , Th§ 
highest bidder; Aan den meestbiedende 
verkoopen, to Sell by auction or to tht 
highest bidder, 

Bicder, ni. One who offers, ♦ — , Bidder, 

Bicding, vr. Offering. * — , Bidding, 

Biedstcr, vr. , zie «Bieder. 

Bier, o. Beer; COngehopt — ), Ale. 

Bierachtig, bv. Like beer. (A^e silver. 

Bicraccyns, Bieraccijs, m. Deer-tax ^ 

Bierazijn, m. f^inegar made of beer , 
Alegar. 

Bicrbank, vr. Ahhouse-bench. 

Bierbooni , m. Beerporter*s yoke. 

Bierbroiuver, m. Beer-brewer, Ali- 
brewer , Brewer. 

Bierbrouwerij , vr. Brew-house. 

Biorbuik, m, fig. Tippler, Lover of beer, 

Bierdrager, m. Beer-porter. 

Hicrdrinker , m. Bder-driiiker. 

liierenhrood , o. B.ersoup, Aleberry. 

Bierfiesch, vr. Beer-hottle. 

Biergcld, o., zie Bieraccijns. * — , Bitf' 
money. 



124 



BIER 



Bierglas, o. Besrglass ^ Tumbler. 

Bierhnis, o. Beer-house ^ Alehouse. 

Bierkan , vr. Ale-pot , Tankard. 

Bierkelder, m. Beer cellar^ Ale-cellar. 

Bierkop , m. Beer-cup , Ale-cup, 

Bierkroeg , vr. Alehouse. 

Bierkruik, vr. Pitcher ^ Taukard , Beer- 
bottle. 

Biennaat, vr. Measure for beer, 

Bierpap , vr. Beer-soup. 

Bicrpeiis, vr. , zie Bierhuik. 

Biersmaak , m. Taste of beer. 

Biers leile , vr. Bcer-sledge. 

Bierslee, vr. , zie Bierslede, 

Biersleper, m. Driver of a beer-sledge. 

Biersteker, ni. One that retails beer by 
the cask , rirkin-man. 

Bierstekerij , vr. Retailing beer by the 
cask. 

Bierstel, o. , zie Bierwagen. * — , zie 
Bierstelling. 

Bierstelling, vr. Stilling, Beer-stand. 

Biertapper , ra. , Biertapster, vr. Retailer 
of beer. * — , in een h'lQilnus, -Tapster. 

Bierton, vr. Beer-cask. 

Biervac, o. , zie Bicrton. 

Biervlieg, vr. a kind of fly that feeds 
upon beer ; fig. zie Bierbuik, 

Bierwagen , m. Dray. 

Bierwerker , m. Beer-porter, 

Bies, vr. Rruh, Bulrush ^ fif,. Zijne bie- 
zen pakkeii, to Get off", to Betake one^s 
self to one''s heels , to Pack off" or away. 

Biesband , in. Bnnd of bulrushes. 

Biesbosch, o. Place full of bulrushes. 

Bieskorf , m. Basket made of bulrushes. 

Bieslint, o. Ribbon in the form of a 
bulrush. 

Bieslook , o. Chives , pJ. 

Biesc, vr. eersce nielk eenerkoe, die ge- 
kalfd beefc, Biestings, pi, 

Biestboter, vr. Butter made ofbiestings. 

Biestemelk , vr. , zie Biest. 

Biec, vr. , zie Beet, vr. 

Bieiebaauw, m. Bug, Bugbear, Hob- 
goblin. 

Biezen , bv. Made of bulrushes. 

Biezen , zie Bijzen. 

Big, Bigge, vr. Pig, Porkling, 

Biggelen, o. w, mecZijn, to Trickle 
down; Langs de wangen — , to Trickle 
down the cheeks. 

Bigot, bv. Bigot, Fanatical. 

Bigoiterie , vr. Bigotry, Fanaticism, 

Bij , vr. Bee. 

I3ij , voorz. de geringheid van afsrand 
van plaais of tijd aanduideode , ouucreeks. 



BIJAL 

onitrent. Near; Hij woont — dekerk, 
He lives near the church; Het is — 
vijven, It is near five o' clock; van 
daar: Hij is — de zestig (jaar oud), 
He is almost sixty {years of age). * — , 
voor onderschcidene andere voorz. als : 

— (naar) wien gaat gij ? , To whom do 
you go? ; Ilij is nog — ( in ) levcn , He is 
alive still ; — (op_) die gezegde begon 
zij te scbreijen. At this speech she hegtin 
to weep; — (door) geluk , — loevai'. 
By chance , By luck; — (door) mij no- 
taris onderschreven , Signed by me notary; 
Het was eene gewoonte — (onder) tic 
ouden , It was a custom among the 
ancients; — (onder) de smeden , PTifh 
smiths; — (.aan) paren, Two and two; 
Icmand — de hand vacten , to Takeone''s 
hand or one by the hand ; fig. -— de 
(— der hand, — de werken) zijn , to 
Be active and clever ; — (met) den hoop, 
de el, bet pond, enz, verkoopen , to 
Sell by the bulk , (he ell or yard , the 
pound, etc.; — (over) dag. In the day- 
time; — (ter) gclegenheid zijner ver- 
jaring. On the occasion of his birth- 
day; — (als) voorbeeld. For instance ; 

— gelijkcnis, By way of comparison ; 
~ ( bencvens) rijkdom, deugd en ver- 
siand bezitten , to Possess a sound un- 
derstanding and virtue together with 
riches; — (niettegenstaande") al zijne 
gelcerdheid, hecfc hij geen gezond ver- 
scand , Notwithstanding all his learning 
he has no common sense. * — , als eene 
verkorting, waarbij een werkw. is iiit- 
gelaceu : Zijt gjj met uw schrijfwerk 
nog niec — (bijgckon^ien) ? , Are yon 
not yet even with your writing-work t 
Aanni. Bij , in zamenst. met werkw. , 
is ahijd sclieidb. en beteekent: I.) eene 
gemeensciiappeljjkheid , a!s: Dat gebrek 
is hem altoos bijirehleven , He never left 
off that fault ; J I.) eene toevoeging of 
vermeerdering , als: Bijdoen , BJjvoe- 
gen , to Add, Join-, en iuzond. III.) 
eene getneenschappelijke toevoeging, 
als: Tot iets bijdragen , to Contribute 
to a thing. Zie de zamengescelde woor- 
den. ^ 

BijaUlien, voegw. If, In case. 

Bij be I, m. Bible. 

B i j be I b a n d , m . B inding of a b ih le, 

Bijbelbeslag, o. Clasps of a bible, pi. 

Bijbelblad, o. Leaf of a bible, • — , 

bij be 1 , Bible. 
Bijbelbloem , vr. Scriptural figurt. 




BIJBE 

Rljbelboek , o. Bible, 

Bijbeldruk, m. Impression of the bible. 

liijbeldnikker, m. Printer of bibles. * 

Bijbeldrulckerij , vr. Office in which bibles 
are printed. 

Bijbelgenootschap, o. Bible-society, 

Bijbelleer, vr. Scriptural doctrine. 

Bijbelleesscer, vr. , zic Bijbellezer. 

Bij be lie tier, vr. Bible-type. 

Bijbellezen, o. Reading the bible. 

]3ijbellezer , m. Render of the bible. 

Bijbeltnatig , bv. Conformable to the bible , 
Biblical. 

Bijbelplaacs, vr. Passage of the bible. 

Bijbelsch, bv. Scriptural , Biblical. 

Bijbelspreuk, vr. Scriptutal sentence or 
proverb. 

Bijbelstof, vr. Text of scripture. 

Bijbeluitlegger , m. , zje Bijbelverklaar- 
der. 

Bijbeluitlegging, Bijbeluitlegkunde , vr. , 
zie Bijbelverklaring. 

Bijbelstof, o. Text of scripture. 

Bijbelvast, bv. IVeil versed in scripture ^ 
Able to quote every passage of the bible ^ 
Scripture-proof. 

Bijbelverklaarder, m. Exf)licator of the 
bible. 

Bijbelverklaring, vr. Exegesis or Expli- 
cation of the bible. 

Bijbelvers, o. ^erse of the bible. 

Bijbelverspreider, ra. Propagator of the 
bible. 

Bijbelverspreiding, vr. Propagation oj 
the bible. 

Bijbelvertaler, m. Translator of the 
bible. ^ 

Bijbelvertaling , vr, f^ersion of the 
bible. 

Bijbelvriend, ra. Constant reader of the 
bible. 

Bijbclwerk, o. bij boekdr. , Bibles or 
other printing-work belonging to the 
bible y such as psalms^ etc. 

'Bijbelwoord, o. If^oid of the bible, 
Bijbecaling, vr, , als : Met — van, 
irith the addition nf. 
Bijbeceekenfs , zie Nevcnbeteckenis. 
Bi.|tiii)den, ongel. b, w, to Bind or 

\ Tie to, 

Bij binding, vr. Binding to. 

,Bijb]ijven, ongel. o. w. met Zijn , niet 
verlaten , als: Ik kan u nice — , I can- 
not walk , ( ride , etc. ) as fa t as you , 
I cannot keep pace with you ; ook : / 
cannot make so great progress {in stu 
dying , etc.") as you ; Dai gcbrck is hem 



BIJBL 125 

aliijd bijgebleven. He never leftof'thai 

fault. 
Bijblijving, vr. de daad van bijblijyen , 

zie die woord. 
Eijboek, o. Additional bovk. 
Biiboeken , b. w. to Book. 

Bijbren^en , ongel. b. w. aanhalen , to 
Quote ^ Cite. ♦ — , toe yerschooniug, 
to Allege; Wat kunt gij' te uwer ver- 
schooning — ?, What can you say in your 
defence ? * — , helpen , baien , als: Dat 
kan niet veel — ,That cannot help or avail 
tnucli. * — , schikken , als: Zoo ik het 
eenigszins kan — , zal ik konien , I shall 
come ^ if it Le possible. 

Bijbrenger, m. Qaoter. * — , Alleger ^ 
zie Bijbrengen. 

Bijbrenging, yr. Quotation, Citation. 
* — , Allegation. 

Bijbrengscer , vr. , z'e Bijbrenger. 

Bijdehandsch , bv. bij vnerl., als: Hei 
bijdehandsche paard , The horse under 
the hand. 

BJjdicht, o. Episode. 

Bijdoen , onreg. b. w. to Add. 

Bijdraagscer, vr. , zie Bijdrager. 

Bijdraaijen, o. w. met Ilebben en ZJjn , 
scheepsw. , to Lie by, to Lie ahull, 
to Diminish the sails and lash the helm 
a-lee ^ to Come to, to Heave to^ fig. ta 
Come nearer to the point. 

Bijdraaijer, m. One that lies by, etc. 

Bijdraaijing, vr. Lying by, etc. 

Bijdraaister , vr. , zie Biidraaijer, 

Bijdrage , vr. Contribution , Share; Brj- 
dragen tot niaandwcrken leveren , t9 
JVrite articles for monthly reviews, etc. 

Hijdragen , ongel. b. w. to Contribute. 

Bijdrager, m. Cnvtributor. 

Tiijdiaging , vr. Contributing. 

Bijdriikken, b. w. to Print above the rtum' 
her printed before. 

Bijdrukking, vr. Printing more. 

Bije , vr. , zie Bij , vr. 

Bijcen, bw. Together. Zie de aanmcr- 
king op aanecn. 

Bijeenb!ijven , ongel. o. w. met Zijn, to 
Remain together. 

Bijeenbiengen , onreg. b. w. to Bring 
t'gether , to. Collect. 

Bijeeiibrenging , vr. Bringing together. 

Bijeendragen, ongel. b. w. to Carry 
t'>gcther, 

Bijcendoen , onreg. b. -w. to Put together, 
to Mix. 

Bijeendrijven , onreg. b. w. to Drive 
together. 



126 



BI.IEE 



Bijeengebleven, v. dw. , zie Bijeenblijven. 

liijeengebracht, v. dw., zieB.jecnbreugen. 

Bijeengedaan , v. dw. , zie Bijeendocn. 

Bjjeengedreven , v. dw., zie Bijeeiidrijven. 

Bijeengeleid , v. dw. , zie Bijeenleggen. 

Bijeengeleid, v. dw. , zie Bijeenleiilen. 

Bijeengelegen , v. dw. , zie Bijeenliggen. 

Bijeengeregen, v. dw. , zie Bijeenrijgen. 

Bijeeiigesmcien, v. dw., zie Bijeensmijten. 

Bijeengetrokken, V. dw. , ZiC Bijeentrck- 
ken. 

Bijeengeworpen, V. dw,, zie Bijeenwer- 
pen. 

Bijeengezeten , v. dw., zie Bijeenzitten, 

Bijeengezocht , v. dw. , zie Bijteii^oeken. 

Bijeengooijen, b. w. to Throw tegether. 

Bijeengroeijen, o. w. met ZV^n ^ to Grow 
together. 

Bijeenhaken, b. w. to Hook together, 

Bijeenhalen , b. w. to Fetch together. 

Bijeeuhangen , ongel, b. en o. w. met Heb- 
ben , to Hang together. 

Bijeenhouden , onreg, b. w. to Keep to- 
gether, 

Bijeenjagen, gel. en ongeh b. w. to Drive 
or Chase together. 

Bijeenkomen , onreg. o, w. met Zijn, tc 
Come together , to Meet , Assemble, ^ ' 

Bijeenkomsc , vr. van weinigen, Interview, ] 
Conference. * — , van velen , Meeting,- 
Assembly , Convention. I 

Bijeenleggen, onreg, en gel. b. w. to Lay 
together. 

Bijeenliggen, ongel, o. w. met Ilebben , 
to Lie together. 

Bijeenlokken , b. w. Allure together, 

Bijeenplanten, b. w. to Plant together. 

Bijeenrapen , b. w. to Gather, 

Bijeenraping , vr. Gathering. 

Bijeenrekenen , b. w. to Reckon or Count 
together, 

Bijeenrijgen, ongel, h. w. to String to- 
gether, 

Bijeenroepen, ongel. h. w, to Call together, 
to Convoke. 

Bijeenroeping , vr. Calling together , Con- 
vocation. 

Bijeenrukken, o. w. met Zijn, yan krijgsv., 
to Assemble. 

EijeenschiT.pen , b, w. to Scrape together, 

Bijeenschraping, vr. Scraping together. 

Bijeensmijten, ongel. b. w. to Throw or 
Fling together. 

Bijeenspelden , b. w. to Pin together. 

Bijeenstaan, onreg. o. w. met Hebben , 
to Stand together. 

BijeeutrekkeD,^'/;^^/. b. w. to Puil together; 



BIJEE 

Krijgsvolk — , to Rally troops. • — , o. 

w. met Zijn, van krijgsv. , /o Assemble, 
Dijeentrekking, vr Pulling together.*— , 

Rallying. * — , Assembling, 
Bijecnvoegen, b. w. to Join together, 
Bijeenvoeging, vr. Joining together, 
Bijeenwassen , ongel, o. w. met Zijn, to 

Grow together. 
Bijeenwerpen , ongel, b. w. to Tlirow to- 

gcthtr. 
Bijeenwezen, zie Bijeenzijn. 
iUjeenzamelen , b. w. to Collect together, 
Bijeeiuameling , vr. Collection. 
Bijeenzetten , b. w. to Put together, 
Bijeenzetting , vv., Putting together. 
Bijeenzijn, onreg. o. w. met Zijn, to Be 

together. 
Bijeenzitten, ongel, o. w. met Hebben, 

to Sit together. ^ 
Bijcenzoeken , onreg, b, w. to Search to- 
gether. 

Bijenangel, m. Sting of a bee. 
Bijenblad, o. ztker kruid, Balmmint. 
Bijenbroedsel , o. Brood of bees. 
Bijeneier, m. zekere vogel . Beeeater. 
Bijengeslacht , vr. Bee kind. 
Bijenlioiider, m. Bee-man, Bee-master. 
Bijerihuif, vr., zie Bijenkorf, 
Bijenkoning, m. King of bees. 
Bijenkoningin , vr. Mother-bee, 
Bijenkorf, ra. Bee-hive, 
Bijenregt, o. Bright of having bees, 
Bijenwas, o. Bees'' wax. 
Bijenv/olf, m. Bee-eater, 
Bijenzwerra, m. Swarm of bees, 
Bijgaan , onreg. o. w. met Zijn , enkel gebr. 

in bet tegenw. deehv. , als : Bijgaande 

brief, The Inclosed letter. The inclosed. 
Bijgebleven, v. dw. , zie Bijblijven. 
Bijgebonden, v. dw. , zie Bijbinden. 
Bijgebracht, v. dw. , zie Bijbrengen. 
Bijgedaan, v. dw. , zie Bijdoen. 
Bijgekropen , V. dw. , zie Bijkruipen. 
Bijgelegen , ( v. dw. , zie Bijliggen.) *— , 

bv. Adjoining, Adjacent , Contiguous. 
Bijgeleid , v. dw. , zie Bijleggen. 
Bijgeloof, o. Superstition. 
Bijgeloovig, bv. Superstitious, * — ,bw. 

Superstitiously. 
Bijgeloovigheid., vr. Superstitiousness. 
Bijgenaamd, bv. Surnamed. 
Bijgenomen, v. dw., zie Bijnemen. 
Bijgeschoien , v. dw. , zie Bijschieten. 
Bijgeschoven , v, dw., zie Bijschuiven. 
Bijgeschreven , v. dw. , zie Bijschrijvei>. 
Bijgesmeten, v. dw., zie Bijsmijcen. 
Bijgcsmolten , v. dw., zie Bijstneir.en. 



BUGE 

Dijgesprongen, v. dw. , zie Bijspringen. 
Bijgescoken, v. dw, , zie Bijsteken. 
Bijgeven , ongel. b. w. to Add^ io Give 

besides. 
Biigewas, o. Bastard plant. * — ,uitwas, 

Excrescence. 
Bijgeworpen, V. dw. , zie Bijwerpen. 
Bijgezeteii, v. dw. , zie Bijzicten. 
Bijhalen, b. w. to Allege^ Ciie, Quote. 

* — , aanhalen , to Take in (the iaiis). 
Bijhaling, vr. Citation, Quotation. ♦— , 

Taking in the sails. 
Bijliandsch, zie Bijdehandsch. 
Bijhangeii, ongel. b. en o. w, met Heb- 

bon,Vo Hang with the others; fig. to 

Exaggerate, 
Bij hanger, m. Unnecessary addition to a 

thing. 
Bij hanging » vr. Hanging with the others; 

fig. Exaggeration. 
Eijhangsel, o. Unnecessary addition; fig. 

Exaggeration. 
Bijharken, b. w. to Rake., 
Bijhooren , o. w. mecHebben, to Belong to. 
Bijhoorig, bv. Belonging to.. Depending 

on. Inseparable from , Accessory. 
Bi}h.oudett, onreg. b. w., zie Toehouden. 

♦ — ,0. w. als : leniaiui — , to Keep pace 
with one. * — , scheepsw. , to Haul close 
to the wind. 

Bijkans, bw. Almost, About, Nearly, 
Not far from. 

Bijkok, m. Undercook. 

Bijkomeu, onreg. o. w, met Zijn, inha- 
le n , als: leraatid — , to Overtake one; 
fig. (in eenige bczigheid met iemand gc- 
Ujk komen,)/<? Come up with one. * — , 
gelijken , als : Die konit er niei bij , That 
is not at all like , Nothing like it ; Indien 
gij tweemaal zoo veelboodt, zonheter 
nog — , If you bade me double the price, 
there would be some means of dealing 
with you. * — , gebeiiren, als: Hue is 
dat bjj^'ekomen ? , Hew came that to pass " 
• — , weder lot bewiisthcid komen, to 
Recover onc'^s self, to Come to. 

Bijkomend , (v. dw. vnn Bijkomen.)* — , 
bv. Adjoined, Annexed, Adventitious. 

Bijkonist, vr. Addition. *—., Recovering. 

Bnkruipen, ongel, o. w. met Zijn, to 
Creep to. 

Bijl, vr. Hatchet., Axe; fi?. Er met 
dc breede — in hakkcn , to Act or Speak 
incomiderately; Ik heb al zoo lang me: 

1 die -- gehouvven , I am used to it, 

IBijlai;e, vr. Annexed document or writing. 



BIJLA 



12": 



Bijlandig, bv. Adjoining, Adjacent. 

Bijlbrief , m. Bill wherefy the master of 
a ship hinds his ship, etc. , to the builder 
for a certain sum if money and in- 
terest thereof, till the principal b* 
paid. 

Bijlbundel, m. in de Rom, gesch. , 
Fasces , pi. 

Bijldrager, m. in do Rom. gepch, , Lictor. 

* — , in het krijgsw, , zie Bijleman. 
Bijlcggelijk, bv. To be accommodated, 
Bijleggen, onreg. en gel. b. w. to Add; 

fi.^. op iets verliezen , als : Ik heb er veel 
geld bij gelegd , / have lost a ^reat sum 
of mvney by it. * — , een vcrgeljjk maken, 
als: Ik heb het (geschil") bjjgelegd,/ 
have accommodated the difference. *— , 
o. w. scheepsw,, zie Bijdraaijen. 

Bijlegeer, xn. Mediator , Reconciler.* — , 
bij scheepsl., te^cnwind,5//-ey^(7/'ii'r<7r//fr. 
Contrary wind; Een* — maken , to Lye 
to , to Heave to. 

Bijlegging, vr. Adding, etc., zie Bijleg- 
gen. * — , Accommodation, 

Bijleman , m. in het krijgsw. , Soldier that 
carries a hatchet , such as those that art 
employed in mining or sapping. Carpenter, 
Sapper. 

Bijlhamer, m. Hatchet. 

Bijlhouwer, m. One that uses a hatchet. 

Bijliffgcnd, bv. Adjacent. *— , Incloicd , 
Adjoined. 

Bijiigsiing, vr. Lying with. Coition. 

Bij lines, o. Cleaver., Cleaving knife. 

Bijloop, m. hulp. Assistance ;ll'ij kreeg 
gee:)' — , He was not assisted. 

Bijloopen , ongel. o. w, met Zijn , als : Hi] 
kwam ook al — ^He also came running to it. 

Bijlooper , ni. helper , Assistant workman. 

* — ,overtollig persoon , Supernumerary 
person. 

Bijloopster, vr. Supernumerary person, 
Bijlsteel, m. Handle of a hatcfiet, 
Bijl'je, o. verkleinw, , zie Bijl. • — , in 

Amsterdam spotnaam voor een* scheepa- 

tiramerman , Shipwright, 
Bijmaan , vr. Paraselene , Mock moon. 
Bijmengen, b. w. to Intermix, Intermingle. 
Bijmenging, vr. Intermixing , Intcrmin- 

Bij Mil , bw. Almost , Nearly , Near, Much, 
About ; Ilet is — tijd , It is almost timci 
Ik was — gesrorven , / was like to die. 

Bijnaam, m. Nickname, Surname, By- 
name, 

Bijnaamwoord , o. in de spraakk. , Ad- 
jeciii'i. 



128 



BUNA 



Bijnamen , b. w. enkel in het v. dw., zie 

Bijgenaamd. 
Bijneraen, otjgel, b. w. to Take to a things 

to Take besides, 
Bijoogmerk , o. By-end ^ By-view. 
Bijpaard, o. Relay. * — , zie Iland- 

paard. 
Bijpad , o. By-path , By-way , Sliortercut, 
Bijplaneec, vr. Secondary planet^ Satellite. 
Bijrekenen, b. w. to Reckon or Count to. 
Bijroepen , ongel. h. w. to Call to. 
Bijschaven, b. w. to Plane a little. 
Bijschiereiij, ongel. b. w. a!s : Men moet 

er nog ^en'kogel — , One ball must still 

be shot that way. * — , van geld, als : 

Gij moet nog tien schellingen -*- , Tou 

must lay down ten shillings more. * — , 

o. w. met Zijn, zie Toeschieten. 
Bijschikken , b. w. to Range with the 

others. * — , o. w. mec Zijn , to Approach 

with a chair. 
Bijschildercn , b. w. to Paint what is 

wanting. 
Bijschoftelen , b. w. bij tuinl. , to Hoe a 

little , to Hoe what is wanting. 
Bijschrapcn , b. w. to Scrape to, 
Bijschrifc , o. Inscription. 
Bijschrijven, ongel. b. w. schrii ven tot men 

met ietsgelijk is, als: Ik zal het journaal 

eerst — , 1 shall first enter the posts into 

the journal , in order to be even with it, 
Bijschrijving, vr. de daad van Bijschrij* 

ven , zie die woord. 
Bijschniven, ongel. b. yy. to Shove to.*— , 

o. w. met Zijn, to Approach. 
Bijschuiving, \r. Shoving to. * — , Ap' 

p roach in g, 
Bijslaap, m. het bjjslapen , Coition , Carnal 

conversation. * — , m. (bijslaper ,)en vr. 

(bijslaapster,) Bedfellow. * — , m. Gal- 
lant. * — , vr. Concubine. 
Bijslapen , o. , zie Bijslaap in de i. be- 

teekenis. 
Bijslaper, m. , zie Bijslaap in de 2, be- 

teekenis. 
Bijslaping, vr. , zie Bijslaap in de 1. be- 

teekenis. 
Bijslepen , b vf. to Drag to. 
Bijsleping, vr. Dragging to. 
Bijsmaak, m. False taste or flavour y Tang. 
Bijsmeden , zie Aansmedaii. 
Bijsmeding, zie Aansmeding. 
Bijsraelten , ongel. b. w als: Ik zal er 

nog een pond — , /'// melt a pound more. 
Bijsmelting, vr. als: Door de — van een 

pond. By melting a pound more. 
Bijsraeren , b. w. bij het gegmecrde voe* 



AFGL 

gen, to Add to what is anointed, smeared^ 
etc. , zie Smeren. 

Bijsraering , vr. de daad van Bijsmeren , 
zie die woord. 

Bijsraijten , ongel. b. w, to Add, to 
Throw to, 

Bijsmijiing, vr. Adding. 

Bijsom , vr. Odd money, 

Bijspreuk , vr. Legend , Sentence. ♦— , zie 
Leenspreuk. 

Bijspreukig, zie Leenspreukig. 

Bijspringen, ongel. o. w. met Zijn, als: 
Ik kan er niec — , / cannot leap so far. 
♦ — , b. w. fig. bijsiaan, to Succour, 
Assist , Second. 

Bijspringer , m. Assistant, 

Bijspringing, vr. Assisting, Assistance. 

Bijstaan , onreg. b. w. to Assist , Succour , 
Aid, Help, Support, 

Bijstand , m. Aid , Assistance , Help , Sup- 
port, 

Bijstander, m. Aid, Assistant, Helper, 
Supporter, 

Bljsteken , ongel, b. w. to Add, 

Bijstellen , b. w. to Add. 

Bijstelling, vr. Adding, 

Bijster, bv. als: Het spoor — , Out of the 
track; Zijne zinneu — , Van zinnen — , 
(00k : fig. Het spoor — , ) Out of one''s 
wits. Crazy, Crackbraincd. * — , bw. 
zeer , als: Hij stond — verlegen , He was 
sadly at a loss; — koud, Exceedingly 
cold. 

Bijsternis , zie Verbijstering. ^ 

Bijsterzinnig , bv. , zie Zijne zinnen bijs- 
ter , op Bijster. 

Bijsterzinnigheid , vr. Craziness , Mad' 
ness , Distraction, 

Bijstooten , ongel. b. w. to Add. 

Bijstrijken, ongel, b. vv. to Paint, etc., 
what is wanting, zie Strijken. 

Bijt, vr. Gap made in the ice, 

Bijtachtigj bv. Inclined to bite, Morda- 
cious , Biting. 

Bijtachtigheid , vr. Mordacity, 

Bijtebaauw, zie Bietebaauw. 

Bijten, ongel. b. en o. w. to Bite; fig. 
Van kwaadaardigheid op de tanden — , 
to Grind one's teeth , to Fume and chafe 
for anger; Van zich — , to Defend one''s 
self with spirit ; In een' zuren appel 
— , to Be obliged to do a thing against 
the grain ; lemand lets in het oor — , to 
tVhisper something {disagreeable ) in one^s 
ear ; sprw. Hij heet't te — noch tebreken, 
He is as bare as a bird''s tail , as poor 
as Job , quite indigent ; Eene hongerige 



BUTE 

luis bijt scherp, zie Luis. • — , steken, 

,van vlooijen, enz., to Bite.* — , prik- 
kelen , zeerdoen, als: Eenbijtend vocht, 
A biting (^sharp) liquid ;(^\nAQ genees- 
kuade) Bijtende middelen , Corrosives ; 
van daar: Eene bijtende schsrcs , yf J«r- 
castn, Zie ook Gebecen. 

Bijten, o. w. met liebben , to Make gaps 
in the ice. 

Bijter, m. Biter. *— , inzond. bijtercje, 
tand, Tooth, 

Bijthakker, m. One that makes gaps in 
the ice, 

Bijtijds, bw. Betimes Early, Soon. 

Bijtje, o. verkl. w. ,'Zie Bij. 

Bij:je,o. verkl. w. , zie Bijc. 

Bijtster, vr. , zie Bijter in de i. beteek, 

Bijval, ra. buitengewoon voordeel , By- 
gain , By-profit , Accidental profit , Any 
thing besides what is expected. *— , goed- 
keuring. Approbation , Applause. 

Bijvallen, ongel. o. v.% met Z\]n^ to Come 
to. * — , iemands zijde kiezen, to Con- 
cur or Side with. * — , in het geheugen 
komen , als: Het wil mij niec — , lean- 
not remember it .> It does not occur tome. 

Bij voegelijk , bv. fVhat may be added. *— , 
inzond. in de spraakk. : Hen — woord , 
(gcraeenl. — naam woord), Adjective. 
* — , bw. Adjeciively. 

Bijvoegen, b. w. to Add ^Dq bijgevoeg- 
de brief, The inclosed. * — , in de spraakk.: 
Dc bijvoegende (aanvoegende) wijze, 
The conjunctive mood. 

Bijvoeger, m. One tJiat adds, 

Bijvocging, vr. Addition. 

Bijvocgsel, o. Addition. * — , inzond. 
aanhangsel van ecn boek , Aftpendix, * — , 
van een tijdschrifc. Supplement, * — , van 
eene (HoU.) courant , Slip. 

5ijvoet , m. zekere plant , Mugwort, Ar- 
temisia, 

Jjjweg, m. By-way, By-road, Bypath. 
Jijwcrk, o. Additional ornament or deco- 
rations to the principal work. * — ^Any 
occupation not belmging to one^s main 
business. * — , Job or Work not included 
in the bargain made. 
(lijwerkea, b. w., zie Verhelpen. 
'ijwcrpen, ongel. b. w. to Add, 
ijwczen , zie Bijzij/i. 
ijwezende, m. en vr. Person present, 
ijwijf, o. Concubine. 
ijwijfschap, o. Concubinage. 
ijwijlen, bw. Sometimes,^ 
ijvvitten, b. w. to frhftewash a little. 
IIOLL. ENG. WRB. 



BIJWO 



129 



Bijwonen, b, w. to Be present at, to 
Assist at. * — , beslapen , to Lie with. 

Bijwoner, m. One that assist at or lies 
with. 

Bij woning , vr. Assisting at. * — , Lying 
with, 

Bijwoonster, vr. , zie Bijwoner. 

Bijwoord, o. in de spraakk., Adverb. 

Bijwoordelijk, bv. Adverbial. * — , bw. 
Adverbially. 

Bijwoordelijkheid, vr. Adverbial qua- 
lity. 

Bijzen, o. w. mQille\>hQi:\, to Runabout, 
as rutting cows do in a meadow , to Rut, 
Bijzet, o. inzet, Stake. 

Bijzecgeld, o. Stake. 

Bijzetster, vr. , zie Bijzetter. 

Bijzetten, b. w. to Inter (a corpse) without 
pomp. * — , geven , als: Hij hecft niets 
meer bij te zccten , He is brought to entire 
indigence i ook : His forces are quite ex- 
hausted. * — , in hetspel , /o 5//j!/t^. * — , 
bii scheepsl. , als: Alle zeilen — , toUse 
all one^s canvass, to Clap on all the sails; 
fig. to Do all that is in one''s power , to 
Leave no stone unturned, 

Bijzetter, m. dcgene die bijzet, zie Bij- 
zetten, 

Bijzettiiig, vr. de daad van Bijzetten, zie 
dit woord. 

Bijziende, bv. Short-sighted. * — , m. en 
vr. Myope., Short-sighted person. 

Bijziendlieid, vr. Short sightedness, Myopy. 

Bijzig, bv. Rutting. 

Bijzijn, onreg. o. w. met Zijn ,enkel ge- 
briiik. in het tegenw. deelw. , als : Dc bij- 
zijndon, (bijwezenden , ) Tiiose that 
were present. * — , o. Presence. 

Bijzit, vr. , zie Bijwijf. 

Bijzitsccr, vr, , zie Bijzitter. 

Bijzitten, ongel, o. w. met Ilcbben, to 
Sit near, 

Bijzitter, m. Assessor. 

Bijzitterschap , o. Assessorship. 

liijzitting, vr. Silting near.% 

Bijzon, vr. Block-sun, Parhelion. 

Bijzondcr, bv. vtfzonderlijk , Peculiar, 
Particular, Separate; fig. uitneraend, 
als: Eene bijzondere gunsc j A particu- 
lar favour. •— , bw. Particularly.* — , 
Eminently. ♦— , o. als: Inhet— ", Prff- 
ticularly; lemand in het — spreken , r> 

. Have a private conference with one ; Dat 
is niet veel bijzonders. That is nothing 
particular, 

Bijzouderheid, vr. Particularity , Singtf 
"9 



130 



BJJZO 



larity. • — , verhaal van eenig onge- 
meen geval , Anecdote. 
Bijzonderlijk, bw. Particularly, £s- 



Bikharoer, m. Pick, 

Bikkel, m. Cockal. 

Bikkelen, o. w. met Hebben, to Play at 
cockals. 

Bikkelspel, o. Cockals, pi., Game of cockals. 

Bikken, b. w. van vogcls, mecden snavcl 
slaan , waarvoor meest Pikken , zic Pik* 
ken^ fig. eten, als : Daar valt hier nict 
veel te — , There is no great treat here , 
There is not much to be had. * — , bij 
mets. , afhakken, als: Een' steen — , 
to Give the proper form to a stone by 
chopping off what is superfluous; ( inzond. ) 
to Pick off the lime from old stones, 

Bikking, vr. de daad vau Pikken, zie 
Bikken. 

Biksteen, m. Brickdust , Dust of free- 
stone. 

Bil, vr. Buttock; Dc billen , The bum; 
fig. Door de billen lappen , (roekeloo« 
verteren,) to Spend wantonly. 

Bilharacr, m. Pick. 

Bilijzer, o. Pick. 

Biljart, vr. Billiards , pi. ; — speleo , 
zie Biljarten. 

Biljartbal , vr. Billiard-ball. 

Biljartbaud, m. Border of a billiard- 
table, 

Biljarten, o. w. met Hebben, to Play 
at billiards. 

Biljanjongen, m. Marker. 

Biljartkaraer, vr. Billiard room. 

Biljartlaken, o. Billiard-cloth. 

Biljartmaker, vr. Billiard-maker. 

Biljartspel, o. Billiards. 

Biljaitspeler, m. One that playt at bil- 
liards. 

Biljartstok, m. Billiard-stick. 

Biljamafel, vr. Bi/liard'table. 

Biljartzaal, vr, BiViard-room. 

Biljartzak, ni. Hazard. 

Bi)jet, o. Bill, Note; — van inkwar- 
tienng. Billet {for quarter^, 

Biljeturen, b. w. to Billet. 

Biljoen , o. in het rauntw. , afgezetgeld. 
Base coin. 

Billen , b. w. bij molenaars , als : Een' 
molensteen — , to Sharpen a millstone 
to Give it on edge for grinding, ♦ — , 
bij mets., zie Bikken, 

Billijk, bv. Re asm able ., Equitable, 
Just» * — , bw. Reasonably , Equitably , 
Justly. 



BILL 

Billijken , b. w. to Atyprove. 

Billijkheid, vr. Reasonableness, Equita- 
ness , Equity. 

Billijking, vr. Approbation. 

Billioen, o. Billion. 

Bilnaad, vr. in de ontleedk, , Perineum. 

Bilnaadsteek, m. Puncture, 

Bilslag, vn. Stroke on the buttocks ; sprw, 
Kermisgaan is een' — waar^ , He who 
will have the pleasure of a thing, must 
run the risk , Nothing venture , nothing 
have. 

Bilzenkruid , o. Henbane. 

Bind, (dit woord is zonder meerv. waar- 
voor men dac van Bindte gebr. Bindten , ) 
o. in de bouwk. , Cross-beam , Joint, 

Binden , ongel. b. w^. met een' band 
vastmaken, to Bind, Tie; vSchoven — , 
to Sheaf corn; Bezeras— , to Blake brooms; 
fig.Mijnehanden zijn g^hoxx^en,! am not at 
liberty, to act according to my wish; 
Ik wil mij daaraau niet — , / will not 
engage myself to that; lemand lets op 
het hart — , to Recommend a thing 
earnestly to one; lemand iets van hec 
hart — ^ to Obtain a thing from one 
with a great deal of trouble; zie ook 
Gebonden. * — , bij boekb. , een' band 
ora (een boek) maken , to Bind, ^ 

Binder, m. One thas binds. * — , inzond. 
boekbinder en schovenbindcr, Binder. 

Bindgaren, o. Packthread. 

Binding, vr. Binding. 

Bindrijs, o. Osier to bind with. 

Bindsel, o. Bandage, String, Tie, 
Band. 

Bindspier, vr. in de ontleedk. , Ligament. 

Bindster , vr. One that binds. * — , inzond. 
schovenbindster. Binder. 

Bindte , o., zie Bind. 

Bindteeken , o. in de spraakk. , Hyphen 

Bindrouw, zie Bindgaren. 
Bingelkruid, o. , zie Bengelkruid, 
Bink, m. lomperd, Bungler. 
Binnen , voorz. en bw. In , Within ; 
Kom — , Walk in; — de rauren , Within 
the walls; — 'sdijks, Lying on the 
inside of a bank or dike ;—*s monds sprc- ^ 
ken, to Mumble within one'^s teeth; 
Het schort hem van — , His distemper 
lits inwardly; fig. Zich iets te— -bren- 
geu , to Recollect something ; — ( in min- 
der dan) adit dagen, Within a week. 
Zie ook de zamengest. woorden. 
Binnenachtersceven , m. schccpsw. , In- 
ner -post. 



Binnenbeul , m. Private executioner, 
Binnenbeurs , vr. , Binnenbeursje , o. Fol;, 

Smaller inner pocket, 
Binnendeur, vr. Inner-door, 
Binnendijk, m. Inner-dike, 
Binneudijksch, bv. Lying on the inside 

of a dike, 
Binnengaats, bw. fFithin the harbour, 
Binnengang , ra. Inner passage, 
Binnengors, vr., zie Gors. 
Binuengrachc, vr. Inner canal or moat, 
Binnenhof, o. Inner-court , Inner-yard ^ 

zie Hof.- 
Biimenkamer, vr. Inner-room, 
Binnenkant , m. Inside. 
Binneiikas, vr. aau eeuhorologie , Inner- 

case, 
Binnenkeuken, vr. Inner-kitchen, 
Binnenkiel , vr. scheepsw. ,Keelson,Kelson. 
Binnenkoorts , vr. Inward fever. 
Binnenlandsch , bv. Inland ^ Eene binnen- 

landsche stad. An inland town; Een 

binnenlandsche oorlog, An intestine 

war, 
Binnenlandschvaarder, m. River-boat , 

or barge. * — , Master of a river- boat, 
Biniienloods, Binnenloots, m. River- 
pilot, 
Biunenmoede^, vr. JFoman that surveys 

the interior or domestic business of an 

hospital or orphan house, 
Binnenmuur, ro. Inner-wall, 
Binnennaad, m. Inner-seam. 
Binnenpad , o. Shorter cut, 
Binnenplaats , vr. Inner-court^ Inner-yard, 
Binnenschans , vr. Inner-sconce, 
Binnenschip, o. River-ship ^ River-boat. 
Binnenstad, vr. Inner-part of a town. 
Binnenste, (overtr. van Binneu), bv. 

Inmost, Innermost. ♦ — , o. Inner-part , 

Inmost part. Inside; Hec — buiten kee- 

ren, to Turn the inside out. 
Binnenstuip , vr. Inward convulsion. 
Binnentuiu , ra. Garden in the town, 
I r.innenvaarder, zie Biunenlandschvaar- 

cnvaart, vr. Canal, *—, Navigation 
v,i the canals or rivers, 
<Binncnvader , m. JMan that surveys the 
interior or domestic business of an hos- 
pital or orphan-house, 

Binnenvoorsteven , m. Inner-apron. 

Einneuwaard, m. gedijkte polder. Tract 
of land gained from a river or from the , 
sea, and encompassed with banks or 
dikes, 

Biimcnwaarts, bw. To the inside. 



BIjVN 



131 



Binnenwater, o, meer, Zr^A'e. *—, vaarc, 
Canal, River, 

Blnnen weg, m. By-way^ Bypath, 

Binnenwerk, Inner-work, * — , van een 
gebouw, Clear. 

Binnenwerks , bw. in de bouwk. , In the 
clear, 

Binnenzak , m. Fob, 

Binnenzijde , vr. Inside, 

BinnenzJjscuk, o. van een' schoeo , Side" 
lining, 

Binuenzool, vr. Inner-sole, 

Birkwortel, m. Tormeniil, 

Bisdom , o. Bishoprick, Ejjiscopato, 

Bismuth, o. Bismuth, 

Bison , m. , zie Bizon, 

Bisschop, ra. Bishop, * — , naam van 
zeiceren drank , Bishop, 

Bisschoppelijk, br. Episcopal. 

Bisschopsarabc , o. Episcopacy. 

Bisschopshoed , m. Bishop'^s hat. 

Bisschopsmijcer, m. Bishop^s mitre, ^ 

Bisschopsraurs , vr. Bishop'^s cap. 

Bisschopsstaf, m. Bishop'^s staff. Crosier, 

Bit , o. , zie Gebic. 

Bits, bv. Sharp, Harsh, Spiteful, 
Virulent, Snarling. ♦ — , bw. , zie 
Bitselijk. C/"^(y* 

Bitselijli, bw. Sharply, Harshly, Spite- 

Birsheid, vr. Harshness, Aster ity ^ Vi- 
rulence, Sharpness, Spitefulness, 

Bitsig, zie Biczig. 

Bitsigheid, zie Bitzigheid. 

]iitstooc , m. Bit-holder, 

Bitter , bv. Bitter; sprw, — in den mond, 
raaakt het hart gezond, IVhat is disa- 
greeable at first , may prove to have been 
useful; lig. onaangenaam. Grievous, 
Sad.* — , fel, Violent, * — , bw. Bit- 
terly; fig. Grievously , Sadly, Sorely, 
* — , Violently, Intensely; — koud , 
Bitter cold, * — , o. Bitter, ♦ — , in 
Zeeland, roet. Soot, 

Bitterachtig, by. Somewhat bitter, 

Bitterappel, m. Coloquint , Bitterapple. 

Bittereiiiden, o. meery. Ends of old cables, 

Bicterheid, vr. Bitterness; fig. Spiteful' 
ness. Asperity. 

I'itterlijk, zie Bitter, bw. 

Bitiernis , zie Bicterheid. 

Biiterzoet, o. eene plant. Bittersweet, 

Bitterzout, o. Bitter salt. 

Bitzig , zie Jiijtachtig. 

Bitzigheid, zi:.' Bijtachtigheid. 

Bizon , m. Bison. 

Blaadje, o. verkleinw. zie Blad. • — , 
iuzond. schenkblaadje , Tray , IVaitet ; 



132 



BLAA 



sprw. 'Bij iemand in een goerl — staan , 

to Enjoy a person's esteem or favour ;^ 
' Zoo als het — keert, According to cir- 
cumstances, 

Blaag, m. en vr. in Geiderl. voordvvin- 

gend kind, Brat. * — , in hei algem. 

voor kind, Child ^ Babe* 

Blaam, vr. Blame ^ Blast or Blemish en 

one''s reputation. 

Blaar, \r. Blister^ Blain, Bladder.*— ,Vo\^ 
vlak voor bet hoofd van sommige dieren , 
Blaze, White spot on the forehead of 
animals, as cows, etc. * — , Cow that 
has such a spot. 

Blaaren , zic Bladeren. 

Blaartrekkend, bv. m deheelk. , Blister- 
ing. 

Blaas, vr. Bladder. *—, zie ookBlaasje. 

Blaasbalg,ni.i?^//ow,/)/., a Pair of bellows. 

Blaasbalgtrapper, zie Orgeltrapper. 

Blaasbalgtrekker , in. Warmer of a forger. 

Blaasbalk , zie Blaasbalg , euz. 

Blaasband, m. Bladder-stritig, 

Blaasbreuk , vr. Cystocle. 

Blaashoorn, Blaashoren, m. Buglehorn. 

Blaasje, o. verkleinw. zie Blaas. * — , 
inzond. wacerbel , Bubble. 

Blaaskaak , m. Boaster, Swaggerer , Brag- 
gart, Braggadocio , Hector, Bully. 

Blaaskaken, o. w. met liebben , to Brag, 
Boast, Swagger, Hector, Bully. 

Blaaskakerij , vr. Rodomontade , Brag- 
ging, Bravade. 

Blaaskruid, o. krieken over zee, Alke- 
kengi. Winter-cherry. 

Blaaapijp, vr. Blowpipe. 

Blaasstreng, vr. , zie Blaasband. 

Blaasspeeltuig , o. Wind-instrument. 

Blaauw, bv. Blue ^ Onder den blaauwen 
heme!, In the open air ^ lemand blond 
en — slaan, to Beat one black and blue; 
Ik hcb hem een — ooggegeven , /A^v^ 
given him a black eye; fig. Een paar 
blaaiiwe oogen aan ieis vvagen , to Ha- 
zard a tiling , to Venture one^s ears; 
sprw. Een blaauwe raaandag, Avery 
short time; lets blaauw blaauw laten , 
to Leave a thing as it is, without al- 
tering one^s sentiment about is; Eene 
blaauwe (kale) uitvlugt, A poor shift 
or evasion ; Eene blaauv.'e boodschap 
(ijdel voorwendsel) , An idle pretext ; 
Dae zijn maar blaauwe bloempjes, 
(mooije woordeu , die uiets te beduiden 
bebben). All this is mere show , idle 
insignificant stories ; Over iets — staan 
te kijken, to Be quite confounded at a 



BLAA 

thing; Eene blaauwe scheen (Een 

blaauwtje) loopen , to Meet with a 

refusal (^in wooing^ * — , o. Blue, 

Blaauwachtig, bv. Bluish. 

Blaauwbaard, m. Blue-beard. 

Blaauwbes , zie Boschbes. 

Blaauwboekje , o. Pamphlet , Lampoon, 

Blaauwborstje, o. , zie Blaauwkeeltje. 

Blaauwen, b. w. to Die in blue. ♦— , 
o. w. met Zijn, to Grow or Become 
blue ; fig. to Appear , Loom. 

Blaauwheid , vr. Bluevess. 

Blaauwkeeltje , o. Blue-throat. 

Blaauwoog, m. en vr. Blue-eyed person, 

Blaauwoogig, bv. Blue-eyed. 

Blaauwschuit, vr. Scurvy. 

BlaauwseljO. Smalt, Powder-blue. 

Blaauwte, vr. , zie Blaauwheid. 

Blaauwtje, o. als: Een — loopen, zie 
Blaauw. 

Blaauwtjes, bw. Like blue , Almost blue. 
Rather blue; fig. koel , pnverschillig. 
Coolly. 

Blaauwverwer, m. Dyer of blue, Blue- 
dyer, 

Biaauwverwerij , vr. Dying of blue. *— , 
Workhouse of a dyer of blue. 

Blaauv.rvoet, m. zckere vogel, Lanner. 

Biact. o. van boomen of planien , (meerv. 
bladeren). Leaf; sprw. Geen — voor 
den raond neraen , to Say one^s mind 
freely, to Speak openly; Z'lj ueemc 
geen — voor den mend, She speaks 
freely. She does not mince it. * — , 
C meerv. Bladen) , van eene tafel, Board; 
Neerslaand — , Flap. * — , van eene 
schop, Broad end of a shovel. *— , van 
een boek, Leaf; Van het — wegspe- 
len , (in demuzijk ,) to Perform apiece 
of music at the first sight ;' '^tn — pa- 
pier, A sheet of paper ; Een — goud, 
A leaf of gold ; Een — ( van een spel 
kaarten), A card. * — , schenkblad, 
zie Blaacije. * — , als: Her wandelende 
blad, (zeker insect). The walking 
leaf, 

Bladeren, o. w. met liebben , als: In 
een boek — , to Tutn over the lea'HS 
of a book, to Peruse it cursorily. 

Bladcrig, bv. Leafy, Full of leaves, 

Bladerloos, bv. Leafless. 

Bladerrijk , bv. Leafy, Full of leaves. 

Bladerspaath, o. Leafspath. 

Bladgoud, o. Gold in leaves. Leaf-gold, 

Bladgroente, vr. Leafy vegetables. 

Bladjjzer, zie Plaatijzer. 

Bladkoper, o. Brass-leaves, pi. 



» BLAD 

Bladlais, vr. Vine-fretter, 

Bladsteel , m. Leafstalk, 

Bladtabak , m. Tobacco in leaves. 

Bladvullitig, vr. Something to fill up a 
page, 

Bladwijzer, m. Index, Table of contents 
{of a book^, 

Bladzijde , vr. van een boek , Page. 

Bbdzilver, o. Silver in leaves. 

Blaffcn , o. w. met Hcbben, to Bark ^ 
Bay ^ Telp; fig. legen dc maan — , to 
Bark at the moon , to Bark where one 
cannot bite , to Show one^s teeth without 
being able to bite ; Blaflfende honden 
bijren niet, Barking dogs seldom bite. 

B'aflfer, m. Barker, Barking dog ; fig. 
Een grooce — , A blusterer, hectoring 
blade, bulvj. 

Blafferd , m. zie Blaffer. *— , One of the 
books used at a merchan''t counting-house. 
* — , oul. zekere kleine zilvermunc , (nog 
in het Kleefsche gebr.,) a certain small 
piece of silver coin. 

B!afkakcn, zie Blaaskaken. 

Blafkakcr, zie BlaasUaak. 

Blafkakerij, zie Blaaskakerij. 

Blaken , b. w. zengeu , to Scorch, * — , 
sclieepsw., als : Een schip— , to Bream 
a ship, to Burn off' the weeds and filth 
that cover her hide. * — , o. w. met 
Hebben , to Burn, to Be in a flame; 
Hethellelicht , waarvan de kamer blaakr, 
The clear light that is spread all over 
the room; fig. Van liel'de — , 
Burn with love; Van graraschap — , to 
Be inflamed with anger. 

Blaker, m. Flat or lland-candlestick. 

Blakeren, b. w. , zie Blakea , b. vv. in 
de 1. beceek. 

Blamen, zie Blanieren. 

Blameren , b. w. to Blame. 

Blank, bv. en bw, H^hite; Een — vel , 
A white or fair skin. * — , blooc 
Bare , Naked; Met blanke beencn, frith 
bare legs; fig. Ik zal alles voor u — 
leggen , / shall lay ever^ thing open 
before you , or I shall inform you of 
every thing. * — , overstroomd , a!s: 
De velden stonden — , The fields were 
all covered with water. * — , ni. {oul. 
blaJcrd, zcker klein stnkjc wic geld, 
iatiir de waardc daarvanj thins bijna 
vcr^ecen), zcs duiten. Blank, the 
\i value of six doiti ; Tweeblankeu, 5tfVff« 
cen.'s and a half. 
Blanketdoos, vr. Paint-box. 
Blanketscl, o. Paint {for she face). 



BLAN 



133 



Blanketten, b. w. to Paint (^the face) , 
to Fard. 

Blankheid, vr. PThiteness ; ^g. Purity , 
Clearness. 

Blaren, zie het betere Blaaren. 

Blareu , o. w. met Hebben , blaten , to 
Bleet. 

Blaren, o. w. met Hebben, blaren krij- 
gen , to Blister. 

Blaten, o. w. met Hebben, to Bleet. 

Blazen , ongel. h. w. to Blow ; De troni- 
pec — , to Sound the trumpet ; De fluit — , 
to Play on the flute ; Op een' horen— , 
to Wind a horn; fig. In de bus — , 
to Pay a fine or duty; leraand iets in 
het oor — , toWhifpersomethingtoone, 
to Inform one privately ; lemandde ooren 
vol — , to Incite or Instigate one to 
anger against some other person. * — , 
door blazen vervaardigeu, als: Glas — , 
to low or Make glass. * — , in heiu 
damspel , als: Eene schijf — , to Huff 
a man. * — , o. w. met Hebben, to 
Blow ; De wind blaast scerk , The wind 
blows sharp; Hijgen en — , (van ver- 
moeidheid,) to Puff and blow; sprw. 
Heet en koud uit ^dncn mond — ^ to 
Blow hot and cold; Het is beter bard 
gcblazen dan de mond gebrand , It is 
better to blow hard, than to uurn 
one^s mouth; van hier: fig, snoeven , to 
Brag, flaunt. Boast. 

Blazer, m. Blower. 

Blazing, vr. Blowing. * — , Huffing. 

Blazoen , o. een veldteeken , Banner. 
*— , adcllijk wapen , Coat of artffs. * —, 
wapenschildknnde , Blazonry, Heraldry. 

Bleet", V. t, , zie Blijven. 

B!cek, bv. {ee)Pale; — van tronie,P/a/e- 
faced. 

Bleek, vr. (^ee) Bleachingyard ^ Bleach, 

[Vcck, v. I. , zie Blijken. 

Mleekachtig, bv. Somewhat pale, 

Bleekblaauw , bv. en o. Pale-blue, 

Blccken, b. en o. w. met Hebben, to 
Bleach (linen^, Blanch (wax). 

Bleeker , m. Bleacher {of linen), Blanch' 
er ( of wax), 

Bleekerij, vr. Bleaching, Blanching , 
zie Blccken. ♦ — , bleek, Bleach, 

Bleckerin, vr. , zie Bleeker. 

Bleekert, m. a sort of Rhenish a wine , 
that has a pale-red colour. 

Bleekershond , m. Bleacher'^s dog. 

Blcekersjongen , m. Bleacher'^s boy. 

Bleekerskar, vr. Bleachcr'*s cart. 

Bleekerskncclit, ra. Bleacher"* s man. 



136 



BLOE 



f?en, enz. , Blood-vessel^ Fein ^ Artery. 

Bloedagaar, m. en o. Red agate, 
Bloedbad, o. Blassacre , Great slaughter. 
Bloodshed. 
Bloedbereiding, vr. Sanguificatiojt. 

Bloedbeschrjjving, vr. Hematography. 
Blocdbeuling, m. Black pudding; fig. on- 
noozele bloed , zie Bloed , m. 

Bloedbreuk, vr. Hematocele. 

Bloedbruiloft, vr. Saint Bartholomew. 

Bloedbloetu , vr. Blood-flower. ^ 

Eloedbuil, zie Bloedvin. 

Bloeddorst, m. Thirst of blood. 

Bloeddorsiig , bv. Bloodthirsty, Bloody- 
minded, Sanguinary, Cruel. 

Bloeddorstighcid , vr. Cruelty. (Imect. 

Bloedeloos , bv. Bloodless. ; — diertje , 

Bloeden , o. w. raet Hehben , to Bleed; 
fig. Hetdoecmijn hare — , // makes my 
heart bleed; Ilij moet er voor — , // 
costs him immense sums of money ; ook : 
He is the sufferer for it, 

Bloedgang, m. Bloody flux. 

Bloedgeld, o. geld, dacmenontvangt voor 
een' raoord , dien men gepleegii heeft , 
Price (f blood. * — , geldboete wegens 
hec plegen van een' moord, Blood-wite. 

Bloed^ecuige, m. en vr. Martyr Qof the 
faith ). 

Bloedgierig, zie Bloeddorstig. 

Bloedgierigheid, zie Bloeddorstighcid. 

Bloedhond, m. Blood-hound; fig. Cruel 
man. Bloodsucker. 

Bloedje, o. verkl. w. , zie Bloed. •—, in- 
zond., ff^eak infant. 

Bloedig, bv. Bloody. *—, met bloed be- 
spat, Bloodboltercd, Blood sprinkled. 

Bleeding, vr. Bleeding. 

Bloedkleur, vr. Blood-colour , Sanguine. 

Bloedkleurig , bv. Blood-red. 

Bioedkoraal, o. Red coral. 

Bloedkruid, o. Sanguinary. 

Bloed laauw, bv. Blood-warm, 

Bloedlelie , vr. Martagon. 

Blocdloop, zie Bloedeang. 

Bloedmakend, bv. Sanguifying. 

Bloedmaking, vr. Sanguification. 

Bloednavelbreuk, vr. Hematomphalocele. 

Bloedplakkaat , o. in de Nederl. gesch. , 
Placart of the inquisition. 

Bloedplenging, vr. , zie Bloedstorting en 
Bloedvergieten. 

Bloedraad, m. CrueJor Sanguinary council. 
* — ,inzond.in deNerderl. gesch., Spanish 
court of justice during the war for the 
Dutch independence. 

Bioedregc, o. Criminal justice. | 



BLOED 

Bloedregser, m. {Inquisitor,^ Criminal 

justice. 

Bloedrijk, bv. Sanguine , Sanguineous. 

Bloedrijkheid , vr. Sanguineness. 

Bloedrood, bv. Blood-red, Crimson, 

Bloedschande, vr. Incest. 

Bloedschaiidig, bv. Incestuous. 

Bloedschender, m. Incestuous person, One 
who commits an incest. 

Bloedscbcnding , vr. Committingan incest. 

Bloedschendsier, vr. , zie Bloedschendcr. 

Bloedschuld , vr. Murder , Manslaughter, 
Capital crime. 

Blocdschuldig, bv. Guilty of manslaughter. 

Bloedstlnnv , bv. Afraid of blood. 

Bloedschuwheid, vr. Fear of blood. 

Bloedspuwend, bv. Spitting blood, 

Bl.ocdspuwing, vr. Spitting of blood. He- 
moptysis. 

Bloedsceen , m. Herriatites, Bloodstone, 

Bloedstelpend, hv. Stanching blood. Slip- 
tic ; — middel , Styptic. 

Bloedscillcnd, zie Bloedstelpend. 

Bloedstorting, vr. bloedbad. Bloodshed , 
Slaughter. * — , bloeden, Effitsion of 
blood. Bleeding. 

Bloedvat , o. Blood-vissel. 

Bloedvergieten, o. Bloodshed. 

Bloedvergieter, m. Bloodshedder, 
Bloed vergie ting, vr. Bloodshed, Slaughter. 
Bloedvergietster , vr. , zie Bloedvergieter. 
Bloedverlies, o. Loss of blood. 
Bloedverwant, m. Kinsman, * — » vr. , zie 

Bloedverwante. 
Bloedvervkrante, vr. Kinswoman. 
Bloedverwantschap , vr. Kindred. 
Bloedverwekkend, zie Bloedwekkend. 
Bloedverwig, bv. Of a blood-red coulour, 

zie Bloedkleurig. 
Bloedvin, vr. Ancome , Phlegmon. 
Bloedvink , m. Bloodfinch. 
Bloedvlag, vr. Flag hoisted as a sign for 

engaging the battle. Red flag , Blood-flag. 
Bloedvloed, m., Bloedvloeijing, vr. zie 

Bloedgang. 
Bloedvriend , m., Bloedvriendin , en Bloed- 

vriendschap , vr. , zie Bloedverwant, enz. 
Bloedwarm , bv. Blood-warm.^ 
Bloedwaier, o. Lymph. { Pissing of blood. 
Bloedwaieren , o. , Bloedwatering , vr. 
Bloecnvekkend , bv. Sanguifying. 
Bloed wording , vr. Sanguification. 
Bloedworm, ni. Blood-worm, (i.beteek. 
Bloedworst, vr. , zie Bloedbeuling in de 
Bloedzucht , zie Bloeddorstighcid. 
Bloedzuchtig, zie Bloeddorstig. 
Bloezuiger, m. Leech, Bloodsucker; fig. 



"I ELOEDZ 

Extortioner , Cloodsucker. * — , File 
usurer 

Bloedzuiverend , bv. in de geneesk., fFIiat 
purifies the blood. 

Bloedzuivering, vr. Purifying the blood. 

Bloedzweer, vr. , zie Bloedvin. 

Bloei, m. Blossoming ^ Blooming; fig. In 
AcA — zijner jaren , In the prime or flower 
of his age ; De koophandel is nu in — , 
Trade is flourishing now. * — , bloeitijd, 
Bhwing-tinie (of flowers). 

Blo(?iien, o. w. met Hebben , bloesemen, 
to Flower , Blossom , Bloom ,• fi^. goed 
gaan , to Flourish ^ Prosper, Thrive. 

Blofiraaand, vr. Blay. 

Bloeisel, o. Blossom. 

Bloeiscaat, m. Flower; fig. Flourish. 

Bloeitijd, ra. , zie Bloei; fig. Spring, 

Bloem, vr. Blossom, Flowor ; fig. De — 
der jongcling, The flower Qchoice) of 
youth ; van hier : — van meel , Flour {of 
nseal^ ; en in de stheik.: Bloem van koper, 
enz. , Flowers of copper , etc. * — , sie- 
raad,als: De bloemen der welsprekend- 
heid. The flowers of rhetoric.*— ^\rz^^- 
debloem , maagddom, Firginity, Maiden- 
hood. * — ,((>njloemen, meer'j.) Flowers 
of woman , JVoman''s terms., Menses, pi. 

Bloeinbed, o. Flower-plot , Plat-hand, 

Bloemblad, o. Petal, Flower-leaf. 

Bloenibol, vr. Bulbous root of a flower , 
Bulb. J J ^ 

Bloemengel: ,ra., zie Bloemenlief hebber. 

Bloemenhandcl, m. Flower-trade. 

Bloemenhandelaar , m. Florist. * — , van 
gemaakte bloemen, Artificial florist. 

Bloemenlief hebber, m. Flower-; ancier, m. 
I Bloemenliefhebbcrij , vr. Flower-fancy. 

Bloemcnmaker, m. Maker of artificial 
I flowers, 

Bloemenmeisje , o. Flower-girl, 

filoeragodin, vr. in de fabell. , Flora, The 
goddess of flowers. 

Biocmhandel, m. Trade of flowers, 

Bloenihof, zie Bloemiuiu. 

Bloeniig, bv. Flowery. 

Bloeuiist, m. Florist. 

Bloemisterij , vr. Cultivating of flowers. 

Blocmkelk, m. CV//>v, Penanth. 

Bloemkever, m. Mordetla. 

Bloeniknop, m. Bud of a flower, 

Blocnikool, vr. Cauliflower. 

Bloemkrans, m. Garland (of flowers), 
ff^re/ith of flowers, 

Bloenikweeker , m. Florist. 

Bloenikweekerij, vr. Cultivation of flowers. 
* — , Flower garden. 



BLOEM 



1^7 



Bloemlezing, vr. Anthology. 

Bloemmaand , zie , Bloeimaand. 

Bloeramand , vr. Flower-basket. 

Bioemmarkc, vr. Flower-market. 

Bioemmeel, o. Flour of meal. 

Bloempap , vr. Milk-porridge. 

Bloemperk , zie Bloembed. 

ij\.oQvn\i)Q ,i.). Floweret ; zie Blaauw ; fig. 
Bloempjes, meerv. , Small talk. 

Bloempoc , m. Flower pot, 

Bloemrijk, bv. Flowery. 

Bloemschilder, m. Painter of flowers. 

Bloemscof, o. Pollen, Farina. 

Bloemsiuk , d. Flower-piece. 

Bloemtafel, vr. Flower-tuble. 

Bloemcuiltje, o. Bouquet. 

Bloenuuin , m. Flower-garden. 

Bloerawerk, o. in de boiiw-, beeldhomv- 
en schilderk , F'es toons , pi.. Flower-work. 

Bloemwordiiig, zie I'loemzeaing. 

Bloemzetting , vr. Efflorescence. 

Bloesem, m. Blossom. 

Bloesemen , o. w. met Ilebben , to Blosso-.r.. 

Blok , o. een groot onbcwerkt siuk, Block; 
— marmer , Block of marble; — hour, L»g 
of wood ; — brandhoiu. Chump or Clump 
of wood; — till, fj'''edge of/ewtcr; — k)od. 
Pig or Wedge of lead. * — , gcheepsw.. 
Block; fi^. Hec is een — van een kind, 
// is a thick unwieldy child; Hij is een 
regt— , lie is a blockhead. * — , paar- 
denkluiscer, Fetters, pi.; fig. Een— aan het 
been hebben, to Be bound by some cir- 
cumstances, especially by marriage. ♦ — , 
katrol , Block. ♦ — , (huizen,) Cluster 
{(f houses'). *— ,op sommige plaatsen, 
holblok , IVoodcn shoe, 

Blokbeeld, o. Statue. 

Blokliuis , o. Block-house. * - , op som- 
mige plaatsen , Prison. 

Blokijvci ig , bv. Fery assiduous , Plodding. 

lilokkadc, vr. Blockade. 

Blokken, o. w. met Ilebben, hard vver- 
ken, to Plod. * — , ;nzond. sterk siiide- 
ren, /o Study hard, to Plod. 

Blokkenmaker, m. Block-maker, •— , Ma 
ker of wooden shoes. 

Blokkenmakcrij , vr. Block-shed. 

Blokkenniakersknecht , m. Block-maket^'s 
man , etc. 

Blokkenmakerswinkcl , m. Block-maker'* s 
shof) , etc. 

Blokkcr, in. Plodder. * — , inzond. On* 
who studies hard. Plodder, 

Blokkeien , b. w. Blockade. 

Blokkering , vr. Bluckading. * — , 
Blockade. 



136 



BLOE 



Ren, enz. , Blood-vessel^ Fein ^ Artery. 

Bloedagaar, m. en o. Red agate, 

Bloedbad , o. Massacre , Great slaughter. 
Bloodshed. 

Bloedbereiding, vr. Sanguification. 

Bloedbeschnjving, vr. Hematography. 

Blocdbeiiling , m. Black pudding ^ fig. on- 
noozele bloed , zie Bloed , m. 

Bloedbreuk, vr. Hematocele. 

Bloedbruiloft, vr. Saint Bartholomew. 

Blocdbloein, vr. Blood-flower. x 

Eloedbuil, zie Bloedvin. 

Bloeddorst, m. Thirst of blood. 

Bloeddorsiig, bv. Bloodthirsty, Bloody- 
minded, Sanguinary, Cruel, 

Bloeddurstigheid , vr. Cruelty. {Insect. 

Bloedeloos , bv. Bloodless. ; — diertje , 

Bloeden , o. w. race Ilebben, to Bleed; 
fig. Het doermijn barn — , // makes my 
heart bleed; IJij moet er voor — , // 
costs him immense sums of money ; ook : 
He is the sufferer for it, 

Bloedgang, m. Bloody flux. 

Bloedgeld, o. geld, dacmenontvangt voor 
een' raoord , dien men gepleegd heeft , 
Price of blood. * — , geldboete wegens 
het plegen van een' moord , Blood-wite. 

Bloed^^ecuige, m. en vr. Martyr C of the 
faith ). 

Bloedgierig, zie Bloeddorstig. 

Bloedgierigheid , zie Bloeddorstlgheid. 

Bloedhond, m. Blood-hound; fig. Cruel 
man , Bloodsucker. 

Bloedje, o. verkl. w. , zie Bloed. *—, in- 
zond., ff^eak infant. 

Bloedig, bv. Bloody. *—, met bloed be- 
spac, Blood-boltercd, Blood sprinkled. 

Bloeding, vr. Bleeding. 

Bloedkleur, vr. Blood-colour, Sanguine. 

Bloedkleurig , bv. Blood-red. 

Bloedkoraal, o. Red coral. 

Bloedkruid, o. Sanguinary. 

Bloedlaauw, bv. Blood-warm. 

Bloedlelie , vr. Blartagon, 

Blotdloop, zie Bloedeang. 

Bloedmakend, bv. Sanguifying. 

Bloedmaking, vr. Sanguification. 

Bloednavelbreuk, vr. Hematomphalocele. 

Bloedplakkaat , o. in de Nederl. gesch. , 
P lac art of the inquisition. 

Bloedplenging, vr. , zie Bloedstorting en 
Bloedvergieten. 

Bloedraad, m. CrueJor Sanguinary council. 
* — ,inzond. in deNerderl, gesch., Spanish 
court of justice during the war for the 
Dutch independence, 

Eloedregc, o. Criminal justice, \ 



BLOED 

Bloedregjer, m. (^Inquisitor,') Criminal 

justice. 

Bloedrijk, bv. Sanguine , Sanguineous. 

Bloedrijkheid , vr. Sanguineness. 

Bloedrood, bv. Blood-red, Crimson, 

Bloedschande, vr. Incest. 

Bloedschandig, bv. Incestuous. 

Bloedschender, m. Incestuous person, One 
who commits an incest. 

Bioedschending , vr. Commiitingan incest. 

Bloedschendsier, vr. , zie Bloed'schendcr. 

Bloedschuld, vr. Murder, Manslaughter, 
Capital crime. 

Bloedschuldig, bv. Guilty of manslaughter . 

Bloedstiunv, bv. Afraid of blood. 

Bloedschuwheid, vr. Fear of blood. 

Bloedspuwend, bv. Spitting blood, 

Blocdspuwing, vr. Spitting of blood. He- 
moptysis. 

Bloedsceen , m. Herriatites , Bloodstone, 

Bloedsielpcnd , bv. Stanching blood, Slip- 
tic ; — middel , Styptic. 

Bloedsdllcnd, zie Bloedstelpend. 

Bloedstorting, vr. bloedbad. Bloodshed , 
Slaughter. * — , bloeden , Effusion of 
blood. Bleeding. 

Bloedvat, o. Blood-vtssel, 

Bloedvergieten, o. Bloodahed. 
Bloedvergieter, m. Bloodshedder, 
Bloed vergie ting, vr. Bloodshed, Slaughter. 
Bloedvergiecster , vr. , zie Bloedvergieter. 
Bloedverlies, o. Loss of blood. 
Bloedverwant, m. Kinsman, *— , vr. , zie 

Bloedverwante. 
Bloedverwante, vr. Kinswoman, 
Bloedverwantschap , vr. Kindred. 
Bloedverwekkend, zie Bloedwekkend. 
Bloedverwig, bv. Of a blood-red coulour, 

zie Bloedkleurig. 
Bloedvin, vr. Ancome , Phlegmon, 
Bloedvink, m. Bloodfinch, 
Bloedvlag, vr. Flag hoisted as a sign for 

engaging the battle. Red flag , Blood-flag. 
Bloedvloed, m., Bloedvloeijing, vr. zie 

Bloedgang. 
Bloedvriend , m,, Bloedvriendin , en Bloed- 

vriendschap , vr. , zie Bloedverwant, enz. 
Bloedwarm , bv. Blood-warm.^ 
Bloedwaier, o. Lymph, i. Pissing of blood. 
Bloedwaieren , o. , Bloedvvatering , vr. 
Bloeowekkend , bv. Sanguifying. 
Bloedwording , vr. Sanguification, 
Bloedworm, ni. Blood-worm, (i.beteek. 
Bloedworst, vr. , zie Bloedbeuling in de 
Bloedzucht , zie Bloeddorstlgheid. 
Bloedziichtig, zie Bloeddorstig. 
Bloezuiger, m. Leech, Bloodsucker; fig. 



r. 



ELOliDZ 

Extortioner , Cloodsucker. * — , Pile 
usurer 

Bloedzuiverend , bv. in de geneesk., What 
purifies the blood. 

Bloedzuivering, vr. Purifying the blood. 

Bloedzvveer, vr. , zie Bloedvin. 

Bloei , m. Blossoming , Blooming ^ fig. In 
den — zijner jaren , //; (he prime or flower 
of his age ,• De koophandel is nu in — , 
Trade is flourishing now. * — , bloeitijd, 
Blm-ing-tittie ( of flowers ). 

Bloeiien , o. w, mec Hebben , bloesemen, 
to Flower , Blossom , Bloom ; fig. goed 
ga?.n , to Flourish^ Prosper^ Thrive. 

Bloeiraaand , vr. Blay. 

Bloeisel, o. Blossom. 

Bloeistaat, m. Flower; fig. Flourish. 

Bloeitijd, m. , zie Blaei ; fig. Spring, 

Bloem , vr. Blossom , Flow&r ; fig. De — 
der jongcling, The flower (^choice) of 
youth ; van hier : — van meel , Flour (^of 
meal^ ; en in de scheik.: Bloeni van i<oper, 
enz. , Flowers of copper , etc. * — , sie- 
raad,als: De bloemcn der welsprekend- 
heid , The flowers of rhetoric. *— , rraag- 
debloem , maagddom, F'irginity, Maiden- 
hood. * — ,((>fijloeiTien , meer^.) Flowers 
of woman , Pf^^oman'^s tet ms , Menses , pi. 

Bloembed, o. Flower-plot, Plat-band. 

Bloemblad, o. Petal., Flower-leaf. 

Bloembol, vr. Bulbous root of a flower , 
Bulb. J J ^ 

Bioemengek ,n]., zie Bloemenlief hebber. 

Bloeinenhandel , m. Flower-trade. 

Bloemenhandelaar , m. Florist. * — , van 
gemaakte bloemcn, Artificial florist. 

Bloemenlicfhebber, m. Flvwer-j ancier, m. 

Bloemenliefhebbcrij , vr. F^ower-fincy. 

Blnemcnmaker, in. Maker of artificial 
flowers, 

Bloemenmeisje , o. Flower-girl. 

Bloeragodin, vr. in de fabell. , Flora., The 
goddess of flowers. 

Biocmhandel, m. Trade of flowers, 

Bloemhof, zie Bioemtuin. 

Bloeniig, bv. Flowery, 

Bloemist, m. Florist. 

Bloemisterij , vr. Cultivating of flowers. 

Blocnikelk , m. Calyx., Penanth. 

Bloe:i)kever, m. Mordetla. 

Blocniknop, m. Bud of a flower, 

Blocnikool, vr. Cauliflower. 

Bloenikrans, m. Garland (^of flowers)., 
Wre.ith of flowers, 

Blocnikwecker , m. Florist. 

Bloenikweekerij, vr. Cultivation of flowers. 
• — ^ Flower garden. 



BLOEM 



W7 



Bloemlezing , vr. Anthology. 

Bloemmaand , zie , Bioeimaand. 

Bloeramand , vr. Flower-basket. 

Bloenimarkc, vr. Flower-market, 

Bioemmeel, o. Flour of meal. 

Bloempap , vr. Milk-porridge. 

BloeiTiperk , zie Bloembed. 

Bloetnpje , o. /Voii'^r^f ,• zie Blaauw ; fig. 
Blocuipjes , meerv. , Small talk, 

Bloempot , m. Flower pot, 

Bloemrijk, bv. Flowery. 

Bloemschilder, m. Pa;nter of flowers. 

Bloemscof, o. Pollen , Farina, 

Bloemstuk , d. Flower-piece. 

Bloemtafel, vr. Flower-treble, 

Bloemtuiltje , o. Bouquet. 

Bloenuuin , m. Flower-garden. 

Bloemwerk, o. in de bouw-, beeldhonw- 
en schilderk , F'estoons , />/., Flower-wot k, 

Bloeniwording, zie I'loemzetting. 

Bloemzetting , vr. Efflorescence, 

Bloesem , m. Blossom. 

Bloesemen , o. w. mec Ilebben , to Blossom. 

Blok , o. een groot onbcwerkc scuk, Block; 
— marmer , Block of marble; — hour. Log 
of wood ; — brandhoiic. Chump or Clump 
of wood; — tin, l^Fedge ofpewttr; — luod. 
Pig or If^edge of lead. * — , gcheepsw., 
Block; fij?. Ilec is een — van een kind, 
It is a thick unwieldy child; Hij is een 
regt — , lie is a blockhead. * — , paar- 
denkhiister. Fetters., pi.; fig. Eeu— aan liet 
been hebben, to Be bound by some cir- 
cumstances, especially by marriage. * — ^ 
kacrol. Block. ♦ -— , (luiizen,) Cluster 
{(f houses'). *— ,op sommige plaatsen, 
holblok , fF'oodcn shoe, 

Blokbeeld , o. Statue. 

Blokhuis , o. Block-house. * - , op som- 
mige plaatsen , Prison. 

Blokijvci ig , bv. Fery assiduous , Plodding. 

Blokkadc, vr. Blockade. 

Blokken, o. w. met IJebben, hard wer- 
ken, to Plod. * — , inzond. sterk stude- 
ren, /o Study hard, to Plod. 

Blokkenmaker , m. Block-maker, •— , Ma 
ker of wooden shoes, 

Blokkcnmakcrij , vr. Block-shed. 

Blokkenniakersknecht , m. Blochmaket^s 
man , etc. 

Blokkenmakerswinkcl , m. Block-makei'^i 
shof) , etc. 

Blokkcr, m. Plodder. * — , inzond. On% 
who studies hard. Plodder, 

Blokkeren , b. w. Blockade. 

Blokkering , vr. Blockading. * — , 
Blockade. 



138 



BLOK 



Blokkhig, vr. Plodding^ *— , Studying 
hard, 

Blokland, o. Piece of ground surrounded 
by dikes, 

Bloklood, o. Block-lead. 

Bloknaad, ni. a kind of seam , Flat 
seam. 

Blokschaaf , vr. Large plane. 

Bloksteen , ni. Unhewn stone. 

Blokster, vr. , zie Blokker. 

Bloktin , o. Block-tin. 

Blokwagen, m. Truck. 

Blokzilver , o. Silver in bars. 

Blond, bv. Fair^ Fair-!i^it, Flaxen; 
Eeu blond man, A fair-cumplexioncd 
man. 

Blonde , vr. score vao zijden kant , Blond , 
Blond-lace. 

Blondheid, vr. Being fair ^ fait^Hght or 
flaxen^ Fair colour. 

Blondje , o. Fair child. 

Blonk , v. t. , zie Blinken. 

Bloo , zie Blood. 

Blood, bv. (^oo) Over-modesty Bashful^ 
Timid; sprvv. Een bloode bond wordt 
zeldcn vet, A close mouth catches no 
flies. * — , bw. Bashfully , Timidly.^ 

Bloodaard, ni. schroomuchtige, bij de 
vrouwen. Faint-heart. * — , lafaard, 
Coward, Poltroon. 

Bloode , zic Blood. 

Bloodhartig , zie B!oohartig. 

Bloodharciglieid, zie Bloohartigheid. 

Bloodheid, zie Blooheid. 

Bloohartig , bv. Faint-hearted. * — jbw. 
Faint-heartedly. 

Bloohartigheid, vr. Faintheartedness. 

Blooheid, vr. Bashfulness ^ Timjdity. 

Bloot, (oo) bv. oncbloot, Bare ^ Na- 
ked ; Met bloote voeten, Barefoot; 
fig. De bloote waarheid , The naked 
truth; Naakt en — zijn, to Be in great 
indigence; — stellen , to Expose; Zich 
— geven, to Expose one'' s self to some 
danger; ook: to Reveal a secret ; Voor 
lets — staan , to Be in danger vf some- 
thing, * — , niets anders dan, als: Het 
bloote verhaal daarvan , The mere{bare^ 
recital of it; Onder den blooten herael, 
Ih the opeit air. * — , bw. , zie Bloo- 
lelijk. 

Blootelijk , bw. , Merely , Barely , Only; 
Met konit — hierop aau , It is merely 
this. 
Blooten, b. w. , zie Ontblooten, ♦ ■— , 
bij leerlooij., to Clean, to Take off the 
hair or wool, zie Platen. 



BLOO 

Blooter, ra. One that clears skins. Skin- 
ner, Fetlmonger ^ zie Ploter. 

Bioothetd, vr. Nakedness , Bareness, 

Blootshoofds , bw. Bare-headed. 

Blootsvoets, bw. BareFoot. 

Blootwol , vr. fF'ool taken from the skins , 
before they are tanned. 

Bios , m. Fair healthy rosy colour in the 
face. * — , roodheid van schaamte, 
B/ush. 

Blouwel, m. Brake for flax or hemp ^ 
zie Henncpblouwel. 

Blouwen, b. w. to Brake or Dress (^hemp 
or flax) 

Blozen , o. w. met Hebben. to Blush; 
Blozende wangcn , Rosy cheeks ; Doen — , 
to Put to the' blush. 

Blozing, vr. Blushing. 

Bluschgereedschap, o. Engines for fuench- 
ing a fire , pi. 

Bluschmiddel, o. Bleans to quench. 

Bluschpot, m. Pot to quench. 

Bluschster, vr. Quencher. 

Bluschvat, o. f^essel to quench. 

BUisschen , b. w. uitdooven , to Quench 
(^a flre);Ka\k — , to Slack lime ; fig. Zijn' 
brand — , to Gratify one'^s lust; D£u 
dorse — , zie LeisChen, 

Blnsscher, m. Quencher. 

Blussching, vr. Quenching,^ — , Slacking. 

Bluts, Blutse, vr. Bruise. 

BUitsen, b. w. to Bruise. 

BliUsing, vr. Bruising. 

Bkuskoorts , vr. Purples, pi. 

Bobbel, m. Bubble. * — , op soramige 
plaatsen , zekere bies , Bullrush. 

Bobbeleu, o. w. met Hebben, to Bub- 
ble up, 

Bobbeling , vr. Bubbling up. 

Bobijn, vr. Bobbin, 

Bobijnen, b. w. to TFind up. 

Bod, o. aanbieding van eeu' prijs, Bi^ 
ding. * — , geboden prijs , Offer. 

Bode , m. Messenger ; Een bijzondere — , 
An express. * — , nieerv, Boden , ver- 
kort. voor Dicnsiboden , Domestics, 
Servants. 

Bodeambt, m. Messenger'*s office 

Bodem, m. Bottom; Een vat deo 

— inslaan, to Knock in the bottom of 
a vessel or cask ; fig. Eene zaak den 

— inslaan, to Bring a tiling to nought, 
* — , grond, als: Op vijaudelijken — 
jcijn, to Be on the enemy'' s ground or 
territory; fig. Op effen** —zijn, to Have 
a clear account ., to He without debts. 
♦ — , schip , Bottom , Ship , Vessel ; 



IT 

^r BODE 

Al deze goederen moeten op Engelsche 
bodems ingevoerd word en , All these 
commodities virist be imported with En- 
glish ships; Geld op zijn' — opnemen, 
to Sorrow money on one^s (^ship^s) bot- 
tom. 

Bode men, b. w. Botttfm, 

Bodemerij , vr. bcleening van een schip , 
j Bottomry. 
I Bodcmerijbrief, m. Letter of bottomry. 

Bodemfries , o. Clamp, 

Rodemloos, bv. Bottomless. 

Bodemtrekker , m. bij km\i. ^ Turrel. 

Bodenbrood, o. , Bodenloon , m. en o. 
Fee for one that brings a good news; 
'fig, Ik hoop — bij u te verdienen , / 
hppe I shall be able to bring you the first 
good tidings. 

Bodeschap , o. Messenger'' s office. 

Bodin, vr. Female messenger. 

Boe , tusschenvv. , als : Hjj zeide — ncch 
ba. He answered not one word; Hij kan 

— uoch ba zeggen. He cannot say bo 
to a goose. 

Boedel , m. bezitting , Possession , Estate^ 
Fortune, ♦ — , erfenis. Inheritance; 
Deii — niet aanvaarden. Den — 

— met den voet schoppeu , to Give up 
the inheritance. 

Boedelcecl , zie Bocdellijst. 
Boedelhouder , m. , Boeuclhoudster, vr. 

One of two married persons , that remains 

possessor of the deceased''s estate, 
Bocdelhui5? , o. House where a public sale 

is kept of furniture , etc. * — , Public 

sale of furniture^ etc. 

Bocdelkamer, vr. als: De desolate-boe- 

dclkaracr, The office of the commissioners 

lor bankruptcies. 
Boedellijst, vr. Inventory of furniture ^ 

eta, 
Boedclredder, m. Testamentary executor 

that regulates and manages the concerns 

of an inheritance, 

Bocdelrcddiiig, zie Bocdclschciding. 
Boedclschcidcr, zie Boedelreddcr. 
Boedclschciding, vr. Divisionor Sharing 

of an inheritance. 

3oedelschrijvcr, in. Person that inven- 
tories an inheritance, 
3ocf, m. Knave, Rascal ^ Villain; zie 

ook : GalciboeF, enz. 
Joefauhtig , bv. Roguish^ Ktiavisli, * — , 

b w . Ro^u is h ly , Knav is h ly . 
:3oeiat:htigheid , vr. Roguishness^ Kna 

vishness, 

Joefsch, bv. Knavish. 



BOEG 



139 



I^oeg , m. Bow ^ Prow ; Een schip kwam 
ons dwars voor den — zeilen, A vessel 

fell foul upon our bow or came athwart 
or across of us ; Het over een' anderen 

— wenden , to Tack about, to Alter 
one^s course; fig. to Try a thing another 
way ; Op eeu' — , All at once , All on a 
score. 

Boeganker, m. Bow-anchor, Bower, 
Stream-anchor , Kedge-anchor , Kedger, 

Boegbanden, ra. mecrv. Breast-hooks. 

Boegen, o. w. met Hebbeu, to Steer the 
course. 

Boegkruisen , o. w. met Hebben , to 
Laveer , to Go near the wind. 

Boeglegger, m. Barge or Bargeman who 
has his turn ajter the depart of 
another, 

BoegUjnen, vr, raeevv. Bowlines, 

Boegscheren , zie Boegseren. 

Boegseerlijn , vr. Ilalser, Tow-line. 

Boegseren, b. w. toTow a ship, to Make 
her enter a harbour by means of a cable , 
to Haul a ship. 

Eoegsering , vr. Towing a ship. 

Boegsjaren , zie Boegseren. 

Boegslag, ni. Tacking about, 

Boegspriet, m. Bow-sprit. 

Boegsprieueil , o. Bowsprit-sail, 

Bocgscag, vr. Bowsprit-shroud. 

i^oegsceng, yr. Topmast, 

Bocgscuk, o. Gun on the forecastle of 
a ship, * — , Piece of timber employed 
for the bow, 

Boeha, Boehaai, zie Boha. 

Buei , vr. sclicepsvv. , Buoy, * — , klui»- 
ter. Fetter, Shackles, pi.; zie ook Haud- 
boeijen. ♦ — , in Amsterdam, Prison; 
In dc boeijen '^iJQ, to Be in prison, 

Boeibord , o. Sideplank of a ship, 

Boeijen, b. w, de bueijcn aandoen, to 
Fetter; fig, aan zich lokken , to Chain ^ 
Captivate. ♦ -, in dcu schcepsb. , 1o 
Cover a ship''s sides with planks , to Plank 
a ship; Een hoog gcbocid schip, A 
deep-waisted ship. 

Bueijer, in. Smack. 

Boeirccp , vr. Buoy-rope. 

Bociplank, vr. . zic Boeibord, 

Boek , o. Book ; Een ongebonden — , 
A book in sheets; Eeu ingenaaid — , A 
hook in boards. * — , koopir.ansboek , 
Hij heefc zijn — bczworen , He has taken 
an oath upon the truth of his accounts; 

— honden, to Keep the book> of accounts, 
fig. Zijn — open doen, to Divulge 
one^s own secrets. * — , afdceling van 



140 



BOEK. 



eeu boek. Book, Part. ♦ — , zekere 

hoeveelheid papier, Quire. 
Boek , z'le lieiik. i 

Boekbancl, m. Binding of a book. 
Boekbeoordeelaar, m. Critic. 
Boekbeoordeeling, vr. Critique. 
Boekbewaarder , m, , zie Bibliothecaris, 
Boekbeslag, zie Beslag van een boek. 
Boekbiuden, o. Bookbinder''s trade. 

Book-binding. 
Boekbiiidcr^ m. Book-binder. 
Boekbinderij , vr. , zie Boekbinden. * — , 

boekbinderswinkel, Boukbinder''$ shop. 
Bockbindersgereedschap , o. Bookbinder''s 

tools, pL 
Boekbindersjongcn , m. Bookbinder''s boy. 
Boekbinderskneclic , m. Bookbinder''s man. 
Boekbindersleerling , ra. Bookbinder^s 

apprentice. 
Boekbinderspers , vr. Bookbinder^s preas. 
Boekbindersvrouw, vr. Bookbinder''s wife. 
Boekbinderswerk, o, Bookbinder''s work. 
Boekbindersvvinkel , m. Bookbinder''s 

shop. 

Boekdeel , o. roJume. 
Boekdriikken, o. Printing, Typography. 
Boekdrukker, m. Printer , Typngrapher. 
Boekdrukkerij , vr. Prindrlg-ojfice. 
Boekdrukkersgezel, m. zie Boekdruk- 

kersknecht. 
Boekdrukkcrsknecht , m. Journeyman 

printer. 
Boekdrukkersleerling , m. Printer's 

apprentice. 
Boekdrukkersvrouw, vr. Printer''s wij'e. 
Boekdrukkerswerk , o. Printer^s work. 
Boekdrukkerswinkel , m. Printer^s shop. 
Boekel, m. Buc/eie, Hair-curl. 
Boeken , b. w. to Note down in a book , 

to Enter into a book, to Book, to Book 

down. 

Boekenboom, zie Beukenbooin. 

Boekengek, m. Bibliomoniac. 

Boekenkaraer, zie Boekenj. 

Boekenkas , vr. Closet or Press for books , 

Repository of books. 

Boekenkraam , vr. Book-stall. 

Boekenkramer , m. One that sells (^especi- 
ally old') books. Stationer, Book-stall 
keeper. 

Boekenlijst, vr. Catalogue or List of 
books. 

Boekenmaakster , vr. , zie Boekenraaker. 

Boekeninaken , o. Blaking of books, 

Boekeumaker , m. Author, Writer. 

Boeker , m. One that books. 

Boekerij , vr. Library. 



BOER 

Boekgescheok, o. Present consisting in 
a book. 

Boekhaiulel, m. Rooktrade. 

Boekhandelaar, m. , Boekhandelaarster , 
vr. , Bookseller, Stationer. 

Boekhouden , o. Keefiing of q merchants 
books. Bookkeeping; Icaliaansch — , 
The Italian bookkeeping , The keeping 
of mercantile books by double entry. 

Boekhoudcr, m. Bookkcepert 

Boeking , vr. Booking. 

Boekhouderscbap, o. Bookkeeping. 

Boekje, o. verkl. w. , zie Boek. ♦ — , 
zakboekje, Pocket'book , Memorandum- 
book , Note-book; fig. Een— van iemand 
open doen, to Tell something about one. 

Boekminnaar, m. Lover of books. 

Boeknienvvs, o. Literary novelties, pi, 

Boekoefenaar, zie Lecteroefenaar. 

Boekoefeuing, zie J.etieroefening. 

Boekschrijver, m. Author, IFriter. 

Boekschuld, vr. Active debt. 

Boekscaaf,m.vcTOud.,driikleccer,T>/'tf.*-, 
lecter, Letter, Character. 

Boekstaven, b. w. veroud. , to Spell. 

Boekverkooper, m. Bookseller, Biblio- 
pole , Bibliopolist. 

Boekverkoopersgild, o. Corporation of 
booksellers. V'^y. 

Boekverkoopersjongen, m. Bookseller's 

Boekverkooperskiiecht, m. Bookseller's 
man, 

Boekverkoopersleerling, m. Bookseller's 
apprentice. (^shop. 

Boekverkooperswinkel, m. Bookseller's 

Boekverkooping , vr. Auction of books. 

Boekverkoopsier, vr. , zie Boekver- 
kooper. 

Boekverzameling, vr. Collection of books. 
* — , zie Boekerij. 

Boekweic, vr. litickwheat .,Brank,Crap. 

Boekweiten, bv. i>uckwheat, 

Boekwerk , o. Hook. 

Boekvvinkel, bv. Bookshop, 

Boekworm , ra. Book ; fig. (^ nickname for 
a) Petty bookseller. 

Boekzaal , vr. Library. 

Boekzetcer, zie Letterzetter 
Bo6l, zie Boedel. 

Boel, m. en vr. , Galant^ m. Concubine, 
Leman , f. 

Boelazje, vr. Concubinage , Adultery. 
Boeleerder, ra. , Boeleerster, vr. , zie 
Boel , m. en vr. 
Boeleren, o. w. met Hebben, to Live 

in concubinage or adultery. 
Boelering, vr. , zie Boelazje 



EOFX 

Ihnis, zie Boedelhuis. 

Boelschap , vr. , zie Boelazje, ♦ — , m. 
en vr. boel , Concubifte , zie Boel. 

Boender, m. Scrub. 

Boeueiijb.w. to Clean ^ Rub ; fig. letnand 
uit het huis' — , to Turn one out of doors. 

Boenster, vr. Woman that cleans ^Char- 
woman. 

Boer , m. landbonwer , Peasant , Husband- 
man , Farmer; fij?. loinperd , Clown ^ 
Boor. * — , in hetkaartsp. , Knave.* — , 
in het schaakspel, Pawn. * — ,oprisping, 
Be!ch; Een'— laten, zie Boeren, 

Boe-achcig, zie Boersch. 

Boerachtigheid , zie Boerschheid. 

Eoei-derij , vr. Farming business. * — , 
Farm. 

Boeren, o. w. met Hebben, landboiiwen, 
to Farm. * — , een' boer lateu ,to Belch^ 
to Break wind upwards. 

Boerenaal, va. a sort of eel. 

Boercnboon, vr. Great bean. 

Boerenbrood , m. Peasant'^s bread. 

Boerenbruiker, m. Farm. 

Bocrenbruiloft, vr. Country-wedding, 

Boerendans, m. Country-dance ^ Jig. 

Boerendochter, vr. Peasant''s daughter. 
* — , Peasant-girl. 

Boerendragt , vr. Peasant''s dress. 

Boerenfeest , o. Country-feast. 

Boerenfluit, vr. Reed , Pipe. 

Boerenhoogmoed , ni. Clownish pride. 

Bocrenhuis, o. Fartner''s house. 

Boercnbut , vr. Cottage. 

Boerenjongen , m. Country-lad. 

Boercnkeruiis, vr. Country-fair. 

Bocrenkiel , m. Peasants frock, 

Boerenkinkel , m. Churl. 

Bocrenknecht, m. Peasant's man. Farm- 
er'i man. 

Bocrenkost, m. Peasant''s victuals, pi. 

Bocrenkrijr, Bocrcnkrijije , o. als : INIet 
hec boerenkrijtje rckenen , to Chalk 
down. 

Bocrenleven , o. Country-life , A peas ant"* s 

' way of living. 

Bocrcnlied, o. Country-song ^ Rural song. 

lioercnmeiil, vr., lioerenmeisje, o. Farm- 
ct''s servant-maid. * — , Country-lass, 

Bucrcnpaard, o. Peasant''s hone. 

Bocrcnspraak, zie Boereniaal, 

Bocrenstand, m. Condition of peasants. 
" — , Country-peo/'le , Peasantry. 

Bocrcnstulp, zie Bocrcnluu. 

Boerenaal, vr. Country dialect. 

BocrcDVolk, o. Country people. Peasantry, 
Bocrcawagcu, m. Peasant''s carriage. ' 



BOER 



141 



Boeren werk, o. Peasani''s work or business, 

Boeren woning , vr. Peasant''s dwelling. 

Boerenzoon , m. Fartner''s son. 

Boerin, vr. Country-woman. 

Boersch , bv. gelijk een boer, Rustic; 
fig. lomp , Clownish. * — ^ bw. In a rus- 
tic or clownish manner. 

^3oerschheid , vr. Clownishness. 

Bocrc , vr. Jest , Joke , Pleasantry , Ban- 
tering. 

Boertacluig, zie Boertig. 

Boerten , o. w. met Hebben , to Joke ,Jest, 
Banter. 

Boerter, m. Jester, 

Boercerij , zie Boerc. 

Boertig , bv. /ocoj-e, Facetious, Jocular, 
Comical, Humorous. * — , h^i. Jocular- 
ly , etc. 

Boertsicr, vr. , zie Boerter, 

Boete, vr. Penitence. * — , geldscraf. 
Mulct , Fine , Amercement. 

Boeteling, m. en vr. Penitent. 

Boeten, b. w. to Atone for, to Make 
atonement or amendment for ; Gij zulc 
hec raetuw' hals moeten — ,Tou''ll atone 
for it by your death. * — , v«.'ldoen, als: 
Zijne liiscen — , to Gratify one''s lust, 

* — , verbeteren , als : Ilet vuiir — , to 
Kindle the fire ; De neicen, enz. — , to 
Mend nets , etc. ♦ — , o. w. als : Voor 
. ..— , to Atone for, to Pay, Repair, 
Expiate. 

Boeter, in. One that atones for, etc.*—, 

zie Ketclboeter, enz. 
Boeting, vr. Atonement, Expiation, ftc.^ 

zie Bjecen. 
Boctpreek, Boetpredikacie , vr. Sermon 

on repentance and amendment of life and 

manners. 
Boetpsalm , m. Penitential psalm. 
Boetse , zie Poetse. 
Boetseerder , m. , Boecseerster , vr. Artist 

that moulds or counterfeits any thing in 

wax , etc. , Embosser. . 
Boetsercn, b. w. to Mould or Counterfeit 

in wax , clay , etc. , to Emboss. 
B'lctsering, vr. Moulding in wax, etc.. 

Embossing. 
IJuetvaardig , bv. Penitent , Contrite. 

* — , bw. Penitently , Contritely. 
Boetvaardi}:hcid , vr. Penitence , Repen- 
tance, Contrition , Contriteness. 

Boctvaardiglijk , zie Boetvaardig, bw. 

lioevejagt , vr. Pursuit of thieves , etc. 

Boevenklok , vr. nickname give*} to th$ 
Bell ringing at the opening of a fair , 
because commonly all sorts of strangers , 



142 



BOEV 



mountebanks y etc,^ get admittance at such 
a time, 

Boevennet, o, a kind of rail, 

Boevenpraac, m. Rogish language, 

Boevenstreek, m. , Boevensiuk, o. Ro- 
guish trick, 

Boeverij , vr. Roguishness, 

Boezel, m. voorschooc. Apron. • — , o. 
Stuff" of which aprons are 'made, 

Boezelaar, in. Apron. 

Boezera , m. Bosom; fig. Zijn' — open 
le'ggen , to Speak confidently with one. 

* — , der zee, Gulf^ Bay, 
Boezemstrook , m . Frill {of a shirt), 
Boezemvriend , m, , Boezemvn'endin , vr. 

Bosom-friend .t Intimate friend. 

Boezemvriendschap , vr. Intimate friend- 
ship , Intimacy, 

Boezemwees, in. en vr. Posthumous- 
child. 

Bof^ vr. Blow ^ Knock. 

BofFen , b. w. to Throw or Cast down. * — , 
o. w. mec Zijn , to Fall. 

Bogchel, ni, bult. Bunchy Hump. * — , 
gebogchelde , Humpback. 

Bosjclielaar, ra.,Bogchelaarster, vr. Toiler, 
Plodder. 

Bogchelen, o. w. met Hebben, to Toil, 
Plod. 

Bogen , o. w. mec Hebben , to Boast 
(<?/, op\ 

Bogenmaker, m. , zie Boogmaker. 

Bogt , vr. bulging , Bent , Clexure , Turn- 
ing, * — , inham der zee, Bay^ Gulf; 
fig. Voor ieraand in de — springen, to 
Do one'^s best to help one. 

Bogt, vr. iets slechts , als : Het is — , // 
is good for nothing. 

Bogcig, bv. Crooked^ Anfractuous. 

Bogtigheid , vr. Anjractuousness. 

Boha, tusschenw. en m. als; Eeu' grooten— 
raaken , to Make a great bustle. 

Bohamaakster, vr., Bohamaker, m. Bustler. 

Boharaaking, vr. Bustling. 

Bok^m.He-goat^Buck'goat^MalegoatyGoat; 
zie ook Geitcnbok. Reebok; ti^. lomp 
measch. Booby ^ Awkward uncivil fel- 
low, * — , lonipe font , Blunder. * — , ze- 
ker werktiiig, Crab; ook: Engine used 
for bringing up ships that are foundered. 

* — 5 bij lecierz. , a kind of desk to put 
the cases on. * — , van eeae koecs , 
Box, 

Bokaal, vr. Bumper. 
Bokachtig, bv. Clownish^ Boobish, *— , 
adv. Clownishly , UnciviUy. 
Bokachtigheid , vr. Clown'ishness. 



BOKG 

Bokgestarnte , Bokgescernce , o., zie 
Sreenbok. 

Bokje , o. verkl. w. , zie Bok. * — , inzond. 
stoel zonder leaning. Stool. 

Bokkenbaard , m. eene plane , Goatbeard, 
Goat-marjoram, 

Bokkenhaar , o. Goat'^s hair, 

Bokkenleder, B'>kkenle^r , o. Buckskin. 

Bokkenleeren , bv. Buckskin, 

Bokkensprong, m. Goat^s leap , Capriole. 

Bokkenvel, o. Buckskin, 

Bokkig, zie Bokachtig. 

Bokkigheid, vr. , zie Bokachtigheid. 

Bokking, m. Red herring; fam. lemand 
een' — geven , to Give one a rebuke. 

Bokkinggraat, m. Bone of a red herring, 

Bokkir.ghang, zie Hang, 

Bokkingkop, m. Head of a red herring, 

Bokkingraand, m. Basket for red her- 
rings. 

Bokkingspijl, vr. , zie Spijl. 

Bokkingvel, o. Skin of a red herring. 

Bokkingvrouw , vr. , Bokkin^wJjf, o.lVo' 
man that sells red herrings. 

Bokkingwinkel, o. Shop in which red her- 
rings are sold. 

Boksbaard , zie Bokkenbaard. 

Boksblok , o. Tackle of pullies. 

Boksboon , vr. Lupine 

Boksdoren , m. Goat^s-thorn. 

Bokse , vr. Breeches , pi, 

Boksen, o. w. mec Hebben, to Box, 

Bokser, in. Boxer. 

Bokshoren, \n. Goat"* shorn. * — ,opsche- 
pen of bij affuicen , Hook to fasten 
ropes on. 

Bokslefir, ze Bokkenleer, 

Boksoor, o. Goat''s%ear, * — , zie Boks- 
horen in de 2. bereek. 

Bokspoot , m. Goafs foot, * — , a name 
given to the god Pan, 

Boksvel, z e Bokkenvel. 

Boksvoet, z:e Bokspoot. 

Koktor , vr. , z-e Torbok. 

Bol , m. Ball, Globe. *— ^Convex body. 
* — , klein broodje , Roll, * — , van 
een' hoed, Crown. * — , van eene bloem , 
Bulbous root. Bulb; fig. hoofd , Head, 
Pate ; Het scbort kem in den — , He is 
crack-brained. * — , schrandsr mensch , 
Skilful or Sagacious ter'son , Genius. 

Bol, bv. Swollen, Puffed up. Puffy, 
Bloated; —van aang^zigt , Plump-faced, 
* — , Concave ; Hoi of — , Concave or 
convex. 

Bolacht'g, bv. Globulous , Spherical. *-^, 
Plumpish. 



BOLA 

Bolachtigheid, vr, Globuhusness. •— » 

Plumfishness, 
Bolbaan , vr. BowJing-green. 
Bolbloem , vr. Bttlbous flo-wer. 
Bolder, vr. a certain small seed found in 

corn,* — , Small rmnd loaf of which 

biscuit is made. 
Bolderwagen, m. Waggon used in several 

parts of the Netherlands , being not sus- 
pended by springs. 
Bolgewas , o. Bulbous plant. 
Bolheid, vr. Puffiness. 
Bolk , vr. fFhiting. 
BoUeu, b. w. bijzeel, , iuhalen, to Hale 

or haul. 
Bollen , zie Kollen. 
Bollon, o. w. met Hebben, behagen,/o 

Please. 
BoUenbakker, m. Roll-baker, 
Bollenmaker , m. Maker of balls , bal- 
loons ^ etc. 
BoUetje, o. verkleinw., "zie Eol;Een — 

knoflook , ^ c/ove of garlic, 
Bolrond , , bv. Globulous , Spherical , 

Convex, 
Bolrondheid, vr. Spherical form, 
Bolstaarc, zie KorLstaarr, 
BoUter, ni. Green shell of 'walnuts ; fig. 

Den — van icmand afhalen , to Polish one^ 

to Teach one tnnnners. ♦ — , kaf , Chajf. 

• — , peiiluw. Pillow^ Bolster. 
Bolsteren, b, w. to Take off the green 

shell. ♦ — , schellen, to Peel or Shell, 
Bolus , m. Bolus. 
Bolvormig, zie Bolrond. 
Bolvorraighcid , zie Bolrondheid. 

Bolwerkcn, b. w. to Fence; fig. Ik zal 

dac wel — , Leave it to me ^ Pit manage 
the affair. 

Bolwerkmaker, in. Raiser of bulwarks, 

Bolwerksweer, vr. a certain fortification. 

Bohvorm, m. a kind of worm ; fig. Dc — 

stcekt hem , lie gets his usual whims. 

Bom, vr. Bung of a barrel. * — , trom- 
mel, Drww. *— , zekerschicttuig, Btmh. 

Borabaramen , o. w. met Ilebben , to Ring 
the bells , to Imitate their sound, 

Bombardeerder , m. Bombadicr. 

Bombardeergaljooc, Bombardccrsloep , vr. 
Bomb -ketch y Bomb-vessel. 

Bombardement, o. Bombardment, 

Borftbarderen, b. w. to Bomb., Bombard. 

Bombarderin^jvr. Bombings Bombarding. 
* — , Bombardment. 

Bombardier , m. Bombadier. * — , 
Subaltern officer of the ordnance, 

Bombazijn, o. Fustian. 



BOMB 



143 



Bombazijnen, bv. Fustian, 

Bombazijn we ver, m. Fustian-weaver, 

Bombcen , o. Swollen leg. 

Bomgat , o. in eeu vat , Bunghole. * — , 
in een' kerktoren , galmgac , Penthole of 
a steeple. 

Bomketel, m. Mortar. 

Boramel, m. Bung of a barrel; fig. De 
— is uifgcbroken , The plot is betrayed^ 
ha^ taken air. * — , zie Horamel, 

Bommen , o. w. met Hebben, to Soured 
as an empty barrel dees when touched. 

Bond , o. 5 zie Verbond. 

Bond , V. t. , zie Binden. 

Bondboek , o. Book of the covenant. 

Bondbreeksrer , vr. ,. Bondbreker , m. 
f^iolator of an agreement or covenant, 

Bondbrekig, bv. Flolating an agreement. 

Bondbreuk , vr. Violotion oj an agreement, 
covenant or treaty, 

Bondbreukig, zie "Bondbrekig, 

Bondel , m. Bundle; fig. Een — gedich- 
ten , A collection of poetical pieces; — 
bijlen , (Jiw de Rom. gesch. ,^ Fasces. 

Bondgeuooi , m. en vr. Ally. 

Bondgenootschap, o. Alliance, Confede- 
racy , Confederation. 

Bondlgenoorsdiappelijk , bv. Of the alli- 
ance , confederacy, 

Bondig, bv. Solid, Firm, String. • — , 
bw. Solidly , Firmly , Strongly. 

Bondighcid , vr. Solidity ^ Firmness, 
Strength. 

Bondiglijk , zie Bondig , bw, 

Bondkist, vr. Ark of the covenant, 

Bondschender , zie Bondbrcker, 

Bondschendig, zie Bondbrekig, 

Bondscliending , vr. , zie Bondbreuk., 

Bondschendster, zie Bondbreeksrer. 

Bondschrift, vr, JFriting containing the 
covenant. 

Bondsvcrgadering, vr. Meeting of the con- 
federacy. 

Bond?egcl, o. in de Cbr. godsd. , Sa- 
crament, 

Bonk, vr. Large bone. * — , m. Thick 
person, 

Bonken, b. w. to Beat, Belabour, 

Bonnet, o. soort van kap. Bonnet^ Cap, 
* — , op schepen , Small sail , that is 
added to the main and fore-sail ^ in calm 
weather. Bonnet. 

Bons, vr. Bounce, Thump, Hard blo^v , 
knock or noise; fig. De — krijgen, to Be 
turned out of office or employment, 

Bonsem , Bonsinj?, zie Bunsiug. 

[Bont, bv. eu bw. Spotted , Speckled, Fa- 



144 



BONT 



riagated, Party-coloured^ Pied ^ Pie- 
bald; sprw. zie Hond; lemand — en 
blaauw slaap, to Beat one black and 
blue; Hij maakt hec al te — , He goes too 
far^ lie keeps no measure. * — , o. Fur. 

Bontekraai , vr. Royston-crow , Winter- 
crow ; sprw. E^ne — maakt geen' winter, 
zie Kraai. 

Bonteii) bv. Fur, Furred^ Blade of fur. 

Bontheid , vr. Being speckled or varie- 

Bontmius , vr. Furred cap. {gated. 

BontwerU, o. Pelt, Furs, pi. 

Boiuwerker, m. Furrier. 

Boncwerkersknechc, m. Furrier''s man. 

Boriiwerkersnaald, vr. Furrier^s needle. 

Bondwerkerswiukel , m. Furrier''s shop. 

Bonzen , b. w. to Throw. * — , o. w. met 
Ziju, to Bounce. * — , met Plebben , to 
Knock hard. 

Boodschap, vr. Message, Errand, Com- 
mission; Maria — , (in de Chr, godsd., ) 
Annunciation ; fig. fam. Eene blaauwe 
— , A sleeveless errantd. 

Boodschapbrenger , m. , Boodschapbreng- 
sier , vr. Messenger. 

Boudschapjongen , m. Messenger. 

Boodschaplooper , m. , Boodschaploop- 
ster , vr. Messenger. 

Boodschapmeisje , o. Messe^er. 

Boodschappen , b. w. to Bring word, to 
Announce. 

Boodscbapper, ra. Messenger. 

Boodschapping, vr. Announcing. 

Boodschapscer , vr. , zie Boodschapper. 

Boog , m. kromte , Bent, Flexure. * — , 
van eene brug, Arch. *— , schiettiiig , 
Bo\v; sprw. De — kanniec alcijd gespan- 
nen zijti. There must be some relaxation 
from business ; (sprw. ) All the work and 
no joy , makes jack a dull boy. * — , re- 
gQ\-\hoQg^ Rainbow. * — , gedeelie van 
een' cirkel , Segment or Section of a circle. 

Boog, V. t. , zie Buigen. 

Bo6gaard, zie Boomgaard. 

Booghont, o. Toke-ehn wood. 

Booghoiuboom , m. Toke-elm. 

Boogscheuc, zie Boogschoot. 

Boogscbieter , ra. Archer^ Bow-man. 

Boogschoot, m. Bow-shot; Een' — ver, 
Within a bow-shot. Within an arrow''s 
reach. 

Boogschot, c, zib Boogschoot. 

.Boogscluitter , zie Boogf^chieter. 

Boogschiutersfeest, o. Archers'' feast. 

Boogschutrersgild, o. Corporation of the 
archers. 

?3oogscelling, vr. Arcade. 



BOOG 

Boogswijze, bv. Arched ; -~ maken , to 
Arch. 

Boom, m. (oo) Trf^,* De — der kennisse, 
( in de bijbels. gesch. ,')The tree of know- 
ledge of good and evil ; fig. Van den hoo- 
gen — tcreii , to Exceed one''s revenue , 
to Diminish one''s estate by making great 
expense; Een — van eea' kerel, A stout 
lusty fellow , De kat uic den — kijken, 
to Wait prudently till aft ajfair takes 
some' turn. * —, schuitenvoerdersboom , 
Pole. * — , van een' wagen , Pole , Beam. 
* — , draaiboom , sluitboora, Boom or 
Barrier at the entrance of a haven or 
road. * — , op eene deur , Bar. 

Boomaarde , vr. Earth consisting especially 
of leaves. 

Boomachtig, bv. Like a tree ,Arborical. 

Boomagaat , ra. a sort of agate. 

Buoraaloe , vr, a sort of aloe. 

Boorabast , vr. Bark of a tree. * — , a kind 
of precious stuff made there of on the 
African coast. 

Boomblad, o. Leaf of a tree. 

Boonibloera , vr. Blossom of a tree. 

Boomboor, w. Pump-borer. 

Boombrand , o. Fire in a wood. 

Boomdraak , m, a kind of dragon. 

Boomen , b. w. to Push (^ boat) with 
a pole. 

Booment, vr. Graft for trees. 

Boomenter, vr. Grafter, 

Boomenterij , vr. Nursery of trees. 

Boomer, m. One who pushes a boat with 
a pole. 

Boomeuvel , o. Sickness of a tree. 

Boomgaard, m. Orchard. 

Boora^aardenieir, m. Arborator , Arborist. 

Boomgaardooft , o. Fruit , Fruits , pi. 

Boomgans, vr. Brent-goose , Barnacle. 

Boomgeld, o. Money paid for the opening 
of a boom or barrier. 

Buo'ogs'vas, o. Fruits of trees , pi. 

Booragodin , vr. in de fabell. , Dryad. 

Boomhakker, m. zekere vogel , Wood- 
pecker, Creeper. 

Boomliakking, vr. Felling of trees. 

Boomhevel , m. Lever. 

Boonihof, m., zie Boomgaard. 

Boomig, \is. Arborescent ..Like or belong- 
ing to trees. *— , Full of trees. *—, eggtg, 
a!s: ; Boomige tanden, Teeth become 
blunt by an immoderate use of fruit , 
Teeth set on edge, zie Eggig. 

Boomigbeid , vr. Bluntness of the teeth. 

Boomkaan , vr. Boat made of a tree^ 
Canoe. 



BOOM 

Boomkever, m. Beetle that lives on 

trees, 
Boomklok , vr. Bell that is rung when a 

boom of a haven is opened or shut.' 
Boornknoest, m. Knot of a tree, 
Boomknop, in, Btul of a tree, . 
Boomknuist, zie-Boomknoesc. 
Boorakooper, ni. Wood-monger. 
Boomkrekel, m. Cricket that lives on 

trees. 
Boomkruiper, m. a kind of titmouse. ^ 
Boonikwceker, m. Arborator ^ Arbor ist ^ 

Gardener whose chief business is the 

nursing of trees, 
Boomkweekerij , vr. Nursery of trees. 
Boomkweeksccr, vr., zie Boomkweeker. 
Booniladder, vr. Tree-ladder, Double 

ladder, 
Boomlocf, o. Leaves of trees, 
Boomluis, vr. Tree-louse, Plant-louse. 
Boommaker, m. One that makes bars, 

etc, 
Boommarkt, vr. Wood-market. 
Boommcei ter , m. Person that takes care 

of the openinv and shutting of a boom , 

zie Boom in de voovlaatste beteek. 
Boummeier, m. Dcndrometer. 
Boommos, o. Moss growing^ on trees, 
Boommusch, vr. S;>arrow living on trees. 
Booranimf, zie Booinjjodin. 
Boomnoot, vr. Nut growing on trees, 
Booraolie , vr. Salad- oil , Sweet oil ^ Olive- 
oil. 
Booraolieflech , vr. (^Sweet^ oil-bottle. 
Boomolicvat, o. {Sweet) oil-cask. 
Booraoofc, o. I'ruit of trees, 
Boorapaal , m. Prop. 
Boompalm , m. Palm tree. 
Boompikkcr, m. Wood-pecker. 

Boomplanter, Boonipoter, m. Planter 

of trees. 

Boomrljk, bv. //;// of trees. 

Boomsap , o. Sap of trees. 

Boomscliuduw , vr. Shade of trees. 

Booinsclicnder, m. Offiinder that wilfully 

hurts or damages trees. 

Booinschcndcrij , vr. Damaging of trees, 

Boonischinimcl , vr. Mould of trtes, 

Bcoinschip , o, , zie Boomkaan. 

Booinschors, vr. Bark of trees. 

Booinschool, vr. Nursery cf trees , As- 
icmbluge of young trees, 

Booinschuit, zie Boomkaan. 

IBoumslak , vr. Snail living on trees. 
Boomslang, vr. Snake living on trees, 
Boornslek, zie Boomslak 
HOLL. ENG. VVOORD. 



BOOM 



145 



Boomsluiper, m. a kind of bird, zie 

Boomkriiiper. 
Boomsluiter, m. a person appointed for 

opening and shutting the boom of a haven. 
Boomsnoeijeii, c, zie Boomsnoejjing. 
Boorasnoeijer, m. Pruner or Lopper of 

trees. 

Boomsnoejjing, vr. Pruning or Lopping 

trees, 

Boomstam , m. Stem of a tree , Trunk, 

Boomster, vr. , zie Boomer. 

Booroscerk , bv. f^ery strong. Robust. 

Boomstronk , m. Trunk of a tree. 

Boomswijze, bv. en bw. Like trees. 

Boomtak , o. Branch of a tree, 

Boomvalk , m. Hobby, 

Boomvareu, vr. zeker kruid. Polypody, 

Booraveil , o. Ivy. 

Boomvruchc, vr. Fruit of trees. 

Boomwacluer , m. Watch of the boom of 
a haven, 

Boorawagen, m. Carriage for transport- 
ing timber, 

Boomwas , o. Grafting-wax. 

Boomwol, vr. Cotton. 

Booiuwolboom, m. Cotton-tree. 

Boomwollen , zie Katoeuen. 

Boom worm, m. Worm or Grub that liyes 
upon or spoils trees. 

Boomwortel, m. Root of a tree. 

Boomzetter, zie Boomplanter. 

Boomzijde, zie Boomwol. 

Boomz.vam, vr. Agaric, 

Boon , /:ie Boden. 

Boon, vr. {oo") Bean; fig. In de boonen 
zjjn, to Be mistaken; iprw. Dat is zoo 
veel als eeue — in een* brouwketel , 
That won't help a bit. That is quite in- 
sufficient ; zie ook Honjrer. 

Boonakker, m. Field sown with beans. 

Boinbrood, zie Bodcnbrood. 

B'jonboom , Boonenboom , m. Bean-tree, 

Bdonenhalm , m. Stalk of beans, 

Boonenkriiid , o. Savory. 

Booncnraeel , o. Bleal of beans, 

Booncnrank, vr. Tendril of beans, 

Hoonenschil, vr. Bean-shell, 

Boonenstaak, Boonenstok , m. Stick or 
Prop for beans, 

Boonciistroo , o. Dry stalks of beans , pi. 

lioonenveld,o,, zie Boonakker. 

Boonhalm, zie Boouenhalni. 

Boonkriiid , zie Boonenkriiid. 

lioonmecl, zie Boonenmcel. 

Koourank, zie Boonenrank. 

Boouschil, zie Booiicnjcliil. 

M 



146 



BOON 



Boonstaak, zie Boonenstank. 

Boonstok , zie Boonenstok. 

Boonstroo, zie Boonenstroo. 

Boontje , o. verkl. w. zie Boon ; inzond. 
sprw. — kotnt om zijn looucje, He 
suffers for his crimes. 

Boonveld , zie Boonenveld. 

Boor, vr. Bore, Borer ^ WitnbJe^ 
Piercer; Groote — , zie Avegaar; zie 
ook Drilboor, Trepaneerboor , enz. 

Boord, m. Border, Edge. * — , van een 
plag; Brim, * — , van ecne rivier , 
Bank. * — , van een kleed, Border, 
PFelt , Hem. * — , o. scheepsw. , Board, 
Ship-board ; Aan — komen , to Come on 
board ; fig. Met iets aan — komen, to 
Treat an rffair with some body against 
his inclinatiuniGV] moetme daarmede niet 
aan — komen , Don'*t speak to me about 
that business, 

Boorden ^ b. w. to Seam , Border , Hem , 
Lace, Edge, 

Boorder, m. One who seams, etc, 

Boorder, m. Borer. (brim. 

Boordevol, bv. Brimful, Full, to the 

Boordevolletje, o. Brimmer, 

Boordlint, zie Boordsel. 

Boordsel, o. Galloon, Lace, Edging, 

Boordster, vr. , zie Boorder. 

Boorijzer, o. Iron used for boring , Bo- 
ring-iron, 

Boorts , vr. zekere ziekte , Overflowing 
of the gall. 

Boorschaaf , vr. Fore-plane, 

Boorvlijm, vr. a kind of lancet. 

Boos, bv. (oo) slechc, ///, Bad., Evil. 

* — , snood, Depraved, Wicked; Een 
— wijf, A scold; De booze. The devil. 

• — , toornig, Atigry, 
Boosaardig. bv. Malicious, Malignant , 

Jll-naturea, * — , bw. Maliciously , Ma- 
lignantly. 

Boosaardigheid, vr. Hl-nature, Malice. 

Boosaardiglijk, zie Boosaardig ,* bvir. 

Boosdoener, m. Malefactor, Evil-doer, 

Koosdoenster, vr. Evil-doer, 

Booselijk, bijw. fFickedly. 

Booshartig, zie Boosaardig. 

Booshartigheid, zie Boosaardigheid. 

Boosl^artiglijk, zie Boosaardiglijk. 

Boosleid, vr. slechtheid, Badness, *—, 
snoodheid, Wickedness , Depravity.'*'—, 
gramschap , Anger. 

Booslijk, zie bet betere Booselijk. 

Booswicht, m. Villain, Malefactor, Wic- 
ked or Profligate person ^ Miscreant. 

Boo I, vr. (ooj Boat y Skiff, Tawl -, sprw. 



BOOTS 

Eerst in de — , keur van riemen , First 
come , first served. * — , halssieraad , 
Ornament of gold or diamonds worn at 
a necklace. Bob. 

Bootseren , enz., zie Boetseren , enz. 

Bootsgezel , m. Sailor, Mariner. 

Bootshaak, m. Boat-shook, 

Booislieden, Bootslui , m. meerv. , zie 
Bootsman, 

Bootsman , m. Boatswain, 

I'oocsmansmaat, ni. Boatswain''s mate. 

Bootsrouw, o. Boat-cable. 

Bf^otsvolk, Crew, The ships company. 
Sailors. 

Borat, o. a kind of fine wool or woollen 
thread. 

Boratten , bv. Fine worsted. 

Borax , m. Borax. 

Bord, o. Plate; Een houten — , A 
trencher; De borden van een boek , The 
paste-boards of a book ; Te borde komen , 
to Appear. Bord, zie Boorts. 

Bordeel, o, (ee') /Jrothel , Bawdy-house. 

Bordeelbrok, m. Whoremaster, Whore- 
monger. • 

Bordeelhoer , vr. Common strjimpet , whore 
or prostitute. 

Bordeelhouder, m. Pimp, Pander, Cock- 
bawd. 

Bordeelhouding, vr. Pimping. 

Bordeelhoudster, vr. Bawd. 

Bordeelspreuk , vr. Sentence used in a 
brothel or among whores. 

Bordeeltaal, vr. Language of prostitutes ^ 
Ribaldry. 

Bordes, o. Steps, Perron. * — , op eene 
trap , Landing-place, Stair-head. 

Bordig, bv. Stiff. 

Bordigheid, vr. Stiffness. 

Bordpapier, o. Paste board. 

Bordpapieren, bv. Made of paste-board. 
Paste-board. . , 

Bordpapierwerker, m. One that works in 
paste-board. 

Borduren , b. w. to Embroider. 

Bordiuirder, m. Embroiderer. 

Borduurgaren , o. Embroidering-thread. 

Borduurkatoen, o. Cotton thread for em- 
broidering. 

Borduurles, vr. Embroidering lesson. 

Borduurnaald , vr. Einbroidering-needle. 

Bordiiurraam , vr. en o. Frame for em- 
broidering^ Embroidering frame. {pi, 

Borduurschaar, vr. Embrotdtrer'*s sci'sors, 

Borduursel, o. Edging ^ Galloon, Lace, 

Borduurster, vr. ,zie Bordnurder. 

Borduurwerk, o. Embroidery. 




BORD 



Borduurwerkster, vr. Embroiderer. 

Borduurzijde , vr. Silk to embroider with. 

Boren , b. en o. w. met Ilebben en Zijn, 
to Bore , Perforate ; fig. Door den vijand 
been — , to Pierce thro'' the enemy; 
Een schip in den grond — , to Sink a 
ship;Diiza\ heroin den grond — ,T/;rt/'>v;7/ 
be bis ruin; gemeenz. lemand ieisdoor 
den neus — , to Cheat one of a thing. 

Borg, m. Bail , Bondsman or Bondswo- 
man; — blijven, to Stand bail; Wie 
is er mij — voor , dat , enz. ? , If^ho 
will secure me , that , etc. ? * — , cre- 
diet , als : lets te — koopen , to Buy a 
thing upon trust. 

Borg, V. t., zie Bergen. 

Bergen , b. w. to Sell or Buy upon trust. 

Borger , m. One that sells or buys upon 
trust. 

Borging, vr. Selling or Buying upon 
trust. 

Borgsteller, m. One who gives bail, 

Borgsielling , vr. Bailing. 

Borgster, vr.', zie Borger. 

Borgtogt, m. Bail ^ Security; Onder — 
ontslagen worden , to Be released upon 
bail. 

Borgtogtelijk , bv. en bw. Upon bail. 

Born , zie Bron. 

Bornput, m. Fountain. 

Bornwater, o. Mineral water. 

Borrel , m. opborreling. Bubble, * — , 
teng sterken drank, Dram. * — , jene- 
verfleschje , Dram-yial, 

Borrelen , o. w. met Ilebben , to Bubble 
up, *— , een' borrel drinken , to Take 
a dram , to Dram. 

Borrelflesch , vr. , zie Borrel in'delaat- 
sre beteek. 

Borrelgezelschap , o. Dramming company. 

Borrelglas, o. Gin glass. 

Borreling, vr. Bubbling up. 

Borreltijd, m. Time of dramming. 

BorreUiur, o. Hour to tnke a dram. 

Bor$v,\r.B reast^Chest; Aau de — drukken , 
to Embrace; fig. I\let de — op ieisval- 
len , to Apply to a thing with great zealy 
to Go to it tooth and nail ; Tcgen de. 
— , Against one'*s inclination , Against 
the grain ; De — hoog dragen , to Be 
proud,*~~,vrouyvex)hoTst^Breast;Een kind 
de - gevcn , to Let a child suck. * — , 
boczem , alg: Hij itak den brief in zijnc 
— , lie put the letter into his bosom. 
•— , m. manspersdon , als: Ecu brave 
borst, A brave lad; Een lustige borsc , 
A merry fell$w. 



BORST 



147 



Borstader, vr. Thoracic vein, 
Borstbalsein , m. Pectoral balm, 
Borstbeeld , o. Bust. (^um, 

Borstbeen, o. Breast'bone, Sternon^Stern- 
Borstbezienboom , m. Jujube-tret , Jujub- 

tree , Jujube , Jujub, 
Borsibezie, vr. Jujube , Jujub, 
Borstboom , ni. Breast- tree. 
Borstdrankje , o. Pectoral decoction, 
Borstel , m. van een varken , Bristle, 

* — , schuijer. Brush. 
Borstelachtig , bv. Bristly, 
Borsteldraad,o. Wire used by brushmakers. 

Brush-wire, * — , m. Shoemaker^s thread. 
Borstelen , b. w. to Brush; fig. zie Uit- 

borstelen. 

Borsteler, m. B rusher, 
Borsteling, vr. Brushing. 
Borsielster, vr. , zie Borsteler. 
Borstelmakcr, m. Brushmaker. 
Borstelmakcrsgereedschap, o. Brushma- 
ker'* s tools ^ pi. 
Borstelinakersknecht , m. Brushmaker^s 

man. 
Borstelmakerswinkel, m. Brushmaker*/ 

shop. 
Borstelwinkcl , m. Shop where brushes 

are sold. Brush-shop. 
Borstgat , o. Breast-opening. 
Borstgezwel , o. Empyema. 
Borsiharnas, o. Breast-plate ^ Corselet. 
Borstjuweel, o. Diamond ornament worn 

at a necklace , Bob , zie Boot, 
Borstklier, vr. Pectoral gland. 
Borstknoop , m. Thoracic ganglion, 
Borstkoekjes, o. meerv. Pectorals, 
Borstkwaal, vr. Pectoral disease. 
Borstlap , m. borsibekleeding , Stomacher, 

* — , in de Israel gesch. , The Urim 
and Thummim, Pectoral or Ornamentat 
breastplate, worn by the high-priest. 

* — , van een*schermmec'sicr, Piastron. 
Borstmiddel, o. Pectoral. 

Borstpil, vr. Pectoral pill. 

Borstplaat , \r. wapcntuig. Breastplate. 

* — , suikerplaai , kind of sugar-cake. 
Borstpoeder , vr. Pectoral powder. 
Borsiriem, ni. Poitrel. 

Borstrok , ro. Under-waistcoat, 
Borstspeld, vr. Brooch, 
Borstspier, vr. Pectoral muscle. 
Bfirstsiuk, o. van ccn geslagt dier,/>rf4if, 

Brisket. ♦ — , borstharnas, totsem - 

Breastplate. * — , der scLennmeesterk 

Plastron. « 

Bor-tsiiikcr , vr. Pectoral spgar, 

Borstvin, vr. Breast fin. 



148 



BORST 



Bor«tvlici,o. in de oiulecilk. , Pleura. 
Borstvormig, adj. Mamrnifoi m. 
Borstwapen, o. Armour for the breast. 

Corselet. 
Borsuvering, in dc vestingb. Parapet. 

* — , Merlon, * — , ruitnte tusschenden 
vloer en een venscer. Breast-wall, 

Borstziekte , vr. , zic Borstkwaal, 
Borstzweer, vr. Ulcer in the breast. 
Bos , m. bundel, Bunch ^Bottle, hundle. 

Truss ^ Packet^ Fardel, 
Bos, vr. , zie Bin. 
Bosch, o. TFood^ Forest, 
Boschaadje , vr. en o. Grove, 
Boschachtig , 5v. Wendy , Sylvan, 
Boschbes , vr. Wortle-berry. 
Boschbewaarder, m.ff^oodward. Forester, 

Forest-keeper, 
Boschbe woner , m. , Eoschbe woo nster , 

vr. Forester, 
Boschbezie , zie Boschbes, 
Boschdruif , vr. Wild grape. 
' Boschduif, vr. Wood-pigeon^ Weod-culvor. 
Boschgeregt , o. Forest-court , Eyre. 
lioschgod, m. in dcfabelk., Sylvan God, 

Satyr, 
Boschgodin, vr. indefabelk., Wood-nymph. 

* — , Dryad. 

Boichhakker, m. Felhr of trees in a wood. 

Boschhen , vr. Wood-hen. 

Boschleen , o. Forest held in fief, 

Bosch loof. o. Leaves in a wood, 

Bcschmeesier, m. Woodward, 

Boschnimf, zie Boschgodin. 

Boschregt, o. Wood-rig.ht. 

Boschslang , vr. Wood snake. 

Boschveller, zie Boschhakker. 

Boschwachter, m. Forester, 

Bosschazje, zie Boschaadje. 

Bossen, b. w. to Tie up in bundles, 
to Bundle , zieOpbossen. 

Bosser, m. One that lies up in bundles. 

Bossing, vr. Tying up in bundles. 

Boster, vr. , zie Bosser. 

Boc, vr. zekere platvisch , Plaice; fig. 
— vangcn , to B: frustrated in one''s 
design; De — vergallen , to Spoil the 
business, * — , aan boomen, Bud^ Eye, 
Shoot. 

Boc, o. been, Bone.*—, ruinite. Loose- 
ness; Icuand in alles — vieren , to 
Leave one entirely one''s own master, to 
^ive one jull scope. 

Boc, bv. f'omp. Blunt. •— ,dom , /)«//. 

* — , lomp, Rude, Clo^wiish , Uncivil., 
♦— , plotsiiluig. Sudden. ♦ — , bw. 
Bluntly , Dully. * — , Rudely. 



BOTJ 

♦-, (Op een —), Suddenly, Of a sud- 
den. 

Bocboer, m. One tath sells plaice, 

Boter, vr. Butter; sprw. — bijdevisch. 
Money in hand. Money down upon the 
nail; Dae is — aan de galg gesmeerd, 
That is losing one^s labour. 

Boterachtig, bv. Buttery, 

Boterachcigheid , vr. Being buttery. 

Boterbeestje , o. a kind of sweet-meat, 

Boierbloeni, vr. Butter-power. 

Boterboer, m. /.utter-man. 

Boterboerin, vr. Butter-won.an. 

Bocerboor, vr. Butter-borer. 

Bocerbrood, o. Piece of bread and but- 
ter , Buttered bread, 

Boicrbroodje , o. Butter-roll. 

Boterdoos, vr. Butter-box, 

Boteren , o. vr. met Hebben , to Make 
butter. • — , toe boter worden , als : 
Deze melk wil niet — , There is no but- 
ter to be got out of that milk; fig. Het 
wil niet — , It will not succeed. * — , 
b. w. to Butter. 

Botergebak, o. Butter-meat. 

Bot'erham, vr., zie Boterbrood. 

Boterbuis, o. Butter market. 

Boterkern , vr. Churn. 

Boterkoek , m. Butter-cake. 

Boterkoopcr , m. , Boterkoopgter , vr. 
Butter-merchant. 

Boterkrakeling, in. Butter-cracknel. 

Boterkramer, m. Dealer in butter. 

Borermarkt , vr. Butter-market, 

Botermelk , zie Karnemelk. 

Bocerpeer, vr. Butter-pear. , 

Boterpot, m. Butter-pot , Butter-crock ^ 
Butter-firkin. 

Boiersaus , vr. Butter-sauce. 

Boterscho:cl , m. Butter-plate, (^butter. 

Boccrspaan , m. Wooden spoon for slicing 

Borertand , m. One of die two upper fore- 
teeth , Butter-tooth, 

Boierton, vr, , Botervat , o. Butiercask. 

Botervlieg, vr. Butterfly, 

Botervloot, vr, Botervlootje, o. But- 
ter-crock, 

Botervrouw , vr. Butter-woman. 

Boterwaag , o. Weighing-house , where 
butter is weighed. 

Boterwijf, o. , zie Botervrouw. 

Bothejd, o. Bluntness. *~, Dullness. 

Botje , o. weleer. in Vries'. vicrdiiiccn, 
The worth of four doits ; fig. Boije bij 
boije betalen, to Pay all ecjual shares , 
an equal club; Een botjre-bij-bocjes- 
maalcijd , A pic-nic. 




BOTO 



Bonnuil, Botoor, ro. en vr. DnU per- 
son. 

Bois, vx. Knock y Stroke. 

Borsen , b. en o. w, met Hebben , to Knock^ 
Dash or Strike against. 

BoTsin^, vr. Dishing, 

Botstouw, o. Rope fastened to another, 

Botrel , Tr. flesch , Bottle. • — , zie Ro- 
zebottel. 

Boirelarij , vr. Pantry, 

Bottelbier, o. Beer drawn upon bottles, 
Boitled beer. 

Boiteleji , b. w. to Draw upon bottles^ 
Bottle. * — , o. w. met Hebben , schui- 
men, to Blatitle. 

Bortelhuis, o. Tavern where beer is sold 
chiafly in bottles. 

Botteller , m. Butler. 

Botteliersmaac , m. Butler'*s mate. 

Botrelrof»s , zie Hondsroos. 

Botcen , o. w, met Zijn , to Bud , to 
Sprout out. 

Botterik , m. , zie Botrauil. 

Botuit, Botweg, bw. Bluntly, Plainly, 
TFithout reserve. 

Bond, bv. Bold, Pert. *-, hw. Boldly, 
Pertly. 

Bout , ra. Bolt , Iron peg orpin ; fig. Den 
— op den kop krijgen, to Lose one^s 
cause., to Be cast, * — , vo«r- of achier- 
kw.irtier, van een schaap, Shoulder or 
Leg of mutton , zie Schapenbout. * — , 
(boiuje) van een hoen,Zr^^ or Wirgof 
a f',wl { fifj. Op de beaten komen , to 
jifjpear, to Stir, to Shov/ one\f self; 
vVedcr op de bouten komen, to Recover 
from an illness; lemand in de bouten 
vatten, to Hug one. * — , in sommige 
streken , eawA, Duck, • — , als woord 
van lief kozing , zie Boutje. 

Bontje, o. verkleinxv, , zie Bout. * — , 
liefje. My dear. My angel y My life. 
My honey. 

Boutkogel, m. Crossbar-shot. 

Boutians, vr. Bolt-t^ngSy pi. 

Bouv.',m. bet bouwen van den }»rond , 
Tilling, Tillage. * — , het bouwen van 
huizen, enz.. Building; z\e de zamcn- 
jjestelde woorden , Tcmpelbuuw , Land- 
boiiw, enz. * — , voHn, inrigting, 
Structure. 

Bowv.'cn, b. w. de aarde , to Till, Cul- 
tivnte ; fig. Zee — , to Navigate. *—, 
•ticliicn, to Build, Raise. Erect; fig. 
Op een' zandgrond — , to Feed a chime- 
ric.'l hope; Op iemand — , to Rely upon 
one ; Zijii geluk op eens anders under- 



BOUW 



149 



gang^ — , t0 Raise one'' s fortune upon aro- 
ther'*s ruin. 

Bouwen, m. Petticoat. 

Bouwer, m. Tiller. * — , Builder. 

Bouwerij , vr. , zie Boerderij. * — , land- 
bouw. Agriculture , Husbandry, 

Bouwgereedschap , o. Implements of hus- 
bandry , pi. 

Bouwgevaarce , o. Buildings, pi. 

Bouwbeer, m. Founder of a^ building. 

Bouwhout, o. Timber, 

Bouwhuis, o. Burn. 

Bouwing , vr. Tilling. * — , Building. 

B'^uwknecht, m. Ploughman , Plougher. 

Bouwkosten , m. meerv. C^st of building. 

Bouwkunde, vr. Architecture, 

Bouwkuudig, hv. Skilled in architecture; 
Een bouwkundige, zie Bouwkunsienaar. 

Bouwkunst, zie Bouwkunde. 

Bouwkunstenaar, m. Architect. 

Bouwland , o. Arable ground, 

Bouwlieden , m. meerv, , zie Bouwmanj 

Bouwlust, m. Desire of building. 

Bouwman , m. Husbandman , Farmer. •— , 
zie Bouwknecht. 

Bouwraeester, m. Architect. ♦ — , Sur- 
veyor of buildings. ♦ — , Surveyer , In- 
tendant. * — , in sommigescreken , bouw- 
knecht , Plougher. 

Bouwraeescerschap, o. Surveyorship. 

Bouwmeestertje, o. een vogeltje. Wagtail. 

Bouwmeid , vr. Farmer's maidservant. 

Bouwsel , o. Bnildirg. 

Bouwstcen , m. Stone to build with. 

Bo'Jwstof, vr. Material. 

Bouwtijd , m. Proper time for agriculture, 

Bouwval, m. Ruin, Ruins , pi. 

Bouwvallig, bv. Decoyed, Out of repair. 
Ruinous, 

Bouwvalligheid, vr. Decayed state. 

B^uwveld, zie Bouwland.' (^building. 

l*onwzucht, vr. Immoderate desire of 

r.oven , bw. en voorz. Ahove , On high ; 
Dit lag — . This lay uppermost; fig. Te 
— gaan, to Surpass, Outdo; Tc — ko- 
men, to Surmount ;-^ iemand zijn, to 
Be superior tn one; Dit gaat mijn begrip 
te — , This is above or beyond my com- 
prehension; — miJM vermogen. Beyond 
my power ; — do waarde , Too dear ; — 
op, A'fove , Upon; fig. Hij is er — op. 
He is well off. He is in good circttmstan- 
ces ; Er — opkomen , ;o T/ir/v* orP'^s- 
per in one^s business; — den wind l;g- 
gen, (zeemansw., )io Have the weather- 
gage ; Het onderste — zicOndcr^ — 
maic , Excessively ; Van — , From above. 



ir>o 



BOVE 



From heaven; ook : From the top. *— , 
on eene h loj^ere vercliepiniJ, Ujstain , 
^bove stairs ; fig. De heeren ziiii nog — , 
(de raad is nog vergaderd), The court is 
still sitting ; Hij moet — komen , He was 
ordered to appear before the magistrates. 
* — , meer dan , Above ; — en behalve. Be- 
sides, Zie de zamengestelde woorden. 
Bovenaan, hw, At the top^ At the up- 
per-end, 
Bovenaardsch, bv. Celestial^ Heavenly, 

Sttperterrestrial. 
Bovenal, bijw. Above all. 
Bovenbed, zie Dekbed. 
l^ovenbram , m. Top-gallant royal sail. 
Bovenbroek, vr. Pair of upper-breeches ^ 

Trousers , pi. 
Bovenbuur, m. Person living in the same 
house on a higher story. 
Bovendeur, vr. Upper-door. 
Bovendorpel , Bovendrempel , m. Lintel. 
Bovendrijvend, bv. Superfluitant ; fig. 

I'^ictorious, 
Bovendrijving , vr. Superfluitance, 
Boveneinde , o. Upper-end , Top. 
Bovengemeld, Bovengenoemd, dv. Above- 
mentioned. 
Bovengevel, m. Cap or Top of a house. 

Gable, 
Bovengezegd^bv. Above-said, AbovC'cited. 
Bovengoed, o, Upper-dress. 
Bovenhemd , o. Upper shirt, * — , zie Over- 
hemd. 

Bovenhemelsch , bv. Supercelestial, 
Bovenhuis, o, , zie Bovenwoning. 
Bovenkamer , vr. Upper-room. ^ 

Bovenkas, vr. bij letterz. , Upper-case, 
Bovenkanc, m. , zie Bovenzljde. 
Bovenkies, vr. Upper-grinder. 
Bovenkleed , o. Upper-garment. *— , mrv. 

Bovenkleederen , zie Bovengoed. 
Bovenkous , vr. Uhper-sjocking, 
Bovenlaken , o. Upper-sheet, 
]jovenIand , o. Highland. 
Bovenlander, m. Highlander, 
Bovenlandsch , bv. Highland. 
Bovenleder , Bovenleer, o. Upper-leather. 
Bnvenlijf, o. Upper-part of the body. 
I'tvenlinnen, o. Upper-linen. 
Bovenlip , vr. Upper-lip, 
I'ovenluchc, vr. High air. Shy, 
Bovcnmaansch, bv. Superlunar, 
Bovenmate, adv. Extremely. 
Bovenmaiig, bv. Extreme, Excessive. 
Bovenmeester, m. Chief master, 
Bovenmenschelijk, bv. Superhuman, 
i-ovennatuurkunde, vr. Metaphysics, pi. 



BOVE 

Bovennanmrkiindig, bv. tot de bovenna- 
tuarkunde behoorende, Metaphysical. 

* - , daar in ervaren , Versed in meta- 
physics. * — , bw. Metaphysically. 

Bovennatuurkundige, m. en vr. Metaphy- 
sician. 

Bovennatuurlijk, bv. Supernatural, 

Bovenop , bw. On the top; fig. Er weder 
— komen , to Repair one'^s loss. 

Bovenraam, vr. en o. Upper-casement, 

Bovenrand, m. Uppermost border, 

Bovenrang , m. Precedency. 

Bovenrok, m. van een' man, Upper-coat, 

* — , van eene vrouw, Upper-petticoat, 
Bovenstad, vr. Upperpart of a town. 
Bovenste, bv. Uppermost.* — , o. Upper- 
most, Uppermost part , Top, Summit, 

Bovenstem, vr. Treble ,AJto, Upper-tenor, 

Counter-tenor. 
Bovenstreping, vr. Accenting. 
Boventand, ra. Upper-tooth, 
Bovciitoon, m. Highest tone; fig. Den — 

zingen , to Talk arrogantly, 
Bovenwoning, vr. Dwelling or Lodging 

above stairs. 

Bovenzaal, vr. Salloon above stairs, 
Bovenzang, m. , zie Bovenstem. 
Bovenzljde , vr. Uppermost side. 
Bovenzinnelijk , bv. Metaphysical, 
Bovenzwemmend, bv. Supernatant. 
Bovenzweramin? , vr. Supernatation. 
Braadaaljm. Spitch-cock, Spitch-cock-eel. 
Braadappel, m. Apple fit to be baked. 
Braadharing , m. Herring for broiling. 
Braadijzer, o. Gridiron. 
Braadoven , m. Frying-oven, 
Braadpan , vr. Frying-pan. 
Braadschotel , m. Frying-dish. 
Braadspil , o. scheepsw. , zie Braadspit. 
Braadspit, o. Spit ; fig. geraeenz.. Rapier. 

* — , op schepen , Capstan, ff^indlass , 
Drawbeam, 

Braadspitdraaijer, m. Turnspit-boy, 

Braadstcr, vr. , zie Brader. 

Braadstuk, o. Meat to be roasted. * — , 
Roast-beef, 

Braadvec, o. Dripping. 

Braad worst, vr. Sausage. 

Braaf , bv. dapper , Brave , Gallant , 
Courageous. * — , eerlijk, Honest, Up- 
right. * — , bw. Bravely, * — , Honestly; 
fig. gemeenz. , Very, Very well. 

Braaf heid, vr. Bravery ,' Valour, *— , 
Honesty. 

Braak , vr. brekj^ig , Breaking. * — , hni«- 
braak. Burglary. * — , doorbraak , in 
een* dijk. Opening in a dike. 



I 



BRA4 



BRAL 



151 



Braak , vr. zeker werkc. , Brake, 
Eraak , bv. onbebouwd. Fallow. 
Braakdrank, ra. , zie Braakmiddel. ^ 
Braakjaar. o. Tear ^ in which a piece of 

ground lies fallow. 
Braakijzer, o. Braking-iron. 
Braakland , o. Fallow ground. 
Braakliist, ra. Desire to vomit. 
Braakmiddel , o. Vomitive , Emetic, 
Braakiioot , vr. , zie Kraanoog. 
Braakpoeder , o. Emetic powder, 
Braaksel, o. Stuff that is vomited , zie 

Uicbraaksel. 
Braakster, vr,, zie Braker. 
Braakwater, o. Emetic water, 
Braakwjjn, m. Emetic wine, 
Braakwijnsceen , la. Tartarus emeticus , 

Emetic tartar. 
Braakwortel, m. Ipecacuanha. 
Braam, vy. Black-berry ^ Rasp-berry.* — , 

The visible stroke of the whetting stone 

on a knife , etc. , newly sharpened. 
Braambezie , vr. , zie Braam in de i. be- 

teekenis. 
Braambosch , o. braamstriiik , Bramble. 

* — , plaatsmet braamstruiken begroeid, 
Brake. 

Braarastruik , vr. Bramble , Black-berry- 
bush. 

Braaiiwen, zie Breeuwen. 

Brabbelaar, m. , Brabbelaarscer, vr. One 
that speaks ill , Stutterer .^ Stammerer. 

Brabbelen , b. w. to Confund y Mingle 
or Mix, * — , o. w. to Stutter , Stam- 
mer, 

Brabbeling , vr. Mishmash ^ Medley , Con- 
fused mixture of things, ♦ — , Stuttering, 
Stammering. 

BrabbeUaal , vr. Gibberish ; fig. wartaal, 
Nonsensical discourse. 

Bracht , V. t. , zie Brenjjen. 

Braden , ongel. b. w. to Roast (^on a spit). 
Fry (in a pan). Bake (in an oven). 
Broil (on a gridiron). * — , scheepsw , 
gaar niaken , to Bream. (Cook. 

Brader, m. Roaster, zie Braden. * — , 

Braderij , vr. Cook'*s shop, 

Brafjt, V. t. , zie Brcngen. 

lii-ak , bv. Brackish. 

Brak , m. Setting-dog , Setter , Beagle, 

Brak, v. t. , zie Breken. 

B aken, b. w. met eene braak , to Brake, 

* — J b. ea o. w. met Ilebben, to 
Vomit, 

Braker, m. One who brakes flax , etc. *—, 
Vomiter, 
\ Braking, vr. Vomiting, 



Brallen , o. w. met Hebben , to Brag, 
Boast (of, op of met). 

Bram , m. Top-gallant-sail. 

Bramra , vr. Top-gallant-yard. 

Bramsceng, vr. Top-gallant-mast, 

Bramzeil, o. , zie Bram. 

Bramzeilskoelte, vr. Fresh gale of wind. 

Brand, m. Burning, Fire. * — , in het 
koren , Mildew , Blast ; In — steken, to 
Set on fire ; fig. Uic den — redden, to 
Save from the utmost danger. * — , al- 
geraeen verwoestend vuur , Conflagration. 

* — , brandscof, luiel, Fewel. * — , he- 
vige drifc, Flame. * — , onisteking j/w- 
^^^ww^^/c'ff, Heat. 

Bramlbaar, bv. Combmtible , Inflammable. 

Brandbairheid, vr. Combustibleness , Com- 
bustibility, 

Brandbrasein, m, a kind of Bream. 

Brandbrief, m. fig. Letter designed to- 
threaten a person into a compliance with 
what is exacted. * — , Testimony given 
to one whose house was burnt down, 

Brandemmer, m. Leather bucket , used for 
quenching a fire, 

Branden , b. en o. w. met Hebben, to Bum. 
* — , van de zon , to Burn, Scorch, 
Parch. *—, van nctels, to Sting; Ro- 
len — , to Make charcoals; Koffij — , to 
Roast cojfee. * — , met heet water, to 
Scald; fig. van llefde , enz. — , to Burn 
with love, etc; fig. Zijne vingers — , 
Zich ergcns aan — , to Entangle one*s 
self in some difficulty; De peper brandt 
op de tong. Pepper bites on the tongue; 
Eene brandende koorts , yf hot or burn- 
ing fever. * — , bij heelm. , to Cauterize. 

* — , o. w. met Ilebben , scheepsw. : De 
zee brandt. The sea breaks or foams, 

Hrander , m. zeker schip , Fire-ship, ♦ — , 
Distiller of gin , etc. 

Ilranderij , vr. Distilling-house, 

Urandewijnbrandcr, ra. Distiller of brandy. 

Brandewijndraf, ra. Dregs of brandy, pi. 

lirandewijndrinker, m. Drinker of brandy' 

l?randewijn(lesch, vr. Brandy bottle, 

HraMdewijiiglas, vr. Brandy-glass. 

iJrandewijnspacht, vr. Monopoly of brandy. 

Brandewijnspachter, m. Brandy-monopo- 
list. 

Brandewijnstoker, m. , zie Braudewijn- 
brander. 

Brandewijnstokerlj , vr. Distillery for 
brandy. » 

i^randewijnsvat, o. Broffdy-cask. 

Hrandewijnzuiper, zie Brandewijndrinker. 

Brandglas , o. Burning-glass. 



152 



BHAN 



Brandhaak, m. Pole with an iron hook^ 

itsed iji quoicliing a fire ^ Fire-hook. 
lirancihout, o. Fire-wood. * — , brandend 

houc. Brand .^ Fire brand. 
Lrandig, bv. Hot ^ Burning; — wster, 

Enfinmed urine or water; Brandigc smaak, 

Tiiite of being burnt. 
'Brandigheid , vr. State of being hot , etc., 

zie Brandig. 
Branding, vr. hetbrandcn , Burning.*—^ 

* — , scheepsw. , Breakers , pi. 
Brandkas, vr. Fire-office ^ziQ Brandwaar- 

borgraaacschappij. 
Brandkeiir, vr. Stamp or Mark burned 

upon. 
Brandklok, vr. Fire-bell ; zie ook Alarm- 

klok. 
Brandkoreii , o. Corn blasted by mildew^ 

Blighted corn. 

Brandkraal, vr. Bead of amber ^ Amber- 
bead. 
Brandkruid, o. Mullein. 
Brandladder, vr. Fire-ladder. 
Brandlatiiw, vr. een kriiid, Colt's-foot. 
Brandle(}r, zie Brandladder. 
Brandlijn, vr. ia de wiskunde. Caustic 

curve. 
Brandluchc, vr. Burnt swell, 
Brandmees, vr. Coal-mouse. 
Brandraeester, ni. Director of the people 

employed for quenching a fire. 
Brandiiierk , o. Mark impressed with a 

red-hot iron ^ Brand ; fig. Stain ^ Ble- 
nt ish. 
Brandnierken,b. w. (Ik brandmcrk, enz.), 
\ to Burn with a red-hot iron; fig. toStig- 

vtatize or Brand with infwny. 
Brandmiddel, o. bij hsclk.^ Caustic. *— , 

iniddel voor brandwonden , Retnedy for 

burns , etc, 
Brandmuur , m. Mean wall. 
Brandnetel, vr. Nettle. 
Brandoffer, o. Burnt-offering, Holocaust. 
Brandofferaltaar, o. Attar for burnt- 

offerings. 
Brandoog, o. Anthracosis. 
Brandoven , m. Burning oven. 
Brandpenning, tn., zie Brandschatting. 
Erandpijp , vr. Fusee. 
Brandpleiscer, vr. Plaster for burnt or 

scalded limbs. 
Brandpunt, o. Focus. 
Brandreiik , m. Scent or Odour of something 

burning. 
Brandschade , vr. Damage caused by fire. 
Brandschaicen, b. w.(Ik hrandschat enz,,) 

to Put under contribution. ., 



BRAN 

Brandschatting, vr. Contribution imposed 
by a conquering enemy 

Br'andschiider, m. Enameller, 

Brandschildereu, b. w. to Enamel. 

Brandschildcring, vr. Enamelling. 

Brand«childerkunst, vr. Enamelling. 

Brandschilderwerk, o. Enamel. 

Brandscli'p, o. Fire shift. 

Brandschoon, bv. Perfectly clean. 

Brandslang, vr. Fire-drake, 

Brandspiegel, m. , zie Brandglas. 

Brandspuic , vr. lire-engine. 

Brandstapcl, m. Funeral pile , Pyre. 

Brandsteen , m. in de heelk. , Infernal 
stone .^ Lapis infernalis, 

Brandstichter, m. Incendiary. 

Brandsticliting, vr. Setting on fire. 

Brandst-icluscer, vr. ,zie Brandstichter. 

Brandstof, vr. Fuel., Fewel. 

Brandstok , m, hire-stock , Fire-brand. 

Brandteeken , o. in de luchc , Fiery meteor. 
* — , teeken van brand , /'Vrc-/o/t5«. •—, 
Blark of a burn or scald. 

Brandverw , vr. Enamel. 

Brandvogel, m. Moor hen ;^g. ongeluks- 
vogal , Trouble peace. 

Brandwaaiborging , vr. Insurance of build- 
ings for fire. 

Brand waarborgmaatschappij,vr./«J«rrtwc«- 
office , Fire-office. 

Brandwacht , vr. Fire-watch ^Watch placed 
near a burnt house. * — , inhet krijgsv*., 
Advanced guard. 

Brandwonde , vr. Burn , Scald. 

Brandzalf, vr. Salve for burnt or scalded 
limbs. 

Brandzool , vr. Interior sole , JF'elt. 

Bras , m. scheepsw. , Brace ; fig. Ik 
geef er den — van , IdonU care a pin for 
it; Al den — krijgen, to Get all. 

Brasblok , o. Brace-block. 

Brasdagen , ni. meerv, slemptijd , Car- 
naval ^ Shrovetide. 

Brasem , m. Bream. 

Brasmaal , o. , zie Brasserij in de 2. he- 
teekenis. (teekcnis. 

Braspartij , vr. , zie Brasserij in de 2. be- 

Braspenning , ni. formerly the worth of 
ten doits. 

Brassen , o. w. met Hebben , to least y 
Debauch. 

Brassen , b. w. scheepsw. , to Brace. 

Brasser, m. Feaster , Banqueter. • — , 
gulzigaard, Glutton, 

Brasserij , vr. brassen , Feasting , Ban- 
queting. * — , braspartij , Sumptuous 
mealf Feast. 



BRAS 

Brassing , vr. Banqueting 

Brat, zie Borat. 

Bracten, zie Boratten. 

Brazeiet, vr. Bracelet. 

Brazilirnhouc, o. zeker rood verfhout, 
Brazil-wood, * 

Bred , zie Bord. 

Breed, bv. en bw, Qee') cegenst. van smal, 
Broad, Wide; fig. Het iszoo— als liet )ang 
is , It is as broad as long. * — , uitvoe- 
rig , als : Eene breede lijst , A large list; 
— van ietsopgeven, to Boast greatly of 
a thing; — zitten, to Take much room 
in sitting; Het is of suae niet — met 
hem , He is in a sad plight ^ He is hut 
toorly off"; sprvv. Die het — (langjheef:, 
laat het — (lang) hangen. He that has 
a sufficient income may make a great 
expense. 

Breedachcig , bv. Somewhat broad^ Rather 
broad. 

Breedbaard, m. Boaster^ Braggart, 

Breedboeg , m. Ship 'With a broad bow , 
Broad-bowed vesseL 

Breedborscig , bv. Broad-chested 

Breed heid , vr. Broadness , Width, 

Breedspraak , vr. Prolixity, 

Breedsprakig, bv. Prolix. ♦ — , h\v. Pro- 
lixly. 

Breedsprakigheid , vr. ProJixness ^ Pro- 
lixity. 

Breedspreker, m. , zie Breedbaard. 

Breedte, vr. Breadth^ Width , Widen ess; 
fig. Het meet uit de lengre of uit de — 
komen , We must find it one way or ano- 
ther, * — , in de ^d.\\\r\iVsk. , Latitude. 
Breed tegraad , ra. Degree of latitude, 
Breedtekring, m. Parallel. 
Brecdvoerig, bv. Ample. • — , bw. 
Amply. 

Breedvoerigheid , Ampleness. 
Rreedvoetig, bv. Broad-f oted. 
Sreefok, vr. a kind of Fore-sail. 
3reckbaar, bv. Fragile., Brittle. 
3reekbaarheid , vr. Brittleuess. 
3reekbeitel, m. Crow, Betty, 
Breckdissel, m. Great addice. 
Jreekliamer, zie Moker. 
^reekijzer, o. , zie Breckbcirel. 
keckspel , m. en vr. Trouble-feast. 
Jreekster , vr. , zie Brcker. 
Jrcektuig , o. Breaking-tools , />/. 
Jreeuwen , b. w. scheepsw. , to Calk ; fig. 
Ik zal het we\ — , /'// luring it about, 
ril manage it. 
Sreeuwer, m. Calker. 
Jreeuwershamer, zie Breeuwharaer. 



JJBEE 



153 



Breeuwhamer , m. Calkivg-hammer , C^lk' 
ing-crow, 

Breeuwersjongen , Breenwersknecht , 
Breeuwersmaat , m. Calker^s boy or mate. 

Breeuwing, vr. Calking. 

Breeuwstoel, m. Calker''s stonl. 

Breidel, ra. Bridle, Curb, Bit; fig. Dit 
was een — voor zijne ongebondenheid , 
This was a check on his dissoluteness. 

Breidelen , b. w. to Bridle; fig. to Check, 
Curb, Restrain. 

Breideling, vr. Bridling; fig. Checking, 
Curbing. 

Breidelloos , bv. en bv.'. fig. Without 
restraint, zie Teugelloos. 

Breidelloosheid , vr, , zie Teugelloosheid. 

Breiden , zie Breijen. 

Breigaren, o. Knitting-thread, 

Breigeld, o. Money paid for knitting, 

Breigoed , o. Knitted stuff. 

Breihout, Breihoiitje, o. Knitting-sheath. 

Breijen, b. w. to Knit. 

Breijer, m. Knitter. 

Breijing, vr. Knitti>ig, 

Breikatoen , o. Knitting-cotton, 

Breikind, o. Child tliat learns knitting. 

Breiklos , m, Knittiug-hf/bhin. 

Breikoker, m. Knittnig-needle-case, 

Breiloon, m. en o. , zie Breigeld. 

Breimacres, vr. Woman that keeps a knit- 
ting-school. 

Breimeisje, o. Knitting-girl, 

Brein , o. Brain. 

Breinaad , m. Knitting-scam. 

Breinaald , vr. Knitting needle. 

Breinloos, bv. Brainless., Stupid, Senseless. 

Breinontsceking, w. Inflammation of tht 
brain. 

Brcinvlies, o, in de ontleedk. , Mcninge 

Breischecde , vr. , zie Breikoker. 

Breischool , vr. Knitting school. 

Breisteek, m. Stitch. 

Breister, vr. , zie Breijer en Breivrouw. 

Breitobbcije, o. Knitting-tub. 

Breivrouw, vr. Knitting-woman. 

Breiwerk, o. Knitting ., Knitting-work. 

Bieiwinkel, m. , zie Hreischool. 

l?reizak, m. Knitting-bag. 

Brekebeen, m. en vr. Bungler. 

Breken, ongel. h. w. to Break; Iler iji 
— , to Break the ice , (ook fig. \; fig. Ic- 
raand d/;n hals — , to Break one^s neck, 
to Kill one; Dar zal hem den hals — , 
That will be the cause of his ruin; Ve- 
le woorden den lials — , to Make use of 
a great many superfluous word<', toTalk 
a great deal to no purpose; Zijn hoofd 



154 



BRER 



met iets -^^ to Break one*s head about 
a thing rlQxn^vid hec hoofd — , to Con- 
quer one'^s obstinacy; Eene gelofce — , 
to Break one^s vows; Den sabl)ac — , 
to Violate the sabbath; Dat breekc mij 
het hart, Tliat breaks my heart. * — , 
van lichtstralen, to Refract. Zie ook 
Afbreken, Inbreken , Doorbreken , Uic- 
breken. * — , o. w.metZijn, to Break; 
fig. bankerot gaan , to Break; Het hare 
brak mij , toen ikdic zag , My heart was 
ready to break at this pitijul sight. * — , 

.gebroken zijn , eene breiik hebben , to 
Have a rupture or hernia. * — , o. w. 
met Ilebben , als: Met iemaiid ( de vriend- 
schap met iemand) — , to Break with 
one, Zie ook: Aanbrekeu, Inbreken, 
Opbreken en Gebroken. 

Breker, m. Breaker. 

Breking, vr. Breaking. 

Brem, vr. ailtig vochc. Pickle^ Brine. 

Brem , vr. zeker heestergewas , Genista^ 
Broom ^ Furze; Spaansche — , Genista 
jtmcea. 

IJremhaag, vr. Hedge of genista, 

Brems , vr. Horse fly^ 

Brengen, onreg. b. w. to Bring, Carry, 
Convey. * — , geleiden, to Conduct ; \V 
zal mij laten (rijden), /'// take a car- 
riage; fig. Het ver — , to Have great 
success , to Go far; A an den man— ,^o Find 
a buyer for something , to Dispose of a 
thing , to Get rid of a thing; Een offer 
— , to Blake a sacrifice ; Te weeg — , 
to Bring about, to Effect; Tot stand—, 
to Accomplish J Achieve, Execute^ to 
Bring about. Effect ; In rekening — , 
to Put to one^s account; Aan den dag, 
het licht — , to Bring to light, to Di- 
vulge ; lemand een glas tvijn — , zie 
T 'fibre n gen,' Tot iets -- , to Bring or 
Induce to a thing, to Get one to do 
a thing; Om het leven — , to Kilh 

Brenger, m. Bringer, Carrier, * — , 
Overbrcnger — , Bearer; Met — dezes, 
By the bearer. 

Brenging, vr. Bringing, Carrying, 

Brengster, vri , zie Brenger. 

Bres, vr. Breach; fig. Voor ieraand in 
de — springen , to Defend or Protect 
one, 

Bretel , vr. Gallowses , Straps , pi. 

Breuk, vr. Break, Breakings Fracture; 
fig. — des vredes,('der vrede ^) Breach 
of the peace, *— , in de cijferk. , Frac- 
tion. * — , in regfen , Fine, *—, in de 
heelk. , Hernia, Rupture, 



BREU 

Breukband, m. Truss. 

Breukbandraaker , m. Truss-maker, 

Breukmeester , Breuksnijder , m. Rupture- 
doctor, 

Breukspaan , m. Splint used in curing 
ruptures. 

Brevet, o. Brief of the crown. Warrant, 
Writ, 

Brevier, o. Breviary , zie Getijboek. * — , 
zekere drukletter. Brevier, 

Brids , vr. Wooden couch for soldiers in a 
guardhouse, 

Bridsen , b, w. to Lash one* s backside with 
a cat-o"" -nine-tails , to Breech, 

Bridser, m. One that lashes^ etc, zie 
Bridsen. 

Bried, v. t. , zie Braden. 

Brief, m. Letter; Rondgaande — , Cir- 
cular letter. Circular; Open brieven , 
Letters patent ; Een — spelden , A paper 
of pins.* — , oorkonde , als: Koopbrief, 
Contract of sale ; Brieven van represaille, 
van marque , Letters of mark {for pri- 
vateering)-, zie ook Zendbrief. 

Briefdrager , m. , zie Brievenbesteller. 
*— , zekere duif, Carrier, Carrier-pigeon. 

Briefje, o. Billet, 

Briefloon, m. en o. Postage, 

Briefport , o. , zie Briefloon. 

Briefschrijfster, vr., Briefschrijver , m. 
Writer of a letter. 

Briefstijl , m. Espistolary style, 

Briefwisseling , vr. Correspondence, 

Brieschen , o. w. met Hebben , van 
paarden, to Neigh, ♦ — , vaft leeuwen, 
to Roar, 

Brieschen, o. , Briesching, \t, Neighing, 
* — , Roaring. 

Brievenbesteller, m. Letter-carrier, 
Post-man, 

Brievenbestelster, vr. Letter-carrier. 

Erievenboek, o. Letter-book, * — , Let- 
ter-copy-book. 

Brievengeld, o., zie Briefloon. 

Brievenmaal, vr. Mail, 

Brievenpers , vr. Letter-press, 

Brievenpost, vr. Mail, zie Post. 

Brieventasch , vr. Letter-case, 

Brievenzak, m. Mail, 

Briezel, vr. , Briezeliie , o. kruimel, 
doch enkel fig. als: Gij zult er geen 
briezeltje van hebben, Tou shall not have 
a morsel of it. 

Briezelen , zie Brijzelen. 

Brigade, vr. in het krijgsw. , Brigade. 

Brigadier, m. in het krijgsw. , Brigadier. 

Brigrantijn, m. zeker schip, Brigantine. 



Brij, m. Pnnidge ^ JMilk-porritJge ;%-^Tvf' 
Om lets been loopen , als de kat om deo 
heeten — , to Go about the bitfh. 

Brijappel, m. Apple fit for porridge. 

Brijappelboom,m.zekerelnd.boora,5rt'/)or/3r. 

Brijbaard, ip. , Brijbek, m.envr.Lisper. 

Brijen, o. w, met Hebben , to Lisp, to 
Speak thick. 

Brijketel, m. Porridge-kettle, 

Brijlepel, m. Porridge-spoon, 

Brijpoc, m. Porridge-pot, 

Brijschotel , m. Porridge-dish. 

Brijzel, zie Briezel. 

Brijzelen , zie Verbrijzelen, 

Brijzelin?, zie Verbrijzeling. 

Bril , m. Spectacles , pL; Een — , A pair of 
spectacles; fig. lemand een* — op den 
neus zetten , leinand brilleii verkoopen , 
to Deceive one; sprw. Elk kijkc door 
zijn' eigen* — , Every one has his own 
manner of seeing ; Twee Jodcn weten 
wat een bril kos: , JJ'^e are at the bottom 
of it ; Zet uw — op , Look sharper. 
* — , van een sekreec, Seat. * — , van 
een' vogel , Merrythought, 

Brileend , vr. a widgeon. 

Brilkruid, o. name of an herb, 

Brilledoos , vr. Spectacle-box, 

Brilleglas , o. Spectacle-glass, 

Brillehius, Brillehnisje , o. Spectacle- 
case. 

Brillekas , zie Brilledoos. 

Brillen , o. w. met Hebben , to Wear 
spectacles ; b. w. fig. gcmeenz. , to Vex. 
*—, to Frustrate one''s aim. 

Brillenkooper , zie Brillenkramer. 

Brillenkramer, m. Spectacle-seller, 
Brillenmaker, m. Spectacle-maker. 

Brillenman , zie Brillenkramer. 

BrillensUjper, zie Brillenmaker, 
Brilneus, m. Nose fit wearing spectacles. 
' • — , name of a bird. 
Brilslang, vr. a snake. 
Brilvledermuis, vr. a bat. 
Broddelaar, m. Bungler , Botcher , Bung- 
ling or Sorry workman. 
Broddelaarster , vr. Bungler. 
Broddelarij , vr. Bungling. 
Broddelen , b. en o. w. met Hebben , to 

Bungle, 
I'roddelwerk , o. Bungled or Spoiled work. 
Broed, o. Brood, zie Broedsel en Ge- 
broedsel, 
Tjiocdci, zie Broeiei. 
Pxoeden , zie Broeijen. 
Brocder , ni. Brother : — van moedcrs 
zijde,, Brother by the mother^s side ^ 



BROE 



155 



Brother uterine; fig. Een lustige — , 

A jovial fellow. * — , zie Ilernhutter. 
Broedergemeente , o. Community of the 

Moravians. 

Broederhaat, m. Hatred of brothers, 
Broederkerk, vr. Moravian church. 
Broederlief:le , vr. Brotherly affection, 
Broederlijk, bv. Brotherly ^ Fraternal. 

* — , bw. Brotherly, Fraternally. 
Broederlijkheid , vr. Brotherly affection 

or kindness. 
Broederloos, bv. Having no brother, 

Brotherless. 
Broederraoord , Broedermoorder , m. 

Boedermoordster, vr. Fratricide. 
Broedcrpligc, m. Duty of a brother. 
Broederschap , \x. Brotherhood , Frater- 
nity. C '^'"• 
VtTOQAevAoc\\ieY,vr.Niece,Brother^s daugh- 
Broederskind.o. Nephew, Niece^ Brother*! 

child. 
Broedersvrouw, vr. Brothers^s wife, 
Broedertje , o. verkleinw. zie Brooder. 

* — , a kind of Small cake. 
Broedertjeskraara , vr. Stall for baking 

Broederijes. 
Broedertjesmeid, vr. Maid-servant in a 

Broedertjeskraam. (dertjes. 

Broedertjcspan , vr. Pan for baking Broe- 
Broedertjesvroiiw, vr. Woman that bakes 

or sells Broedercjes. 
Broedcrtrouw , vr. Fraternal fidelity. 
BroeHertwist, m. Dispute between brothers. 
Broedsch , zie Broeisch. 
Broedsel, o. , zie Broed. 
Brocibak , vr. Hot- bed. 
liroeibcd, o. Hot-bed. 

Broeieend , vr. Brood-duck. 

Broeiei , o. Egg that has been brooded 

and is become rotten. 
Broeihen, vr. Brond goose, 

Broeigans, vr. Brood hen, 

Broeijen, b. w. van vogelen, to Brood; fig. 
hoet maken , als : De lucht is broeijend. It 
is very hot. It is sultry; Zich — , to 

Be a lover of a great fire , to Clothe one''s 

self warm; Linnen — , to Soak linen. 
*— , o. w. met Hehhen,ro Sit on eggs; fig. 
hcetwordcn, to Grow very hot, to Fer- 
ment; fig. Er broeic icts. There is some 
secret enterprise. 

Brocijerij , vr. Breeding of canary-birds. 

* — , Breeding-cage of canary-birds 
*-^IIotl,ed. 

Broeijing, vr. Brooding; fig. Sultriness. 

* — , irarming. * — , Growing h^t. 
Brocikas , vr. Green-house , Hot-house. 



156 



BROE 



Broeikooi, Broeikouw, vr. Breeding- 
cage. 

Broeikuip, vr. bij brouw. , Blashing-tub, 
* — , bij bleek. , Buckiug-tttb. 

Broeinesc , o. Nest on which a hen sits 
brooding* 

Brociovcn , ra. Brooding-oven, 

Broeisch , bv. Broody. 

Broeiscliheid , vr. Being broody. 

Hroeisel , o. Brood. 

Bi'oeicijcl, m. Time in which hens are 
brooding. 

Brock, vr. Pair of breeches ^ Breeches^ 
Small clothes^Pantaloous trnusers^f)!. ;Een 
kind in dc — stekcii, to Breech a cliild^De 
-—&znkvij^(iX]^to Be breeched;EG\ie naauwe 
— , zie Spanbrock,* fi^. De vroiiwheefc 
de — aan , Jlis wife wears the breeches ^ 
Een kind vdor de — geven , to Beat a 
child^s burn, * — , van een sruk jjeschiit , 
Breech. *— , bij veehocd., oiiderlijf 
van hec horenvee , als : Die koe hcefc 
eene goede — , That cow is well fat- 
tened. * — , van gcvangen voj^els, Small 
ring attached to a bird , to put it to a 
chain or rope, * — , scbcepsw. , zie K.raag 
in de 2. beteck. 

Broek , o. Blarsh , Pool. 

Broekachtig, bv. Marshy. 

Broekband , m. Band or Gird of a pair 
of breeches , H^aistband. 

Broek^n , b. w, to Pocket. • — , o. w. 
met liebhen , to Wear breeches. 

Broekengoed, o. , Broekenstnf , vr. Stuff 
for breeches. 

Broekgesp, zie Kniegesp; 

Broeking , vr. Breeching of a gun, 

Broekland, o. Marshy land. 

Broeklint , o. Ribbon in a waistband. 

Broekman , ra. , Broekmannetje , o. Boy 
that wears breeches but since a short 
time. 

Broeksband , m. Waistband, 

Broeksklep , vr. Flap of the breeches. 

Broeksknoop, m. Button of the breeches, 

Broekspijp , vr. Pipe of the breeches. 

Broekvoering , vr. Lining of the breeches. 

Broekzak, m. Breech-pocket, 

Broer, m. , zie Eroeaer. 

Brok , m. Piece , Fragment. 

Brokjc , o. Small piece; fig. Hec is een 
lief — , It is a sorry chap indeed. 

Brokkelen , b. en o. \v, met Hebben , to 
Crumble^ to Break of Fall into frag- 
ments, 

Brokkelig, bv. Fragile, Brittle, That- 
easily breaks. 



BROK 

Brokkeligheid , vr. Biittleness, 

Brokkeling, vr. Crumbling. 

Brokkeltje, o. Small piece, 

Brokken, b. w- to Breai ; sprw. Hij 
heeft niets in de melk te — , He has no 
resource. He is quite bare. He has 
nothing to lose; Hij h'Ceft wac in de 
melk ce — , He is a warm man, 

Brokkig, zie Brokkolia. 

Bromkever, m. Humming beetle, 

Bromkloot, m. , zie Gonstol. 

Brommeu, o. w. race Hebben , to Make 
a h"llow sound, to Hum. * — , to Crum- 
ble Qas a bear"), to Growl Qas a dog), 
to Buzz, (^as a bee); fig. knorren . to 
Grumble, to Be angry, * — , pogchen , 
to Boast, Brag. 

Brommer, m. Grumbler; fig. Grumbler. 
* — . zie Bromvlieg. * — , zeker rijcuig , 
Cab , Hackney-coach. 

Bromniing, vr. Making a hollow sound, 
etc. , zie Brommen. 

Brompoc, zie Grompot. 

Bronivlieg , vr. Blue-bottle 

Bron , vr, Well, Spring, Source; fig. 
oorsprong. Source, Cause * Origin, 

Bronader, vr. f^cin of a well; G.g, Source, 
Cause, Origin. 

Bronarts , m. , zie Badarts. 

Bronfeest , o. Fontenalium, 

Brongast, m. One that drinks the waters^ 

Brongod, m, in de fabelk. , Fountain- 
deity. 

Brongraver, m. Digger of wells, 

Bronhiiis, o. House for the strangers thai 
take the waters. 

Bronmeester, m. Blaster of the wells. 

Bronnimf, vr. Naiad, 

Brons , o. Bronze. 

Bronwater, o. water, dat uit eene bron 
konu , Well-water. • — , Mineral 
water. 

Bronwaterskroik, o. Stone bottle for mi- 
neral water. 

Bronst, vr. Rutting. 

Bronst'g , bv. Rutting. 

Bronst igheid, vr. Rutting. 

Bronsuijd. m. Rutting-time, 

Bronzen , bv. Bronze, 

Bronzen, b. w. to Bronze, 

Brood, o. (00) Bread; Een — , ^ loaf; 
De wecke ziide van een — , The kissing 
crust; fig. Zijn — winnen, toGetone^s 
livelihood; Zijn — hebben, to Enjoy 
a competency ; Zijn eigen — eten, to 

; Be one'^s own master; Hij heeft zoo 

' eventjes zijn — , He can just keep life 



IT. 

aita soul togethe 



S 



BROO 

"^ soul together ,' lemand het — uit 
den mondstelen, ( ui:dcn neiis stooten,^ 
to Endeavour to get some profit at the 
'ejudice of another of the same trade ; 
at krjjj? ik alle dagen op mijn — , 
There passes no day ^ hut they reproach' 
me with it ; Dit is maar oin denbroode, 
(om het lieve — ,)/; is only for the sake 
of having a sustenance ; zie ook Broodje. 

Broodbakken , o. Baking of bread, 

Broodbakker, ra. Baker. 

Broodbakkerij , vr. hdkhMis^ Bakehouse, 
* — , Bakiug of bread. 

Broodben , zie Broodraand. 

Broodbezorger , ni. 'B antler of a court, 

Bvoodboom , ra. Bread-tree. 

Broodbord, o. Bread-dish, 

Brooddeeg, o. Dough for bread, 

Bropddief, m. fig. Depriver of liveli- 
hood, * — , Bungler. 

Erooddronken , bv. Wanton , Petulant, 
* — , bw. fFantonly ^ Petulantly, 

Brooddronkenheid , vr. Wantonness, Pe- 
ulance , Petuiancy. 

Broodeloos , bv. Breadless ; fig. Ungrate- 
ful. 

Broodeter, m. Bread-eater, 

Broodgebrek , o. Want of bread. 

Broodje, o. verkleinw. , zie Brood ,* fig. 
Boece of Kleine broodjegbakken , to Sub- 
mit^ to Ee submissive. 

Brocdkamer , vr. Pantry. * — , op een 
schip , Breadroom. 

Broodkar , vr. , zie Broodwagen. 

Broodkas, vr. Pantry. 

Broodkist , vr. Bread-chest. 

Broodkorf, m. zie Broodmand,' sprw. 
lemand den — hooger baugen , to Keep 
one short, 

Broodkraam, vr. Stall in -which bread is 
sold. 

Broodkorst, vr. Crust of bread. 

Broodkruim, Broodkvuirael , vr, Crutr.b 
of bread ; sprw. Dc broodkruiaiels sic- 
ken hem , zie Stcken, 

Brondmaiid, vr. Bread basket. 

Droodniavkt , vr. Bread-market, 

Broodmes, o. Knife to cut bread -with. 

Broodnijcl, m. Envy of trade. 

Bi'oodoffjr, o. Bread-of bring. 

Broodpaii, vr. Bread-pan. 

Brooupap , vr. Panade, 

Broodrat , Broodroc , vr. One that lives 
upon the charity of a parish. * -^ , 
Student that has a pension at a college ^ 
Purser, 

Bio odschrijver, m. Garret-scribbler, 



15R00 



157 



Broodsmaak , m. Taste of bread, 

Broodsoep , vr. Bread-soup. 

Broodspinde , zie Broodkas. 

Broodsop , o. Panade. 

Broodsuiker, vr. Loaf sugar, 

Broodverkooper , m. Bruodverkoopster , 
vr. Bread-seller. 

Broodwagen, m. Bread-cart, •— , zie 
Proviandwagen. 

Broodwacer, o. Bread-water. 

Broodwegcr , m. Bread-weigher, 

Broodwinkel , m. Bread-ihop, 

]>rood\vinner, m. Supporter of a family. 

r.roodwinning , vr. Livelihood. 

Broodudnsier , vr. , zie Broodwinner, 

Broodzak , xa. Bread-satchel, 

iiroodzetter , m. Taxer of bread. 

Broodzecting, vr. Taxation of bread. 

Broos , vr. Cothurnus ^ Buskin. 

Broos, bv. Brittle^ Fragile, Frail ; fig. 
Frail , Transitory. 

Broosheid, vr. Brittleness ; fig. Frailty, 
Transitoriness. 

Brouwen , b. w. to Brew; fig, berokke- 
nen , so Broach, Frame, * — , o. w. met 
Hebbeu , Hspen , to Lisp{^particularly of 
the letter R). 

Brouwer , m. Brewer, * — , Lisper. » 

Brouwersgild , o. Corporation of brewers. 

Brouwerij, vr. Brewhouse , Brewery. 

Brouwersknecht , m. Journeyman breyv- 
er. 

Brouwerspaard, o, Brewer^s horse. 

Brouwerswagen , m. Brewer^s cart. 

Brouvvhuis , o. , zie Brouwerij. 

Brouwing, vr. Brewing; fig. Broach- 
ing. 

Brouwketel , in. Brewer^s kettle. 

Brouwkuip, vr. Brewing-tub. 

Brouwsel, o. Brewing, Quantity that it 
brewed at a time. 

Brouwster, vr. , zie Brouwer. 

Brug , vr. Bridge; fig. Eene — voor 
ieniand leggert', to Pave the way for 
one. * — , aan eene viool. Bridge. 

Bruggebalk, m. Beam of a bridge 

Bruggegeld, o. Bridge-money, Passagi- 
money , Pontage. 

Brnggehoofd, o. Barbacan. 

Bruggeleunin^, vr., zie Leuning f,van 
ccnc brug. 

Bruggejuk , o. Cross-beams , pi. 

Bruggcuian , m. , Bruggevrouw , vr. Per- 
son appointed for drawing up a bridge 
and receiving the passage-money^ Receiver 
of the pontage or bridge- toll,' 

Bnigpilaar , m. Pier. 



158 



BRUl 



Brui- m. slag, Knock; Ik geef (of heb) 
er clen — van , / don'^t meddle 'with it ; 
Daar hebt gij al den — , There you have 
got it all together. 

Bruid , vr. Bride, 

Bruidegom, m. Bridegroom. 

Bruidegomsgoed, zie Bruigomsgoed. 

Bruidegomskleed , zie Bniigomgkleed. 

Bruidegomsmeisje , zie Bruigomsmeisje, 

Bruid'jgomsring , zie Bruigorasring. 

Bruidegomsstuk, zie Bruigomsstuk. 

Briiidleider, m. Bride-man. 

Bruidleidster, vr. Bride-maia. 

Bruidsbed, o. Nuptial or Bridal bed. 
Bride-bed, Marriage-bed. 

Bruidschat , m. Dowry. 

Bruidsdag, m. Bridal day. 

Bruidsgaaf, Bruidsgifc, vr. Nuptial 
present , Bridal presens. 

Bruidsgoed, o. Goods of a bride, not 
belonging to her dowry , as remaining 
at her disposal , ( called in law') Para- 
phernalia. 

Bruidskleed , o. Wedding-gown, Bridal 
dress , Nuptial garment. 

Bruidsicnechc , vr. Bride'^s man. 

Bruidskoets, vr. Nuptial coach, 

Bruidstrayen , m. meerv. Tears of the 
bride; fig. Hypocra^. 

Bruidstiik , o. IFed ding- favour. 

Bruidsuiker, vr. Bridal sweet meats ^ pi. 

Bruigom, zie Bruidegom. 

Bruigomsgoed, o. Goods in the husband'' s 
disposal. 

Bruigomskleed, o. Bridegroom^s wedding- 
clothes. 

Bruigomsmeisje, o. Bridegroom^s maid. 

Bruigomsring , m. Wedding-ring of the 
bridegroom. 

Bruigomsstuk, o. Present given by 4he 
bridegroom. 

Bruijen, b. w. to Knok , Blow.* — , 
werpen , to Throw; fig. plagen, to 
Tease, Vex; Wat bruit hec u?. What 
is that to you? * — , o. w. met Zijn , 
to Fall t Tumble. * — , gaan, als : Brui 
been. Get away I, Be gone! 

Bruijer , ra. fig. Teaser , Vexer. 

Bruijerij, vr, fig. Embarrassment, Trou' 
ble. 

Bruikbaar, bv. Fit for use., Useful. 

Bruikbaarheid , vr. Usefulness. 

Bruiker, m. enkel in zamenst. , zie Boe- 
reiibruiker, 

Bruiloft, vr. Wedding-feast; Zilveren 
-^ , Feast in remembravce of the weddi^ig 
after a lapse of 25 years ; Goudcn — , 



BRUl 

The same feast after as, years more ; Dia- 
manten — , Feast after a married state 
0/75 years. 

Bruiloftsbed, zie Bruidsbed. 

Bruilofcsdag , m. Wedding-day. 

Bruilofcsdeun , m. Nuptial song. Wed- 
ding song. 

Bruilofisdicht, o. Nuptial poem, Epi- 
tJialamium. 

Bruiloftsdisch , m. Nuptial table. 

Bruiloftsfeest, o. Wedding. 

Bruiloftsgasc, m. One invited to a wed- 
ding , Nuptial guest. 

Bruiloftsgeschenk , o. Nuptial present. 

Bruiloftskleed, o. Wedding-dress , Nup- 
tial garment. 

Bruilofrskoets, vr. bij dichters , zie 
Bruidsbed. 

Bruilofcsmaal , o. Wedding-feast, Wed- 
ding-meal. 

Bruiloftsvolk, o. Persons invited to a 
wedding , Nuptial guests* 

Bruiloftszang , zie Bruiloftsdeun, 

Bruin, bv. Brown; Een — paard, A 
bay horse. 
ruin, m. bruin paard, Bay horse. 

Bruin achtig, bv. Brownish. 

Bruinachtigheid , vr. Being brownish. 

Bruineerder, m. Polisher, Burnisher. 

Bruineerijzer, o. Burnishing-iron. 

Bruineersel , o. Burnishing stuff'. 

Bruineerstaal , zie Bruineerijzer. 

Bi-uineersteen, zie Likstefin. 

Bruineerster, vr. , zie Bruineerder. 

Bruineertand, o. a Dog''s or Wolf's toot, 
used by goldsmiths or bookbinders fo> 
the polishing of their work. Burnisher^ 
Wolfs tooth. 

Bruinen, b. w. to Make brown ; Door 
de zon gebruind worden , to Be sun- 
burnt. * — , o, w. met Zijn, to Grow 
brown. 

Bruineren , b. w. to Burnish , Polish. 

Bruinering, vr. Burnishing, Polishing. 

Bruinet, vr. Brunette. 

Brningeel, bv. en o. Filemot. 

Bruingraauw, bv. Of a brown gray 
colour. 

Bruingroen , bv. Of a brown green 
colour. 

Bruinharig, bv. Having brown hair ^ 
Brown-haired, * — , van een paard , 
Bay. 

Bruinheid , vr. Brownness. 

Bruinig , bv. Brownish. 

Bruiniglieid , vr. Being brownish, (^colour. 

Bruinkkurig , bv. Brown, Of a Drown 



BRUIN 

Bruinoog , m. en vr. Brown-eyed person, 

Bruinoogig , bv. Having brown eyes , 
Brown-eyed. ( red. 

Bruinrood , bv. Brown red ^ Bay^ Dark 

Bniintje, o. verkleinvv. , zie Bruin, m. 

Bruinvisch, m. Porpoise^ Sea-hog. 

Bruiuzwart, bv. Ofa brownbalck colour, 

Bruis, o. Foam. 

Bruiseu , o. w. niet Hebben , to Low. * — , 
achuimen , to Foam ; fig. razen , tieren , 
to Make a noise. '— , metZijn , bij dich- 
ters, varen, to Sail. 

Brnister, vr. , zie Cruijer. 

Briillen, o. w. met Hebbeu, to Roar. 

Brulling, vr. Roaring, 

Brusk , bv. Brusque ^' Fiery , Hasty ^ Chole- 
ric ^ Outrageous. 

Bruskheid'j \y. Being fiery , etc. (^Budget. 

Budget, (Budzjec,) o. s^aatsbegrooting , 

Biiii^el, m. Buffalo^ Bujfle, * — , a kind 
of coarse hary sttif. *^-, a great coat 
made of that stuff; fig. Brute or Rude 
fellow. 

Buffelachtig, bv. Rude ^ Brutish, • — , 
bw. Rudely. 

Btifielachcigheid, vr. Rudeness, 

Biiffeljager, m. Bvffle-hunter, 

BufFeljagt, vr. Buffle-hunt. 

Bi'ffelkoe, vr. Female buffle, 

Buffelos , m. Buffalo-ox,' 

Biiffelshuid, vr. Bv.ffe''s skin. 

Biiffelsleder, Biiffelsle^r, o. Buff, 

Buflfelstier, ml Buffalo bull. 

BuiFelsvel, o. , zie Bufi'elshuid. 

Bui , vr. Shower ; Maarische huijen, April- 
showers ; Eene losse — , A flying cloud; 
fig. luira. Humour^ Freaky Fit; Bij 
buijen ^ By fits , Sometimes, 

Buiachtig , bv. Unsettled , Showery , 
Changeable. 

Buiachcigheid, vr. Unsettledness. 

Buidel, m. Pocket, Purse.* — ^hzVkcn- 
gcreedschap, zie Buil. 

Biiideldrager , m. He that wears the purse. 

Buidelrat , Buidelrot , vr. Didelphis , 
Opossum. 

Biiigen. b. w. to Beud; fig. Zich ondcr 
iemand — , to Tield to one; Men moet 
den boom—, terwijl hij jong is. It is 
best to bend a tree while it is a twig; 
zie ook Buigcn , o. w. met Hcbben. *-, 
in de spraakk., to Decline. *— , o. w. 
met Zijo, to Bend; fig. Het moct —of 
bersten,/'// put all at stake to succeed. 
* — , met Ilebben , to Bow. 

Buigbaar, bv. Declinable. ♦ — , zie Buig- 
zaaxQ. 



BUIG 



159 



Buigbaarheid , vr. , zie Verbnigbaarheid 
en Buigzaaraheid. 

Buiger, m. Bender, 

Buigijzer, o. Plier, 

Bniging, vr. Bending, ♦ — , pligipleging, 
Bow. * — , in de spraakk.. Declension. 

Buigspier, vr. Flexor. 

Buigsier, vr, , zie Buiger. 

Buigstoel , m., zie Vouvvstoel. 

Buigtang , vr. Pliers^ ^^'JV^: 

Buigzaam, bv. Flexible ^PHnnt ; fig. on- 
derwerpelijk , Pliant., Submissive.^ 

Buigzaaraheid, vr. Flexibility; fig. Pliant' 
ness , Submissiveness. 

Buijen, o. w. met den onbep. 3. pers. met 
Ilebben, als : Het buir, // is unsettled 
weather. It is stormy weather. 

Buijig, zie Buiachtig. 

Buijigheid, w.Umettledness of the weather. 

Buik, m. Beily ; Eeu' bnik hebben , to 
Hare a great belly; (van eene vrouw ,) 
to Be with child ; fig. Twee handen op 
6<in' — , Two persons that have both the 
same views and interest ; Met hcL mes 
in den — zitten , to Be in a pinch. * — , 
elke buitenwaarts gebogene vlakte : — 
van een vat, enz.. Belly ofa cask, etc. 
* — , van een zeil, Bunt, * — , van eene 
kerk , A^ave. 

Buikachtig, bv. , zie Buikig in de i. be* 
teekenis. 

Buikbreuk, vr. Gastrocele. 

Buikdicnnar, m. Glutton, 

Buikdoorboring, vr. Paracentesis, 

Buikgordel, m. Belly-band. 

Buikgordings , vr. xneerv. Brails, 

Buikhechting, vr. Gastroraphy, 

Buikig, bv. Thick-bellied, ♦ — jinzamen- 
stell. , Bellied. 

Buikloop, m. Diarrhoea , Loj>uness. 

Buikloopig, bv. Loose, 

Buiknaad, m. in de ontleedk. , Gastro- 
raphy. 

Buikopening , vr. Paracentesis, 

Buikpijn, vr. Belly-ache, Gripes , pi. 

Buikriera, m. Girth to fasten the saddle 
on a horse. 

Buiksnijding, vr. , zie Buikpijn. • — , it* 
de heelk. , Gastrotomy. 

Ijuikspek , o. Bacon taken from the belly. 

Buikspraak , vr. yentriloquy, Gastriloquy. 

Bujkspreekster, vr. , zie Buikspreker. 

Buikspreken , o. , zie Buikspraak. 

Biiikspreker , m. f^entrifnquist , Gastri- 
loquist. 

Dnikstuk , o. scheepsw. , Rib ^ P.oor- 
timher. 



160 



BUIK 



Buikvin, vr. Fin under the belly. 

BuikvHes , o. in de ontleedk. , Peritoneum, 

Buikvloed, zie Buikloop. 

Buikwater, o.,Buikvfacerziichc, vr. Ventral 
hydropsy. 

Buikwee, o., zie Buikpijn. 

Baikworni, m. Worm in ilie belly. 

Buikzi'ck , zie Betirsch. 

Buikzuiverend , bv. in de geneesk. , Pur- 
gative ; — middel , Par^aiiye. 

Buikzuivering, vr. Purging, Purge, 

Bail, vr. gezwel. Swelling y BqH. 

Buil , tn, bakkersgereedschap , Bolter^ 
Bolting'sieve. 

Bail, m. , zie Buidel. 

Buildoek, o. Bolting-cloth. 

Builen, b. w. bij bakk. , to Bolter, 

Builer, m. One that bolters, 

Biiilkisc , vr. Bolting-hutch. 

Builmoleu, m. , zie Buil. * — , Bolting- 
house. 

BiiiUroj^, m. , zie Builklst. 

Builzolder, m. Bolting-room, 

Biiis, vr. Pipe, Channel, Gutter, Con- 
duit, Ti^e. * — , liaringbiiis. Her ting 
buss. * — , bij vuurvi'erk., Fusee. * — \ 
vr. en (meestal) o. korc rokjt , Jacket. 

Buisbaring, vr. Herring caught with a 
buss , Pickle-herring. 

•Buisjcsda^, m. Day on which the herring- 
busses set sail. 

Buiskool, zie Kabuiskool. 

Buisraan , m. Sailor of a herring-buss , 
Herring-fisher. 

Buismansharing, zie Buisharing. 

Bait, ra. Booty, Plunder, Spoil; — ma- 
ken, to Get booty , to Get as booty iEen 
— geraaakc schip , A prize; Deo — ver 
deelen , to Divide the spoil ; lets — ma- 
keu, to Take {in war^; fig. zie Prooi. 

Buitelaar , m. , i^uitelaarster , vr. Tumbler. 

Buttclen, o. w. metZijn, vallen , toTum- 
hie. *—~, met Hebben , over zijnhoofd 
rollen , to Tumble. 

Buiteling, vr. Tumbling. 

Buicen, b. w. to Plunaer , Catch, Take. 

Buiten , zie Ruilen, 

Buicen, bw. en voorz. uic , fFithout, 
Abroad; — de deur, Without doors; — 
tijds, At an unusual time. * — , zonder, 
als: — nijjn6 schade . Without my preju- 
dice. * — , behalve , als : — dien. Besides, 
Besides that. * — , boven , als: — ver- 
wachting, Beyond expectation. *—, over, 
ais : — boordf v^rerpen , to Throw over 
board: fig. Van — leereu, to Learn by 
heart ; Z;ch te — gaan , to Be extrava- 



BUIT 

gant , to Misbehave ; — kennis. In a state 
of stupor or insensibility ; — den waard 
rekenen , to Reckon without one^s host; 
— wescen zijn, to Have lost one''s wits. 
Zie de zaraengesr. woorden. 

Buicen, o. Country-seat , Villa, 

Buitenbeentje , o. By blow. Bastard. 

Buicendciir, vr. Outer-door ^ Street-door. 

Buitendijk, m. Outer dike. 

Buicencfijksch, bv. Situate without the 
bank or dike. 

Buitengaats , bvv. Out of the harbour. 

Buitengang, m. Outer-passage. 

Buicengemeen , bv. Uncommon, Rare, 
Extraordinaty. * — , bw. Uncommonly^ 
Extraordinarily, » {Rareness, 

Buicengemeenheid , vr, Uncommonness , 

Buitengewoon , zie Buicengemeen. 

Biiitengewoouheid, zie Buiiengemeenheid. 

Buiteogoed, o. , zie Buiten, o. 

Huuengors, vr. j zie Gors. 

Buitengoed , vr. Fore-ditch. 

Buitenhot, o. Outer-court, * — , va.Qar- 
dcn without the town. 

Buitengracht vr. Outer. ditch or moat. 

Buitenhuid, vr. in de oncleedk. , zie Op- 
perhuid. * — , scheepsw.. Sheathing. 

Buiteniiuis, o. Country-house. 

Bui'cenkans , vr. , Buic'enkansje , o. Unex- 
pected or Extraordinary profit or gain , 
Windfall. ^^ ^ ^ ' 

Buicenkas, vr. Outer-case, 

Buitenkeuken, vr. Outer-kitchen. (^Keel. 

Buitenkiel , vr. scheepsw. , Outer-keel, 

Buitenland , o. Foreign country^ 

Buitenlander , m. Foreigner, 

Buitenlandsch , bv. nit een vreemd land 
geboortig , Foreign. *— , van voorcbreng- 
selen , Exotic ; Een — gewas, Aii exotic. 

Biiitenlieden , m. meerv. Country-people , 
Country men, 

Biiitenloods , Buitenloots, ra. Sea-pilot. 

Buicenluchc, vr. Country-air. 

Buicenlui, Buitenluiden, zie Biiitenlieden. 

Buitenlust, ro. , zie Ontochr, 

Buiienraan, m. (meerv. Buitenlieden , ) 
Country-man. 

Buitetimate, bw. Extremely. 

Buitenmeid, vr. Country-servant , Ser- 
vant from the country. 

Buitenmeisje, o. Country-girl. 

Buitenmoeder , o. Governess or Admi- 
nistratrix of the general concerns of an 
hospital or orphanhouse. 

Buitenmiuir, m. Outer-wall, 

Bnitenplaats, vr, buicen, Country-seat, 
Villa. * — ,"buirer.ru!mte , Outer-court, j 



BUIT 

Buitenreede, vr. 0/)en road. 
Buitenschans, vr. Advanced sconce. 
Buitenscbip , o. Sea-ship. 
Buitensingel, m. Outer-rampart , zie 

Siugel. 
Buitensluiting, vr. Exclusion. 
Buirensporig, bv. Extravagant ^ Exces- 
sive. * — , bw. Extravagantly. 
Buitensporigheid, vr. Extravagance. 
Buiiensporiglijk, zie Buitensporig, bw. 
Buicensprong, m. fig. als : Een' — doen, 

to Make a false step. 
Buitenstad, vr. Outer-part of a town. 

Suburb, 
Biiicenste, bv. Outermost , Utmost. ♦ — , 

o. Outside. 

Buitenscreeks, bw. Out of the tract. 
Buiteavaarc, vr. Outer canal. 
Euitenvader, ra. Governor or Administra- 
tor of the general concerns of an hospital 

or orphanhouse. 
Buitunverblijf, o. Country-house, 
Bulcenwaard, m. Outer, zie Waard. 
Buitenwaarcs ,bw. Outward, Towardsthe 

outside, 

Buicenwacht, vr. Advanced guard, 
Baiteiiwacer, o. tegeiistelling vau binnen- 

vfaier^ Sea, 
Buicenweg, m. Outer road. 
Buicenwerk , o. in de vestingb. , Out-work. 

* — , Workout of doors. * — ,landwerk, 

Tillage, zie Akkerwerk. * — , werk vau 

buiten , Exterior work. 
Biritenwerks, bw. bij cimraerl. , Without 

the clear, 

Biiitenwoning , vr. , zie Buitenverblijf. 
Baitenzijde , vr. Outside. 
Buitenzool , vr. Exterior sole. 
Buiter, zie Vrijbuiter. 
Buitgeld, o. Prize-money. 
Buicje, o. verki. w. , zie But. 
Buitje, o. verkl. w. , zie Buit. 
Buitzoeker, m. Marauder; fig. Adven- 

turer, 
Bukken, o.w. met Hebben, en (ZIch")w. 

vv. to Stoop. * — , o. w. met Hebben, 

to Yield; fig. to Submit. 
BnkkingjVr. Stooping', fig. Submission. 
Bui , m. Bull; fii;. siiuirsch nieusch , Rude, 

Rough or Unsocial man. 
Bui, vr., zie Jiulle. 
Bulachtig, bv. iig. Rough, Rude. • — , 

bw. Rudely, 

Buldcraar, m. , zie Bulderbas. 
Bulderaarster, vr. fig. Scold. 
Bulderbas , m. Rough or Rude fellow, 
HOLL. ENG. VVBK. 



BULD 



161 



Bulderfen, o, w. mec Hebben, to Rage , 
Bluster ; fig. to Blake a great bustle by 
scolding, etc, 

Bulderig, bv. Boisterous ^ Blustering , 
Stormy. 

Bulhond , m. Bulldog, 3Iastijf. 

Bulken, o. w. met Hebbeu, to Low, 
Bellow; fig. to Cry loud. 

Bulkiug, vr. Lowing, Bellowing; fig. 
Crying, 

Bulie , vr. oorkonde , Bull. 

Bullebak , ra. Bugbear , Hobgoblin , Raw- 
head and bloody bones. 

Bullegeld,o. Imposition on the keeping 
of a bull, 

BuUeman, m. Keeper of a bull. 

Bullepees, vr. BuWs pizzle, 

Bulos, m. Bullock, Gelt bull. 

Bulster, m. Cushion, Pillow, Bolster, 

Bult, m. hogchel , Bunch , Hump , Boss , 
Knob. * — , bull, Boil. * — , menigt-c. 
Quantity. 

Bultachtig, bv. Humpbacked , Crooked. 

Baltenaar, m. Humpback , Humpbacked 
fellow, 

Bultig, zie Bultachtig. 

Bultigheid, \t. Being humpbacked , Crook- 
edness. 

Bultklopper, m. Planisher, 

Bulcos, m. Bison. 

Bukzak , m. scheepsbed , Straw-bed. 

Bun, vr. Trunk or Box in a boattok&ep 

■fish alive during the transport. 

Bundel, /:ie Bondel. 

Bunder, o. a certain extent of ground 
about the half of what is called a mor- 
gen , Hectare. 

Bunsing, vr. Pole-cat, Fitchew. 

Buren, o. w, met Hebben, een' buurb:- 
zoeken , als : Ik kom van avond wat b j 
u — , /'// come this evening to you, * — , 
buren zijn , to Be neighbours. 

Burg, m. Borough , Burgh. * — , Fortress, 
Fort. 

Burgemeester , m. Burgomaster. * — , in 
de Rom. gesch. soms, Consul. 

Burgemcestcrlijk , bv. Like a burgnmas- 
ter..*—, in de Rom. gesch.. Consular, 

Burgeraecsterschap , o. Office of a burgo- 
master. ♦ — , Consulship. 

Burgemeestcrsdochter , vr. Daughter of a 
burgomaster. 

Bur^'emccsterspost , m. Office of a bu/ go- 
master. 

Btiri^emeestersvrouw , vr. Bttrgomastcr'*s 
lady. 

n 



162 



BURG 



Burgemeesterszoon, m. Son of a burgo- 
master. 
Burger, m. Citizen y Burgess^ Freeman 

of a city ^ Burgher ^ Bourgeois. 
Burgerachtiff, bv. Like a citizen^ Citi- 
zenlike ^ Burgeois. 
Burgerdeern , vr, , zle Bnrgermeisje, o. 
Burgerdeugcl, vr. vaderlandsliefde, Civism. 
Burgerdocluer, vr. Citizen^s daughter. 
Burgerdragt, w. Plain dress , such as be- 

comes a tradesman , etc, 
Burgereed, m. Civic oath ^ Oath 

allegiance, 

Burgeres, vr. Citess. 
Burgerfeest, o. Civic feast. 
Burgerbeersching, vr. , zie Burgerrege- 

ring. 

Burgerhuis , o. Citizen'*s house. 
Burgerij , vr Body of citizens. * — , zie 

Schutteriji 
Burgerjongen , ra. Citizen'*s boy. 
Burgerkeiikeu , vr. , zie Biirgerpot. 
Burgerkind , o. Citizen's child. 
Burgerkost , in. Plain food , Ordinary 

fare. 

Burgerkrans, m. , zie Bnrgerkroon. 
Burgerkrijg, m. Civil or lutestinne war, 
Burgerkring, m. Circle of citizens. 
Burgerkroon , vr. Civic crown, 
Burgerleven, o. Citizen's life. 
Burgerlieden, Burgerlui, m. meerv., zie 

Burgerraan. 
Burgerlijk, bv. en bw. Citizenlike, Like 

a citizen. Bourgeois. * — , Civil; De 

burgerlijke wee, Civil law; fig. Plain, 

Plainly. 
Burgerlijkheid , vr. Plainness. 

Burgermagt , vr. Militia. 

Burgerman, m. (meerv. Burgerlieden), 
Plainly living man, Cit. 

Burgermeid, vr. Citizen's maidservant. 

Burgermeifje , o. Citizen's girl. 

Burgermoord, m. Murder of citizens, 

Burgeroorlog, zie Burgerkrijg. 

Burgerpligt, ro. Citizen's duty. 

Burgerpot, m. Ordinary fare. 



Burg, rregering , vr. Democracy , Popular lui , ) Neighbi 



BURG 

Burgervader, m. Father of the country 

or city. , 

Burgervrouw, vr. Citizen's wife. 
Burgerwachc , vr. Guard of the burgesses. 
Burgerwet, vr. Civil law. 
Burgerzin, m. Public spirit. 
Burggraaf, m. Burgrave, 
Burggravin , vr. Burgravine. 
Burghaak , m. Dental. 
Burgt, vr. , zie Burg. 
Burgvoogd , ra. Castellain. 
of Burgwal , m. Rampart or Fosse of a 

fortress (^also : a name given to several 

canals in Amsterdam^, 
Burrie , zie Berrie. 
Bus, vr. Box; fig. In de — blazen , to 

Pay some money, contribution , duty or 

fine. * — , lijkbus, Urn. * — , loop van 

een geweer, Barrel, * — , zekerschiec- 

geweer, weleer : llarquebuss ; thans : 

Rifle; Eene getrokken — ^A rifled bar- 

rel or gun. 
Busbewaarder, m. Keeper of a box. 
Busdrager, m. He that carries the box. 
Busgieier, m. Gun founder, 
Bushuis, o. Arsenal. 
Buskruid, zie Buspoeder. 
Buskruidton, vr. Powder-barrel, 
Busmeesrer, zie Busbewaarder, 
Buspoeder, o. Gunpowder. 
Busschierer,m. weleer : Arquebusier. • — , 

thans, Rifle-man. 
Bussel , zie Bondel. 
Busselen , b. w. to Bind into bundles^ to 

Bundle. 

But, vr. a certain wooden can, 
Butoor, m. Bittern. 
Buul, zie Buil en Bull. 
Buur , m. Neighbour. 
Buurdochter , vr. Girl living in the 

neighbourhood, Neighbouring girl. 
Buurjongen, m. Neighbouring boy. 
Buurkind , o. Neighbouring child. 
Buurlieden, Buuriui , m. meerv. , zie 

Buurraan. 
Buurman, m. (meerv. Buurlieden , Buur- 



goverrment. 

Burgenegc, o. Citizenship. 

Burger? chap, o. Rights or Privileges of 
a cit'zen. * — , vr. Body of citizens, 

Biirgerstaat , m. State of a citizen. * — , 
maatschappij, Soc'.ety, State. 

Burgerstand , m. Class of citizens. Burgess- 
es, Commoners , pi. 

Burgertrant, m. Common way. 

Burgertrouw , vr. Allegiance. 



Buurmeisje, o. , zie Buurdochter. 

Buurpraar je , o. Chat among neighbours. 

Buurschap , vr. Good intelligence among 
neighbours. * — , buurr , Hamlet. 

Buurc , vr. nabuurschap , nabijheid, Neigh- 
bourhood. * — , gehuchc, Hamlet. 

Buunboek , o. Register of the inhabitants 
of a hamlet. 

Buurcbrielje, o. Bill sent from house to 
house, to give notice to the inhabitants 



BUUR 

of a hamlet that they are to appear on a 
fixed day to deliberate on the concerns of 

the hamlet. 
Ruurtheer , m. Gentleman of a hamlet, 
Biiurmeescer, m. Head of a hamlet, 
l^wnvizzzk^w. Matter concerning a hamlet. 



BUUR 



163 



Bunrvrljer, ra. Toung lad living in the 
neighbourhood ^ Toitng neighbour. 

Biuirvrijscer, zie Buurdochccr. 

Buurvrouw, vr. Naighbour ^ Neighbour- 
ing woman. 




■=^►6^ trS-ess— 



G. 



C, vr. de derde letter der letter].,C. Aanra. 
Deze letter komt, behalvein eenige uic- 
heemsche woordeii , enkel voor in ch^ 
vele woorden , die , hoewel door sommi- 
gen met C gespeld, hier niet voorko- 
meu, zoeke men ouder de K of 5. 

Cabaal , vr. Cabal. 

Cabaan, vr. Cabin. 

Cabbalist , m. Cabalist , zie Cabala in het 
andere deel. 

Cabbalistisch , bv. Cabalistical. 

Cacao, vr. Cocoa ^ Chocolate-nut, 

Cacaoboom , m. Cocoa-tree. 

Cabret, Cabretleer, o. Kid-leather. 

Cabretleercn, bv. Kid-leather;— hand- 
schoenen , Kidgloves. 

Cabriolet , vr. Cabriolet , Cab. 

Cabriool , zie Capriool. 

Cachelot, zie Potvisch. 

Cacheren , b. w. to Conceal , Hide. 

Cachet, o.Seal. 

Cachctereu, b. w. to Seal. 

Cachot, o. Prison. 

Cachou, vr. Cashew. 

Cadans , vr. Cadence, 

Cadaster, o. Terrier. 

Cadaver, o. Cadaver. 

Cadeau, o. Present. 

Cadet , m. Cadet. 

Cadettenschool , vr. Military school. 

Caduk , bv. fam. IFeak , Sickly. 

Caftan , m. Caftan. 

Cahier, o. Copy-book. 

"'aisson, vr. Tumbrel, Caisson. 
ajaputolie, vr. Cajeput. 

Cajoleren, b. w. to Cajole. Sooth, Flat- 
ter. 



GALA 

Calange , vr. Seizure. 

Calangeren , b. w. to Enter an action 

against one for smuggling , etc 
Calembour, vr. Quibble, Pun, Quiz. 
Calculeren , b. w. to Calculate^ Compute. 
Calfactor , m. Broker; fig. Sycophant. 
Calico , vr. Calico. 
Calligl'aphie , vr. Calligraphy. 
Calmeren , b. w. to Calm , Still. 
Calmuk , o. Calmuck. 
Calomel, vr. Calomel. 
Calvinisraus , ni. Calvinism. 
Calvinist, ni. Calyinist. 
Camden, m. meerv. Cameos, zie Cameo 

in het andere deel. 
Camera-obscura , vr. Camera-obscura , 

Darkened room. 
Cainpagiie , vr. Campaign. 
Campcchehout , o. Log-wood. 
Canipcment, o. Encampment. • 
Caiup-volanc, o. Flying camp, 
Canap6, m. Couch. 
Cancelleren , b. w. oraheinen, to Hedge in. 

* — , doorschrappen , to Cancel, 
Candidaat, m. Candidate. 
Canneleren, b. w. to Chamfer, Flute. 
Cannibaal, m. Man-eater. 
Cano , vr. Canoe. 
Canon , m. Canon. 
C anoniek , bv. Canonical. 
Canoniseren , b. w. to Canonize. 
Canton, o. Canton. 

Cantonnement, o. Cantonment. (rrn:d, 
Cantonneren,o. w. met Hcbbeiuto Be can' 
Capabcl, bv. ^/;/tf , Skilful, Clever, 
Capnciteit , vr. Capacity. 
Capituhin,', vr. Caj idilation. 



164 



CAPI 



Capituleren, o. w. met Hebbeu, to Ca- 
pitulate. 

Capot, bv. gemeenz,. Broken. * — , ee- 
jneeu , Dead. *— , in hetkaartspel, Ctf- 
■j>ot ,• fig. Balked. 
Caprice , vr. Caprice. 
Capriool, vr. Capriole^ Caper; Caprio- 

leii makeii, to Cut capers. 
Captie, vr. , als : — op iets raaken , to 

Find fault with a thing. 
Carambole, vr. Carambol. 
Carambolereu , o. w. met Hebben , to 

Carambol. 

Csravansera , vr. Caravansary. 

Cardou , m., zic Artisjok. 

Caresseren, b. w. to Caress. 

Caret, o. Caret ( a}* 

Cargadoor, ni. Ship''s freighter. 

Cargazoen , o. Cargo. 

Cargo , vr. , zic Cargazoen. 

Caricatuur, o. Caricature, 

Caricatuurschiider, m. Caricaturist. 

Carillon , o. Chime. 

Carmagnole , vr. en m. Carmagnole. 

Carnaval, o. Carnival. 

Carousel, o. Carousal. 

Carte-blancVie , vr. Full power. 

Cartel , o. Cartel. 

Cartesiaansch , bv. Cartesian. 

Carton , o. Paste-board ; van hicr bij 

boekb. , als : In — bindeu , to Bind in 

hoards. 

Carconneren , b. w. to Bind in boards. 
Caryaciden , vr. raeerv. in de bouwk. , 

Caryates , Caryatides. 
Cascade, vr. Cascade. 
Casco , o. als : Verzekering op — , Loan 

on the keel of a vessel. 
Cassa , vr. Cash. 
Cassaboek, o. Cash-book. 
Cassatie , vr. in rcgren, Cassation , Aunull- 

ing ; Hof van — , Tribunal of annulment. 
Casseren, b. w. bij krijgsl. , to Cass ojf'^ 

to Break , Discard. 
Cassino, o. Cassino. 
Cassonadesuiker, vr. Brown sugar, 
Castagnetten, vr. meerv. Castanets. 
Caste , vr. Caste. 

Castigatie , vr. Chastisement , Castigation. 
Cascij^ci en , b. w. to Chastise^ Castigate, 
Castoreuuj , o. Castoreum. 

Castraat, m. Castrato. 

Castracie, \y. Castration. 

Castreren , b. w. to Castrate. 

Casueel , bv. Accidental ^ Casual. *— , b\v. 

Accidintally. 

Caaiiist, m. 'Casuist. 



CASU 

Casuisterij , vr. Casuistry. 
Catalogus, ra. Catalogue. 
Catarrhaal , bv. Catarrhal. 

Catechisatie, vr. Catechising. 

Cacechiseermeester, m. Catechist. 

Catcchisant , m. Catechumen. 

Catechiseren, v, a. to Catechise, 

Catcchismus , ra. Catechism. 

Cautie, vr. Bail , Security. 

Cautioneren, zie Waarborgen. 

Cavalcade, vr. Cavalcade. 

Cavalerie , vr. Cavalry , Horse. 

Cavalerist, m. Cavalier^ Horseman. 

Cavalier, ra. Cavalier^ Chevalier. 

Cavalierement , bw. Cavalierly. 

Caveren, o. w. met Hebben, zie Borg 
zijn. * — , in de schermk., to Parry. 

Caviteit, vr. Cavity. 

Cedel, vr. List ^ Bill, Schedule, Small 

scroll. 

Cedent, m. Lessor. 

Cc'cler , Cederboom , m. Cedar, Cedar-tree. 

Ccdcren, bv. Cedrine , Cedarn. 

Cederen, b. w. to Tield ^ to Give up. 

Cederhoiic, o. Cedur , Cedar-wood. 

Ccderhouten, bv. Of cedar-wood. 

Ccdcrv/erk , o. JVork made ejf cedar- 
wood. 

Cederwijn, va. Cedar-wine. 

Cederwoud, o. Cedar-wood. 

Cediile, vr. Cedilla, 

Ce»*l, zie Cedel. 

Cel , vr. Cell. 

Celaclitig , zie Gclvormig. 

Cellebroeder, m. Monk. 

Cellebroederklooster, o. Monastery. 

Celletje , o. Cellule. 

Celvormig, bv. Cellular. 

Cement, o. Cement, 

Cementeren, b. w. to Cement. 

Ctmentwater, o. Vitriolic water. 

Cenouphiura, o. Cenotaph. 

Ccnseren, zie Recenseren. 

Censor, m. Censor, 

Censureren, b. w. to Censure, Exeom- 
municate. 

Censuur, vr. Censure. 

Cent, m. a Dutch coin, the hundredth 
part of a guilder , Cent. * — , in de Ver- 
een. Scat., Cent. *— , o. honderd , als: 
Vier per — , Four per cent. 

Centaur, m. , zie Paardmensch. 

Centenaar,m. A hundred weight. 

Centiare, m. Centiare. 

Centifolie, vr. Cevtifolious rose. 

Centime, m. a French copper coin. Cen- 
time. 



IT 



CEXT 



CIIEV 



1G5 



Centigramme , m. Centigramme. 
Centilitre, m. Centilitre. 
Ceiuisiere, m. Centistere. 
Centreren , b. w. to Centre. 
Coiurifugaalkracht , vr. Centrifugal 
force. 

Centripetaalkrachc , vr. Contripetal force. 
Centrum, o. Centre; fig. Hij is niet in 
zijn — , He is out of his element. 
Centumvir, o. Centumvir. 
Ceatumviraac , o. Ccntumvirate. 
Centurie , vr. Hundred, Century, 
Centurion , m. Centurion. 
Cepier, zie Cipier. 
Ceremonie, vr. Ceremony. 
Cei-emonit'cl , o. Ceremonial, 
Ceremoniemeester , m. Master of the 

ceremonies. 
Ceres , vr. Ceres ; — en Bacchus dienen , to 
Love eating and drinking. 
Cerneren, b, w. to Surround, 
Certepartij , vr. Charter-party, 
Certificaat , o. Certificate. 
Ceriificeren , b. w. to Certify. 
Ceruis, o. Ceruse^ White lead, 
Cervelaacworst, vr. Polonese sausage, 
Cesseren, o, w. met Hebben , to Cease, 

to Leave off'. 
Cessie , vr. Cession. 
Cesuur, vr. Cesura, 
Cliagrijn, o. Chagrin, 
Chagrincren, b._w. to Chagrin, 
Chamois, m. Chamois. * — , Shammy, 
Champignon , m. Champignon. 
Champignonsaus , vr. Champignon-sauce. 
Changeant, o. Changeable taffl'ty. 
Changeren , o. w. met Hebben , to Change 

places. 
Charaade , vr. in hct krijgsw. , Chamade; 

De — slaan , to Meat the chamade or 

parley. 

Chambre-obscure , vr. Camera obscura. 
Chanlter, m. (spr. sjanker"). Chancre, 

Shanker. 

Chaos , m. Chaos, 
Charade , vr. Charade. 
Chemie, zie Scheikunde. 
Cherub , m. Cherub. 
Cherubijn, m. Cherub. 
Cherubijnsch , bv. Cherubic. 
Chehek, zie Xebek. 
Chevron, m. in hct krijgsw. , Band 

sewed on the sleeve of a soldi et'*s coat, 

in token of his having served a certain 

number of years. ♦ — , in de wapen- 

schldk., Chevron, zie Kepcr iu de 2, 

beccek. 



Chevronsgeld , o. in de krijgsd. , jB.v- 
traordinary allowance of pay to a sol- 
dier that has served a certain number 
of years. 

Chijl, vr. Chyle. 

Chijlachtig, bv. Chylous. 

Chijiachtigheid, vr. Being chylous. 

Chijlmakead, vr. Chylifaciive, Chyl- 
opoetic. 

Chijlmaking, vr. Chyli faction, 

Chimere, vr. Chimera, tVi Id fancy, 

Chirurgie, vr. Surgery. 

Chirugijn, m. Surgeon. 

Chits, zie Sits. 

Chocolade, vr. Chocolate. 

Chocoladelabrick, vr. , zie Chocoladc- 
makerij. 

Chocoladefabrikant , m. , zie ChocolaJe- 
maker. 

Chocoladekan , vr. Chocolate-pot. 

Chocoladeketel, m. Chocolate-kettle. 

Chocoladekoekje , o. Square of chocolate, 

Chocoladekop , m, , Chocoladekopje , 
o. Chocolate cup. 

Chocolademakerij , vr. House where 
chocolate is made, * — , Making of 
chocolate. 

Chocoladewinkel, ra. Chocolate-shop, 

Choleriek, bv. Choleric. 

Chresromachie , vr. Collection of select 
pieces of different authors, 

Chrie, vr. Theme. 

Christelijk, bv. Christian, * — , b\v. 
Christianly, 

Christen , m. Christian. 

Cristendom , o. de Christenen , Christen- 
dom. * — , leer der christenen, Christi- 
anity , Christianism. 

Christenheid , vr. Christendom. 

Christenrijk, o. Christendom. 

Chrisiin , vr. Christian, 

Christus, m. Christ. 

Christusijceld, o. Image of Christ, 

Chronisch , bv. Chronical. 

Chronologie, vr. Chronology. 

Chronologisch , bv. Chronological, *— i 
Chronologically. 

Chronometer, ra. Chronometer, 

Chrysoliet, m, en o. Chrysolite, 

Chrysopraas , m. Chrysoprasus. 

Chymie, zie Chemici 

Chymns, m. Chyme. 

Ciborie , vr. Pyx. 

Cichorci , vr. Succory, 

Cicisbeo , m. Cicisbeo. 

Cigaar, m. Cigar. 

Cid, m. Cid, Chief. 



166 



CIDE 



Cider, zie Appeldrank. 

Cier , vr. Plectrum, 

Cijfer, o. Cipher; la — schrijven , to 
Cipher , to UTrite by ciphers ; Kunsc om 
in - te schrijven, Steganography. 

Cijferboek, o. Book of arithmetic. 

Cijferen, o. w. met Hebben, to Cipher, 
to Cast accounts. 

Cijfergetal, o. Cipher. 

Cijferkunst, vr. Arithmetic , Ciphering. 

Cijferlecter, vr. Cipher. 

Cijfermeester , m. Arithmetician ^Teacher 
of arithmetic, 

Cijferschool, vr. Ciphering-school. 

Cijferschrift , o. Cipher, 

Cijns, m. Tribute^ Cense. 

Cijnsbaar, bv. Tributary. 

Cijnsregt, o. Ri^ht of imposing a tribute, 

Cilinder, m. Cylinder. 

Cilinderdeur, vr. Cyiindric door. 

Ciltnderkabinec, o. Cabinet with cyiin- 
dric doors. 

Cilindervormig , bv. Ciliudrjc. 

Cimbaal , Cimbel , o. Cymbal, 

Cimbelspel, o. Playing on a cymbal, 
Cimenc, zie Cement. 
Ciemier, m, zie Helmkara, 
Cinnaber, o. Cinnabar. 
Cine lien, vr. meerv. Tackling. 
Cipier , m. Jailor , Gaoler. 
Cipres , Cipresboom, m. Cypress^ Cy- 
press-tree. 
Circa , voorz. About. 
Circulaire , vr. Circular letter. 
Circumflex, o. Circumflex. 
Cirkel, m. Circle. 
Cirkelboog, m. Part of a circular line , 

Arch, 
Cicatie , vr. Summons to appear before a 

court of justice , Citation, 
Cicer, vr. Cithern. 

Citerdraad, o. Wire to make cithern- 
strings , Brush-wire. 
Ciceren, b. w. to Summon to appear 

before a court of justice. * — , to Cite. 
Citerpen, vr. , zie Cier. 
Citersnaar, vr. Cithern-string. 
Citerspeelster , vr. , Ciierspeler, m. One 

that plays on a cithern. 
Citertoon, m. Tone of a cithern, 
Cito, bw. Quickly. 
Citroen, ra. Lemon, Citron; sprw. le- 

mand knollen voor citroenen verkoopen, 

to Make one believe that the moon is 

made of green cheese. 
Citroenappel, zie Citroen. 
Citroenboom, m. Lemon-tree , Lemon, 



CITR 

Ciiroengeel, bv. Lemon-coloured , Citrine. 

Citroenkleur, vr. Lemon-colour, 

Cicroenkleurig, zie Cicroengeel. 

Citroenkruid , vr. , zie Melisse. 

Citroensap , o. Lemon-juice , Lemonade, 

Citroensaus, o. Sauce made of lemon- 
juice, 

Citroenschil , vr. Lemon-peel, 

Citroensmaak, m. Taite of lemons, 

Cicroenverw , zie Ciiroenkleur. 

Citroenverwig , zie Citroengeel. 

Cicroenvla, vr. Lemon-custard, 

Citroenwarer , o. Citron-water. 

Civet, o. Civet. 

Civetkat , vr. Civet-cat. 

Civiel, bv. bnrgerlijk, Civil, * — , ma- 
tig. Moderate; Een civiele prijs, A 
moderate price , Reasonable terms. 

Clarinet, vr. Clarionet, 

Clarinettist, m. Clarionet. 

Classicaal , bv. en bw. als : — onderwijs 
geven of onderwijzen , to Teach in 

classes. 

Classiek, bv. Classic, Classical, 

Classificatie, vr. Classification. 

Classificeren, bw. to Class, Classify. 

Clausule , vr. Clause. 

Client, m. en vr. Client. 

Climax, m. Climax. 

Clique, vr. Gang, Party, Clan, 

Club, vr. Club. 

Coadjutor, ra. Coadjutor, 

Coalitic, vr. Coalition. 

Cocagneraast , m. Climbing-pole. 

Cocarde , vr. Cockade. 

Cochenille , zie Konzenielje. 

Code , o. , Codex , m. Code, 

Codicil, o. Codicil, 

Codille,bv. in het spel , als: Ikbeu— , 

/ am codilled ; fig. I am undone, 
Cognaat , m. Cognate. 
Cognossement , o. Bill of lading. 
Cohier, o. Book of the taxes. 
Collateraal , bv. Collateral. * — , o. Tax 

imposed upon collateral successions. 
Collateralen , m. meerv. Collateral heirs, 
CoUatie, vr. Calling of a person or 

school-master to a parish , Collation. 

* — , verge! ijking van eensluideude 

schiiften , Collation. 
Collanon, vr. en c. Collation. 
Collacioneren . b. w. to Collate. 
Collator, m. Collator. 
Coll^bal, m. Clo^e ball. 
Collectant, m. Collector. 
Collecte, vr. geldinzameling , Collection 

Gathering, 



IP 

Collecteren, b. w. to Collect, to Gather, 

Collectie, vr. Collection. 

Collectief, bv Collective. 

Collega , m. Colleague. 

Collegie, o. College. *-, aan eene hoo- 

geschool. Lecture., Course. 
Collegiemeester, m. , zie Catechiseer- 

meester. 

Collier, m. Necklace. 
Collisie, vr. Collision. 
Colon, o. in de spraakk. , diibbelpunt. 

Colon. * — , in de ontleedk. , grootc 

darm. Colon. 
Colonel , m. Colonel. 
Colonelsplaats , vr. Colonelcey., Colonel- 
ship. 

Coloniaal, bv. Colonial. 
Colonic, o. Colony., Settlement. 
Colonisatie, vr. Colonizing., Coloniza- 
tion. 
Coloniseren, b. w. to Colonize. 
Colonist, m. Colonist. 
Colonade , vr. Colonnade. ' 

Colonne, vr. in hec krijgsw. , Column. 
Coloriec, o. Colouring. 
Colossaal, hv. Colossal, Gigantic. 
Colosse , o. Colossus. 
Conibinatie, vr. Combination. 
Conibineren , b. \v. to Combine. 
Comediant, m. Comedian, Actor. 
Comediante , vr. Comedian , Actress, 
Comedie, vr. Comedy. * — , Play. 
Comick, bv. Comic\ Comical..* — , bw. 

Comically. * — , tn. Buffoon, Clown. 
Comit6, o. Committee. 
j Comma , o. in de spraakk. , Comma. 

Commandant, m. Commandant. 
j Commandemenc , o. Command. 
Commanderen , b. en o. w. met Heb- 

ben , to Command. 
Commanderie, vr. Commavdery. 
Commandcur, m. Commander. 

Commando , o. Command. 
Comraandostaf, m. Stajf of command. 
Truncheon. 

Commensaal , m. One that lives with an- 
other in the same house and eats at the 
same table. Mess-mate. 

Commies, m. Commissioner of the cuslom- 
liotise. ♦ — , klcrk. Clerk. 

Commiesbrood , o. Ammunition-bread. 

Commissariaat , o. Commissorial. 

Conimissaris, m. Commissary , Manager. 

Commissie , vr. Commission. 

Commissiehandel, m. Commission trade. 
, Commissionair , m. bii koopl. , Factor. 
* Commode, vr. Commode. 



COM.^1 



16: 



Commodore, ra. Commodore. 
Communicatie, o. berigt , Communica- 
tion , Imparting. * — , verstandhouding , 

Correspondence, Good intelligence. 
Communicatiebrief , m. Letter of commu- 
nication, 
Coramuniceren , b. w. co Communicate , 

to Impart. 
Coramunie, vr. Communion. ^ 
Compagnie, vr. in het krijgsw., Com- 
pany. * — , ill lien kooph. , Company , 

Hope en — , Ihpe and Co, 
Compagnieschap , vi. Company , Partnc- - 

ship , zie Vennootschap. 
Compagnon , ra. Partner , Copartner. 
Comparant, m. , Comparantc, vr. One 

who appears. Qto Appear. 

Corapareren , o. w. met Zijn, bij regtsgel., 
Coraparitie, vr. Appearance, 
Compendium , o. Compendium. 
Competent, bv. als : Een — rejjter, A 

competent judge, * — , behoorlijk , Due. 
Ccmpetentie, vr. Competence, Compt- 

tency. 
Competeren, o. w. met Hebben , to 

Belong , to Be due. 
Compilateur , m. Compiler. 
Compilaiie , vr. Compilation. 
Compileren , b. w. to Compile. 
Complaisant, bv. Complaisant, * — , bw. 

Complaisantly. 
Compleec, bv. Complete, Entire, * — , 

bw. Completely, 
Complement , o. Compliment. 
Completeren, b. w. to Complete, 
Complexie , vr. Temper, Complexion, 
Compliment, o. Compliment. 
Compliceren , b. w. to Complicate, 
Complimeniesen , b. w. to Compliment, 
Complot,o. Complot. 

Componeren , b. w. zamenstellen , in- 

zond. een muzijkst. , to Compose. 

Componist , m. Composer. 

Coniposeren, b. w. tot ecu verdrag 

brengen , to Compose. 

Compositie , vr. Comt^osition, 

Compote, vr. Stewed fruit, 

Compres, vr. bij wondh. , Compress. 

* — , bv. en bw. bij drukk. , Close, 

Closely. 

Comprimeren, b. w. to Compress. 

Compromis, o. overlating eencr betwistc 
zaak aan de uitspraak van scheidsman- 

ncn. Compromise. 

Conipromitteren , b. w. als.* Zich — , 
Zijnc cer — , to Compromise, Com- 

promit one'*s self or onc*s honour. 



108 



COMP 



Comptabel , bv. Accountable. 

Compiabiliteit , vr. Responsibility, 

Concaaf, bv. Concave, 

Concederen, b. w. to Concede, 

Concentreren , b. w. to Concentre , Con- 
centrate. 

Concept, o. Draught, Minute, ♦— ,be- 
grip. Opinion, 

Concert, o. Concert. 

CoDciergie , m. Steward of a castle, *— , 
cipier , Jailor , Gaoler, 

Concilie , o. Council. 

Concipieren , b. w. to Dress , Sketch, 

Conclave , o. Conclave, 

Concluderen , b. w. to Conclude, 

Conclusie, vr. Conclusion, 

Concordaat , o, Concordate, 

Concours , m. Concourse; 

Concurrent, m. Competitor, 

Conciirrentie , vr. Competition , Concur- 
rence. 

Condenineren , b. w. to Condemn. 

Condiscipel , m. School-fellow. 

Conditie , vr. voorwaarde , Condition, *— , 
dienst. Place, Service, 

Condoliantie, vr. Condolence , zieRonw- 
beklag. 

Condoliantiebrief , m. Letter of condo- 
lence, 

Condolcren , b. w. to Condole with. 

Conducteur, m. Conductor. * — ,bij eene 
diligence , Guard. 

Conferentie , vr. Conftrence. 

Confessie , vr. Confession. 

Confirmeren , b. w. to Confirm, 

Confijt, o. Confitures, pi. 

Confijten , b. w. to Cor? feet. 

Confiscatie , vr. Confiscate. 

Confiskeren , b, w. to Confiscate , to Seize 
upon, 

Confituren, vr. meerv. , zie Konfijt. 

Confiturier, m. Confectioner, 

Conflict, o. Conflict. 

Conform , bv. Conform, Conformable , 
Like, 

Confrater, m. Brother, Fellow. 

Confronteren , b. w. to Confront. 

Confusie , vr. Confusedness , Trouble , 
Confusion. 
= Cont'uus, bv. Confounded, Out of coun- 
tenance. 

Cong6, o. Discharge , Dismission, Conge. 

Congestie, vr. Congestion. 

Congregatie, vr. Congregation, 

CoDgres, o. Congress. 

Congrevisch, bv. als : Congrevische pijJ, 

Bongrevian fusee. 



CONJ 

Conjugaiie , vr. in de spi'aakk. , Conjuga- 
tion, 

Conjugeren, b. vf, to Conjvgate,^ 

Conjunctie, vr. vanplaneten, Conjunction. 
• — , voegwoord , Conjunction, 

Conneiable , m. Connetable. 

Connexie, vr. Connection, Affinity. 

Conrecior , m. Second teacher in a Latin 
school. 

Conscientie , vr. Conscience. 

Con5crit, zie Loteling. 

Conscriptie , zie Loting. 

Consent, o. Consent, Assent. 

C nsenibilje&, o. Permit. 

Consequent, bv. enbw. Consistent , Con- 
sistently. 

Conserf, o. Conserve. 

Conservariebril, m. Preservers , pi, 

Considcrabel , bv. Considerable, * — , bw. 
Considerably, 

Consideratie, vr. ovtvvfe%\w^. Considera- 
tion. * — , aanmerking , Remark, " — , 
achting. Regard. 

Consigneren, b. w. to Consign ^ Deposit, 

Consiscorie , o. Consistory. 

Consistoriekamer, vr. Vestry, 

Console, vr. Console. 

Consonant., m. in de spraakk, , Consonant, 

Consouantie , vr. inde loonk., Consonance, 
Harmony, 

Consort , m. Complice.^ 

Conspiratie, vr. Conspiracy.^ 

Consternatie, vr. Consternation , Terror. 

Consiitueren , b. w. to Constitute. 

Constitutie, vr. gesteldheid, staatsregs- 
ling, Constitution. 

Consiiiutioneel , bv. Constitutional, • — , 
bw. Constitutionally. 

Constringent, bv. Constringent. 

Constringejitia , o. meerv. Constringent 
medicines, 

Constringeren , b. w. to Constringe. •— , 
to Constrain. 

Construccie , vr, in de spraakk,, Construc- 
tion, Construing. 

Consul, m. in de Rom, gesch. en in den 
kooph. , Consul, 

Consulaat , o. Consulate, * — , Duty paid 
to a consul, 

Consuleren , b. en o. vt, met Hebben , to 
Consult, 

Consult, o., Consultatie, vr. Consultation, 
Consult. 

Consunieren, b. ^•'. to Consume, 

Consuraiie , vr. Consumption, 

Contant, bv. en bw. in: — geld. Ready 
money; — betalen , to Pay ready money. 



IP 



CO?sT 



1G9 



* — , o. meestal Contanten, raeerv. Ready 

money; Ik lieb geene contanten, / iiave 

no ready money , no cash, 
Contenance, vr. Countenance. 
Content, bv. Contented^ Satisfied, 
Contingent, o. Contingent , Quota^ Share. 
Continuatie, vr. Continuity^ Contfnuation, 

Permansion ; Ikwensch u — van welzijn, 

/ wish you a continual health. 
Concinueel , bv. Continual. ♦ — , bw. Con- 
tinually. 
Couinueren ,• o. w. met Hebben , en b. w. 

to Continue. 
Coiito, o. bij koopl. , Account. 
Concoboek, o. Account-book, 
Contorsie, vr. Contorsion. 
Contra, voorz. Contra^ Against. 
Contrabande , vr. Contraband, 
Contrabandier, m. Smuggler. 
Contrabas, zie Contrebas, 
Contraboek, o. Control. 
Contraboekhouder, m. Controller. 
Contract, o. Contract, 
Contractant, ra. Contractor. 
Contracteren, b. en o. w. met Hebben, 

to Contract, 
ConiradicLie, vr. Contradiction. 
Conirahent, m., zie Contractant. 
Contramarsch, ni. Countermarch. 
Contraorder, vr. Contrary order, 
Contrarie, bv. Contrary, ♦ — , bw. Con- 

trarily, 

Contrasigne , o. Counter-sign, 
Contrasigneren, b. w. to Counter-sign. 
Contrast, o. Contrast, 
Contrasteren, o. w. met Hebben, to Be 

a contrast. 

Contraventie , vr. Contravention. 
Contravisite , vr. Reciprocal visit. 
Contrc-admiraal , o. Rear-admiral. 
Contrebas, m. Counterba<!s. 
Contredans, m. Countrydance. 
Cont.rc-epaulette, vr. Counter-epaulet. 
Contrei, vr. Region. 
Contie-order, vr. Countermand, Contrary 

order. 
Con t re scarp , vr. Counterscarp. 
Contribuabel , bv. Contributary , Liable 

to contribution. 
Contribueren, b. w. to Contributi. 
Contributic, vr. Contribution, 
Controle, vr. Control. 
Controlcren, b. w. to Control. 
Controlcur, m. Controller. 
Con; rovers, Controvcrsie, vr. Controversy. 
Contubernaal, m. Chum, Fellow lodger , 

Bomrade, 



Conti'.macie, vr. Contumacy ;W] — ver- 
oordeelen, to Out-law; Veroordeeling 
bij — , Out-lawry. 

Contusie , vr. Contusion. 

Convalescent, bv. Convalescent. 

Convenabel , bv. Convenient , Suitable. 

Convcnieren , b. w. to Suit. 

Convent, o. Convent; sprw. Dat isvoor 
pater en mater en niet voor het geheele 
— , That is not for every one, 

Conventie , vr. Convention. 

Conversatie, vr. Conversation. 

Converseren, o. w. met Hebben, to Con- 
verse. 

Convictie, vr. Conviction ; Intime — 
Inward conviction. 

Convocatie , vr. Convocation. 

Convocatiebiljer, o. Convocation-bill. 

Convoui , o. Convoy; zie ook Licenien. 

Convooilooper, m. Commissioner in a 
harbour. 

Convulsic, vr. Convulsion , Fit. 

Copula , vr. Copula. 

Coquet , bv. Coquet , Jilting. 

Coquette , vr. Coquet , Jilt. 

Coquetierie , vr. Coquetry. 

Cordaat, bv. Resolute. * — , bw. Reso- 
lutely. 

Cordelier, zie Franciscaner. 

Cordon , o. Cordon. 

Corduaanleer, o. Cordova-leather. 

Corinthisch , bv. Corinthian. 

Corporatie, vr. Corporation, 

Corps, o. troep , Body ^ Corps. 

Corpulent , bv. Corr^ulent , Bulky , Fleshy. 

Corpuleniic, vr. Corpulence , Corpulency . 

Correct, bv. Correct. * — , bw. Cor- 
rectly. 

Corrcctie , vr. Correction. 

Corrector, ra. Corrector. 

Correspondent, m. Correspondent, 

Correspondentie , vr. Correspondence , 
Correspondency, 

Correspomleren , o. w. met Hebben , to 
Correspond ; fig. to Agree , Suit. 

Corrigeerstcen , m. Correctivg-stone. 

Corrigeren , b. w. to Correct. 

Corruptie, vr. Corruption ; lig. (bij ver- 
basr, dikwijls Crnptic^ Consequence of 
one''s lewdness, : 

Corset, o. Corset., Bodice. 

Cortazje, zie Courtage. 

Cortes, m. mecrv. Cortes, 

Costi , als : A—, (bij koopl. ,) /« four 
place. 

Corvct , vr. Advice-boat, Spy-boat^ Sloop 
of "War, 



170 



COST 



Costiiuni , o. Costume, • 

Coteletten , vr. meerv. Cutlets, Chops, 
Steaks. 

Coterie, vr. Club ^ Society, 

Cotisatie, vr. Rating. 

Cotiseren , b. w. to Rate. 

Coujon, m. Dastard^ Coward. 

Coujonneren , b. w. to Abuse, 

Coulant, zie Vlot. 

Coulisse , vr. Scene, 

Coupereii , b. w. in het kaartsp. , to Cut. 

Couplet, o. Couplet, 

Coupon, m. Dividend , Cut. 

Conrant, bv. Current; Prijs — , Current 
price , Market-price. * — , vr., zie Kranc. 

Courantier, in. Gazetteer. 

Courier, m. Courier^ King^s messenger. 

Courtagie , vr. Broker'*s fees ^ Brokerage^ 
Commission fee of a broker. 

Courtine , vr. in de vestingb. , Curtain. 

Convert, o. Cover. 

Crayon , o. bij teekenm. , Crayon. 

Creatuur, vr. en o. Creatur'e, 

Credentiaal, o« Credential. 

Credentie , vr. als : Brieveu van — , Cre- 
dentials. 

Crediet, o. Credit^ Trust, 

Credietzijde , vr. Credit-page. 

Credit, zie Debet. 

Crediteren , b. w. to Give credit to one; 
also: to Give upon credit. * — , in koop- 
mansb. , to Note down on the credit-page. 



CRED 

Crediteur, m. Creditor. 
Cremor-tartari , m. Cream of tarter, 
Creool , m. en vr. Creole, 
Creperen , o. w. met Ziju , gemeen , to 

Die , Burst. 
Crimineel, bv. Criminal. * — , bw. CV/- 

minallf; fig. gemeen, Totally , Quite. 
Crisis , vr. Crisis. ^ 
Criticus, m. Critic. 
Critiek, hv. Critical , Uncertain, *— , vr. 

Critic, Philology. 
Critiseren, b. w. to Criticize. 
Cuben, m. meerv., zie Cubus. 
Ciibiek, bv. Cubic, Cubical. 
Cubiekgetal , o. Cubic number. 
Cubiekworcel , ra. Cubic root. 
Cubus, m. Cube. 
Cultiveren , b. w. to Cultivate, 
Cultuur, vr. Culture. 
Curas , vr. Cuirass. 
Curassier, m. Cuirassier. 
Curateel , vr. Guardianship ; Onder — 

s:aan , to Have a guardian. 
Curateur, Curator , m. Guardian, Curator. 
Cureren , b. w. to Cure. 
Curieus, bv. Curious, Rare. 
Cursief, bv. en o. Italics, pi. 
Custos, m. bij drukk. , Catchword, 
Cyaniet, m. Cyanite. 
Czaar , m. bij de Russen , Czar. 
Czarin , vr. Czarina. 
Czarowitz, m. Czarowitz. 



D. 



D , vr. de vierde letter derletterlijst , D. 
*— , in de toonk. , Re. 

Daad , vr. Action, Deed; lemand op de 
— betrappen ,- op heecer — betrappen , to 
Apprehend one in the fact , in the very 
act or deed; Met raacl en — bijscaan, to 
Help , not only by advice , but also by act- 
ing in one^s behalf; In der — , In fact. 
In truth. In reality. * — , heldendaad, 
Exploit , Achievement. 

Daadzaak, vr. Fact, Blatter of fact. 



DAAG 

Daags , bw. In the daytime ; Eenmaal — , 
Once a day; — daaraan , — daarna , The 

following day , The next day ; — na , voor, 
The day after, before. 

Daagsanker, o. Kedge-anchor. 

Daagsch , bv. Belonging to or Fit for a 
working day ; zie ook Alledaagsch. 

Daal , vr. Pumpsole. 

Daalder, m. Dollar, 

Daan , bw. als: Waar van — , Whence, 



r 



DAAR 



DAAR 



171 



From whence ; Daarvan — , Thence; Hier 
van — , Hence. 
D3ar,ji.b\v. op die plaats, There; — is hij , 
There he is; Van — , Theiice ; Hier en 
— , zie Hier; fi^. in plaats van dat ^ of 
de persoonlijke voorn. , die voor zaken 
gebruikc worden , met eon voorzetsel 
er achter aan vast , dat echterdnor velen 
somsdaarvsn ^escheiden wordt, als: Daar- 
van heb ik niec gesproken , / have not 

' spoken of it {thereof). Aanm. Ofschoon 
de Engelscbe taal de zelfde zamenstel 
lingen heeft, bedienc zij zich echccr 
meestal van de persoonlijke voornaamw., 
inzondcrheid, wanueer men bepaaldelijk 
eene zaak of zaken bedoelt; zie ook de 
zamengest. woorden. * — , voegw. Be- 
cause , As , Whereas , Since. 

Daaraan , bw. aan die zaak , To it , At it., 
Thereat., Next to that; Wac hebt gij 
— ?, TFhat profit does it bring you? '^—., 
daarna , After that , Thereafter , zie 
Aan. 

Daarachrer , bw. Behind it , There behind, 
xie Achter. 

Daaraf, bw. Thereof., zie Af. 

Daarbeneden, bw. Therebeneath , zie Be- 
neden. 

Daarbeneven , bw. Besides. 

Daarbii , bw. Thereat, Therewith, Near 
it , Thereto , Thereby , Wth it or them. 

* — , Thereatnnng ; Ik was — , / was 
present , zie Bij. 

Daarbinnen , bw. Within there , zie 

Binnen. 
Daarhoven, bw. Thcreabove ^ zie Boven. 
Daarbuiten , bw. Without there , Without 

that , zie Buiten. 
Daardoor, bw. door dat middcl. Thereby. 

* — , door die plaats. Therethrough, 
Through that place , zie Door. 

Daarenbovcn, bw. Thereabove , Besides. 
Daarcntegen, bw. On the contrary, 
Daarheen, bw. Thither. 
Da<arin, bw. Therein, Thereinto .> zie In. 
Daarlangs , bw. Along that place , zie 

Langs. 
Daarmede , bw. Therewith , zie Met , 

Mede. 
Daarna, bw. Thereafter , Afterwards , 

zie Na. 
Daarnaar, bw. According to »V,zieNaar. 
Daarnaast, bw. Next to it, zie Naas'. 
Daariieveus, adv. With that, zie Nc- 

vens. 
Daarom, bw. derbalve , Therefore. * — , 

cm die plaats been , zie Daaromhcen. 



Daaromheen , bw. Round about that place^ 

zie Om. 
Daaromstreeks , bw. Thereabout , There- 
abouts, zie Omstreeks, 
Daaronder, bw. daarbeneden, Therebelow, 
Therebeneath, * — , onder of bij die 

zaken, Thereamong , zie Onder. 
Daarop, bw. Thereupon , zie Op. • 
Daarover, bw. aan de overzijde, On the 

other side. * — , over die zaak , There- 
about, zie Over. 
Daarscellen , b. w. to Produce , to Bring 

forth. * — , to Represent. 
Daartegen, bw. Therer-gainst , zie Tegen. 
Daartoe , bw. For that purpose , For that, 

zie Tot en Toe. 
Daartusschen,bw. tnsschen dat. Betwixt 

that. * — , intusschen , Meanwhile, zie 

Tusschen. 
Daariiit, bw. Thence, * — , Out of that. 

Thereout , zie Uit. 
Daarvan , law. Therefrom , There of, zie 

Van. 
Daai voor, bw. daarom, Therefore.* — , For 

that. Instead of that, zie Voor. 
Dans , zie Daze. 

Daclu , V. t. , zie Denken en Dunken. 
Dadel , V r. vriicht. Date, ♦— , m. de boom. 

Date tree. 
Dadelboom, zie Dadel , m. 
Dadelijk, bv. wezenlijk, Actual, Real, 

* — , zonder lijdverlies , Immediate. *—, 
bw. Actually, Really. * — , Immediately. 
Dadelijkheid , vr. , zie Daadzaak. ♦ — , 
vijandelijkheid, //w/zV/'/jr. ♦ — , wezeulijk- 
lieid , Actuality. 
Dadelkern , \t.' Kernel of a date, 
Dadelulie , vr. Date-oil. 
Dadelstroop , vr. Date-syrup. 
Dadelwijn, m. Date-wine. 
Dadcr, m. die iets doet, Doer, * — , in- 
zond. van iets kwaads , Perpetrator, 
Malefactor, 
Dag,m. Z)^j,' Het wordt— ,De- breekt 
aan. The day breaks ^ It dawns ; Van 

daacf, To-day., This day; 'j'ot op den 
luiidigen— , To this day; Dczer dagen. 
One of these days. Lately , The other day; 
Van — tot — , From day to duy : Den gan- 
schcii — , All day long; AUc dagen. 
Every day ; Op zekcren — , One d ly ; Bij 
— , //; the day time ; Van daaj; over acht 
dagen , To-day sennight ; De jongste — , 
Doom^s day; — stellen , (bij regrsgel. , ) 
to Appoint a day ; sprw. Ilet is een vcr- 
schil als tusschen nacht en — , There is 
a difference as between night and day ; 



II 



1T2 



DAG 



Het is zoo klaar als de — , "^Tis as plain 
as can be^ ^Tis obvious to every one^ 
^Tis as clear as the sun at noonday ; fig. 

— etmaal , Day; Dagen, meerv. , cijd, 
leeftijcl , als : Er zullen betere dagen ko- 
men , There will come a better time ; 
Zijne dagen verkorten, to Abridge one'^s 
life ; Goede dagen bij iemand hebben , 
to Have a comfortable living at one'*s 
house; Ik heb het in mijne dagen niec 
hQ\eQii\ ^ I never saw that in try lifetime, 
ook voor : ouderdom , als: Ilij komt al 
op zijne dagen , He begins to grow old. 
* — , licht, als: Deze schiUlerij hangt 
in een'' valsclien — , The light does not 
fall well on this /)/V/«r^ ,• Dit wcrk isden 

— niet waard, This work is not worth to 
be published; Aan den — brengen , to 
Divulge, Discover, Explode, to Bring 
to light; Aan den — iecgcn, to £xpose. 
Explain, Declare, Affirm, Manifest; 
Aan den — brengen, (vertooiien ,) to 
Show; Voor den — komen , to Appear, 

Dag, vr. , zie Dagge. 

Dagblad , o. Journal, * — , nieuwspapier, 
Newspaper. 

Dagbladschrijver , m. Journalist , Gazet- 
teer. 

Dagblind, bv. Nyctalops, 

Dagblindhcid, vr. Nyctalopy, 

Dagbloem , vr, Day'fower. 

Dagboek ,o. Journal , Diary. 

Dagdief , m. lui werkman , ld!e loitering 
workman; fig. \Q(\.\g\oo^iiv ^Toad-eater ^ 
Lazy-bones , Loiterer. 

Dagdieven, o. w. met Ilebben , /o Z,o//er. 

Dagdieverij , vr. Loitering. 

Dagelijks, bw. Daily, Every day. 

Dagelijksch, bv. Daily, Diurnal;— brood. 
Daily bread; De dagelijk?chc orawente- 
ling der aarcie , The diurnal rotation of 
the globe; fig. Dae is maar — brood mec 
hem , That happens with him almost every 
day. 

Dagen, o. w. met den 3. onbep. pers. met 
Hebben , to Dawn. * — , b. w. dagvaar- 
den , to Summon , Cite. * — , uitdagen, 
to Challenge. 

Dager, m. bij regtsgel. , Plaintiff'. 

Dageraad , ra. Dawn, Daybreak ; fig. — 
des \evens , Prime of youth. 

Daging, vr. Summoning. *— , Challenge, 

Dagge, vr. konedegen. Dagger ^ Poniard. 
• — , op schepen , Cat-o'*-nine-tails, 

Daggeld . o. Daily wages. 

Daggelder, m. Daylabourer ^ Journey- 
man, 



DAGG 

Daggestarnte ,.Daggesternte , o. , zie Dag- 
scer. 

Daghuur, vr. , zie Daggeld. 

Daghuurder, m. , zie Daggelder. 

Daghunrster, vr. , zie Dagloonster. 

Daglicht, o. Daylight : fig. Het kan het 
— niec verdragen. It is unworthy to be 
published; also: It is wretchedly done. 

Daglijsc, vr. Journal , Daily list, 

Dagloon, m. en o. , zie Daggeld. 

Daglooner ,^zie Daggelder. 

Dagloonster, zie Werkvrouw. 

Dagorde, vr. Daily order, 

Dagregister , o. 'Day-book , Journal, 
Diurnal, 

Dagreis, vr. reis bij dn^-, Journey by day. 
* — , afstand, dien men op 66n' dag kan 
afleggen, A day''s journey. 

Dagscholier, m. Day-scholar, 

Dagschool , o. Day-school, 

Dagsrar, Dagster, vr. morgenster , Day- 
star, Morning-star. ♦ — , Sun, 

Dagseinen, o. meerv. Day-signals. 

Dagtee'.-enen , b. w. to Date ; Vroeger — , 
to Aniidate ; Later — , to Postdate. 

Dagreekening , vr. het dagteekenen , Da 
ting. *— , tijd , waarop iecs gedagteekciid 
is , Date. 

Dagvaarden , b. w, to Summon (one^to 
appear before a court of justice , to Cite. 

Dagvaarding, vr Sommons to appear befurt 
a court of justice. Citation. 

Dagvaarc , vr. dagreis, Day^s journey. *—, 
in de Nederl. gesch. , Meeting or As- 
sembly of the states, 

Dagverhaal , o. Journal. 

Dagvlinder, m. Butterfly. 

Dagvogel, m. Day-bird. 

Dagwacht, vr. Day-watch or guard. 

Dagwerk, o. Daywork , Day labour, Day''s 
v/ork. 

Dagwerker, m. , zie Da^looner. 

Dagwerkster, vr. , zie Dagloonster. 

Dagwijzer, m. Calendar, Almanac, 

D?k, o. van een huis , Roof; fig. hviis : 
Onder — komen , to Find a lodging ; On- 
der 6^n— v/onen, to Live in the same 
house; fig. Iemand iets opzijn — zenden 
of sctiuiven, to Charge one with somt 
disagreeable business ; ook : to Give ont 
the blame of a thing ; AUes kwara op 
mijn — te huis , / was to bear the fault 
of all ; Hij sprak , alsof het van een 
leijen — (dakje) rolde , His tongue ran 
like a clack of a mill. * — , dekscroo. 
Thatch, 

Dakbalk, o. Counter-lath, Sleeper. 



DARB 

Dakbord , o. plankje ter bedekking van 
een dak , Shingle. 

Dakdekker, m. ZV/^/c/?^;-. *— , in tegen- 
stelliog van riecdekker of leidekker, 
One that thatches with straw. 

Dakdigt , bv. Weatherproof. 

Dakdrop , m. Eaves ^ pL zie Drop. 

Daklac, vr. Lath. 

Dakgoot, vr. Gutter. 

Dakpan, vr. Tile^ Pantile, 

Dakpijp, vr. Funnel. 

Dakrib, vr. , zie Dakbalk. 

Dakriet, zie Dekriet. 

Dakipar, vr. , zie Dakbalk. 

Dakstoel, m. B afters^ pi. 

Dakstroo, zie Dekscroo. 

Dakvenscer, o. Dormer-windo'W. 

Dakwerk , o. Roofing. ( Berg. 

Dal, o. Valley J Vale ^ Dale; sprw. zie 

Dalbewoner, m. Inhabitant of a valley. 

Daleu, o. w. met Zijn, to Descend, to 
Go downward; fig. in prijs of waarde 
vermiuderen , to Become cheaper; Hij 
is aanmerkelijk in mijne achiing gedaald , 
He has lost a great deal of my esteem. 

Daler, m. One that descends, 

Daling, vr. Lessening in price. 

Dallieden , Dallui , Dalluideu , m. meerv. 
zie Dalbewoner. 

Dam, ra. Dam, Mole, Bank; Een' — 
ieggen , to Cast up a dam ; fig. to Al- 
lay cne^s hunger ; sprw. Een bond is 
stout op zijn' eigenen — , A cock crows 
on his own dunghill. * — , gekroonde 
scbijf in bet dauispel. King; — haleu , 
to Go toking. 
Damascener, m. Damaskin, 
Damasceren, b. w. to Damaskeen. 
Damast , o. Damask, 
Damastbloem , vr. Dames-violet. 
Damasten, bv. Damask, Of damask. 
Damastpruim, vr. Datnascene, Damask- 
plum. 

Damastvvcver, m. Damask-weaver. 
Darabezie, zie Jenevcrbes. 
l^aralord, o. Draught-hoard. 
Dame, vr. Lady. 

Damherc, o. Deer, Fallow deer. Buck. 
Danilooper, m. a kind of vessel for in- 
land navigation. Coaster. 
Damnicn, o. w. met Ilubben, to Cast up 
a wall y dam or hank. *— , hctdaiuspel 
•pelun, to Play at draughts. ♦— , b. 
w. , zie Afdamusen. 
Danuner , m. One that plays at draughts. 
Damp , m. Steam , Damp, Vapour. •— , 
roi)l! , Smoke, 



DAMP 



173 



Dampen, o. w. met Hebben, to Emit 
or Exhale steam er vapour, to Steam, 
Reek , Fume ; fig. faiu. tabak rookea , 
to Smoke. 

Damper, m, fig. fam. Smoker. 

Dampig, bv. Damp, Foggy. * — , van 
paarden , Shortwinded , lirokenwinded, 

Danipigheid, vr, \Fcgginess ; fig. Short- 
windedness, 

Damping, vr. Sieaming ; fig. fam. Smo- 
king. 

Dampkogel, m. Eolipile. 

Dampkring, ra. Atmosphere, 

Dampkriugslucht , vr. Atmospheric air, 

Damschijf, vr. Man, 

Damspel , o. Draughts, pi, 

Daaispekr, zie Dammes. 

Damster, vr. , zie Danimer. 

Dan , bw. alsdan , Then ; Nu pf — ? , iVbw 
or then? ; Nu en — , Sometimes, * — , 
diis , Therefore ; Dh is — uw gevoelen , 
This, therejore , is your opinion, * —, 
vocgw. doch, But; — ,' voor dac ik 
eindig, moet ik, enz. But, before I 
end, I must, etc. * — , na een' ver- 
groocenden trap , en na anders en elders , 
Than ; Grooter dan hij , Bigger than 
he, * — , na eene onckcmiing , in 
het woord cpgesloten , als: Niemand, 
Niecs, enz. But; Niemand — hij. No- 
body but he, 

Daing, bw. Extremely, Much, Aanra. 
Ilet woord is weinig gebruikelijk , dan 
m zamenstell. Dusdanig , Zoodanig. 
Dank, ra. welgevallen, als: lets in 

— aanuemen, to Accept* a tiling with 
pleasure. * — , daukbeiuiging. Thanks, 
Acknowledgement ; Icmand — zeggen, 
to Return thanks to one; also: to 
Refuse an ojfer politely, with an ex- 
pression of gratitude ; Dm bebt gij mij 

— te weten , Tou are indebted for that 
to me; Tegen wil en — , Against the 
grain. In spite of one'' s tectii. 

Dankbaar, bv. Thankjui , Grateful. •— , 
bw. Gratefully. 

Dankbaarhcul, vr. Thankfulness , Grate- 
fulness , Gratitude, 

Dankbaarlijk, zie Dankbaar, bw. 

Dankbetuiging , vr. Tlianksgiving, 

Dankdag, m. Day of thanksgiving. 

Danken , b. w. to Ihank; Iciuancf iets te 

— hebben, to Acknowledge one for the 
promoter of something; also: to Be in- 
debted to one for something , to Owe a 
thing to one. * — , in een' kwaden zin , 
ali : iiij hccl'c liet zi'ch zclvtn i^ - . 



174 



DANK 



He is himielf the cause of it. * — , 
aan tafel, to Say grace. *— , beleefde- 
lijk afslaan, als : Ik dank u, No, I 
thank you. 

Dankfeesc, o. Feast of thanksgiving. 
Thank-feast. 

Dankgebed , o. Grace , Thanksgiving. 

Danklied , o. Thanksgiving-song. 

Dankoffer, o. Thank-offering. 

Dankpreek , vr. Sermon of thanksgiving. 

Dankstond, in. Hour of ihauksgiving. 

Dankzegging , vr. Thanksgiving. 

Dankuur, o. , zie Dankstund. 

Dans, m. Dance; fig. Met iemand aan 
den — gerakeii, komen, gaan , to Fail a 
fighting with one; Deu — ontspriugen , 
to Escape a danger. 

Dansen, b. en o. w. met Ilebben, to 
Dance; fig. Iemand van de crappen 

•; doen — , to Kick one down stairs ; 
Naar ieraands pijpen moeten — , to Be 
obliged to submit to another^s whims or 
to dance to one^s pipe, 

Danscr, m. Dancer. 

Danseres, vr. Dancer; also: Partner. 

Dansfeesc, o. Ball, Dancing-party. 

Danskunst, vr. ^rt of dancing , Dan- 
cing. 

Dansles, vr. Dancing-lesson, 

Dauslied , o. Dancing tune. 

gansmeester, m. Dancing-master. 
ausmuzijk, vr. Dancing-music. 

Dansoefening , vr. Exercise in dancing. 

Danspartij , vr. , zie Dausi'sesc. 

Danspas , m. Dancing step. 

Dansschoeuen , m. meerv. Pumps. 

Dansschool , vr. Dancing-school, 

Dansrei, m. Circle of dancers, 

Dansschoeu, m. Pump. 

Dansster, vr. , zie Danser. 

Dansceekening , vr. Choregraphy. 

Danszaal, vr. Dancing-room. 

Dapper, bv. Brave, Valiant, Coura- 
geous, Bold , Intrepid *—,\)\f. Brave- 
ly, Valia^itly , Courageously^ Boldly, 
Intrepidly. * — , zeer , als : Hij liep — , 
He ran swift; Iemand — afrossen , to 
Drub one soundly. 

Dapperheid, vr. Valour, Bravery^ Cou- 
rage, Resolution, Intrepidity, Bold- 
ness. 

Dapperlijk, bw. Bravely, Courageously , 
zie Dapper. 

Darm, m. Gut; Kromme darm , Heum; 
fig. Den — vullen, to Eat gluttonly, 

Darmbeen, o. Iliac hone. 

Darrabeenspier , vr. Iliaileum muscle. 



DARM 

Darmbreuk, vr. Enterocele. 

Darrajicht, vr. Colic, Iliac passion. 

Gripes, pi. 
Darmktonkel , m. Iliac passion, 
Darmnec, o. Peritoneum , Cawl , Omen- 
tum. 
Darmontsreking, vr. Inflammation of the 
guts. 

Darmpijn, vr. Colic, Gripes, Belly- 
ache. 

Darmsap , o. Chyle. 
Darmscheel, vr. Mesentery , zie Middel- 

rif. 
Darmsnaar, vr. Chord or String of a 
violin, etc.. Gut-string, Cat gut. 
Darmsnijditig, zie Darmpijn. 
Darm vailing, vr. Falling of the guts. 
Darmvet, o. Fat which is scraped from 
the guts, 
Darmvlies, zife Darmnet. 
Darmvliesontsceking, vr. Mesenterites, 
Darren, veroud , zie Diirven, 
Dartel, bv. Lively, Frisky, Buxom, 
IFild, Petulant y Wanton; fig. Eet\ 
dartele stijl, A fee, lively or flowery 
style. * — , wulpsch , Lascivious , Wanton, 
Luxurious, *— , bw. Lively, Buxomly, 
etc. * — , Lasciviously , Wantonly. 
Dartelcn, o. w. met Hebben , to Toy, 
Sport, Frisk, 
Dartclheid, vr. Liveliness, Friskiness, 
Buxomness , Luxuriousness , Petulance , 
Wantonness. 

Dartien , enz. , zie Dertien , enz. 

Das, m. zeker clier , Badger.* — , zie 
Dashond. * — , vr. halsbedekking , Neck- 
cloth , Cravat. 

Dassenbeen , o. Leg of a badger ; fig. 
Met dassenbcenen , Badger-legged. 

Dassenhaar, o. Hair of a badger, 

Dasscnhol, o. Badger''s hole. 

Dassenvel , o. Skin of a badger, 

Dassenvec, o. Fat of a badger, 

Dashond , m. Terrier. 

Dae, aanw. o. voornaamv/. (meerv. Die,} 
That , (plur. those); Dit of—, Thisor 
that; Deze boeken of die ? , These books 
or those? * — , onbep. voor alle ge- 
slachten en getallen , als: — is mijn 
roan, That is my husband; Is — uwe 
vronw.?. Is that your wife? ; Zijn — 
uwe kinderen?, Are those children 
yours?. Are those your children? *— , 
becrekk. o. voornaamw. (meerv. Die,) 
Which, That; (in het Eng. beide ou- 
verb. behalve somtijds in den 2. naamw. 
Wliose;) Het boek , dar (De boeken , 



DATE 

die J ik gekocht heb. The book {the 
booh) which or that I bought (of en- 
kel : The book (^books) I bought , rata 
weglating van he: bctrekkelijk voor- 
naamw. in den 4. naaniw. ). *— , voegw. 
That; Ik zeicie hem, dat gij komen 
zoudc, / to/d him that yon would come 
(of eokel : / told him you "would come ^ 
met uidating van That ^ hetwelk in hei 
Engelsch dikwijls plaats heeft ,. 

Daceren , b. w. to Date. (Ilecgene. 

Datgene , o. voornaaraw. , That; zie 

Datum , m. Date. 

Dauw, tn. Dew; fig. Voor dag eo — , 
Very early in the morning, 

Dauwachtig, bv. Dewy. 

Dauv/droppel , m. Dewdrop. 

Dauwel , vr. gemeenz, , Awkward or Un' 
handy woman or girl ^ Loiterer. 

Dauwelachcig , bv. gemeenz. , Loitering , 
Unhandy. * — , b\v. Slowly. 

Dauwelachtigheid , vr. gemeenz. , Awk- 
wardness j Slowness. 

Dauwelarij , vr. gemeenz. , Loitering, 

Dauwelen, o. w. mec Hebben, ge- 
meenz. , to Loiter. 

Dauwelig, zie Dauwelachtig. 

Dauwen, o. w. met den onbep. 3. pers. 
met Hebben , to Dew. * — , b. w. fig. 
to Pour out. 

Dauwworm, m. Tetter., Ring-worm. 

Daveren , o. \v. met Hebben, to Shake 
or Quake violently. 

Davering , vr. Violent shaking or quaking. 

Daze, vr. , zie Paardevlieg. 

De, bep. lidvv. voor bet m. en vr. gesl. 

' en het meerv.. The. 

Debet, als : Hij is mij — , He is in my 
debt. ♦ — ,0. Debit; — en credit, 
JDebit and credit, 
5biet, o. Sale. 

ibitaut, m. Seller, Retailer. 
Jbiteren , b. w. verkoopen , to Sell. 
— , in cen koopmansboek , to Note on 
)%» debet'pejge. 
►ebiteur, m. Debtor. 
lebouch^ , o. bij koopl. , Getting of. 
Selling , market. 

IPecember, m. December. 
►eceniberavond , m. Evening in the 
month of december. 

pecemberkoude, vr. Cold in the month 
of december. 

pecembcrraaand , vr. Month of december. 
Oecembermorgen , m. Morning in the 
month of dec ember. ^^ {^of december. 

^Deccnibeniacht , m. Night in the month 



DECE 



175 



Decembervorst , vr. Frost in the month 
of december. 

Deceraberweder, DeceniberweOr , 0. 
Weather of december. 

Decemberwind, m. Wind in the month 
of december. 

Decideren, b. w. to Decide. 

Decimaal , zie Tiendeelig. 

Declinatie, vr. Declination, ♦ — , in de 
spraakk. , Declension. 

Declineren , b. w. to Decline, 

Decoratie , vr. Decoration. 

Deed, v. t. , zie Doen. 

Deeg, o. i^ee) Dough, Paste ; ^\%.\\^k. 
is een koekje van uw eigen — , Tou 
are yomelf the cause of it, 

Deeg, vr. (^} veroud, voorspoed , ver- 
maak , (enkcl nog gebruikelijk in de 
volgende gevallen): Dit zal u — (goed) 
doen, Tin's will be wholesome for you ; 
Morgen zuUen wij — (vermaak) heb- 
ben, We'^ll have fun to morrow; Ik 
had daargeen— (^i\tv\ I was not comfort- 
able there; Gij zufc er nog lang — 
(nut) van hebben, ToU will have benefit 
of it a long white; Hij hecft er — 
van , (is dik en gezond,) lie is a lusty 
fellow; Het is nog geen — (met voor- 
spoedig) met u, Tou are not quite 
recovered yet ; Ter — , Ter dege , bw. 
Exceedingly well , zie Degelijk. 

Deeg, v. t. , zie Dljgcn. 

Deegachtig, bv. Dough-like , Doughey, 

Deegbrood, o. Paste-bread. 

Deegklomp , m. Mass of dough or 
paste. 

Deegsem, zie Deesera. 

Decgsemen , zie Deesemen. 

Doel, o. (f^} gedeelte. Part, Share, 
Portion; Een vierde — , A quarter, 
A fourth part. * — , aandeel , Share , 
Portion; fig. Aan iets — hebben, to 
Be implicated in an affair, to Be an 
accomplice ; In iets — hebben , to Have 
an interest in a thing ; Aan ot In iets 

— nemen , to Partcipate i^in) a thing. 
* — , lid , Member. * — , boekdeel , 
Volume. * — , partij , menigte , Parcel, 
Heap; Ten deelc, Partly. 

Deel, vr. {ee) plank. Deal, Board, 
Plank, ♦ — , dorschvloer, Thrashing- 
floor, 

Deelachtig, bv. Partaking; Icmand iets 

— maken , to Communicate something 
to one; Aan eene misdaad — zijn , to 
Be an accomplice. 

DeelacUtigheid, vr. Particijiation. 



176 



DEEL 



Deelbaar, bv. Divisible. 

Deelbaarheid, vr, Divisibleness^ Diyisi- 
bility. 

Deelen , b. w. verdeelen , to Divide, 
* — , o. w. met Heb'jen , aandeel heb- 
ben , to Share ,• fig. decl neraeu , 
to Participate. 

Deeler, m. Divider, * — , inderekenk., 
Divisor, 

Doelgenoot, m. cn vr. Associate , Part- 
ner , Partaker. 

Dselgenootschap , o. Association , Part- 
nership. 

Deelhebber, ra. , Deelhcbster, vr. , zie 
Deelgenoor. 

Deeling, vr. Dividing, * — , inzond. in 
de rekenk. , Division. * — , Sharing; 
fig. Participating. 

Deelneemscer , vr. , zie Deelneracr. 

Deelnemend , bv. fig. Sensible^ Com- 
miserating^ Sympathizing. 

Deelneming, vr. Participation ; fig. 
Sensibility ^ Pity^ Sympathy. 

)3eelnemer, in. Partaker^ Participant. 

Deels, bw. Partly. 

Deelster, vr. , zie de i. beteek. van 
Deeler. 

Deehal, o. Dividend. 

Deelwoord , o, in de spraakk. , Parti- 
ciple. 

Deerlijk, bv. Pitiful, Lamentable, 
fVretched, * — , hw. Pitifully y Sorely. 

Deern, Deerne, \r. Lass , Girl^Ecne 
wakkere — ^ A chopping lass. 

Deernis, vr. Pity, Compassion, Com- 
miseration; — met icmaiid licbben , to 
Pity one. 

Deeraisvvaardig, bv. Pitiful, Miserable. 
* — , bw. miserably. 

Deesem, m. Leaven. 

Deesemcn , b. w. to Leaven, 

Defect , bv. Defective, * — , o. Defect. 
* — , bij boekhand : Defeccen , IFaste 
sheets. 

Defcig, bv. statig , Grave. * — , aan- 
sienlijk. Genteel; Deftige liedeu , Gen- 
teel people. * — , bw. Gravely. 

Defcigheid , vr. Gravity. ♦ — , Gentility, 
Respectability. 

Defciglijk, zie Defcig, bw, 

Dege , zie Deeg, vr. 

Degel, ra. van eeue drukpers , Platen. 

Degelijk, bv. braaf, Worthy, Honest, 
Good, Brave, Excellent ; Eeu — 
man, A "worthy man, * — , voldoende, 
als : Geef mij een — scuk, Give me a 
sufficient picuc or a piece that vu^y [ 



DEGE 

answer, ♦ — , bw. volkoraen , als: Met 
is wel — zoo , /; /; really true , It is 
but too true; Ik' zal het hem — ( ter 
dege) zeggen , /'// tell it him plain 
enough or in good English. 

Degelijkheid , vr. Worth, Worthiness , 
Excellence. 

Degen , m. zljdgeweer. Sword. * —■ , 
vcroud. , dapper krijgsraau , F'aliant 
soldier , Hero, 

Degendrager, m. One thatwears a sword. 
Sword-bearer. 

Degetie , m. en vr. aanw. voorn, altijd 
gevolgd door die of welke, He or She , 
That, etc. 

Degengevest, o. Hilt of a sword, > 

Degengrecp , vr. Handle of a sword. \ 

Degenkling , vr. Sword-blade. \ 

Degenknop , m. Pommel. 

Degenkoppel, m. Sword-belt, z\q Koppel. j 

Dsgenkwast, m. Sword-knot. 

Degenriem, ra. Sword-belt, 

Degenscheede , vr. Scabbard, Sheath. 

Degensceek , Degeustoot, m. Stab of a\ 
sword. 

Deining, vr. Moving of the waves. 
zie Branding. 

Deiuzen , o. w. met Zijn, terngwijken'; 
to Retreat. * — , met Hebben, b| 
zeel. , van de golven spiekeude , 
Dash against a rock. 

Deinzing, vr. Retreating, *— , Dashiit 
against a rock. 

Deismus , o. Deism. 

Deist , m. Deist. 

Dci'sterij , vr. Deism. 

Dek , o. Covering ; Er is geen — op he 
bed , There is no quilt or blanke 
upon the bed, * — , scheepsw. , verdei 
van een schip , Deck. 

Dekbalk, ra. Rafter, Joist. ♦ — , 
een paard , zie Schabrak. 

Dekbed , o. Upper-bed, Feather- covering^ 

Dekbord, Dekbordje , o. Shingle. 

Dekblad , o. Leaf or Sheet to cover. 

Deken, \y. Blanket, Quilt, Coverlet 
sprw. Zij liggen onder 66ne — , Th{ 
both have got the same interest ; Zijn" 
voeten niec langer screkken , dan de -^ 
lang is, to Know to make shifts, to Ca> 
one^s coat according to one''s cloth. *— , 
in sommige streken , dak. Roof, 

Deken, m. zeker kerkel. ambten. , Dean, 
* — , hoofdman van een gild, Master] 
Senior of a company of tradesmen. 

Dekenkooper, m. One that deals it 
blankeis. 



DEKE 

le^enschap , o. Deanery , Deanship. 

Dekenverkooper , zie Dekenkooper. 

Dekhamer, m. Nail-drawer. 

Dekkleed, o. Cloth to cover something ^^ 
Covering., * — , van een paard , zie Scha- 
brnk. 

Deklood , o. Sheetlead. 

Dekniaiuel, 111. tig. Pretext^ Cloak. 

Dekken, b. w. to Cff^'er^ De tzCoA — , 
to Lay the cloth ; Zich — , to Put on one'^s 
hat; ng. bcschiucen , to Defend ^ Cover; 
Ik ben gedekc, / am safe; De s'ad 
werd door een magtig Icger gedekt , The 
town was covered by a powerful army. 
* — , in de schilde'rk. , als : Eene iceke- 
ning — , to Shade a painting. * — , van 
sommige dieren , to Cover , Line. • — , 
bij koopl., als! Een' wissel — , to Pay 
a bill. 

Dekker, ni. Coverer^ Tiler ^ Shingler. 

Dekking, vr. Covering, etc., zie Dek- 
ken. * — , zie Deksel. 

Dekk'eed, o. Covering, Cloth, Coat^ 
Decking. * — , zie Schabrak. 

Dtkknies , vr. meerv. scheepsw. , Knees 
of the deck. 

Dckpau, vr. Tile, Pantile, 

J^ekiaag, vr. Covering layer, 

Deklood, o. Flat lead. 

Dekmantel, ni. iig. Cloak , Cover , Pre- 
text. 

Dekplankje, o., zie Dakbordje. 

Dekriet , o. Reeds for the thatching of 
houses , pi, 

Dekschild, o. fjTing-case ; Met dekschil- 
dcn , Colopteral , Sheathy-wivged. 

Deksel, o. Covering; Voedsel en — , 
Food and raiment. * — , potdeksel , 
Cover, Potlid; sprw. Die den bodem 
van de kan wil zien , of Die hcconderste 
uic de kan wil hebben , krijgt dikwijls 
liec — op den neus , He that wants to 
have all , often gets nothing , All covet , 
all lose, 

Deksceen , m. Coping. 

rDcksiroo , o. Thatch. 

Dckstnk, o. in de bouwk., aan ccne 

! ziiil , Abacus. 

jDekstiit, m. scheepsw., Stanchion of 
the deck, 

Dekverw, vr. Colour to cover with. 

iDekvltjugel , ui. , zie Dekschild. 

Del , vr. Dale. 

Delfijn, m. , zie Dolfijn in de i.beteck. 

DcUsclt, vr. , zie Delver. 

polfsrof, vr. Dlirrral. Metal; Hot rijk 

' IIOLL. ENG. WBK. 



DELF 



i: 



der delfstoffen, (in de natuurl, 
gesch. , ) The'mineral reign. 

Deltscoffelijk , bv. Blineral, 

Delgen, zie Uindelgen. 

Deluw , bv. Livid. 

DclHng, vr. , zie D«l. 

Delven, engel, b, w. to Dig, Delve; 
Onder de aarde — , to Bury; Uic de 
aarde — , to Dig up; zie Onderspit. 

Delver, m. Digger , Delver, 

Delving, vr. Digging, Delving. 

Delling, vr. laagte, f^al/ey y Dale, 

Demoed , m. Humility. 

Deuioedig, bv. Humble, * — , bw. 
Humbly. 

Deinocdigcn , b. w. to Humble. 

Demoedigheid, vr. Humbleness. 

Demoediging, vr. Humbling. 

Dcnioediglijk, bw, , zie Demoedig. 

Dempen, b. w. snioren, to Smother ; fig. 
lemands ijver — , to Squadi one'' s ar- 
dour ; Een oproer — , to Quell a riot. 
* — , opvullen, als: Eene grachc— , 
to Fill up a ditch; Eene trommel — , 
to Dead or Deaden the sound of a 
drum; sprw. Den put — , als hetkalf 
verdronkcn is, to Shut the stable-door, 
when the steed is stolen.*— , scheepsw., 
als: Een zeil — , to Haul up a sail. 
* — , bij toonkunst. , zacht doen klinken , 
to Deaden, 

De-nper, m. One that smothers ^ etc.*-^, 
aan een speelmig. Mute. 

Dempig , bv. Pursy , zie Darapig. ^. 

Dampigheid, \i', Pursjness , zie Dampig- 
heid. 

Demping , vr. Smothering , etc. 

Den, m. zekcre boom. Fir, Fir-tr»e. 

Den, bep. lidw. (3. naamv. m. en o. en- 
kelv., en 4. naamv. m. enkelv. en 3. 
naamv. m. en o. meerv.,) IVie , To the. 

Dcngcncn, aanw. voorn. C3- en 4. 
nv. m. enk. en 3. nv. m. meerv.) to 
him^ Him, To them. To those, 

Denkbaar , bv. Conceivable , To be thought. 

Denkbaarheid, vr, Conceivableness. 

Dcnkbeeld, o. Idea, Notion ^ Concep- 
tion. 

Denkbeeldig, bv. Ideal ^ Imrginary. 

Denkbccldjgl)cid, vr. Being ideal. 

Dcnkelijk , bv. , zie Dviik^aar. * — , 
waarschijnlijk , Probablf, Likely. 

Dcnken, omeg. b. en o. w. met Ileb 
hen, Po Think; Ik zal cr aan (oni) — , 
Pll think if it; Dat is zoo mijnc m;(- 
i:;er (\v:jzc) van — , T'uit is try w ■;: 



178 



DENK. 



of thinkitjg. * — , een begrip vormen , 
to Conceive; Dat laac zich niec — , 
Tliat is not to be conceived; fig, geloo- 
^en, to Believe. * — , vermoeden , to 
Suppose. * — , zich herinneren, als: Denk 
aan mi] , Remember me. " — , beoordee- 
\qv\^ to Judge. * — , voornemens zijn , 
to Intend. * — , zie Gedenken. 

Denker, m. Thinker, Philosopher. 

Denking, vr. Thinkings zie Deuken. 

Deukkracht, vr. , zie Denkvermogen. 

Dcnkster, vr. , zie Denker. 

Denkvermogen, o. Intellectual power. 
Faculty of thinking. 

Denkwijs, Dcnkwijze, vr. Manner of 
thinking. 

Dennen, bv. Of fir. ^ 

Dennenappel , ni. Fir-nut, Cone of firs. 

Dennenboora, ni. Fir-tree. 

Dennenbosch , o. IVood of firs. 

Dennenhouc, o. Fir-wood. 

Dennenzwam , vr., zie Zwara van dennen. 

Denzelven , pcrs. voornaamw, (3. en 4. 
nv. m. enkelv. en •?,. nv. m. en o. raeei v. ) 
Him ^ To him. To them , Them. 

Der, bep. lidw. (2. nv. van het meerv. 
der 3 geslacht , en 2 en 3 nv. enkelv. en 
meerv. \r.)Ofthe, To the; Hec kind 
— moeder , The child of the mother. The 
mother''s child; De pooren — ta^el. The 
feet of the table ; De kleederen — mecse- 
laars, koningini.en , The clothes of the 
masons , queens , The masons^ , Queens'* 
clothes; Ik zeide het— vrouw, — vrou- 
wen , / said it to the woman , women. 

Derde , bv. Third. * — , m. derde per- 
soon. Third person. * — , derde da«j. 
Third. * — , o. derde deel , Third, Third 
part ; Ten — , Thirdly , In the third place. 
* — , vr. insoramige kaarrspelen, Sequence 
cf three cards Tierce ; Eene — van den 
koning , ui tierce from the king. 

Derdehalf , bv. Two and a half; Derde- 
halve stuiver. Two pence halfpenny ; Der- 
dehalve el, 2\vo yards and a half. 

Derdendaagsch, bv. als: Derdendaagsche 
koorts. Quartan, Quartan ague. 

D«irt."n, b. w. letsel doen , to iJurt , to Do 
harm, to Injure. ♦ — , medelijden ver- 
weklen, to Give concern^ to Afflict ;Q\} 
deerc mij in der dazd ^ Tour' situation 
grieves me indeed. * — , schonen, hin- 
tlerlijk zijn, als : Wat deert u? , What 
ails you? 

D e rge lij k, bv. Such , Such like. 

Dergene, aanw. vuv/.(_2. r.v. vr. enkelv.^ 
Of her. 



DERG 

Dergenen, aanw. vnw. (2, nv, meerv.) 

Of them , Of those. 
Derhalve, voegw. Therefore. 
Dermace , bw. To such a degree , In such 

a manner. So much. 
Derrie, m. Clay, which forms the first 

stratum after clearing away the mud in 

boggy countries. 
Derrieachtig , bv. Clayey, zie Derrie, 
Dertel, enz., zie Dartel, enz. 
Dertien, telw. Thirteen. * — , vr. Thir' 

teen. 
Dertiendaagsch, bv. Every thirteenth day. 

* — , zie Dertiendagig. 

Dertiendagig , bv. Of thirteen days. 

Dertiende, bv. Thirte^enth, * — ,0, Thir- 
teenth part. 

Dertienclehalf, bv. Twelve and a half. * — , 
m. formerly a coin or piece of twelve 
stivers and a half, 

Denienjarig, bv. Of thirteen years, 

Dertienraaal , bw. Thirteen times. 

Dertienraalig , bv. Thirteen times repeated. 

Dertienraaandig , bv. Of thirteen months. 

Dertienije , o. Thirteen stivers piece. 

Dertienurig, bv. Of thirteen hours, 

Dertig , telw. Thirty, 

Dertigdaagsch , bv. Every thirtieth day. 

* — , zie Dercigdagig. 
Dercigdagig, bv. Of thirty days. 
Derciger, m. Member of 'an assembly of 

thirty persons. *— , Person of thirty years 

old, * — , fFine of thirty years or vfthe 

year 1830. 
Dertigerhande , Dertigerlei , bv. Of thirty 

sorts. 
Dertigraaal , bw. Thirty times. 
Dertigmalig, bv. Thirty times repeated. 
Dertigsre , bv. Thirtieth; fig. Op zijn elf 

en — , In perfect order. In the utmost 

order. * — , o. Thirtieth part ; Ten — , 

In the thirtieth place. 
Dertigstehalf , bv. Thirty nine and a 

half. 

Dertigvoud , o. Thirty times as much. 
Dertigvoudig, bv. Thirty-fold. 
Dertigwerf, zie Dertigmaal. 
Derven , b. w. to Miss. 
Derver, ra. One that misses. * — , in de 

spraakk. , Ablative case. 
Derving , vr. Missing. 
Dervis , m. Dervis. 
Derwaarts , bw. Thither ; Herwaarts en 

— , Hither and thither/ 
Derzelve, pers. voorn(2. naamv. van hec 

meerv. en 2. ens. naamv. ^'^n !iet vrouw. 

enkelv. en meerv,, zie Dezelve,) Of 



DERZ 



Di:UG 



170 



him, her , it , Of them , To her. To them; I 
zie ook Derzeiver. 

Derzelver , pers. voorn. (2. naarav. van 
hetmeerv. en van het vr. enkelv.) Aaum. 
Die woord, als ook deszelfs , staa: akijd 
voor een zelfstandig naamw. en Derzel- 
ver en Deszelfser achter, en vervani^en 
de plaats van bezitt. voornaamw. , als : 
De huizen derzelve , Derzelver huizen , 
(van mcerpersonen^, Their houses ,{\&n 
een' persoon) , Her houses. 

Des, bep. lidw. (2. naamv. van liet ra. 
en o. enkelv.) Of the ; Met huis — va- 
ders , The house of the father, Thefather^s 
houie ; De tak — booms, The branch of 
the tree. * — , bw. daarora , als: — te 
meer, So much the more. *— , voegw. 
Therefore, 

Desgelijks, bw. Likewise, Also. 

Desgenen , aanw. vnw. (2. naamv. m. en 
o. enkelv., schoon het o. zelden voor- 
komt,) Of him. Of it. 

Deshalve , zie Derlialve. 

Deskundig, bv. Expert, Skilful, Able, 

Deskiindige , tn. Able man.* — , inzond. 
bij regtsgel.:Deskundigen,,/af3' of artists. 

Desnietterain , bw. Nevertheless , For all 
that. 

Desniettegcnstaande, bw. Notwithstand- 
ing. 

Desolaat, bv. Insolvent. 

Deswege , bw. , zie Derhalve. 

Deszelfs, pers. vnw. (2, nv. ra, en o. en- 
kelv.), zie Derzelver. 

peszelven , pers. vnw. (2. nv. m, en o. 
enkelv.), zie Derzelver. 

Deugd , vr. f^irtue , Firtuousness , Probity. 
* — , goede cigcnschap , Virtue ; sprw. 
van den nood eene — rnaken , to Make a 
virtue of necessity.* — , inuerlijke waardc, 
Excellent quality. * — , niu, als: Dai 
zal den zieke — docn,/f will be fortify- 
ing , "wholesome , for that sick man. 

Deugdelijk , bv.braaf, Virtuous. * — , echt, 
Real^ True. * — , bw. Virtuously. ♦—, 
Really, Truly. 

Deugdelijkheid, vr. Virtuousness. ♦ — , 

! Reality. 

Deugdlicvend, bv. Loving virtue. Vir- 
tuous. 

)eiigdrijk , bv. Rich in virtue , Virtuous. 
Jeugdzaam, bv. Virtuous.* — ,\^v\sx.oi- 
fen , dieastig , stcrk , Strong , That -wears 
^y^^ll t Excellent. * — , bw. Virtuously. 
3cugdzaamhcid, vr. Virtuousness. •— , 

^Excellence. 

Peugen , o. w. met Hcbbcn, to Be of\ 



some value , to Be fit for some purpose ; 
Niet — , to Be good for nothing, to iServe 
no purpose. 

Deiigniet, m. Good-for'ttothingfellow. 

Deuk , vr. Dint. 

Deuken, b. w. to Dint ^ zie Indeukcn. 

Deun, m. Tune, Song. 

Deun , bv. Parsimonious , Close fisted , 
Niggard. * — , bw. Niggardly. *— , na- 
bij , Near, 

Deunen, o. w. met Ilebben , to Sing. 

Deunheid, vr. N'ggardness , Niggardli- 
ness , Parsimony, 

Deuntje, 0., zie Deun, m, 

Deuntjcs, bw. Niggardly, 

Deur , vr. Door; De — uitgooljen , to Turn 
out of doors; fig. De — voor iets open 
zeiten , to Give an opportunity fr some- 
thing ; Voor de — staan , to Approach , 
to Be near at hand; zie ook Gas;^ Mec 
de — in 'chuis vallen, to Blurt out. 

Deurbeslag , o. Iron-work of a door, 

Deurblad, o. Hare'^s-ear. 

Deurdorpel , m. (beneden,) Door-sill, 
Threshold, (boven ,) zie Boveucirenjpcl. 

Deurduim , m. Hinge (^of a door'), 

Deiirhamer, m. , zie Deurklopper. 

Deurhengsel, o. Hinge of a door, 

Deurkazijn, o. en vr. Doorcase, Door- 
frame. 

Deurklink, vr. Latch of a door, 

JOeurklopper , m. Door-knocker, 

Deurknop , m. , zie Knop ecncr deur. 

Deurkozijn , zie Deurkazijn. 

Deurkruk, vr. , zie Kruk eener deur. 

Deurlijst, vr. Door-frame, 

Deurpost , zie DeurstijI. 

Denrraara, vr. en 0., zie Deurkozijn. 

Dcurring , m. Ring of a door , Door-rirg, 

Deurschel, vr. Bell of a door. 

Deursleutel, m. Key of a d»or, 

Deurslot, o. Lock of a door. 

Dcurspijker, m. NaiJ of a door. 

DeurstijI, m. Doorpost. 

Dcurwaarder,m.bij eeu geregtshof , 5ttm- 
moner. Tipstaff. 

Deurwaardcrschap , o. Ofice of a sum- 
moner. 

Deiirwachter, m. , Deurwachiercs , Detir- 
wachtiter, vr. Doorkeeper. 

Deurwas, zie Deurblad. 

Dcus, vr, twee oogen in het dobbL-lffcl, 
Deuce. 

Deutel, m. PTedre. 

Dcutclijzer, o. Iron pin, 

Deuvckarcr , «i. Christmass' cake ,• De - /, 
The douce! 



180 



DEUV 



Deuvik, m. S/'igot, 

Deuviken, b. vv. to Draw off by the 
spigot, 

Devics, o. Device, Motto. 

Dewelkc, betrekkelijk vooriiaamw. , zic 
Welke. 

Dewijl, voegw. , Because^ Since. 

i)eze , bv. en aanw. voornaamw, ( voor 
hec m. en vr. en voor hecnieerv.) This, 
(meerv., TheaeX 

Dezc]fcie,bv. The same, The very. h^wm. 
Die woord wordt becer vaueengeschre- 
ven (^De zelfdc). 

Dczelve, peis. voornaamw. (voorhetm. 
en vr. en voor het meerv. i. nv.") He , 
She ^ They ^ (en den4. nv. meerv. euvr. 
enkelv. ) Them , Jler ; (also : It , because 

^fhe genders may be different in the two 

: innguages ; als: De som is groot , hoe 
zal ik — betalen, The sum is large ^how 
^hall I pay it ? ) Aanm. De 2.naamv. (des- 
zclFs (deszelvcn), derzelver(derzelve), 
meet in het Eng. door de bezittelijke 
voornaamw. wordcn vercaald, als: Zij 
bedanktcnden ministervoordeszelfs guns- 
uge tusscbenkonist , They thanked the 
minister for his faviurable interference. 
Aanm. Men begiut het gebruik van die 
woord hoe langer hoe meer te vermijden. 
♦ — , ook somsgebr. voor de zelve , zie 
Zelve. 

Diadecm , m. Diadem. 

Diagonaal, vr. Diagonal. 

Diaken, m. Deacon. 

Diakeuschap , o. Deaconship , Deaconry. 

Diakoues, vr. Diaconess. 

Diakonie , vr. , zie Armbestuur. 

Diakoniearme , m. en vr. Poor man , woman 
child , boy , girl of the parish. 

Diakoniekind , o. Parish-child. 

Diakonieschool, vr. , zie Armenschool. 

Diamani , m. Diamond, Adamant, 

Diamanten, bv. Diamond, Adamantine. 

]Diamantgruis, o. Diamond-dust, 

Diamantmijn, vr. Diamond-mine. 

Diamantslijper, m. Diamond-cutter, 

Diamantstecn, ra. Diamond, 

Diameter J m. Diameter. 

Dicht, o. Poem, Poetry, 

Dichtader, vr. Poetical vein, 

Dichcen , o. w. met Hebben , to Invent^ 
ook: in i icht scbrijven , ro TVrite verses. 
* — , b. w. to Make, JFrite , Compose, 
Poetize, Versify^ Een lied — , to Make 
a song. 

D'chter, ni. Poet. 

Dlchieres, vr. Poet, Poetess. 



DlCil 

Dichterljjk, bv. Poetic, Poetical. * — , 
bw. Poetically. 

Dichcgenootschap, o. Company of poets. 

Dichckunde, vr. Art of poetry. Poetry, 
Poesy, 

Dichckundig, bv. Poetic, Poetical. 

Dichtkunst, zie Dichckuude. 

Dichtmaat, vr. Poetical metre, 

Dichtluim, vr. Poetical rapture. 

Dichtlust, m. Poet''s heat, 

Dichtmaat, \r. Metre ; In — , In verse. 

Dichcregel, m. Line of a poem. Verse. 

Dichtster, vr. , zie Dichteres. 

Dichtstuk, o. Poem, Poetical piece. 

Dichtvuur, o. Poetical rapture. 

D'chtwerk , o. Poem ; Dichtwerken , 
Poetry. 

Die, aanw. voornaamw. (^voor het m.en 
vr. enkelv, en voor het meerv.) That, 
(^meerv. Those, ) * — , betrekkeljjk voor- 
naamw. (voor het m. en vr. enkelv. en 
voor het meerv., ) Tuat , IVhich , JFho. 

Dief, ra. Thief, Robber ; fig. aan de kaars, 
Thief. 

Diefachtig, bv. Thievish. * ~ , bw. Thie- 
vishly^ 

Diefachtigheid, vr. Thievishness. 

Diefduim, ui. Thieps thumb, 

Diefegge, vr. Thievish woman, 

Diefhanger, Diefhenker, m. Hangman, 
Excecutioner , zie Beul. 

Diefijzer, o. Shackle, 

Diefkelder,m. Prison for thieves, Dun geor 

Diefleider, m. Tnief-taker. 

Diefsch, zie Diefachtig. 

Dlefscal, m. Theft, Robbery. 

Diegene, zie Degene. 

Diemet, o. Dimitty. 

Diemetten, bv. Of dimitty , Dimitty. 

Dienaangaande , bw. Concerning that , 
With respect to that. 

Dienaar, m. Servant; Ik ben uw geboor- 
zame — , (in den briefstjjl,^ / am your 
most obedient servant ; Een' — maken , to 
Bow. * — , ambtenaar. Officer, Minis- 
ter. ♦ — , knecht, Servant; — der jus- 
titie, zie Geregtsdienaar 5 fig. — der zon- 
de , One that is given over to sin , 
Sinner. 

D enares , vr. bij wijze van pligrpleging, 
als : Uwe — , Tour servant ; Eeue — ma- 
ken , to Curtsey, 

Diender, ra. , zie Geregtsdienaar. 

Dienen, b. en o, w- met Hebben , diensc 
doen, to Serve. * — , vrijwillig, als: 
lemand ergens in — , to Be of service to 
one. * — , om loon , als : lemaud ( of : Bij 




DIEN 



iemand) — , to Be in one"*! service ; Hei 
land (of : Bij bet land) -7, /(?^* in mili- 
tary or naval service, * — , o. w. deu- 
geii , voegen , to Be useful^ to Suit ,• Dae 
dienc nergens toe, That is of no use at 
all ; Die spijzen -^ mij niet , Those meats 
are not wholesome for me; Om u te — , 
Tes , at your service. * — , antwoorden, 
to Answer; Ik zal n daarop — , / shall 
answer you upon that subject. 

Diengenen, zie Dengenen. 

D'cnst, vr. vrijwillige diensr, gunst , 
Service., Favour .^ Office; Iemand zijne 
goede diensten aanbieden, to Offer on e\- 
eood offices; Die knccht zoekt eene — , 
That servant wants a master ^ a service; 
fig. De eene — is de andere waard , 
One good turn Reserves another. * — , 
krijgsdiensc , Service ; In — zijn, to Serve 
in ihe army or fleet. * — , inu ^ Service^ 
Use ; Ik heb geene — van mijn paard , My 
horse is of no service or use to me. *— , 
eercdienst , Service. 

Dienstaanbieding, vr. Proff^er of service. 

Dienstbaar, bv. In domestic service; — 
zijn, to Be a servant. 

Dienstbaarheid, vr. Domestic service. 

Dienscbode, m, en vr. Domestic servant, 

Dicnscpeld, o., zie Dicnsdoon. (^BleniaL 

Diensrliuis, o. House of bondage. 

Dienstig, bv. Useful, Proper ^ Suitable. 

D'ensdgheid, vr. Usefulness y Suitableness, 

Dienstjaar, o. Tear of one'^s service. 

Diensfknecht , m. Servant. 

Diensrloon, m. en o. IFages ^ pi.. Hire. 

Dientiraaagd, vr. Servant-maid,, Maid- 
servant. 

Dici.smieid, zie Dienstniaagd. 

Djenstmeisjc , o. , zie Dieiisttneid. 

Dieostpligiig, bv. Obliged to Service ; 
Ecn dienstpligcige , A conscript. 

Dieiiscvaaidig , bv. Serviceable , Officious. 

• — , bw. Officiously, 
Dienstvaardiglijk, bv/. , zie Dienstvaardig, 
Diciistvrij , bv. Free from service. 
Dienstwiilig, bv. en bw. , zie Dienstvaar- 

<^i?. * — , in den briefstijl. Obedient, 
Most obedient. 

Dit-nstwilligheid , zie Diengtv.aardigheid. 

Dicnsvolgcns, bv. Accordingly. 

Diep, bv. Deep, Profound; sprw. vStille 
waters hebben diepc gronden , Smooth 
water runs deer; f\v!;. — gepeins, Profound 
tneJitation ; Dic^e ecrbicil , Profound 
respect; ~su\zw']j^ren^ Profound or Utter 
silenie ; — in schtihi, y'ery much indebted. 

* — , bw. Deeply , Profoundly ; Ecn schip, 



DIEP 



181 



dat niet — gaat , A vessel that draws but 

little water; fig. — in de vijftig. Far 

above fifty years of age ; flet zit nice 

dieper bij hem , His sagacity does not 

reach farther.* — , o. waterdiepte , Deep. 
Diepachtig, bv. Rather deep. ^ 
Diepdcnkend, bv. Profound in thinking. 

Investigating. 
Diepen, b. w. to Deepen. * — ,bijsciiil- 

dcrs , to Shade. 
Dieper, in. One that deepens or shades. 
Diepoang , ra. Gage. 
Diepgrondig, bv. Deen. 
Dieping, vr. Deepening. * — , Shadirg. 
Dieplood, o. Plummet , Sounding-Hue. 
Dieppeinzend , bv. Meditating , Pensive. 
Diepsel , o. Shade. 

Diepte , vr. Depth. * — , zie Afgront'. 
Diepcemeter, m. bij mijnwerkers, Ciino- 

meter. 
Dicpzinnig ,bv. Abstruse , Profound. *-, 

bw. Abstrusely. C^'^.V- 

Diepzinnigheid , vr. Abstruseness, Ahstru- 
Diepzinniglijk, zie Diepzinnig, bw. 
Dier, aanw. vnw. (.:. nv. meerv. der 3 

geslaclucn en vr. enkelv. ) Of those , Of 

that. * — , C"^. nv. vr. enkelv. en meerv. 3 

To that,, To those. 
Dier,o. Animal; fig. Zij is een — Cook: 

eene dierazje) , 5//e is a great scold, 

a termagant. 
Dier, ( veroud., ),zie Diiur. 
Dicrazje , vr. , zie Dier. 
Dierbaar, bv. Beloved, Dear, Precious. 
Dierbaarheid , vr. Deamess , Pi eciotisness. 
Dierenbeschrijver, ni. Zocgrapher. 
Dierenbesclivijving, \v. Zoography. 
Dierengevecht , o. Fight of animals. 
Dierenhuid, o. Hide 0/ an animal. 
D'crenkweller , m., Dicrenkwelaier, vr. 

Tormenter of animals. 
Dicrenriein, ra. in de sterrek, , Zodiac. 
Dierenrijk, o. Animal reign. 
Dierentemnier, m. Tamer of animals. 
Diercnwereld, vr. Animal reign, 
Diergaarde , vr. Park. 
Diergclijk, zie Dergelijk. 
Dierhalve, zie Derhalve. 
Dierkoop, zie Duurkoop. 
Ditfrkring, zie Diercnriem, 
Dierkunde , vr. Zoology. (^logically. 

Dierkunilig , bv. Zoological, * — , bw. Zoo- 
Dierkiindige, m. en vr. Zoologist. 
Dierlijk , bv. Animal, 
Dierlijkheid , vr. An'imalitv. 
Diermensch , o. niciiw w. in do \>. j^' .- 

geerie , Aaimal man. 



182 



DIER 



Dierperk , o. , z\e Diergaarde. 

Dierplant, vr. Zoophyte. 

Uierrijk, bv. Rich in animals, 

Diersoort, vr. Sptcies of ant m ah. 

Diertje, o. Little animal., Animalcule. 

Dies, hw. Therefore., Thus, 

Dieshalve, zie Derbalve. 

Diets, b\v. a!s : lemand iets — maketi , 
to Make one believe * thing. 

Dieve^ge , zie Diefej^^e. 

Dieven, b. w. to Pilfer away ^ to Steal , 

Dievenlnn'aarn , vr. Dark lantern. 

Dievenleider, zie Dicfleider. (^bers. 

Dievenrot , o. 'Thieves , pi, , Gang of rob- 

Dieventaal, zie Gaatuvdievenraal. 

Dievevij , vr. Theft ^ Stealing ^ Rob- 
bery^ Felony. 

Different, o. Dijfenrence. 

Di^gel , vr. Potsherd. 

Digr, bv. en bw. vast. Solid., Dense; 
fig. Een — bosch , A thick wood; Gij 
schrijfc te — irieen, Touwrite your lines 
too close; Hij scond — aan de devir. 
He stood close to the door ; — bij , Fery 
near; Dek mij — toe. Cover me snugly. 
* — , vvcl gesloten , Close ^ Tight; Is 
het vat .— ?, Is the cask tight? ; Doe 
de dear — , SJ^ut the door; fig. Hij is 
te — , ik kan niats ontdekken , /y« A'^^/>y 
a secret too well, I can get nothing out 
ef him, 

Digten , b. w. to Close , to Make close ; 
Kant — , ro Mend lace. 

D'grhcid, yr. Solidity , Solidness, Density; 
fig. Proximity. 

Digtheidmeter, m. Areometer, 

Digtjes, bw. Closely. 

Digtsier, zie Kancdigtsrer. 

Dij , vr. Thigh. 

Dijbeen, o. Sone of the thigh y Thigh. 

Dij'e, zie Dij. 

Dijen , o. w. met Zijn, to Swell, to 
Pttf up , to Rise. 

Dijgen , ongel. o. w. met Flebben , zie 
Dijen. Zie ook Gedegen. 

Dijharst, m. Buttock, 

Dijing, vr. Swellings Pttffing up. 

Dijk, m. Dike, Dam ., Bank i fig. lemand 
aan den — jagen, to Turn one out of 
doors; Dat brengc zoden aan den — , 
Tliat helps a great deal; Hot is eea 
kerel als een — , He is a stout fellow, 
* — , All that belongs to the raising 
of dikes. 

Dijkaadje , vr. , zie Dijk. 

Dijkaarde, vr. Earth fit for dikes, 

Dijkagie, Dijkazje, zie Dijkaadje, 



DIJKB 

DIjkbaas, ro. Undertake f>f dikesr, 

Dijkbreuk, vr. Breach in a dike, 

Dij ken, b. w. , zie Bed ij ken. ♦ — , o. w. 
met Hebben, to Make dikes 

Dijker, m. Journeyman employed to make 
a dike; fig. Ecen als een — , to Eat 
greedily, 

Djjkgraaf, m. Supeiintendent of the 
dikes. Dike grave., D'ke-reeve, 

Dijkgraafschap, o. OjUice af a superint- 
endent of the dikes. Office of a dike- 
grave. 

Dijkheemraad, zie Dijkgraaf. 

Uijkheemraadschap, zie Dijkgraafschap. 

Dijkmeester ,• ra. Master or Overseer of 
the workmen employed at a dike. 
Dike-master. * — , zie Dijkgraaf, 

Dijkpaal, m. Dike stake. 

Dijkpligtig, bv. Bound to some contri- 
bution or labour for the entertaining of 
a dike, 

Dijkregt, o. Laws about all that belongs 
to the entertaining of dikes. 

Dijkschouw, vr. Inspection of a dike. 

Dijkschrijvcr, m. Secretary to the com- 
mission of the dikes. 

Dijkstoel, o. Direction of the dikes, 

Dijkwerk, o. ff^ork at a dike, 

Dijkwerker, zie Dijker. 

Dijspier, vr. , zie Spier der dij, 

l^ijstuk, o. , zie Dijharjt. 

nijzak, m. Breech-pocket, F'lh. 

i)ij>.ig, bv. Misty ., Hazy , Dark. 

Dijzigheid, vr. Mistiness, 

Dik, bv. Thick; Een — man, A thick 
or lusty man; Dikke sneeuw. Deep 
snow, * — , dig: ineen , Close; Dikke 
melk , Clotted or Curdled milk, * - , 
bw. Thickly; fig. Hij zit er — in, He 
/f a warm ( or monied') man. * — , o. 
Thick part of a thing , als : Hec — van 
bee been, The calf of the leg. * — , be- 
zinksel , als: Ilec — van koffij, zie 
Koffiidik. 

Dikaciatig, bv. Somewhat thick., Rather 
thick. 

Dikbaardig, bv. Thick-bearded, 

Dikbast, m. en vr. Swag-belly. 

Dikbeenig, bv. Thick-legged, 

Dikbek, m. en vr. Person with a thick 
mouth. * — , een vogel , Haw-finch, 

Dikbekkig, bv. Thick-mouthed. 

Dikblad, o. Thick leaved plant, 

Dikbladig, bv. Thick-leaved. 

Dikbloedigy bv. Having thick blood. 

Dikbuik, zie Dikbast. 

Dikbnikig, bv. Paunch-btllied. 



IP 

DIkheid, vr. Thickness, • — , van 
sneeuvv , Deepness. 

Dikken , b. w. to Thicken, to Make 
thick. ♦ — , o. w. met Zijn , to Grow 
thick. * — , van melk, to Clot or 
Curdle. ^- 

Dikkerd, m. Thick or Lusty child. 

Dikkoonig, bv. Having thick cheeks. 

Dikkop, ra. Numskull., Club ^ Jobber- 
non'l. * — 5 borrel, Dram. 

Diklijvig, bv. Corpulent, Very fat. 
Lusty, Jolly. 

Diklip, m. en vr. Blubberlipped person, 
Blubberlip. 

Diklippig, bv. Blubberlipped. 

Dikmaal, Dikmaals , bw. Often, Oft. 

Dikmuil , zie Dikbek. 

Dikpeus, zie Dikhasc. 

Dikte, vr. Thickness. 

Dikvoetig, bv. IIa\>ir7g thick feet. 

Dikvvangig, zie Dikkoonig. 

Dikvverf, Dikwjjls, bw. Often, Oft, 

Dikzak , zie Dikkerd. 

Pille, vr. zeker kruid, Dill, 

Dinj?, o. Thing. 

Dingbank, enz., veroud. , rie Regtbank, 
enz. 

Dingen, ongel. o. w. metHebben, min- 
der bieden, to Cheapen, Bargain. * — , 
trachten , als : Naar een ambc — , to 
Stand a conditate for an employment; 
lemand naar het leven — , to Attempt 
upon one'^s lije; fig. Hij dingt naar de 
galg , He is halter-sick or rope-ripe. 

Dinger, m. Bargainer. * — , naar een 
ambt , Candidate. 

Dinging, vr. Bargaining, * — , Standing 
a candidate. 

Dingsdaagsch, bv. Tuesday, 

Dingsdag, m. Tuesday, 

Dingster, vr. , zie Dinger. 

Dingstigheid, vr. Strife. • — , ding, 
Thing. 

Dingtaal, vr. , zie Regrsgeleerde raal of 
stijl; fig. Solid argument or reasoning. 
Dingzak, \r\. veroud., zie Pleiizak. 
Diploma, o. Diploma. 

iDiplomaac , m. Diplomatist, 
Discant, m. Treble, 
Disch, m. Table. 

iDischdoek, m. veroud., zie Tafcldoek. 
Dischi^enoot , m. en vr. die mcc icmand 
aan de zelfde tafeleec. Messmate, Fel- 
low-boarder. * — , gast. Guest, 
Discligeregt , o. veroud. , zie Tafclge- 
regc. 
Discipel , m. Disciple. 



DiSP 



183 



Dispuut , o. Dispute. 

Dissel, m. limmermans-, kui'pers- en 
wagcnmakersgereedscliap , Addice , 
Chip-axe. * — , aan een' wagen. Beam, 
Pole, Thill, 

Disselboora, m. , zie Dissel in de 2. 
beteek. 

Disselhouw , m. Stroke with an addice. 

Disselpaard, o. Thiller , Thill horse, 

Disselsteel , m. Handle of an addice, 

Distel, vr. Thistle. 

Distelachtig, bv. Like a thistle ; fig. 
zie Distelig. 

Distelbloem , vr. Thistle flower. 

Distelig, bv. Thistly; fig. Quarrelsome. 

Discelkruid, o. name of those herbs, that 
have prickles, 

Distelvink, m. Green-finch, Siskin, 

Distillatie , vr. Distillation. 

Disti'iateur, m. Distiller. 

Distilleerglas, o. Still, Retort. 

Distilleerkolf , m. , zie Distilleerglas. 

Disiilleren, b. w. to Distil. 

Dit, aanw. voornaaraw. (voorheteukelv, 
van hec o. gesl. ) This , zie Deze. 

Di:o , bw. Ditto, The same. 

Divan , ni. Divan. 

Dobbel , bv. , zie Dubbel. 

Dobbcl , m. Game at dice., Dice-play; 
Ec-n' goeden — hebben , toWin at dice. 

Dobbelaar, m. , Dobbelaarster, \r. Diet- 
player , Gambler , Elhowshaker, 

Dobbclarij , vr. , zie Dobbel. 

Dobbelbeker, zie Dobbelhoren. 

Dobbelen, o. w. met Hebben, to Play 
at dice; fig. Tejjen twaalfoogen — , to 
Be in critical circumstances. * — , o. , 
zie Dobbel , m. 

Dobbclhoorn, Dobbelhoren, ra. Dice- 
box. 

Dobbelkroes, zie Dobbelbeker. 

Do])bclspel , o. , zie Dobbel, m. 

Dobbelsteen-, m. Die (pi. Dice'); fig. 
Aan (^tot) dobbelsteenen suijden, to 
Cut into little squares, *—, leerling , 
Cube, 

Dobbelziek, bv. Loving the game at 
dice. 

Dobber, m. pen. Float (of a fishing- 
line), Cork, Quill. ♦ — , boei, zieAn- 
kerboei. ♦ — , Little boat, * — , meerv. 
Dobbcrs, Rushes to learn swim- 
ming. 

Dobberen , o. w. met Tlebben , to Swim 
or Float on the surface of the water ; 
fi(?. Tusschen vrees en hoop — » to 
Fluctuate between hope cud fear. 



184 Donn 

Dobbering, vr. Swimming; fig. Fluctua- 
tion. 

Doch, voegw. But, Tet. 

Docluer, vr. Daughter. * — , rneisje, 
als : Eene jonge — , yf girl ^ A young 
lass. * — , bep. in den zin van onge- 
Uuwd , Maiden , Sfiimter. 

Dochterkerk, vr. Filial church. 

DochLcrschap, o. Filiation. 

Dochtersraan, m. Soji-in-hnv. 

Docter, Doctor, m. Doctor^ Physician. 

Dodderig , bv. Drowsy , Sleepf. 

Dodderigheid, vr. Drowsiness. 

Dodei, o. Foul egg. 

Dodoor, m. Humdrum or Sleepy fel- 
low. * — , vr. Drowsy girl or woman. 

Doe , zie Toen. 

Doedelzak, m. Bagpipe. 

Doedelzakspeler, ui. Bagpiper, 

Doek, o. Linen clothe Canvass; Ge- 
wasc — , Oiled cloth ; Op — schilderen , 
to Paint on canvass. * — , verond., zie 
laken. * — , m. stuk van die stof , Cloth; 
zie de zamengest. woord. Ilandoek, 
Ilalsdoek, Zakdoek , enz. 

Doaken, b. w. fig. to Cozen, to Take 
one in. * — , gemcenz., to Bring 
about. 

Doeker , m. fig. Cozener, 

]) caking, vr. fig. Cozening. 

Doekje, o. verkleinw, zie Doek; fig. 
Dae is raaar een — voor hec bloeden. 
That is an insignificant excuse ; Ik 
wind er geene doekjes oni , / do not 
mince the matter ^ I tell it as it is. 

Doekjc-achter, o. een kinderspel, a 
play. 

Doekniaker , m. Clothmaker , Cloth- 
weaver, 

Doekscheerder , zie Droogscheerder. 

Doekster , vr. , zie D<^eker. 

Doel, o. Butt., Mark; fig. Aim. * — , 
m. Place where the armed burgesses used 
to assemble. 

Doeleiude, o. , zie Doel, o. 

Doemen, b. w. to Condemn, Doom. 

])oemenswaaFdig, zie Doemwaardig. 

Doemer, m. Condemner. 

Deeming, vr. Condeivnation. 

Doemlus!:, m. Desire of condemning. 

Doemscer, vr. , zie Doenier. 

Doemwaardig, bv. Coridemnable, Bla- 
mable. * — , bw. In a comdemnable man- 
ner ^ Biamahly. 

Doerav/aardigheid , vr. Being ^ondemn- 
able. ( bw, 

Doemwaardiglijk , zie Doemwaardig , 



DOEM 

Doemzucht, vr. , zie Doemliist. 

D )en , onreg. b. w. to Do ^ Perform , 

Make; Zijn best — , to Do one''s best 
or utmost; lets te — hebben, to Have 
some business^ to Have something to do ; 
fig. Ik vvil erniecs mede te — hebben, / 
will not meddle with it; Wac heb ik 
met u te — ?, tVhat business have I 
got with you? ; Ik heb er mede re — , 
// grieves me; llij heefc (in zijn' win- 
kel) niec veel te — , He has not many 
customers; Zijn zoon maakt hera vee'l 
te — , His son causes him much vexa- 
tion; Wat is daar te — ?, PFhat^s the 
matter there?; Met een mcisje te — 
gehad hebben , to Have had an amour 
witli a girl; Eeu' winkel — , to Keep 
a shop; Hij doet in alles , There is no 
line of business but he meddles with it ; 
Zich vecl (wat) te goed — op zijne 
bckwaamheden , to Be proud of one'' s ta- 
lents ; Zich wat te goed — , to Eat 
gluttonly ; Ergens mede doende zijn , 
to Be busy wit h something ; Zoodoer.de, 
/;; that manner. * — , uitmaken , to 
Make ; Twee schellingen — een pond' 
Sterling, Twenty shillings make a pound 
sterling. * — , opbrengen , als: Dat 
huis doet eene zware huur, That house 
gives a large rent; Beschcid — , to 
Pledge one ; Dienst — , to Be of service 
to one; (in het krijgsw.) to Be onduty. 
♦ — , brengen, steJlen , plaatsen, ieg- 
gen , to Put, Place, Set. * — , te 
weee brengen , dat iers gedaan worde , 
to Cause a thing to be done ; voor de 
onbepaalde wijze van een ander werkw. 
verandert het v. dw. gedaan in doen. 
Aanm. BJjzonder opmerkeljjk zijn voor 
den Hollander de verschiilende wijzen, 
waarop dit doen met een ander werkw. , 
in dszen zin van te weeg brengen , door 
de Engelschen wordt uirgedrnkt. Zie 
hier dezelve kortelijk: Ik heb hem — 
heengaan , / made him go ; Hij deed zich 
(met opzet) verbannen , He caused him- 
self to be exiled; Hij deed hem v/eten , 
He let him know; Hij i]eed de pnorten 
slniien, He ordered the gates to be shut; 
Hij deed zijn' vriend bevorderen , He 
got his friend advanced; Hij deed zich 
de nienwspapieren brengen. He had the 
newspapers brought to him. Zie ook 
Gedaan. * — , o. Doings Acting; Dit 
is mijne wijze van — , This is my man- 
ner of acting or doing; Hij is er — 
en laten, He is quite master there , 



r. 



DOEN 

IIo is consulted there in every thing; 

In goeden — zitieo , to Be in good or 

ea^y circumstances ^ to Have a good live' 

lijiood; lets van — hebben, to Have 

•ccasion for a thing, 
Doener , m. Doer^ meest iu zamenst. 

f^ebruik. 

Doeniet , m. en vr. Idler, 
Doeniug, vr. Doings mcesc in zamenst. 

gebruik. 
Doenlijk, bv. Feasible^ Practicable ^ 

Possible, 
Doenlijkheid, vr. Feasibility^ Practicn- 

bleness , Possibility, 
Doezc, zie Zotskap. 
Doezelair, ni. Estompe, 
Doezckn, b. w. iu de teekenk, , to Paint 

with dry colours. 
Doc sell ng , vr. Painting with dry coJnnrs. 
Dof, m. rienislag in he: roeijeii, Tuck 

Qof the oars'). * — , slag, Knock, Blow. 
Dof, bv, van cen geluid, Hollow, 

Smothered. *— , zonder glans , Dull, 

Faint; fig. van geest. Dull ^ Heavy. 
Doffen, b. w. to Knock, Strike. 
Doffer, m. Knocker, * — , mannetjes 

duif, Blale pigeon; fig. Rake. 
Doffiglieid , zie Dofheid. 
Doffing, vr. Knocking. 
Dofheid, vr. Holluwness {^of sound). 

* — , Dullness (of colour); fig. Blunt- 

ness {of the mind). 
Dofster, vr. , zie DolFer in dei. beteek. 
Dofc, zie Roeihaiik. 
Dog , m. Mastiff"; fig. meerv. Doggen , 

Baluster, 
'Doggcrboot, vr. Dogger. 
Dojer, m. Talk. 
Dok , o. voor schepen , Dock. *—^ little 

bunch of straw placed under the tiles. 
Dokken , b. w. to Lay up a ship in a 

dock, * — , gemeenz. , zie Opdokkcn. 
Doktcr, ra. Physician , zie Docter. 
Dnktcren, o. w. met Hebbeo , to Take 
ic. * — , to Doctor, Physic, Cure. 
, m. (met de o als in zot), Thowl. 
, bv. (met de o als in vol). Mad; 

fig. lletisom — tewordeo, ''Ti< enough 

to make one mad. It is not to bs suffer^ 

ed ; DoUe kervcl , Hemlock. *— , ge- 
meenz. , zie Duizelig. ♦ — , bw. Madly, 
Dolhoord, o. Gunwale, 
Doldrifcijj, bw. Passionate , Hasty ^ 

Inconsiderate, ♦ — , bw. Passionately y 

Hastily , Inconsiderately. 
Doldriftigheid , w.Passionateness , Ilasti" 

€ts , Inconsiderateness y Inconsidcration, 



DOLE 



185 



Dole , vr, een vogel , Jachdaw, 

Dolen , o. w met Hebben, to Err, to 
Go astray; Een dolende ridder , A 
knight errant; Dolende ridderschap , 
Knight-errantry ; fig. to Mistake, to 
Be mistaken. 

Dolfijn, ra. Delphin, ♦ — , dauphin, in 
Frankr. , Dauphin. 

Dolgat , o. Hole to put the thowl in, 

Dolheid , vr. Blodness, 

Dolliuis , o. Mad-house , Bedlam, 

Dolik, vr. Cockle-weed, Darnel. 

Doling, vr. Erring. * — , Error. 

Oollc , m. Dagger , Poniard , Stiletto. 

Dolkcp, m. Passionate , Unconsiderate 
or Ihtbrained jellow. * — , vr. Passi- 
onate woman, 

Dolkoppig, bv. Hotbrained. ♦— , bw. 
Passionately, 

Dolksteek, m. Stab. 

Dolligheid , zie Dolheid. 

DoUcman, zie Dolkop , m. 

Dom , m. hoofdiierk. Cathedral. ♦— , 
loren van eene houfdkerk, Steeple of a 
cathedral. 

Dom, bv. Stupid, Dull, Blunt , Block- 
ish , Silly, Foolish, Non<ensical , Sot- 
tish ; Een domrae zee , A silly trick. 
* — , bw. Stupidly, Dully, Bluntly. 

Donuieken, ra. Dean of the catedral- 
chapter, 

Domein , o. Crown-land. 

Domeinbestuur, o. Administration of th$ 
crown-lands, 

Domcingoed, o,, zie Domein. 

Domcinregt, o. Rig lit of crown- lands, 

Dom beer, m. Prebendary of the catdhedral 
chapter. Canon, 

Donihccrschap , o. Canonship. 

Domlieid, vr. Stupidity, Dulness, 

Dominicaner, bv. als: Doinrainicaner 
inonnik, zie Dominikaan. 

Dominkaan, m. Dowinican. 

Domkapiccel, o. Cathedral chapter. 

Domino, o. Domino. * — , m, Domine. 

Dominokleed, o. Domino. 

Domkerk, vr. , zie Dom, m. in de i. 
beteek. 

Doraklok, vr. Bells of the cathedral, 

Domkop, m. en vr. Simpleton, Block- 
head, Idiot, Dolt, Clum's, Dullard, 
Numskull, Thickskull , Clodpolly Clod- 
pate, 

Domkoscr, m. Clerk of a cathedral, 

Dominekrachc, vr. Engine to lijt np 
burden? y Jack, 

Doramelen, b. w. met Hebben, to Buzz, 



186 



DOMM 



*— , mompelen, to Mumble. ♦— , ge- 
meen, to Slumber ^ Doze. * — , b. w. to 
Blix^ Mingle. 

Dommelijk, zie Dom , bw. 

Dorameling, vr. Buzzing. 

Dommerik, m. , zie Domoor, 

Dommigheid , zie Domheid. 

Domoor, zie Domkop. 

Domp , zie Damp. 

Dompelaar , m. een vogel, Plun^eon, 
* — , One that baptizes by immersion. 

Dompclen , b. w. to Dipy Plunge ; fig. to 
Plunge , Throw. 

Dompcldoop, m. Baptism by immersion. 

Oompeler, zie Dompelaar. 

Dompeliiii^ , vi*. Immersion , Dippings 
Plunging. 

Dompen, b. w. , zie Do'Tipelen in de i. 
beteek. * — , in de krijgsk. lacen zak- 
ken , als : Hec geschuc — , to Lower the 
guns. * — , iiirdooven , to Put out. 

Domper,m., Dompertje, o., Damphoorn, 
Domphoren , m. Extinguisher. 

Dompig, bv. Damp ^ H'^zy ^ Misty. 

Dompigheid, vr. Darkness ^ Haze. 

Dompneus, m. gemeenz. , Large nose. 

Domproost, m. Provost of a cathedral. 

Dom'er, m. Thunder. 

Doiideraal, m. a fish. 

Donderaar, zie Dondergod. 

Donderachcig, hw Thundering ^ Stormy. 

Donderbaard , ra. Jupiter''s-beard 

]")onderbeitel, m. Thunderbolt. 

Doiiderbui , vr. Thunderstorm, Thunder, 
shower. 

Donderbus , vr. Blunderbuss. 

Donderdaagsch, hv. Thursday. 
Donderdag , m. Tl;ursday. 

Donderdagavond, ra. Thursday evening. 

Donderdagmiddag , m. Thursday noon. 

Donderdagmorgen , m. Thursday morning. 

Donderdagnaclu, m. Thursday' night. 

Donderdagnamiddag, m. Thursday after- 
noon. 

Donderdagochtend, zie Donderdagmorgen. 

Dondereu , o. w. mei den onbep. 3. pers. 
met Hebben , to Thunder. *— , met be- 
paalde persoonsaanduid. , to Thunder; 
fig. Tegen iemand — , to Thunder one 
about ; Eene donderende stem , A thun- 
dering voice. 
Doiiderer, zie Dondergod. 
Dondergod , m. in de fabell. , Thunderer, 
Jupiter. 

Dondergoud, o. Aurum fulminans. 
Donderkloot , m. Thunderbolt. 
Donderluchc , vr. Stormy air. 



DOND 

Donders , bw. gemeen , Extremely. 

Oonderjch , bv. gemeen , Intricate , Diffi' 
cult, 

Donderschoer, o. Thundershower. 

Donder^ilver , o. Argentum fulminans, 

DondersUg. m. Thunder-clap. 

Donderstraal , zie Bliksemsiraal. 

Dondcrv aag , zie Donderbui. 

Donderwolk, vr. Thunder-:loud, 

Donker, bv, zwartachtig. Dark ; fig. 
duiscer , Dark Obscure ; Tusschen lichi 
en — , In the 'dusk, twilight. Between 
hawk and buzzard; Donkere woorden , 
Obscure words. * — , betrokken , Cloudy, 
Gloomy. " — , verborgen , als : De don- 
kere loekomsc, The impenetrable future. 

* — , onvriendelijk , Sicrrr , Frowning. 

* — , onvoordeelig , als : Een — vooniic- 
zigt , A black appearance. * — , bw. Dark- 
ly ; fig. Obscurely. * — , o. Dark. 

Donkeracluig , bv. Somewhat dark. 

Donkerblaaiiw , bv. Dark-blue, 

Donkerbniin, bv. Durk-brown. 

Donkergeel, bv. Deep-yellow. 

Doiikergrijs, bv. Dark-gray. 

Dnnkergioen, bv. Dark-green. 

Donkerheid, vr. Darkness ^ zie Donker. 

Donkerlijk, zie Donker, bw. 

Donkerrood, bv. Dark-red. 

Dons, o. Down , Eider-down; ^g. Down- 
bed; Op— slapen, to Sleep on a down- 
bed. 

Donsachtig, bv. Downy, 

Donaen , bv. Down, Downy. 

Dood, m. (00) Death , Decease, Depar- 
ture, Obit; Gij zijt een mandes doods, 
Tou are a dead man ; Zulk eene daad 
vvordt met den — gescrafr, // is death to 
commit such a tiling ; Hij zal er den — 
van hebben , lit will catch his death by it; 
sprw. Des eenen — is des anderen brood , 
The ruin of one is tlie we fare of another; 
fig. Den — onder de oogen zien , to Ven- 
ture one''s life; Den — op de lippen 
hebben, to Be at the point of deaths to 
Be very dangerously ill. * — , bv. en bw. 
Dead, Deceased ; ifig. Die zaakis reeds 
— gebloed, That affair has been forgot- 
ten long since; Een doode tijdvoor den 
bandel,^ dead ( or disadvantageous ) time 
for commerce; Het is— stil weer , It is 
a dead calm ; Een doode stroom (bij 
zeel.), Neaptide , Dead neap; fig. Op 
een' dooden stroom zitteu , to Have no 
customers. 

Doodaas, o. Carrion, zie Kreng. 

Doodarm , bv. Very poor or indigent. 



IF 

Doodnttest, o. Certificate of one''s death. 
Funeral certificate. 

Doodbaar , vr. Bier , Ilerse, 

Doodbed , o. Death-bed. 

Doodberigc, o. Announcement of a de- 
cease. 

Doodbidder, ra. , zie Begrafenishidder. 

Doodbijren, ongel. b. w. to Bite to death. 

Doodbleek , bv. Deadly pale. Pale as 

death. 

Doodboek , o. Bill of mortality., Obitu- 
ary, Register of deaths ; fig. Dieschtild 
staat reeds in het — , That debt is never 
to be reminded. 

Doodbrief, m. Letter in which a decease 
is communicated. *— , zie Doodatcesc. 

Doodbns , zie Lijkbns. 

Doodce61, vr. List of people invited to a 
burial. * — , zie Doodattest. 

Doodeerster, vr. fig. JJ^orthless woman. 

Doodelijk, bv. Blortal, Deadly, Fatal. 

* — , bw. Mortally; fig. — benaauwd, 
Very much ofpressed. 

Doodelijkheid , vr. Mortality. 

Dooden, b. w. to Kill, Slay, to Put to 
death ; fig. to Blortify ; Hec vleesch — , 
to Mortify one''s own flesli ; Zijnc lusien 
— , to Curb oue'^s passions; Den tijd — , 
to Kill tiir.e , to Pass away the time. 

Doodeudans , m. Death-dance. 

Doodenkop , m. Skul/(ofa dead person^. 

* — , in de scheik. , Caput mortiium. 
Doodenmarsch , m. Funeral march. 
Dooder, m. Killer. 

Doodeter*, m. fig, IVorthless man or 

animal. 

Doodgebeten , v. dw. , zie Doodbijten. 
Doodgeschoten, v. dw., zie Doodschieten. 
Doodgcslagen , v. dw., zie r)'>Oiislaan. 
Doodgestokcn , V. dw. , zie Doodsteken, 
Doodgraver, m. Sexton, Gravcdigger. 
Doodgraversvrouw , vr. Sexton''s wife. 
Doodgraverswoning, vr. Sextants house. 
Dooding, \T. Killing ; {[^.Mortification. 
Ooodkist , vr. Coffin. 
Doodkleed, o. Pall, Shroud. 
Doodklok , vr. Belt that is tolled at a 

funeral , Passing-bell. 

Doodkoud, bv. Jls cold as death, 

DoodUrank, zie Doodziek. 

Doodlied , o. Funeral song. Elegy , Dirge. 

Doodloopen, ongel, b. w. i\^. to Outrun. 

* — , o. w. met Hcbbcn, fig. to Have 
no outlet. 

Doodmaal , o. Funeral dinner or supper. 
Doodnioede , bv. Fatigued to death, 
Doodsaugst, m. Agony^ ♦— , Fear of death 



1)00 D 



187 



Doodsbeen ,o. (nieerv. Doodsbeenderen,) 

Dead man^s bone, 
Doodsbenaauwd, hv.Very much oppressed. 
Doodsch , bv. en bw. Deadly ; fig, Dtfd- 

ly. * — , eenzaam , Lonely, Vnfrequentfd. 
Doodschbeid, vr. Deadltness ; fig. Lone- 
liness. 
Doodschieten, ongel. b. w. (Ik schict 

dood , enz. , ) to Shoot , to Shoot to death, 
Doodschrik , m. Deadly fear, 
Docdschuld , vr. Debt made for funeral 

expenses. 
Docdschuldig , bv. Having deserved 

death. 
Doodsgevaar, o. Danger of life , Peril 

of death. 
Doodshoofd, o. Skull. ♦ — , zie Doods- 

hoofdblok. 

Doodshooi'dblok, o. Dead block. 
Dood.slaan, b. w. (Ik sla dood, enz.,) 

to Kill Slay. 
Doods'aap, ra. Sleep of the dead. 
Doodslag, m. Manslaughter. 
Doodslager, ni. Manslayer, 
Doodsnik, m. Last gasp. 
Doodsnood, m. Agony of death ,• fig. Ex- 

tteme distress. 
Doodsteck, m. Mortal stab ; fig. Dat I» 

hem een —in hec hare. That causes him 

great anxiety. 
Doodsteken, b. w.(lksteek dood , enz.,) 

to Stab. 
Doodsteker, m. Stabbcr, 
Doodscond , m. Hour of death ; fig. Fatal 

hour. 
Doodsrer, vr. , zie Do der. 
Doodscil, bv. Very still. 
Doodstraf, w. Capital punishment , Pain 

of death. 
Doodscrijd, zie Doodsnood. 
Doodstroom , m. in do fabell., Styx, 
Doodstuip, vr. Convulsive pang of death. 
Doodverf, Doodverw , vr. Paleness of 

death. * — , bij schildcrs, verw, die 

cersc opgelegd wordt , Dead colour, 
Doodverwen , b. w. (Ik doodverw , enz,,) 

bij schildcrs, to Puint in dead colours 

( zie Doodverw ) ; fig. Hij wordt met dien 

post gedoodverwd. It is said that he is 

designed for that employment. 
Doodvcrwig, bv. As nale as death. 
Doodvijand , m., Doodvijandin , vr. Mor- 
tal enemy; Ilij is een — van labak , //# 

cannot suffer smoking. 
Doodvonnis, o. Sentence of death. 
Doodwcrk, o. jchet'psw. , Dead work. 
Doodwoud , vr. Mortal wound. 



188 DOODZ 

Doodziek, bv. Fery ill. Sick to death. 
Deadly sick. 

Doodziekte , vr. Deadly sickness. 

Doodzondc , vr. Mortal sin. 

Doodzwak, hv. Extremely weak, 

Doodzweet, vr. Dsr.th-sweat. 

Doof, bv. ( oo) Deaf, Thick of hearing; 
Doove necel, Blind or Dead nettle :fi.^. 
Hij is — aan dat oor , He will not hear 
of that matter; Aan eens dooven mans 
deiir kloppen , to Make an umticcessful 
atiplication to one. * — , ui:{?edoofd, 
EvtingTiished^ Dead ; fi'j;. levcnloos , als : 
Mijne vinsrcrs zljn — van de koude , My 
fingers are quite benumbed with cold. 
• — , dof, Faint. * — , I)w. Deafly. 

Doof.ichti;^ , bv. Somewhat deaf. 

Doofachtigheid, vr. Being snwewhat deaf. 

Dooffieid, vr. Deafness , Thickness of 
hearings z'xc Doof. 

Doofpot, m, Extingnifher (for coalsy 

Doofstom , bv. Denf and dumb. 

Doof, m. Thaw y-Xh awing. 

Dooijen , o. w. met C^Q\^ onbep. %. pers. 
en met bepaalde persoonyaanduid. met 
Hebhen, to Thaw; Doen — , to Thaw. 

Dooljin^, vr. Thawing. 

Dooiweder, o. Thaw, Thawing weather. 

Dock, V, t. , z'e Duiken, 

Dool, m,, zie Dolin;?. 

Doolhof, m. Labyrinth^ Maze; dg. La- 
byrinth , Maze. 

Doolpad, o. , zie Dwaa^weg. 

Doolweg, zie D\\'aa]weg. 

Dnop , m. ((?o)in de Chr. godsd., Baptism, 
Christening; Een kind ten — hondcn, 
to Hold ut) a child at baptism; also : to 
Stand godfather or godmother. * — , saus. 
Sauce, 7AQ Eijerdoou, enz. 

Doopattcst, o., zie Doopcerl. 

Doopbaars, zie Waterbaars. 

Doopbekkeii , o. Baptismal basin. 

Doopbock , o. Baptismal register. 

Doopcec'l , vr. Certificate of being chris^ 
tened , Certificate of baptism. 

Doopdag , m. Christening-day, Day of 
baptism. 

Doopeling , m. en vr. One to be christtened 
or newly christened. 

Doopen , b. w. domnelen, to Di/), Plunge; 
fig. Wijn — , to P/it water if? wine. *— , 
in den Chr. gndsd. , to Baptize, Chris- 
fen; fis,. Wieheeft hem colonel gedoop?, 
By whrrt right has he the title of a 
colonel? 

Dooper, tn. Baptizer. ♦— , in de bijh. 
geschied. : Johannes de — ,John Baptist. 



DOOP 

Doopgetnige , ra. en vr, TFitness to the 

ceremonial of christening , Godfather , 

Godmother. 

Doop^oed, o. , zie Doopkleed. 
Doopheffer, va. Godfather. 
Doophefsier, vr. Godmother. 
Doophek , o. a separated place in a chnrcli, 

where baptism is performed and where 
'the deacons, elders and ministers sit, 

Chr. nee I. 
Doophiiis , o. House where a child is 

baptized. 
Doopir,^ ^ vr. Baptizing, Christening. 

* — , Dipping, Plunging. 

Doopjurk , vr. Baptiimal robe. 

Doopkleed, o. Christening-dress , Baptis- 
mal robe. 

Doopmaal, o. Christening-feast. 

Doopmoeder , vr. Godmother. 

Doopmius, vr. Baptismal cap. 

Doopnaani , ra. Cnristian name. 

Doopsel , o. , zie Doop in de i. beteek. 

noopsgezinde , m. Mennonite. 

Doopvader, m. Godfather. 

Doopvisch, zie Watervisch. 

Doopvcnt, vr. Fount, Baptistery. 

Doopwaier, o. Baptismal water. 

Door, m., zie Dojer. 

Door, vrooz. eenc beweging aanduiden- 
de , die de bi'Sfanddeelen eens dings van - 
een scheidc, 172/7;//^/; ,• — eene piank bo- 
re n, to Bore through a board; — liec 
water zwemmen , to Swim through the 
water.*--, langs de binnenste deelen 
van een gescheiden eehecl, Through, 
Out of; — de deur gaan , to Go tlirongii 
the door; — de ramen kljken , to Look 
out of the windows : fig. — de vingers 
zien, to TTink or Connive at a thing. 

* — , met behiilp of toedoen, van , By; 

— magt van geld , By dint of money ; — 
u ben ik gered , / am saved by you. * — , 
gedurende, als: — hetgansche jaar,(of 
met achteraanvoeging \an door: Het 
gaiische jaat- — ,^ During the whole year. 
*— ,.bij verk. van een zamengesceld 
werkw, , als: Is het gezwel reeds door.? 
(doorgebroken ?) Is the abcess come to 
a head? hurst? Zijne schnenen zijn reeds 
— - (doorgeslecen), He has wornliolesin 
his shoes; Ik laac u niec — (doorgaan, 
doorrijden , doorvaren , enz»^, I do not 
let you pa^'s ; Dae kan er niec — (door- 
komen), Tiiat cannot go through ;^'^- 
Dat kan er niet — ,(ook: Dat kan niet 

— den bcugeK) That will not do indeed-, 
That is not ^ to, bel excused. * — , bw. 



DOOR 

Vioroti^hly; Ik ken hem — en — , I 
know him thoroughly ; Ik ben ~ en 
— koud, / am cjuite -chilled. Aanm. 
In zamenstellir.gcn met bijv. w. heefc hec 
«onitijds de beteekeins van dit door en 
door, als: Doorgoed , Very goodnatu- 
fect. ♦— , in zamenscellingen mcc werkw. 
is het nu eens scheidbaar' en dan on- 
scheidbaar (zie de zamengest. woor- 
den}. De beteekenissen waarin het 
dan voorkonu zijn I.) cioor en door, 
als: Doorkneden , to Knead thorougly ; 
II.) ten einde toe, als: Doorlezen, to 
Read all out , to Read through ; III.) 
in alle dee/en, als: Doorreizen, to 
Travel all over; IV.) eene beweging 
lan;gs eene opening, als: Doorhalen , 

to Pull through , Doortrekken , to 

March through; V.) het maken eener 

opening, als: Doortrappen , to Break 

^ by trampling upon; VI.) eene verbre- 

king, als: Doorvjjlen, to File asunder ; 

Vli.) eene vermengiug, als: Door- 
j vlechten, to Twist together; VIll. ) 
[; eene aauhoudendheid , als: Doorspre- 
I ken, to Continue speaking; IX.) eene 

hespoediging , als: Doorstappen , to 
I Blend one's pace; X. ) eene vcrnieti- 

ging, als: Doorwrijveu, to Efface; en 

XI.) overtoUig, als: Doorwonden , to 

JVound. Zie vcrder de zaniengestelde 

werkwooxdeu. 
Door, bv. {oo) veroud. , Foolish, • — , 

m. FjoL 
Doorademen, o. w, met Hcbben, vs. 

to Continue breathing, 
Doorademing, vr. Continual respiration, 
Doorantwoorden , o. w. met Hebben , 

vs. to Continue answering, 
Doorbaauwen , o. w. met Hebben, vs. 

to Continue bawling, 
Doorbabbelen , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue babbling. 
Doorbabijnen , o. w. met Hebben, vs. 

to Continue winding, * — , b. w. to 

Wound by winding. 
Doorbaffen, zie Doorbasscn. 
Doorbaggeren, o. w. met Hebben, vs. 

to Continue, zie Baggcrcn. 
Dooibakken , ongel. h. en o. w. met 

Hebben, vs. to Continue baking. ♦ — , 

b. \v. vos. veroud. enkel nogovcr in bet 

V. dw. Doorbakkca, bv. IVell baked, 

Well done, 

Uoorbaiken , o. w. mc: Hebben, vs. to 
I Continue braying, 
Dooi-l)arsccn , "x-e Uoorbcritcn. 



DOOR 



189 



Doorbassen , o. w. met Hebben , vs. 
to Continue barking, 
Doorbeijeren, o. w. met Hebben , vs. 

to Continue chiming. 
Doorbeitelen, o. w. met Hebben, vs. 

to Continue chiseling. 
Doorbekeren, o. w. m et Hebben , vs. 

to Continue toping. 
Doorbellen, zie Doorschellen. 
Ooorbengelen , o. w, met Hebben, vs. 

to Continue ringing, 
Doorbersien, ongel. o. w. met Zijn, vs. 

to Burst, 
Dooibeteren , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue recovering, 
Doorbeuken, o. w. met Hebben, vs. to 

Continue beating. * — , b, w. to 

Boat asunder. 
Doorbeugelen , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue, zie Beugelen. 
Doorbeuren, zie Doortillen, 
Doorbeuzelen , o. w. me c Hebben , vs. to 

Continue trifling, 
Doorbidden , ongel. o. w. met Hebben , 

vs. to Continue prayirg , begging. 
Doorbijien, engel, o, w. met llebben, 

vs. to Continue biting. * — , h. w, lo 

Bite through, * — , van bijtmiddelen , 
j to Corrode, > 

Doorbikkelcn , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue, zie Bikkelca. 
Doorbikkcn, o. w. met Hebben, vs. 

to Continue bicking. 
Doorbilleu , o. w. me; Hebben, vs. 

to Continue sharpening. 
Doorbiljarten , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue playing at billiards, 
Doorbinden, ongel, b. w. vs. to Bind 

through. *—, to Wound by binding. 

*— ,o. w. met Hebben, toContinus 

binding. 
DoorblaAren , zie Doorbladeren. 
Doorbladeren , b. w. vs cnvos. a^s: Eco 

boek — y to Turn over the leaves of a 

book, * — , vos. vlugdg doorlezen , to 

Pecuse cursorily. 
Uourbladcring , vr. Turning over the 

leaves of a book, * — , Perusing. 
Doorblaffen, o. w. met llebben , vs. , zie 

Doorbassen. 
Doorblaren, Doorblaten , o. w. met 

Hebben, vs. to Continue bleeting. 
Doorblazen , ongel. b. w. vs. to Blow 

through, * — , vaneen blazen . /o Zj'/ow 

asunder. ♦ — , o. w. met Hchl)en , 

to Continue blowings to Blow en. 

Doorbleetcn , zie Uov n Lklm. 



190 



DOORB 



Doorblijvcn, ongeL o. w. met Zijn, 

vs. to Remain , Stay. 
Doorbliksemen , o. w. met den onbep. 

3. p., mec Hebbeu, vs. to Continue 

lightening. 
Doorbloeden , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue bleeding. 
DoorbloeijcQ, o. w. met Hebben, vs. 

to Blow on, 
Doorbloesemen, o. w. met Hebben , vs. 

to Continue blossoming. 
Doorblokken, o, w. met IJebben , vs. 

to Plod on. 
Doorbobijnen , zie Doorbabijnen, 
Doorboenen , o. w. mcc Ilebben, vs 

to Go on rubbing, etc. *— , b. w. ;o IVound 

by rubbing. 
Doorboereu, o. w. met Hebben, vs. 

to Continue , zie Boeren. 
Doorboercew, c. w. met Hebben, vs, 

to Continue jesting. 
Doorbonzen, o. w. met Hebben, vs. 

to Go on bouncing. ♦ — , b, w. to 

Bounce through. 
Doorborduren , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue embroidering. * — , b. w. 

to Wound by embroidering. 
Doorboren , b. w. vs. to Bore through ^ 

to Pierce ^Perforate. * — ,0 w. metJiiih- 
ben , aanhouden metboren, to Continue 

boring. * — , b. v^'. vos. to Stab , 

Pierce; fig. E^en schip — , to Sink a 

ship ; Hec doorboorde mijn hart , // 

pierced my heart , / was sorely afflicted 

at it. 
Doorborgen , o. vv. met Hebben, vs. to 

Go on taking or giving on trust. 
Doorboring, vr. Piercing. 
Doorborrelen , o. \v. met Hebben , vs. 

to Continue bubbling or dramming. 
Doorborstelen , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue brushing, * — , b. w. to 

fVonnd by brushing. ♦ — , to /J rush 

through. 
Doorbossen , o. w, met Hebben , vs. to 

Continue bundling. 
poorbrouwen , ongel. o. w. met Hebben , 

vs. to Continue building or ploughing. 
Doorbraak, vr. Breach or Rupture {^in 

a dike^. 
Doorbrabbelen , o. w. mec Hebben, vs. 

to Stammer on. 
Doorbraden , ongel. o. w. mec Hebben , 

vs. t9 Continue roasting, etc. * — , 

b. w. vos. to Hcast thoroughly. * — , 

(▼. dw. en) by. fFell toasted, Well 

dene. 



DOORB 

Doorbraken , o. w. met Hebben, vs. 
to Continue braking or vomiting. •— , 
b. w. to Wound by braking. 

Doorbranden, b. en o. w. met Hebben, 
vs. to Burn through. * — , o. w. met 
Hebben , to Continue burning. * -- , 
b. w. to Burn thoroughly. 

Doorbreijcn , o. \f. met Hebben , vs. 
to Knit on. * — , b. w. to Wound by 
knitting. 

Doorbrekcn , ongel. b. w. vs. to Break 
to pieces or asunder. *—, o. w. met Zijn , 
to Break or Burst through; De zweeris 
door^ebroken , The abcess is come to 
a head or burst through; De dijk brak 
door, The dike broke. * — , brekend 
doordringen, to Break through; Hij is 
(den muiir) dcorgebroken , He broke 
through the wall; fig. Indien dac ge- 
voelt!n doorbreekt,' If that opinion 
becomes prevailing ; De zon breekt 
door , The sun pierces through the 
clouds ; De vijand irachtte door le bre- 
ken , Tne enemy endeavoured to fight 
his way through our army. ♦ — , mec 
Hebben , aanhouden met brcken , 
tn Continue breaking, 

Doorbrckiiig, vr. Breaking to pieces, 
etc. , zie Doorbreken. 

Doorbrenj^en , onreg. b. w. vs, to Get 
through; fig. slijten, ah: Den tijd — , 
to Pass one''s time. * — , verkwisten , 
to Dissipate. 

Doorbrenger, ro. fig. Spendthrift, 

Doorbrenging, vr. fij^. Dissipation. 

Doorbren^s'-er , vr. fig. Spendthrift. 

Doorbrillen , o. w. met Hebben, \s. to 
Continue wearing spectacles, 

Doorbroeden, Doorbroejjen , o. w. met 
Hebben, vs. to Brood on , etc.^ zie 
Broeden. 

Doorbrommen, o. w. met Hebben, vs. 
to Continue grumbling, 

Doorbrouweu, o. w. met Hebben , vs, 
to Continue brewing. 

Doorbnigen , ongel. b. w. vs. to Break by 
bending. * — , o. w. met Hebben, to 
Continue binding. 

Doorbiiijen, o. w. met den onbep. 3. p. 
met Hebben , vs. als : Het buit door , 
The stormy weatJier continues, 

Doorbuilen , o. w. mec Hebben , vs. 
to Continue bolting, (^to Continue lowing, 

Doorbulken , o. w. mec Hebben, vs. 

Doorcijferen , o, w. met Hebben, vs. 
to Cipher on. (denken. 

Doordachc, v. t. en v. dw. , zie Door- 



DOORD 

irdatnmen, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue playing at draughts. 
Doordampen , o. w. met Hebben, vs. to 

Continue steaming or smoking. 
Doordanten, b. w. vs. als : De vloer is 
haast doorgedanst , The floor is almost 
worn out with the continual dancing. 
♦ — , o. w. met Hebben, to Continue 
dancing. 

Doordeelen , b. w. vs. to Divide or Sepa- 
rate. ♦ — , o. w. met Hebben, to Con- 
tinue dividittg. 
Doordekken , o. w. met Hebben, vs. to 

Continue covering or thatching. 
Doordelven , ongel. o. w. met Hebben , 

vs. to Continue digging or delving. 
Doordenken, o. \v. met Hebben, vs. to 
Continue thinJcing ; van hier : * — , b. 
w. vs. en vos. to Consider maturely^ to 
Investigate a matter , to Think profound- 
ly upon a subject ^ Een wel doordacht 
(doorgedachr) plan, A duly considered 
scheme. 

Doordichteu , o. w. met Hebben , vs. to 
Continue writing verses, 
Doordien , voegw. Since ^ As, TFliereas. 
Doordicn€n , o. av. met Hebben , vs. to 
Continue in one^s service. 
Doordobbelen , o. w. met Hebben, vs. 

to Continue playing at dice. 
Doordoen , onreg. b. w. vs. to Get through. 
* — , uitwisschen , to Dash out ; Eeiie 
schuld — ^ to Strike out a debt, ♦ — , to 
Continue , to Go on. * — , zie Doorzijgen. 
Doordolen , zie Doordwalen. 
Doordondeien , o. \v. met den onbep. 3. 
pers. met Hebben , vs. , als : Het don- 
dcrde den geheelen nacht door , The 
thunder continued the whole night, 
Doordooijcn , o. w. met den onbep. 3. 
pers. met Hebben , vs., als: Hetzalniec 
— , Tiie thaw won'^t continue. 
Deordoppen , o. w. met Hebben , v«. to 
Continue peeling, etc. 
Doordorschen , o. vv. met Hebben, vs. to 
Thrash on. * — , b. w. tu Wound or Break 
by thrashing. 
Doordouvvcn , b. w. vs. to Push through. 
* — , o. w. met Hebben , vs. to Continue 
pushing. 
Doordiaafster, vr. , zie Doordraver. 
Doordraaijen, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue turning. * — , b. w. to Turn or 
JFind through. * — , to f round or lireak 
by turning. 
Doordragen, ongel. h. w. vs. to Carry or 
Bear through. * — , b, en o. w. mci 



DOORD 



191 



Hebben , to Continue bearing or car- 
rying. 

Doordraven , o. w. met Hebben , \s. to 
Trot through. * — , met Hebben, aan- 
houden met draven , to Continue trotting; 
fig. Als hij op ziin paardje is, draafc hij 
maar door , zoo dat men geen woord kan 
zcggen , If once his favourite subject is 
started, his tongue runs on, and it is not 
possible to get a word between. * — , 
sterker draven , to Trot faster ; fig. to 
Do any thing in too great a hurry, 

Doordraver, m. One that trots through, etc. 

Doordreunen, o. \v. met Hebben, \s. to 
Continue shaking. * — , b. w. vs. en vos. 
to Shake. 

Doordrijfster, vr. , zie Doordrijver. 

Doordriiven, ongel. b. w. vs. to Drive 
through; fig. to Push, Enforcc,Urge;EeuQ 
zaak — , r<7 Carry one''s point. * — , o, 
wr, met Zijn , to Float through. ♦— , 
met Hebben , to Continue driving or 
floating. 

Doordnjver, m.Rg.Onewho carries one''s 
point , Obstinate person. 

Doordrijving, vr. Driving through, etc, 
zie Doordrijven. 

Doordringelijk, bv. Penetrable, 

Doovdringelijkheid , vr. Penetrability, 

Doordringen , ongel. h. w. vos. to Pene- 
trate ; (meest in de beide deelw. gebr. ) 
als : Eene doordringendp koiide . A pene^ 
trating Qkcen , piercing) cold ; Een door- 
dringend verstand , An acute penetration; 
Van schaamte doordron;.;en , Penetrated 
with shame. * — , b. w. vs. to Push through 
a place; fig. Eene zaak — , (^doordrijven,} 
zie Doordrijven. * — , o. w. met Zijn, 
to Pierce. * — , met Hebben , to Continue 
pu<hing or thronging, 
Doordringend, tegeuw. dw. , zie Door- 
dringen. 

Doordringendheid, vr. Penetrativeness , 
Penetration; — van verstand. Penetra- 
tion, Acutenpss of genius , Sagacity ; — 
van koude. Keenness, Picrcingness of 
the cold ; — van stem , Penetrating voice. 
Doordringer , m. , Doordringsrer , vr. , 

zie Doordrijver. 
Doordrinken , onget. o. \v. met Hebben, 
vs. to Contime drinking. 
Dc^ordrong, v. t. , zie Doordringen. 
Uoordrongcn , v. dw, , zie Doordrin- 
gen: 
Doordroog, bv. Thoroughly dry. 
Doordroomen , o. w met Hebben, vs. lo 
Continue dreaming. 



192 



DOORDR 



Doordroppelen, o. w, met Flebben , vs. 

to Continue dripping. 
Doordroppen , zic Doordroppelen, 
Doordruipen , ongel. o. w. mec Zijn , vs. 

to Drip through i fig. to Steal away. * — , 

met Hebben , zie Doordroppelen. 
Doordruiping , vr. Dripping through ,• fig. 

Stealing away. 
Doordrukkeu, b. w. vs. als : Citroensap 

— , toPress out lemon-juice ( thro"* a clout ). 

* — , door drukken wonden , als: Het 
paard is doorgcdriikc , The horse^s back 
is wounded or sore by the pressure of the 
saddle. * — , o. w. met Zijn, van pa- 
pier, doorvloeijen , to Blot, * — , o. w, 
met Hebben, to Continue printing, 
pressing, etc., zic Drukken. 

Doordrukking, vr. Pressing out , etc., zie 

Doordrukken, 
Doordruppelen , o. w. met Hebben , vs., 

zie Doordroppelen. ♦ — , zie Doorlckken. 
Doordntten, o. w. met Hebben, vs. to 

Doze on. 
Doorduwen , zie Donrdouvven. 
Dooreen , bw. , zie Door elkander. 
Dooreggen , o. w. met Hebben, vs. to 

Continue harrowiug.* — , b. yf» to Break 

or Wound by harrowing. 
Dooreten, onreg. b. w. vs. to Eat through. 

* — , o, w. met Hebben, to Continue 

eating, 
Dooretteren, o. w. met Hebben, vs. to 

Continue suppurating. 
Doorfeppen , o. w. met Hebben , vs. to 

Continue toping. 
Doorfliiiten , ongel o. w. met Plebben, 

vs. to Continue whistling, 
Doorgaan, onreg. o, w, met Zijn, vs. to 

Pierce, to Go through. "^ — , met Heb- 
ben , sterker gaan , to Mend one''s pace. 

* — , aanhoiiden met gaan , to Walk on. 
* — , met Zijn, scil weggaan , /o^^c^/f, 
to Get ojf, to Steal away; Zij is mc 
hem doorgcgaan , 5/^* elor,ed with him. 
* — , (van paardeii ,) hollen , to Take 
fright and run away ; fig. tot stand ko- 
men, to Come to an issue, * — , toege- 
scenid worden , als: Het is bij meerder- 
heid van stemraen doovgegaan , It has 
been carried by the majority of votes. 

* — , in algemeen gebruik komeii, to 
Take , to Becomegeneral. * — , algeraeen 
van krachtzijn, als: Die stelling gaat 
niec door. That argument is not always 
true, not general. * — , voorfduren, 
(eukel'in hec tegenw. d\v.) ais : Eenc 
duorffariiule koor:s , A csiitintinl fever. 



DOORG 

* — , in de ruimste beteekenis , als: Die 
wagen ging snel door, The wnggon passed 
with great speed; Dat schip gnat snel 
door. That vessel saih very swifily; Is 
het gezwel doorgegaan ?, £s the abcess 
come to a head? burst?. * — , b, w. 
door lets gaan , to Go or Pass through; 
fig. vlugtig doorlezen , to Peruse curso- 
rily. * — , nazien , to Examine. *— , door 
gaan kwetsen, als: Zijne voeten — , to 
Walk one'' s feet sore. *—, door gaan ver- 
slijcen, als: Zijne scboenen — , to Walk or 
to Go upon one''s shoes till they have 
holes in them. 

Doorgaand, bv. Continual, Uninterrupted; 
De doorgaande bas. The thorough bass. 

* — , algeraeen, General, Common. 
Doorgaans , bv. Commonly , Generally , 

Usually, 

Doorgalmen, b. w. vs. to Sound through. 
*— , vos. als: Eene zaal met lofzan- 
gen — , to Make a hall resound with 
hymns. * — , o. w. met Ht;bben, vs. to 
Continue sounding , etc. 

Doorgang , m. het doorgaan , Passing. 
* — , plaats, waardoor men gaan kan. 
Passage, 

Doorgapen , o. w. met Hebben , vs. to Con- 
tinue gaping. 

Doorgebeden, v. dw. , zie Doorbiddeu. 

Doorgebeten, v. dw. , zie Doorbijcen. 

Doorgcbleven, v. dw. , zie Doorblijven. 

Doorgebogen, v. dw. , zie Doorbuigen. 

Doorgebonden , v. dw. , zie Doorbinden. 

Doorgcborscen , v. dw. , zie Doorbersten. 

Doorgebracht, V, dw. , zie Doorbrengen. 

Doorgebroken , v. dw. , zie Doorbreken. 

Doorgedaau, v. dw. , zie Doordoen. 

Doorgedacht, v, dw. , zie Doordenken. 

Doorgedolveu , v. dw, , zie Doordelven. 

Doorgedreven, v. dw. , zie Doordrijven. 

Doorgedrongcn , v. dw. , zie Doordringen. 

Door>jedropen , v. dw. , zie Doordruipea 

Doorgelloten , v, ^wf., zie Doorfluiteu. 

Doorgegecen , v. dw. , zie Doorecen. 

Doorgegleden, v. dw. , zie Doorglijden. 

Doorgegoten, v. dw. , zie Doorgieten. 

Doorgegrcnen , v. dw. , zie Dooigrijnen. 

Doorgegrepen , v. dw. ,v.zie Doorgrjjpeu. 

Ooorgehad , v, dw. , zie DcThebben. 

Doorgeheven, v. dw.', zie Doorheffen. 

Doorgeheschen , v. dw. , aie Doorhijschen. 

Doorgeholpen , v. dw. , zie Doorhelpen. 

Doorgekeken, v. dw., zie Doorkijkeu. 

Doorgekeveu , v. dw, , zie Doorkijven. 

Doorgeklommen , v.dw. , zie Dourklim- 
men. 



DOORG 

Doofgeklonken , v. dvv., zxe Doorklinken. 
Doorgeknepen , V. dw. ,zie Doorknijpen. 
l")oorgekocht, v. dw. , zie Doorkoopen. 
Dooigekonnen , v. dvr. , zie Doorkunnen. 
Doorgekorven , v. dw. , zie Doorkerven. 
Doorgekregen, v. dw. , zie Doorkrijgen. 
Doorgekrecen, v. dw. , zie Doorknjten. 
Doorgekrodei) , Doorgekrooijcn, v. dw., 
zie Doorkruijcn. 
Doorgekropen, v. dw. , zie Doorkruipen. 
Doorgelecrd, (v. dw., zie Doorleeren.) 

• — , bv. Thorougli/y learned. * — , wei 
oiiderwezcn , Thoroughly bred, 

Doorgelegen, v. dw., zie Doorliggen. 
Doorgeleid, v. dw. , zie^ Doorliggen en 

Doorleiden. 
Doorgelogen, v. dw. , zie Doorliegen, 
Doorgemogt, v. dw. , zie Doormogcn. 
Doorgemolken , v. dw. , zie Doormeiken. 
Doorgenepen , v. dw., zie Doornijpen. 
Doorgenomen , v. dw. , zie Doornemen. 
Doorgepepen, v. dw. , zie Doorpijpen. 
Doorgeplozeu , v. dw. , zieDoorpluizen. 
Dooigereden , v. dw. , zie DoorrJjden. 
Doorgeregen , v. dw. , zie Doorrijgen. 
Doorgereten , v. dw,, zie Doorrijren. 
Doorgeschenen , v. dw., zie Doorschijnen. 
Doorgcscheten, v, dw. ,zie Doorschijten. 
Doorgesclioten , v. dw. , zie Doorschietcn. 
Doorgeschovcn, v. diw.^ zie Doorschuiven. 
Doorgeschreven , v. dw., zie Doorsciirij- 

ven. 
Doorgeslagen > v. dw. , zie Doorslaan. 
Doorgeslepen , v. dw. , zie Doorslijpen. 
Doorgesleten , v, dw. , zie Doorslijcen. 
Doorgeslopen , v. dw. , zie Doorsluipen. 
Doorgesmeten , v. dw.,zie Doorsmijcen. 
Doorgesmoken , v. dw. , zie Doorsraelten. 
Doorgesneden , v. dw. , zie Doorsnijden. 
Doorgespletcn , v. dw. , zie Doorsplijten. 
Doorgesproken , v. dw. , zie Doorspreken. 
Doorgesprongen , v. dw., zie Doorsprin- 

Sen. 
Doorgestoken , v. dw., zie Doorsteken. 

♦ — ,bv. fig. rietis een— wei'k, (eewe 
— kaart,) It is a contrived plot ^ a thitig 
they have settled tho^ they seem to disa- 
gree , It is a packed business. 

Doorgestoven , v. dw., zie Doorstuiven. 

Doorgestreken , v. dw. ,zie Doorstrijkeii. 

Doorgetrokken , v. dw. , zie Doorcrckken. 

Doorgeven , ongel. b. w. vs. to Reach 
through Qa windon' ^ etc.). * — , o. w. 
met Ilebbcn , in hcc kaarisp. , to Con- 
tinue dealing. (vIccIulti. 

Doorgevlochten , v. dw. , zie Uour- 
HOLL. EJNG. WBIv. 



DOOTIGE 



193 



Doorgevlogen , v. dw. , zie Doorvliegcn. 

Doorgevlocen , v. dw. , zie Doorvlieien. 

Doorgevreven , v. dw. , zie Doorvrijven. 

Doorgewonden , v. dw. , zie Doorwiuden. 

Doorgeworpen, v. dw. , zie Doorwerpen. 

Doorgewreven , V, dw, , zie Doorwrijven. 

Doorgezegen , v. dw. , zie Doorzijgen. 

Doorgezcten, v. dw. , zie Doorzitten. 

Doorgezocht 5 v. dw. , zie Doorzoeken, 

Doorgezonkeii , v. dw. , zie Doorzinken. 

Doorgczwolgen , v. dw., zie Doorzwel- 
gen. 

Doorgezworen , v. dw, , zie Doorzweren. 

Doorgezworven, v. dw. , zie Doorzwer- 
ven. 

Doorgieten, b. w. vs. to Pour through. 
♦ — , o. w. met Hebben , to Continue 
poiringy castings etc., zie Gieten. 

Doorgieting , vr. Pouring through. * — , 
Continual pouriug , casting, etc, 

Doorgisten , o. w, met Hebben , vs. to 
Continue fermenting. 

Doorgisting, vr. Continual fermentation. 

Uoorglijden , o»jg-ff/. o. w. rae: Heb.jen, 
vs. to Continue gliding or sliding. ' — , 
met Zijn, to Glide or Slip through. 

Doorgoed , bv. Entremely good-natured. 

Doorgooijen , b. w, vs. door iets gooijen, 
to Throw through. * — , door gooijen 
eeiie opening maken, to Break by throw- 
ing. * — , o. w. met Ilcbbcn , to Con- 
tinud throwing. 

Doorgraven , ongel. b. w. vs. en vos. to 
Dig through , to Pierce by digging. *— , 
o. w. met Hebben, vg. to Continue dig- 
ging. 

Doorgravcren , o. w. met Hebben , vs. to 
Continue engraving. * — , b. w. ;o Blake 
a hole in ... by engraving ; ook : to 
Jf^onnd by engraving. 

Doorgraving, vr. Digging through , Pier- 
cing. * — , Digging on. 

Doorgrazen, o. w. met Hebben, vs. to 
Graze on, 

Doorgrieven, b. w. vos. to Grieve , to 
Pierce by sorrow. 

Doorgrijnen, ongel, en gel. o. w. met 
Hebben, vs. to Continue weeping. 

Doorgrjjpcii , ongel o. w. met Hebben^ 
vs. to Put one'') hand through. 

Doorgroef, v. t. , zie Doorgraven. 

Doorgroeijen , o. w. , zie Doorwaj5S3n. 

Doorgrondenjb. w.vos. fig. tolnvestigue , 
Penetrate. 

Doorgronding , vr. fig. Investigating « 
Penetrating. 



194 DOOKII 

Doorhagelen, o. w. met den oubep. 3. pcrs. 
met llebben,vs. to Continue hailing. 
* — , als: Hetbageh bier door , llie hail 
penetrates here, 

Doorbakken, b. w. vs. to Hew or Chop 
through , to Cleave. * — , o. w. met Heb- 
ben, to Continue hewing or chopping. 

Doorbakking, vr. Hewing through, ♦ — , 
Hewing on. 

Doorbalen , b. w. vs. to Pull through; fig. 
De zieke zal bet erwcl — , The patient 
will still get the Letter of it ; Ik zal cr 
die zaak wel— , / think lUl bring this 
business about. * — , bij driikk. , als: Pa- 
pier — , to Moisten paper. ♦— , bij 
waschvr. en naaisters , als: Linnen — , 
to Starch linen. * — , uitwisscheii , to 
Dash or Blot out, to Efface ; fig. bekij- 
ven , to Rebuke, 

Doorhaling, yr. Pulling through , etc. 
' — , Starching. 

Doorbebben , onrcg. b. w, vs. eigenlijk 
met uitlati;ig van ten ander wcrk.w , 
als: Ik beb bet boek door Cgelezen), 
/ have read the book out or through. 

Doorbeelen, o. w. met Ilebben, vs. to 
Continue healing, 

Doorbeet, bv. J>ery hot. Thoroughly hot. 

Doorbeffen, ongel, b. w, vs. to Lift 
through. 

Doorheid, vr. veroud.. Folly. 

Doorbelpen, ongel. h. w. vs. to Help 
through , to Procure one the means of 
getting out of; fig. Ilij zal ermij wel- , 
He ^11 help me tc get out of that scrape. 
* — , fara. verkwisten, to Dissipate. 

3:)oorbengelen, o. w. nietHebben, vs. fo 
Continue angling. 

Doorbijscben , ongel. en gel. o. w. met 
Hebben,' vs. to Continue hoisting. * — , 
b. w. to Hoist through. 

Doorhinken , o. w. inVc Hebben , vs. to 
Continue hobbling^ etc. 

Doorhoesceu , o. w. n)et Hebben, vs. to 
Continue coughing. 

Doorhooijen, o, w. met Ilebben, vs. to 
Cont nue making hay. * — , met den on- 
bep. 3. pers. , als : Zal bet van daaj; -?, 
Bo yon think the weather will be fit to 
day for making hay ? 

Doorhouden , cnreg. b. w. vs. to Hold 
through an opening. 

Doorbonwen , ongel. h. v>\ vs. to Hew 
through , to cleave. * — , o. w. met 
Hebben, to Continue heMn'ng. 

J^oorbuiveren , o. w. met Hebben , vs. /<? 
Continue shivering witti cold. 



DOOIIII 

Doorhnppelen ,. o. w. met Ilebben, vs. 
to Continue skipping. * — , met Zijn, to 
Skip through. 

Doorbiicselen , b. w. vs. /oM/.r, to Shake 
together. 

Doorijleu , o. w. met Hebbi-'n enZIjn, vs., 
zie Doorspoeden. * — , met Hebben , 
als: Hij ijlde den ganscben nacht door, 
His delirium continued the wiiole nighty 
He raved the whole night. 

Doorjagen , b. en o. w. met Zijn , vs. /o 
Drive or Chase through a place. * — , 
o. w. met Hebben , van eene trek- 
scbuit , to Make speed in drawing a boat. 
* — , in bet algemeen , stcrker rijden , 
to Ride or Drive faster. * — , b. w. 
sterk door eene plaats rijden , to Ride 
or Drive very fast through a place; ti^. 
to Dissipate. * — , o, w. met Hebben, 
to Continue hunting. * — , to Continue 
driving or riding very fast ; 00k: to Go 
on with driving a boat. Zie Jagen 

Doorjassen , o. w. met Hebben , vs. to Con- 
tinue one*s play , zie Jassen,, 

Doorkaarden, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue carding. 

Doorkaarten, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue one'*s play, zie Kaarten. 

Doorkaatsen , o. w. met Hebben, vs. to 
Continue playing at tennis. 

Doorkaauwen ,0. w. met Hebben, vs. to 
Continue chewing. 

Doorkakelen , o. \v. met Hebben , vs. to' 
Continue chatting. 

Doorkalanderen , o. w. rtet Hebben, vs. 
to Continue calendering. * — , b. w. to 
Break with the calender. 

Doorkalefateren, o. w. met Ilebben, vs. 
to Continue calking. 

Doorkallen, o, w. met Hebben, vs. to 
Talk on. 

Doorkalven , o. w. met Hebben, vs. to 
Continue calving. 

Doorkalveren , o. w. met Hebben, vs. /o 
Continue vomiting. 

Doorkaramen , o. w. met Hebben, to Con- 
tinue combing. * — , b. w. toJVound with' 
the comb. 

Doorkappen, o. w. met Hebbeu, vs^ to 
Continue cuttings hewing, etc. ^ zie Kap- 
pen. * — , b. w., zieDoorhouwen, 

Doorkarnen, o. w. met Ilebben , vs. to 
Continue churning. * — , b. vv. to Break 
or Wound by churning. 

Doorkeek,v. t. , zie Doorkijken. 

Doorkeeren , o. w. met Hebben, vs. ti> 
Continue sweeping'. 



DOORK 

DoorkelTcin, o. w. met Ilebben, vs. to 

Continue harking^ etc., zie IvefFen. 
Doorkesfeien , o. w. mcc Ilehben , vs. to 

Continue playing at ninenins. 
Doorkeken, v. dw. , zie Doorkijken. 
Doorkcrmei), o. w. mec Hebbeii, vs. to 

Continue groaning. 
Doorkprneii , zie Doorkarnen. 
Doorkerven, ongeL b. w, vs. to Carve or 

Chop to pieces. * — , o. w. met Hebbeu, 

to Continue carving or chopping. 
Doorkeiiveleii , zie Doorkouten. 
Doorkiezen, ongel. o. \v. met Hebben , 

vs. to Continue choosing. 
Doorkijken, ongel. b. w. vs. to Look 

through or out of. * — , o. w. met Ileb 

ben, to Continue looking. * — , b. w. 

vos. to Look tlirough ; fig. to Consider on 

all sides. 
Doorkijveii , o;;^^/. o. w. mec Hebben, 

vs. to Continue chiding. 
Doorklagen , o. w. mec Hebben, vs. to 

Continue complaining. 
Doorklaiuereii , o. w. met Hebben , vs. to 

Continue clambering. * — , met Zijn, to 

Clamber through. (^Filtrate. 

Doorklciiizen, Doorklenzen ,b. w. vs. to 
Doorklieven , b. w. vs. to Split through. 

♦— , o. w. met Hebben, to Continue 

splitting. * — , b. w. vos. to Cleave. 
Doorklimmen , ongel. o. w. met Zijn, vs. 

to Climb through. 
Docrklinken, o. w. mec Hebben, vs. to 

Resound. 
Doorklokken, o. w. met Ilebben, vs. to 

Continue clucking. 
Duorkloppen , o. w. met Hebben, vs. to 
:inue knocking. * — , h.xf.to Knock 
'.'gh. 

loven , b. w. \s. to Split {through^. 
, o. w. met Hebben, to Continue 
::ing. 
wuoikhusen, b. w. vs. to Mix, Beat, 

*orknaaauwen , b. w. vs. to Gnaw or 
at through. * — , o. v/. met Hebben , 
to Contiviie gnawing. 
!)oorknabbelen , b. w. \i. to Gnaw through, 

* — ^ to Gnaw a passage through. * — , 
o. w. met Hebben , to Continue gnaw- 

)oorknagen , b. w. vs. en vos. , zie Door- 

knabbelen. 

)oorkneden, b. w. vs. to Knead through. 

* — , o. w. met Hebben , to Continue 
kneading. * — , b. w. vs. en vos. ter 
clcfic kneden , to Knead thoroughly. ' — , 
b. w. vos. fig. to £!ab«rate, (bijna al- 



DOORR 



195 



leen gebr. in het v. deelw. , zie Door- 
kneed). 

Doorkoeed , (v. dw. , zie Doorkneden. ) 
* — , bv. fig. doorwrocht , Elaborate ^ 
Highly finished. * — , kundig , Knowings 
Of a very sound judgement. 

Doorkneedheid, vr. Sound judgement, 

Doorknippen , b. w. vs. to Cut. ♦ — , o. 
w. mec Hebben , to Continue cutting. 

Doorkoken, o. enb. w. vs. to Boil among. 
*— , o. w. met Hebben, to Boil 
thoroughly. * — , to Continue boiling. 

Doorkolven, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue playing at golf. 

Doorkoraen , onreg. o. w. met Zijn , vs. 
to Get through ; tig. Er — , ( van een' 
zieke), to RecoveY ; Er is geen — (op- 
krijgen) aan , Ilis riches will not come to 
an end. 

Doorkomst, vr. Lsue. * — , doortogt, 
Passage. 

Doorkoopen, onreg, o. w. met Hebben, 
vs. to Continue buying. 

Doorkoten, o. w. mec Hebben, vs. to 
Continue playing at cockals. 

Doorkoud , bv. Q^uite chilled. 

Doorkouten , o. w. met Hebben , vs. /? 
Continue chatting. 

Doorkraaijen , o. w. met Hebben, vs. to 
Continue crowing , etc, 

Doorkrabbelen , b. w. vs. to Make apas- 
sage or opening with scratching. * — , o. 
w. met Ilebben, to Continue scratch- 
ing. 

Doorkrabben, zie Dool'^rabbelen. 

Doorkrakeelen , o. w. met Hebben, vs. 
to Continue chiding, etc. 

Doorkrijgen , ongel. h, w, vs. to Get 
through. 

Doorkrijren, ongel. o. w. met Hebbeu , 
vs. to Continue weeping. 

Doorkroop, v. r. , zie Doorkruipeu. 

Doorkopen, v. dw, , zie Doorkrui- 
pen. 

Doorkruijen , ongel. , onreg. en gel. b. 
w. \ s. to Carry tlirough on a wheel- 
barrow, ♦ — , o. w. mec Hebben, to 
Go on with a wheelbarrow. 

Doorkruipen, ongel. o. w. met Zij , vs. 
to Creep through. * — , b. v\'. to 
If 'ear out with creeping. * — , o. w. mcc 
Hebben, to Continue ciee;>in^. *— , 
b. w. vos. in alle dcelen kruipen, to 
Creep in nil parts; fig. langzaam d'-o'-- 
rcizi.'n, to Travel all over, * — , doo, 
siKillelen, to Pry irto^ to Investigate .il! 
that concerns a matter. 



196 



DOORK 



Doorkrin'scn , b. w. vs. en vos. to Cruise 
or Ramble all over, 

Doorkunnen , onreg. o. w. met Hebben, 
vs. to Be able to get through ; Ik kan er 
niet door, / cannot get tlno'' it. Aanm. 
Die w^oord is eigenlijkeene verkort. van 
kunnen , met een ander werkw. C^ls : 
komen^ gaan , loopen, enz. jdat met door 
begint. 

Doorkussen , o. w. met Hebbeu , to 
Continue kissing. * — , b, w. vs. to 
Wound l^y kissing. 

Doorkwelen, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue warbling. 

Doorladen,o. w. metHebben, vs.toCon- 
tinue I lading. 

Doorlagchcn , o. w, met Flebben , vs. to 
Laugh on. 

Doorlangen , zie Doorreiken. 

Doorlaten , ongel. b, w. vs. to Suffer to 
pass., to Let pass. Aanm. Ilicr geldt hec 
zelfde , dat bij doorkunnen gezegd is. 

Doorlating , vr. Suffering to pass , Letting 
pass. 

Doorlaveren , o. w. met Hebben , vs. to 
Continue luffing. 

Doorleenen, o. w.met Hebben , vs. to Con- 
tinue lending or borrowing. 

Doorleeren , o. w. met Hebben, vs. to 
Continue learning. * — , b. w. als : 
Een boek — , to Learn all the contents of 
a book, 

Doorlcggen , ongcl. en gel. b. w. vs. to Lay 
or Put through. * — , o. w, metHebben, 
to Continue laying. ' 

Doorleidcn , b. \v. vs. to Lead through. 

Doorleiding , vr. Leading through. 

Doorlekken, o. w. metZijn, vs. toLeak 
or Drip through. * — , met Hebben , als: 
Het lekt hier door , The water penetrates 
here. 

Doorletteren , o. w. met Hebben , vs. to 
Continue marking. 

Doorleven, b. w. vs. eu vos. to Live over^ 
to Pass, 

Doorlezen , ongel. h. w. vs. to Readout ^ 
to Read all through .^ to Peruse. * — ,o. 
w. to Continue reading. * — , bv. Of 
extensive reading , Deep-read. 

Doorlezing, vr. Reading through, * — , 
Continuing with reading. 

Doorlichten,b.w.vs. toConduct one through 
( a passage , etc. ) with a candle , lamp, 
etc., to Light one through. • — , o. w, 
men Hcblen, met den onbep. 3. pers., 
aanhouden met lichten , (weerlichten,") 
als : Het schijnt , dat het nog eeiie poos 



DOORL 

zal — , /; seems the lightning will con- 
tinue still a while. 

Doorliegen , ongel. o. w. met Hebben, vs. 
to Continue lying. * — , b. w. ,als:Zich 
er — y to Get off by lying. 

Doorliep, v. t., zie Doorloopen. 

Doorliggen , ongel. b. v/. vs , als : De 
zieke heeft zijn' rug doorgelegen, of 
heefe zich doorgelegen. The patient has 
got sore places on his back by lying on it 
so long. * — , o. w. met Hebben, to 
Continue lying. 

Doorbgten, b. w. vs. to Lift through. 

Doorloop, m. gang, Passage, * — - , ge- 
meenz, , Looseness. 

Doorloopen , ongel, h, w. vs. door loopeu 
wonden, als: Zijne voeten — , to Run 
one''s feet sore, ♦— ,door loopen verslijten, 
als : Zijne schoenen — ,to Get holes in one''s 
shoes by running. * — , o. w. met Zijn, door 
eene plaats loopen(ook in den niimeren 
zin van loopen , zie Loopen), als: Het 
dak is niet dig:, de regen is doorgeloo- 
pen , The roof is not close , the rain runs 
through. * — , o. w. met Hebben, 
to Continue running, * — , b. w. vs. en 
vos. van hec eene tot bet andere einde 
loopen , to Run through ,• De aarde door- 
loopt hare baan , Tiie earth pervades its 
orbit; fig. vlugtig nazien, to Examine 
or to Run through cursorily, to Peruse; 
van hier: — vlcescb , Flesh in which the 
lean is well streaked with fat, * — , vos. 
scheepsw. , als: Een schip dwars — , to 
Lay a ship a-board by running the bow- 
sprit over her waist. 

Doorlouteren, b. w. vs. to Purify tho- 
roughly. 

Doorluchtig, bv. de lucht doorlarende, 
als: Een — dak, ^ roof that lets through 
the wind; fig. — snijwerk , Pierced 
carvings. * — , dcorschijnend , Transpa- 
rent; ilg. voornaam, als: Een — vcr- 
stand , Ji sublime genius, * — , zekere 
vorstebjke titel , ais : Uwe doorluchcige 
hoogheid , Tour serene highness, * — , "zeer 
luchtig , F'ery airy. 

Doorluchcigheid, vr. de eigenschap van 
doorluchtig te zijn , zie Doorluchtig. 
* — , zekere vorstelijke litel, Highness^ 
Grace. 

Doormager , bv, P7'ry lean. 

Doormarsch , m. Marching through of 
troops. Passage. 

Doormarcheren , o. w. met Hebben , rs. to 
Blarch on. _♦ — , met Zijn, to March 
through* 



DOORM 

Doormelken , ongel. o. \v, met Hebben , 
vs. to Continue milking. 

Doormengen , b. w. vos. to Mix tlirough 
one another^ to Intermix. * — , b, w. 
vs. to Blix thorougJily. * — , o, w. met 
Hebben, vs. to Continue mixing, * — , 
to Make speed in mixing. 

Doom, m. Thorny sprw. Er zijn geene 
rozen zonder cioornen , All human hap- 
piness is intermixed with some pains; 
fig. D.it is hem een — in het oog , That 
is a grief of heart to him. 

Doornaaijen, b. v/. vs. to Intermix by 
sowing. * — , door lets been naaijen , to 
Sow through. * — , o. w. met Hebben, 
vs. to Make haste in sowing. * — , Con- 
tinue sowing, 

Doornachtig, bv. Thorny. 

Doornagelen , b, w. vos. to Pierce with 
nails. * — , o. w. met Hebben, vs. to 
Continue nailing. 

Doornageling, vr. Piercing with nails. 

Doornappel, m. Thorn-apple. 

Doornat, bv, P^erywet, Quite wet, 

Dooniaccen , b. -w. vs. to W'et thoroughly. 

D'^ornboom, m. Tiiom-tree. 

Doornbosch , o. Thorn-bu^h. 

Doornemen, ongel. b. w. vs. aanhoiiden 
met nemen, to Continue taking; fig.be- 
rispen, to Reprimand ^ Rebuke, Chide. 
* — , door ieis been nemen , to Take 
through. 

Dcornen, bv. Thorny., Of thorns. 

Doornhaag , Doornheg, vr. Hedge of 
thorns. 

Doornig, bv. Thorny. 

Doornijpen, ongel. o. w. met Hebben, 
vs. to Continue pinching, * — , b. w, to 
Pinch tlir^tgh. 

Doovnstekel , zie Srekel. 

Doornsiruik , m. Thorn-bush .^ Brier, 

Doorntak , m. Branch of a brier, 

Doorpakken , o. w. met Hebben, to Con- 
tinue packing, 

Dnorpeilen , b. w. met Hebben , vs. to 
Continue sounding , zie Peilen. 

Doorpersen, b. w. vs. to Press through, 
* — , o. w. met Hebben, to Continue 
pressing. 

Doorpersing, vr. Pressing through, *— , 
Continuation with pressing. 

Doorpiepen, o. w. met Hebben, vs. to 
Continue squeaking, 

Doorpijpen, ongel. o. w. met Hebben, 
vs. to Continue piping. 

Doorplnizen, ongel. o. w. met Hebben, 
vs. to Continue pii.kii;g. 



DOORP 



197 



Doorpriemen , b. w. vs. en vos, to Pierce . 
through. 

Doorrakeii, o. v/. met Zijn, vs. to Get 
through. 

Doorreeg, v. t. , zie Doorrljgen. 

Doorregen , v. dw. , zie Doorrijgen. *— , 
bv. , zie Doorwassen. 

Doorregenen , o. w. met Zijn, vs. als : 
IVIijn rok is geheel doorgercgend , My 
coat is quite snaked by the rain. * — , 
met den 3. onbep. pcrs. met Hebben^ 
als : Het hcefc dczen nacht ovc-nl 
doorgercgend , It has rained this night 
through the roofQor through the windows ) 
in all parts of the house. *— , aanhou- 
den met regenen , to Continue rain- 
ing. 

Doorreiken, b. w. vs. to Reach through 
or out of, 

Doorreis , vr. Travelling or Passing 
through a place. 

Doorreizcn, b. w. vs. door eene plaats 
reizen , to Travel through a place. *— , 
overal reizen, to Travel all over. * — , 
o. w. met Hebben , to Continue tra- 
velling. * — , met Zijn , to Pass on. *— , 
b. w. vos. to Travel all over. 

Doorrennen, b. en o. w. met Zijn , vs. ro 
Gallop through a place. * — , o.w. met 
Hebben , to Gallop faster. *— , to Conti- 
nue Galloping. 

Doonjjden, ongel. b. en o. w. met Zijn, 
vs. to Ride or Drive through a place. 
* — , b. w. to Fret the skin {either 
of the rider or the horse^ by riding.* — ^ 
o. w. met Hebben, to Ride or Drive 
faster. *— , to Con t inn e riding or driving. 
* — , met Zijn, to Ride or Drive on, 
to Pass on, 

Docrrijgen , onget. o. w. met Hebben , vs. 
to Continue stringing , filing up or lacing, 
zie Rijgen. ♦ — , b w. vos. to Stab, to 
Run {one^ through ; zie ook Doorregen. 

Doorrijten, ongel. b. w. vs. to Tear. 

Doonoeijen , . en o. \v. met Zijn, vs. 
to Row through a place, * — , o. w. met 
Hebben, to Make haste in rowing. * — , 
to ( ontinue t owing. 

Doorroercn , b. w. vs. to Mix by stirring, 
to Stir up. "* — , o. w. met Hebben, 
to Stir quicker. * — , to Continue stir- 
ring. 

DoorroUen, b. en o. w. met Zijn, vs. 
to Roll through; fig. to Get luckily out 
of a scrape, * — , o. w. mat Hebben, 
to Continue ml ling. 

Doorrookcu , b. w. vs. en vos. to Swcke 



198 DOORR 

thorotighly. * — , o. vv. aiet Hebben , 
to Contitive smoking. 

Doorrukken, b. w. vs. door iets rukken , 
to Snatch through. * — , doorrukken 
wonden, to Wound hy snatching a 
things to Break with a snatch. * — , 
o. w. met Zijn, van krijgsv. , to Pass 
through a place, 

Doorscliaven , b. w. vs. to Plane entirely , 
to Plane through. * — , dcor schaven 
wondeo , to IFound by planing^ to 
Fret. * — , o. w. met Ilebben , to 
Make speed with planing. ♦ — ^ to 
Continue planing. 

Doorschenken , o. w. met Ilebben, vs. 
to Continue pouring, 

Doorscheren , ongel. o. w. met Ilebben, 
vs. to Continue shaving or shearing. 

Doorschijien , ongel. b. w. vs. to Shite. 

♦ — , o. w. met Hebben, to Con- 
tinue shiting. 

Doorscheuren, b. w. vs. to Tear, * — , 
o. w. met Hebben , to Continue 
tearing. 

Doorschieten, ongel. o. w. met Zijn, 
vs. door iets been glippen, to Slip 
through or offl * — , b. w. als : 
De kaarten — , to I eat the cards. *— , 
met een schoc door ices heen schieten , 
to Shoot through. * — , b. w. vos. ne-' 
dcrschieten, to Shoot; fig. Met papier 
— ^ to Interleave. 

Doorscbijnen , ongel. o. w. met Hebben , 
vs. to Pierce through the clouds. * — , 
to Continue shining. 

Doorschijnend , (tegenw. dw. zie Door- 
scbijnen.) .* — , bv. Transparent ^ 
Diaphanic , Diaphanous. 

DoorschJjnendheid , vr. Diaphaneity^ 
Tranparency. 

Doorschooc, v. t. , zie Doorschieten. 

Doorschoppen , b. w. vs. to Make a hole 
in a thing or to Wound ^ by kicking. 

* — , o. w. met Hebben , vs. to Continue 
kicking. 

Doorschoten, v. dw., zie Doorschieten. 
J^oorschrabben, b. w. to Dash or 

(Hot out. 
Doorschvabbing , vr. Blotting out. 
Doorschrabsel , o. Thing blotted out. 
Doorschrapen , o. vi'. met Hebben , vs. 

to Continue scraping. * — , b. w. vs. 

to Scrape through. 
Doorschrappen , zie Doorschrabben. 
Doorschreeuv^ren , o. w. met Hebben, 

vs. to Continue screaming or crying. 
Doorschrijven, ongel, o. w. met Ileb- 



BOORS 

ben, vs., to Continue writing. * — , 
b. vv. to Wound {one^s fingers') etc. 
by writing. 

Doorschuiven , ongel, b, w. vs. to Push 
through. * — , o. w. met Hebben , 
to Continue pushing. 

Doorsciuiren , b. w. vs. to Scour a hole 
in. * — , door schuren wonden, als: 
Ik heb mijne handen doorgescbuurd , 
My hands are all sore with scouring. 
*— , o. w. met Hebben, to Con^ 
tinue scouring. 

Doorschutren, o. w. met Hebben , vs. 
bij sluisw. en schuitev., door eeneslu 
schutten, to Pass through a sluice. 

* — , b. w. to Let through a sluice. 
Doorslaan, onreg. b. w. v.s, slaande 

doorbrengen, to Beat through ; fig. /o 
Dissipate. * — , schielijk afdoen , als:' 
Gij moet er maar — , Ton should quickly 
make an end ofit ; Zich — , (vechtende 
een' weg banen,) to Fight one''s way. 
* — , o. w. met Zijn, doordringen , 
van regen , enz. to Pierce., (^the roof\ 
The windows ., etc.'); De ink: slaat door , 
the ink sinks through the paper, * — , 
lacen doordtingen , als : Het papier slaat 
door, The paper blots or sink'. * — , , 
o. w. met Ilebben, van paarden, uit 
den draf geraken, to Fall out of the: 
trotting way into the gallop. * — , van 
eene schaal, to BiasSy Turn. * — , ster- 
ker slaan , to Beat with more force, 

* — , to Continue beating. Zie ook 
Doorslaanc). 

Doorslaand, (t. dw. zie Doorslaan.) ♦—, 
bv. Palbable, Undeniable, Evident^ 
Strong. 

Doorslag m. een werkt. bij schoenm. 
en timnierl. , Punch , Puncheon. * — , 
keukengereedsch. , Colander, zie Ver- 
giettesr. * — , zekcre rooster, waarop , 
men bet vaatwerk te droogen zet , 
Drainer. * — , bij wink, en koopl. , 
Overweight. ' 

Doorslapen, ongel. o. w. met Hebben, 
vs. to Continue sleeping. * — , h. vf. to 
Pass sleeping. 

Doorslepen , (v. dw. van het ongebr. 
onscheidb. Doorslijpen.) * — , bv. C«;;- 
ning , 5/3' , Crafty. 

Doorslepen, b. w. vs. to Drag through ; 
fig. lemand er — , to Help one nut. *'- , 
o. w. met Hebben, to Continue 
dragging. ■ 

D'>orsIepenheid , v, t. Cunningness , 
Sliness , Craftiness, 



DOORSL 

DoorsHjpen , ongcl. h. w. vs. to Make a 
hole in a thing Ly ^hnrpening , grimiitig 
or polishing it^ zie Slijpcn. * — , o. w. 
met Heb!>en , vs. to Make haste in 
grinding^ etc. * — , to Continue grind- 
ing , etc. 

Doorslijren, ongel. h. w. vs. to IFear a 
thing till' it gets a hole ^ to Wear out. 

* — , o. w. met Zijn , to Get a hole by 
hei)7g worn. 

DoorsUiipen, engel. o. w. met Zijn, vs. 
tr) Steal througli. 

Doorsluiping , vr. Stealing through. 

Doorsrnakken, b. w. vs. to Cast or Throw a 
thir'g through^ zie Doorsmijren. * — , 
o. w. me'- Ilebben , to Continue with 
casting dice for a job ( as workmen do ) , 
zie Smakken. 

Doorsmelten , ongel. b. w. vs. to Mix 
by melting. * — , door smelten eene 
opening raaken , to Make a hole by 
welting. '*• — , o. vir. met Zijn, to 
Get a hole by melting. * — , met Heb- 
ben , to Continue with melting or 
smelting. 

Doorsmijten, ongel. b. w. vs. to Fling 
through or out of. * — , io Break by 
throwing. * — , o. w, met Hebben , 
to Continue throwing. 

Doorsnede, vr. Intersection; fij;. Een 
geral in — nemen, to Take a middling 
number. 

Doiirsneden , v. dw., z-e Doorsnijden. 

Doorsneed, v. t. , zie Doorsnijden. 

Do'^vsneenwcn , o. w. met Htrbben , vs. 
met den onbep. 3. pers. , to Snow through 
{tlie roof, etc.) * — , /o Continue 
snowing. 

Doorsnijden, ongel. h. w. vs. to Cat 
through , to Cut in pieces ; In vieren — , 
to Cut into four parts; fii?. Ilet ver- 
schil — , to S'ylit the difference. *— , 
o. w. met Ilebbcn , to Contintte cut- 
ting. * — , b. w. vos. to Intersect. 

Doorsnijd'nj^, vr. Cutting through ^ etc. 
— , intersection, , 

DoorsnulFehar, m. , DoorsnnlTclaarster , 
vr. fig. One who searches all about., 
Prier , Searcher. 

])'^ovsnu{i^Q\e\^.,h.w.v?.toSnuff'every where; 
f'fj. to Search all about ^ to Pry into. 

DdorsniifFeler , zie l)oorsnnffeiaar. 

Doorsnuffeling , vr. Snuffing every where; 
i\^. Searching all about., Prying. 

Doorsollen , b. \v. vs. to Blix by tnsn'ng. 

* — , o. w. mei Ilcbbcn , to Continue 
tossing. 



DOORSP 



199 



Doorspekken, b. w. vos. to Lard, In- 
ter/ard; fig. doormengen , to Intersperse. 

Doorspelen, b. w. vs. een niuzijksciiic 
van het begin toe bet einde ?pelcu , 
als : Laat ens dit stuk nog eenmual — , 
Let us perform this piece once again. 

* — , o. w. met Hebben, to Continue ' 
playing^ zie Spelen. 

Doorspitten , b. w. vs. to Dig through. 

* — , o. \v. met Ilebbeu , to Make 
speed in digging. ♦ — , to Continue 

Doorspleet, v. t. , zie Doorsplijten. 

Doorspleten , v. dw. , zie DoorspUjten. 

Doorsplijten, ongel. o. w. met Zijn , vs. 
en b. w. vs. en vos. to Split asunder. 

Doorsplijting, vr. Splitting. 

Doorspceden , o. vv. met Zijn, vs. to 
Speed through. 

Doorspoelen, b. w. vs. to Clean by washing 
or rinsing ; fig. Wij zullen dac no\r 
eens — , We''ll take a draught upon 
that. * — , o. w. met Hebben, to 
Make speed with washing. * — , met 
Zijn , vs. to Flow or Stream through. 

Doorspoeling , vr. Cleaning by washing , 
etc. , zie Doorspoelen. 

Doorsprank, vr. in een orgel. Sounding 
of an organ-pipe before tfie flaps are 
pressed down. 

Doorspreken, ongel. o. w. met Hebben , 
vs. to Continue speaking. * — , van ceti 
orgel , to Sound before the flaps are 
pressed down. 

Doorspringen , ongel, o. w. me: Zijn, 
vs. to Jump or Leap througli. * — , 
met Hebben, to Continue jumping 
or leaping, 

Doorstaan , ongel. h. w. vs. door staan , 
wonden , breken , verslijten , to 
Wound, Break, to Make a hole, to 
Wear out, by standing upon; fig. dnl- 
dcn , to Endure , Sustain , Bear, Sujffcr. 
* — , o. w. met Hebben, zccraansw. 
als: Het schip laten — , to Hold course , 
to Let the ship run, 

Doorstampen , b. w. vs. to Make a hole 
by stamping. * — , door eene opening 
stampen , to Stamp through. * — , door 
elkandcr stampen , to Blix by stamping. 
o. w. met Hebben , to Make haste 
in stamping, * — , to Continue stamping , 
zie Stampen. 

Doorscak, v. i. , zie D'^orsrcken. 

Doorscappcn , o. vv. met Zijn , vs. to 
Step through. * — , met Ilcbi^cn, 
aanstappen , to Mend one"*: pace. * - , 



200 



DOORST 



aanhouden met stappen , to Continue 
stepiiing or walkings zie Stappen. 

Doorsieclc, m. Place where a rupture 
its made in a dike. 

Doors cekeii, cngel. b. w. vs. to Put 
through; fig. Doorgestoken werk, zie 
Doorgescoken. * — , openeii , (een ge- 
zwel,) to Open; (^een' tiijk) to 
Pierce^ to Make a rupture in. * — , 
o. w. mec PIfbben, to Continue 
sticking^ pricking, etc. ^ zie Siekeii. 

* — , b. w. vos. to Pierce, Stab. 
Doorsteking , vr. Piercing through , etc. , 

zie Doorsteken en Stekcn, * — , inzond. 
Piercing of a dike; also: Place where a 
rupture is made in a dike , zie Door- 
steek, 

Doorstiet , v. t, , zie Doorstooten. 

Doorstokcn , v. dw. , zie Doorsteken. 

Doorstooten , ongel. b. w. vs. door eene 
opening stooten , to Push through or 
out of. * — , eene opening makcn , tn 
Break by running something against it. 

* — , ill liet kaarrspel , als : De kaar- 
ten — y to Shuffle., * — , o. w. mec 
Hebben , to Continue pushing. ♦ — , 
b. w. vos. to Stab , Pierce. 

Doorstooting , vr. Pushing through.*—. 

Making a hole in. * — , Continuing 

pushing. * — , Piercing. 
Doorscorten , b. w. vs. to Spill through 

an opening. * — , o. w. met Zijn , 

to Fall through, 
Doorscralen, b. en o. w. met Hebben, 

vs. van de zon , to Pierce or Break the 

clouds. * — , b. w. vos. in de verh. st. 

to Illuminate f to Shine upon. 
Doorstraling, vr. Piercing the clouds. 

* — , Illumination. 
Doorstrijken , ongel. b. w. vs. to Dash 
I or Blot out, to Eff'ace ., Cancel; fig. 

berispen , to Rebuke , Taunt , Chide. 

* — , o. w. mec Hebben , blj waschvr, 
en naaist., to Continue ironing, * — , 
met Zijn , to Abscond , to Get off. 

Doorstrikken, b. w. \^. to Knit ^ to Knit 
through one another. ♦ — , o. w. mec 
Hebben , to Continue knitting. 

Doorstrooijen , b. w. vs. toStrow through 
one another. * — , to Strow through 
some opening. * — , o. w. met liebbeu , 
to Continue throwing. 

Doorstroomen, o. w. mec Zijn, vs. to 
Stream though. * — , mec Heb- 
ben , Zijn, loop ergens door liebbeu, 
to Flow , Stream. 

Doorstuiven, ongel. o. w. met Zijn, vs. 



DOOllST 

doorvallen , van scof, enz. als: Hec 
meel stuifc den zolder door. The meul- 
dust falls through the ceiling. ♦ — , 
mec Hebben, lacen doorvallen, als: 
De Zolder stuifc door, The dust falls 
through the ceiling, 

Doorsturen , b. w. vs. to Steer through. 
* — , o. w. mec Hebben, to Conti- 
nue steering. 

Doorsullen, o. w. vs. met Zijn , vs. to 
Glide through. * — , mec Hebben, to 
Continue gliding. 

Doorcascen , o. w. met Hebben, vs. to 
Grope or Feel through; fig. Hoc worde 
tijd om door te tasien , It is time to 
take decisive measures , to push _ ths 
business with vigour. * — , to Continue 
groping or feeling. ' — , b. w. vos. to 
Search ; fig. Doorcast uwen boezera , 
Pry into your own heart. 

Doortillen, b. w. vs. to Lift through, 

Doortincelen , h,\f,\os.to Move ^ Touchy 
Agitate, Shake. 

Doorcogt, m van krijgsv. , Passing or 
Marching through; fig. Hec water heefe 
geen' — , The course of the water is 
stopped. 

Doortrappen, b. w. vs. to Break by 
trampling upon. * — , door en door 
trappen , to Tread thoroughly. * — , 
o. w. mec Hebben , to Continue 
trampling or treading ; zie Trappen. 
Zie ook Doortrapt. 

Doortrapc , bv. Cunning , Artful ., Crafty, 

* — , bw. Cunningly , Artfully , 
Craftily. 

Doortraptheid , vr. Cunningness , Craf- 
tiness , Sliness. 

Doorcreden , ongel. b. w. vs. to Break 
by treading upon. * — , door en door 
creden , to Tread thoroughly. * — ,' 
o. w. mec Zijn, to Tread or fValk 
through. * — , mec Hebben , to 
Continue treading or walking. 

Doortrekken, ongel, b. w. vs. to Draw 
through. * — , o. w. met Zijn, 
meesc van krijgsv., to March through. 

* — , doorslaan , als: De inkt trekc 
door , The ink sinks through the paper. 
*—, b. w. vos. to Imbibe ^ Impregnate, 

Doortriilen , b. w. vcs. to Thrill through, 

to Agitate , Shake. 
Doorcrok, v, c. , zie Doortrekken. 
Doortrokken, v. dw., zie Doortrekken. 
Doortuiraelen , o. w. mec Zijn, vs. to 

Tumble through. * — , met Hebben, to 

Continue tumbling. 






DOORV 

Doorva^rt, vr. Passing of ships. * — ^ 

Passage for ships. 
Doorvallen , ongeL o. w. met Zijn , vs. 

to Fall trhough, * — , h. w. to Get 

a hole by falling. 
Doorvaren, ongel. o. w. met Zijn, vs. 

to Pass through, * — , met Hebben , 

to Cojitinue sailing or going by 

water. * — ^ b. w. to Break by 

sailing against^ zie Varcn. 
Doorvegen , b. w. vs. to Sweep through, 

* — , o. vv. raec Hebben, to Continue 

sweeping. 
Doorvijlen, b. w. vs. to File asunder or 

through. * — , o. w.mcc Hebben, to 

Continue filing. 
Doorvij'Hng, vr. Filing asunder. 
Doorvlammen , o. w. met Hebben , vs. 

to Continue flaming. * — , b. w. vos. 

zie Vlammen. 
Doorvlechcen , ongel. b; w, vos. to 

In twine , to Twist or TF'reath together ^ 

Een mec linten doorvlochten bloein- 

krans , A garland twisted with ribbons. 

*^ — , o. w. mec Hebben, vs. to Con- 
tinue twisting. 
Doorvlechcen , vr, Intwining. 
Doorvliegen, ongel. o. w, met Hebben, 

vs. to Fly through. * — , met Zijn, vs. 

to Continue flying ; zie Vliegen. 
Doorvlieten, ongel. o. w. mec Zijn, vs. 

to Flow through. *— , met Hebben, 

to Continue flowing. 
Doorvlijraen, b, w. vs. to Open with a 

lance. 
Doorvlijming, vr. Opening with a 

lancet. 
Doorvlocht, V. t., zie Doorvlechcen. 

i Doorvlechcen , v. Av/,^ zie Doorvlech- 
Doorvloeijen , o. w. raec Zijn, vs. to 
Flow through; fig. Dat is niij (George- 
vloeid, Quit hct gcheugen gegaan,) 
That has esca;ed my mnmory. * - 
mec Hebben, to Continue flowing. 
Doorvochtigcn , b. w. vos. to Moisten or 
Humect thorottgiity. 

Doorvoeclen, b. w. vos. to Feed well ; 
(mcestal gcbr. in het verl. dcelvv. ) 
Doorvocd , fFcllfed or fattened. 
Doorvoederen , b. en o. w. met Hebben , 
vs. to Continue feeding. 
Doorvoer , m. Passage , Carrying through. 
Doorvocren, b. w. vs. to Carry through. 
Doorvoering, vr. , zie Dourvoer. 
Doorvragen, o. w. mec Hebben, vs. to 
Continue asking , Begging , Questioning. 



DOORV 



201 



Doorvreten, ongel. h. w. vs. en vos. to 
Eat or Gnaw a passage through. • — , 
o. w, mec Hebben, vs. to Continue 
eatings gnawing^ etc. ^ zie Vreteo. 

Doorvrijven , zie Doorwrijven, enz. 

Doorwaadbaar , vr. Fordable. 

Doorwaadbaarheid , bv. Being fordable^ 

Doorwaaijen , ongel. b. en o. w. met 
Zijn, vs. to Blow through. * — , o. w. 
mec Hebben, to Continue blowing. 

* — , b. vv. \os. to Blow through all 
parts. 

Doorwaden, b; w. vs. en vos. to Ford , 
to Wade over. *— , o. w. mec Hebben , 
vs. to Make haste in fording. * — , to 
Continue fording. 

Doorwading , vr. Fording. 

Doorwaken , b. w. vos. wakend door* 
brengcn, als : In dourwaakte nachcen , 
In sleepless nights. ♦ — , b. w. vs. als : 
Ik heb den gausclien nacht doorgewaakc , 
/ continued watching or sitting up the 
whole nighty zie Waken. 

Doorwaudelen , o. w. mec Hebben, v», 
to Continue walking. * — , b. vv. vs. en 
vos., en o. vv. met Zijn, vs. to Travel 
all over on foot ; fig. In den verb. st. 
als: De geese doorvvandelc hec heelal , 
The mind pervades the universe. 

Doorvvarm , bv. Thoroughly warm , ^^y 
warm. 

Doorwassen, o. w, mec Zijn, vs. to 
Grow through. * — , mec Hebben , 
to Continue growing ; Goed — , to Grcy^^ 
well. * — , b. vv. vos. (enkel gebr. in 
hec verl. deelvv.) als : — vleescii , Meat 
in which the lean is well streaked with 
fat. 

Doorweeken, o. w. met Zijn, vs. en 
b. vv. vs. en vos. to Soak thorougly. 

Doorweeking, vr. Soaking thoroughly. 

Doorvverken , o. w. mec Hebben , vs. to 
Work with speed. * — , to Continue 
working. * — , o. w. door eene 
opening werken , $o Work through , to 
Got through.^* — , hec eene door hci 
hec andere werken, bij bakk. als: Ilei 
deeg — , to Knead the dongh thoroughly. 

* — , b. w. vos. (ook onreg. in hcj 
verl. dcelvv. Doorwrocht ,J to Work 
properly.^ to Elaborate; Een wel door- 
werkc (ook: Doorvvrocht) stnk, A 
highly finished or An elabrate piece. 
* — , het eene door het andere werken, 
to Intersperse y Interlace; Eene met 
zilver doorwerkte (niet doorgewrocb;e ) 
s.of, A stuff' interlaced with silver. 



202 



Doonw 



Doorwerpen , ongel. b. w. vs. , zie Door- 
^ooijen en Doorsmijcen. 

Doorweven, ongel. b. w. vos. to Inter- 
perse (ook fi£?. ). * — , o. w. vs. me: 
Hebben , to Weave with speed. * — ^ to 
Continue weaving. 

Doorwinden , ongel. b. w. vs. to Wind 
through. *~, to Wound Qone^s fin- 

fers ^ etc.') by winding. * — , o. w. met 
lebben , to Continue wind'ng^ etc. 

Doorwisschen , b. w. vs. to Efface , to 
Blot out. * — , o. w. met Hebben, to 
Continue wiping. 

Doorwoei , v. t. , zie Doorwaaijcn. 

Doorwonden , b. w. vos. to Wound. 

Doorworstelen , b, w. vs. to Struggle pr 
Wrestle through ; fig. to Struggle 
through. * — , o, w. met Hebben , to 
Continue struggling or wrestling. 

Doorvvorstelinj^ , vr. Struggling through. 

Doorwrijven, ongel. b. w. vs. to Mix 
by rubbing. * — , door wrijven wun- 
den , to Rub sore , te Wound by rub- 
bing. * — , o. w. vs. met Hebben, to 
Continue rubbing. 

Doorwrijving, vr. Mixing by rubbings 
etc. 

Doorwrocht, v. t. en v. dvf.., zie Door- 
werken. * — , bv. Elaborate. 

Doorwrochtheid , vr. Being elaborate , 
Excellency. 

Doorwroeten , b. w. vs. to Root tho- 
roughly. 

Doofzaaijen , b. w. vs. to Sow among 
one another. * — , o. w. met Hebben , 
en b. w. to Continue sowing. 
* — , b. w. vos. fig. in den dicht. s:. , to 
Intersperse. 

Doorza^, v. t. , zie Doorzien. 

Doorzagen , b. w. vs. to Saw asunder or 
through. * — , o. vi. met Hebben ^ vs. 
to Continue sawing. 

Doorzaging, vr. Sawing asunder. 

Doorzakken, o. \v. met Zijn, vs. to Sink 
through. * — , wcgens te grooten last 
buigen, to Give way by too heavy a 
weight. * — , met Hebben, to Con- 
tinue sacking. , putting corn , etc, into 
sacks , zie Zakken. 

Doorzakking , vr. Giving way, etc, zie 
Doorzakken. 

Doorzeilen , o. w. met Zljn, vs. to Sail 
through. * — , met Hebben , to 
Continue sailing. * — , b. w. to 
Break by sailing. 

Doorzetcen , b, w. vs. fig. to Endeavour 
to bring a thing about , notwithstanding 



DOORZ 

all obstacles , to Push {a matter). ♦— , 
o. w. met Hebben , spoed maken , 
to Blake speed. *— , bij letterz. , to 
Go on with composing. 

Doorzien , ongel. h\ w. vs. to See 
through. * — , bezien, to Look through. 
* — , b. w. vs. en vos. to Penetrate. 

Doorzifceu, b, w. vs. to Sift. 

Doorzigt, o. Fiew i Prospect; lemands 
— belemmeren , to Hinder one''s prospect. 
* — , bezigciging, View , Sight; lemand 
een boek ten — geven , to Give one a 
book for one''s perusal ; ^)g. Comprehend- 
ing ; — in eeiie zaak hebben, to Com- 
prehend a matter. ♦ — , vatbaarheid 
van geest , Penetration , Sagacity , 
Acuteness of genius , Sharpness of ap- 
prehension ; Een man van veel — ^ A 
man of acute apprehension, 

Doorzii^cbaar , zie Doorzigtig. 

Doorzigtbaarheid , zie Doorzigtig- 
heid. 

Doorzigtig, bv. Transparent, Dia- 
fihanous , Translucent. 

Doorzigtigheid , vr. Transparency , 
Diaphaneity , Tanslucency, 

Doorzigtkniide , vr. Dioptrics , pi. 

Doorzijgen , ongel. b. w. vs. to Strain , 
Filtrate , Percolate 

Doorzijging, vr. Straining, Filtration, 
Percolation. 

Doorzijpelen , D'^orzijpen , Doo'zijpe- 
ren , o. w. vs. met ^ijn, to Sink or 
Drip through something', to Trickle 
through. 

Doorzinken, ongel. o. w. met Zijn, vs. 
so Sink throng. h. 

Doorzitten, ongel. o. w. met Hebben , : 
vs. to Continue sitting. * — , b, w. 

/ to Wear out by sitting. * —, to Wound 
by sitting. 

Doorzocht, V, t. en v. dw., zie Door- 
zoeken. 

Doorzoeken, ongel. b. w. vs. en vos. to 
Search, to Search through. * — , o. w. 
met Hebben , vs. to Continue seeking 
or searching. 

Doorzoeking, vr. Searching through. 
Searching. 

Doorzulten , b. w, vos. to Pickle^ fig. 
doormengen , to Intersperse ; Zijne 
redevoering was met geleerde aanmer- 
kingen doorzult. His discourse abounded 
with learned quotations. 

Doorzweeten, b. w. vs. Qvi vos. to Sweat 
through. 

Doorzwelgen , ongel. b. w. vs. to Swal- 




DOORZ 



low ; fig. to Dissi[jate , Spends 
Waste. 

Doorzwelger, m, fig. Spendthrift. 

Doorzwelqjng , vr. Swallowivg ; fig. 
Dissipation. 

Doorzwelgster, vr. , zie Door/.weleer. 

Doorzwerven , ot?gel. o. w. met Zijn , 
vs. en b. w. vos to Ramble thrnugh. ♦ — , 
iT/CC Hebben , vs. to Continue rambling. 

Doos, vr. (oo) Box^ fig. llij heeft wac 
in zijne — , He is a knowing man , 
also : He is a skilful person. 

Dooven , zie Uttdooven. 

Doovigheid, zie Doofheid. 

Uooviug, zie Uicdoovinsr. 

Doozenfabriek , vr. Manufactory of 
boxes. 

Doozenl:raam , vr. Box-slion. 

Doozenkiaamscer, 'vr. , Doozeni<ratner , 
m. Box-seller. 

Doozenmaakstcr, vr. , Douzcninaker , 
m. Box-tnnker. 

Doozenschilder , m. Painter of boxes. 

Dop , m. schil , Shell; sprw. Ileefc bij 
noorjes, zij zal wel clopjes maken , // 
he has got money., she will know the 
means of spending it; fig. Ilij komr 
pas nit den — , He is very yomjg still , 
He has hut just peeped into the world. 

♦ — , deksel, Cnver. * — , zie Dopje. 
Dopje , o. verkleiinv., zie Dop. * — , 

♦ — , inzond. Dopjes, meerv. , (bril 
voor kinderen , die scheel zien,) Spec- 
tacles. 

Dopjes^pel , o. a certain play. 
Doppen, b, w. to Peel., Shell. * — , 

scheepsw. , to Gage or G^uge. 
Dor. bv. droog , Dry., Arid; U^. Dry ., 

Tedious, *— , onvrnchtbaar. Barren. 

* — , verdord , Withered , Dead. 
Dorachtig, bv. Somewhat dry., etc.y zie 

Dor. 
Doren , zie Doom. 
Dorenachtig, zie Doornachtig. 
Dorenen, zie Doornen. 
Dorcnig , zie Doornig. 
Dorenboom, zie Doornboom. 
Dorenbosch , zie Doornbjsch. 
Dorenhaag , zie noornhaag. 
Dorenheg, zie Doornheg. 
Oorcnstekel , zie Doornscckel. 
OiTcnscniik , zie Doornsiruik. 
Dorp , o. yUlagc. 
Dorheid, vr. Drought., Aridity., • — , 

onvruchtbaarheid , Barrenness. 
Dorpachtig, bv. Resembling a village. 

• — , laodelijk, Rustic , Rural. 



DORP 



203 



Dorpbakkcr, m. Baker in a village. 

Dorpbewont^r , m, , Dorpbewroonsrer , 
vr , zie Dorpeling. 

Dorpel , zie Drempel. 

Dorpeling, m. en vr., Dorper m. Fil- 
lager. 

Dorpgeesrelijke , m. Divine of a vil- 
lage , Village-clergyman. 

Dorpherberg , m. Village-inn. 

Dorphuis, o. Common house of a vil- 
lage. 

Dovpjeugd, vr. Country-youth. 

Dorpkermis, vr. Village-fair. 

Dorpklok, vr. Clock of a village. 

Dorpkroeg, yr. Country-inn. 

Dorpland, o. Circuit of a village. 

Dorplieden, Dorphii, Dorpluiden, m. 
meerv. Country-people ., Villagers. 

Dorpmeisje, o. Country-lass , Village- 
maiden. 

Dorppastoor, m. Country-pastor. 

Dorppredikanc, Dorpprediker , m. Coun- 
try-parson. 

Dorppriester, m. Country-priest, 

Dorpregc, o. Rights of a village., pi. 

Dorpsch, bv. Of a village ^ Rural, 
Rustic. 

Dorpschool , vr. Village-school. 

Dorpschoolraeester, m. Schoolmaster of 
a village. 

Dorpschouc , ra. Judge or Bailiff of a 
village. 

Dorpsclinic, vr. Village-barge. 

Dorpswijze, bw. In the manner of a 
village. 

Dorren, o. w. met Zijn, to Wither^ 
Fade. 

Dorring, vr. Withering. 

Dorsch , m. Thrashing, 

Dorschdag, ra. Day on which people aro 
thrashing. 

Dor Chen , b. w. to Thrash ; sprw. 
Hooi — , to Pluck a crow. 

Dor.?cher, m. Thrasher; sprw. Al« cen 
— cten , to Feed like a farmer. 

Dorsching, vr. Thrashing. 

Dorschschuur, vr. Thrashing-barn, 

Dorschsier, vr. , zie Dorsclier. 

Dor-^chtijd, m. Thrashing-time, 

Dorschvicgel , m. Flail. 

Dorschvlocr, ni. Thrashing floor, 

Dorschwagen, m. Thrashing cart. 

Dorst, m. Thirst; fig, — naar weten- 
schap , Thirst for knowledge. 

Dorscen , o. w. met He\?ben, to Be 
thirsty; Die hongcren en — , Th9 
thirsty and hungry; fig, Naar wcteu- 



204 



DORS 



schap — , to Thirst for ( after^ knowledge, 
• — , ook, (en in den niet H^. zin, !.<e- 
meenl.) met den onbep. 3. pers. , als : 
Mij dorst , / am thirsty or dry. 

Dorstig, bv. Thirsty^ t>ry. 

Dorscigheid , vr. Thirstiness , Dryness, 

Dos, m. Raiment ^ Array ^ Dress , Gar- 
meut , IVearing-ap-parel. 

Dossen , b. w. to Dress^ Array. 

Doc, vr. Twirled knot of silk or thread, 

Douarie , vr. Jointure ^ Dower, 

Douariere, vr. Dowager. 

Douche , vr. Pumping. 

Douw, m. Push, 

pouvven, b. w. to P«y// ,• fig. Icniand iets 
in de hand — , to Sell one bad wares ; 
also: to Slip some money into ou''es hand, 
to Give one a fee, 

Dovik , zie Deuvik. 

Dozijn, o. Dozen; Drie— , Three dozen; 
Eenige dozijnen, Some dozens. 

Dozijndichter , in. Pitiful poet , Poe- 
taster. 

Dozijnschilder, m. Pitiful painter. 

Dozijnwerk, o. Bungled wot k. 

Dozijnwerkcr, m. Pitiful or Bad work- 
man , Bungler. 

J)ra , bw. Soon ; Zoo — ( als^ . . . ^ As soon 
as , . , ; Hij had liec zoo — n ec of.. . , 
He had no sooner got it than, , . 

Draad, m. Thread; sprvv. Met hing aan 
een' zijden — , le was a very precurious 
thing; Als ik den — heb, zal ikhetklu- 
wen wel vinden , If once I have the 
thread, P II find the clew. If I know 
but something of the matter , I shall easily 
discover the rest; fig. De — eener rede- 
voering , The thread of a discourse. The 
connexion of the different parts of a dis- 
course ; Voor den — komen , to Say one'^s 
wind, to Give one"* s opinion. * — , van 
vleesch, Fibre. *— , van hoiu , Grain. 
* — , o. van metaal, TFire; inzond. in 
zamensr. , als; Gonddraad , enz. , Gold- 
wire, etc, 

Draadbank, vr. Drawing-bench, 

Draadbus , vr. Drawing-plate. 

Draadijzer, o. , zie Draadbus. * ^ , Iron 
fit to be drawn into wire. 

Draadkogel, m. <'ross-bar-shot. 

Draadsnaar , vr. Wire-string. 

Oraadtrekken , o. TFire-d' awing. 

Draad:rekker, m. Wire-drawer. 

Draadcrekkerij , vr. draadtrekken , /T^/ri?- 
dr awing. *— ,fabrick, waar men draad 
trekc. Manufactory for wire drawing, 

Draidwerk, o. Filigree-work. 



DRAA 

Draad werker,m. Wire-drawer, *—, Work- 
man that makes filigree, 

Draadwinkel, m. Shop where wire rs sold. 

Draafster, vr. , zie Draver, 

Draac;baar , vr. Litter, Handharrow, 

Draagbaar, bv. dat gedragen kan wor- 
den , Portable. * — , dac dragen kan, 
van boomen , Fruit bearing ,fFit to bear 
fruit. 

Draagbaarheid, vr, Portableness, 

Draagbak, m.Trough to carry something in. 

Draagbalk, m. Summer, Beam. 

Draagband, m. Belt; also: Straps Car- 
fyinggirth. 

Draagbcd, o. Palanquin. 

Draagbooni , m. Chair-pole , Carrying- 
pole, 

Draaggeld, o. , Draagloon , m. en o. Por- 
ter''s hire , Porterage, 

Dv&zf^kot£, m.IIandbasket. *— , zie Rug- 
korf. 

Draagloon, m. en o. Porterage, 

Draaginand , vr. , zie Draagkorf. 

Draagriem, m., zie Draagband. *—, Main- 
brace (^0/ a coach). 

Draagscer, vr. , zie Drager. 

Draagsioe! , m. Chair , Sedan, 

Draagscoeldrager , m. Chairman. 

Draagscok, ra. Carrying pole , Shaft. 

Draagcon, vr. Tub that is carried, 

Draagzadel, m. , zie Pakzadel. 

Draai^zetel, ra. , zie DraagstoeL 

Draai, m. Turn, Twirl., Twist; fig. Die 
zaak nam een' anderen draai , That aff^tir 
took another turn ; Ik zal er wel itiet 
een' — (op eene lisnge wijze ) achter 
komen , Pll get it out slily , Pll smell or 
pump is out, * — , slag , Blow ; lemand 
een' — (om de ooren) geveu , to Giv« 
one a box on the ear. 

Draaibank, vr. Turner^s bench, Turtt- 
bench , Lathe. 

Draaibas, vr. Swivel, Swivel-gun, 

Draaibeicel , m. Gauge, Turner''s chisel, 

Draaibooni , m. Tnrn-pike , Turn-post. 

Draaibord, o. Rajfling'board. 

Draaibrug, vr. Swivel-bridge, 

Draaibas , vr. Pederero , Swivelgun. 

Draaihouc, o. Wood fit for turning. 

Diaaijen, b,v^\ to Turn ;Z\c\\ — , toTurn 
round; fig. Hij wil mij eenrad voorde 
oogen — , (ook: Hij zoekc mij ce — ,) 
He endeavours to cheat or bubble me. He 
''II make me believe that the moon is made 
of green cheese ; Hij draaic hec in den 
raad , Hii opinion always prevails in coun- 
cil. * — , op de draaib. , to Turn. * — , 



^1 




DRAA 

itet Kcbben , to Turn; fig. Mijn 
hoofd draaic, My head turtis ^ is giddy. 

• — , talmcii , to Loiter; fig. van partij 
veranderen , to Change sides , to Shuffle^ 
Dodge, * — , met Zijn , van den wind, 
enz. , to Turn ^ Change. 

Draaijer, ra. Turner^ zie Draaijeo 5 fig. 
Turn-coat , Time-server. 

Draaijerij, vr. Turning; fig. Shui 

Draaijersjongen , m. Turncr'^s boy^ 

Draaijersknechc, m. Turner'*s man. 

iJraaijerswinkel , m. Turner'^s shop, 

Draaijing, vr. Turning^ zie Draaijen. 

Draaikolk, m. Whirlpool, 

Draaikonsc , vr. Art of turning. 

Draaikooi, vr. Turning-cage. 

Draaikruk, vr. , zie Kruk. 

Draaikunsc, zie Draaikonsc. 

Draaireep , tn. op schepea , Stay, 

Draaispil, vr. Spindle. 

Draaispit, o. Jack, 

Draaister, vr. fig., zie Draaijer. 

Draaiscroom , zie Diaaikolk. 

Draaitol, m. Totnm ^ fFhirlgig. 

Draaiwerk, o. Turner'*s wares ^ pi. 

Draaiwind, m. Whirlwind, 

Draak , m. in de bijb. gesch. , Dragon. 
•-^, in de nat. hist. , soorc van slang, 
Cerastes. * — , in de scerrek. , Dragon, 

• — , in den .^em. spreektr., stuursch wijf, 
Dragon, Fixen, Serpent; (ig. De — 
sceekt hem, He is out of humour ; Den 
— met iemand steken , to Play the fuol 
with one , to Make a game of one , to 
Banter or Ridicule one. * — , in somnn- 
ge streken , een van papier gemaakt spcel- 
luig, vliegcr, Kite. 

Draaister, vr. , zie Draler. 

Drab , Drabbe , vr. Di egs , Lees , Grounds^ 

//., Sediment. 

D rabbi g, bv. Tarhid, Thick, Muddy. 

Drabbigheid , vr. Turbidness , Muddmess. 

Dradig, bv. Fibrous^ Tou^h. 

Dradigheid, vr. Being jibrous y Tough- 
ness. 

Draf, m. van cen paard. Trot ; fig. Op 
een' — loopcn , to Run with all imagi- 
nable speed. 

Draf, m. grondsop , zie Drab. ♦ — , spoe- 
ling, Swill ^ llng''s wash. 

Oiagant, vr. Goat*s-thorn , Tragacanth. 

Drageliik, bv. Supportable y Tolerable, 

• — , bw. Tolerably. 
Drafielijkheid, vr. Supportablencss ^Tole- 

rableness, 

Dragcn , ongel, b. w. een' last op zijn* 
rug, enz., vervoercn, to Carry; Ilebc 



DRAG 



205 



gij wat te— -, mijn IIeer?,(^ porier^s 
question,^ Shall I carry something fir 
you. Sir? * — , o. \v. met Hebben , op 
dc- zelfdc plaacs blijvende, met een' last 
beladen zijn, to Bear. * — , b. w. fig. 
Den naara , de sduild van iers — , to Bear 
the fault of something ; Kleederen— , 
to Wear clothes; Zijne jaren wel — , to 
Wear one'^s age well; Haat — , to Bear 
hatred , to Hate ; Zorg — , to Care ; Ge- 
tuigenis— , to Bear testimony, to Testi- 
fy ; De onkosten van iecs — , to Bear 
the expenses of something. * — ,0. w. met 
Hebben, dragend zijn, e\.Ker en , to Sup- 
purate ; fig, Eene zaak dragende honden, 
to Protract an affair. * — , dragtigzijn, 
(inzond. van dieren,) to Be with young. 

* — , van geweren, enz., to Reach, 
Carry. 

Drager, m. Porter ^ Carrier , Bearer. 

* — , inzond. lijkdrager. Bearer at a 
funeral. 

Dragon , vr. zeker kvuid , Tarragon, Herb 
dragon. 

Dragonazijn , va. Vinegar made with tar- 
ragon. 

Dragonbed , o. Tarragon-bed, 

Dragonblad, o. Tarragon-leaf, 

Dragonder, m. Dragoon. 

DragonderofBcier , m. Officer of dra- 
goons. 

Dragonderspaard , o. Dragoon''s horse, 

Dragontak, m. Branch of tarragon. 

Dragt, vr. zoo veel men dragen kan , 
Load, Burden; Eene — hout, Aload of 
wood; Hij hecft er eene — zzn , He has 
a heavy load at it; fig. Eene — slagen , 
A sound drubbing. * — , kleedcrdragc , 
Dress , Wear ; Dat is mijne — niet, Sucli 
a dfess does not become me. That is not 
my wear. * — , eener Vfonde ^ Matter , 
Suppuration,* — , inzond. hct loopcn 
der oogen , Gumminess of*the eyes. *- , 
zwangerheid der vrouwcn en dieren, als: 
Zij is in de derde maand van hare — , 
She is in the third month of her preg- 
nancy; Doze teef had drie jongen in 
6(ine — , This bitch had three puppies 
at a litter, 

Dragtig , bv. van beesren With young, 

* — , van eene wondc , Suppurating. *- , 
van dc oogen , Running. 

Dragtighcid , vr. Pregnancy. 

Draiicnbloed, o, indc arisenjjk., Dragon*^- 
blood. 

Drakenboom, m. indeiiat. h'lsi., Dragon- 
tree. 



206 



DUAK 



Drakenkop, m. in de sterrek. , Drajon's- 
head. 

Drakenkruid, o. , Drakenplant, vr: Dra- 
gonwort. 

Drakenslang, vr. in de nat. hisr. , Ce- 
rastes, 

Dralen, o. w. met Hebben , to Loiter , to 
Delay or Differ a fhhg , t'j Ilessitate, 

Draling, vr. L'titeriug, 

Hrama, o. Drama. 

Dramaiiscti, bv. Dramatic^ Dtamatical. 

* — , b\v. Dramatically. 

Draiig , ni. c\unge\\ ^ Pusiiing , Pressing. 

* — , gedraiig , Crowd. 

Di'angretie, vr. Comptilsatory motive^ 
Strong reason. 

Drank, m. hetgene gcdronken wordt. 
Drink , Beverage. * — , inzond. sterkc 
drank, Liquor^ Spirituous liquor ^ van 
hier : Aan den — verslaafd zijn, to Be 
given to drinking (^spirituous liquors^. 

* — , drankjc, geiiccsdrank, Po/Zc';; , Me- 
dicine ; Een drankjc innemen, to Take 
pliysic. 

Di-aiikgeest , m. Spirit of liquor, 
Drankje, o. , zie Drank in de laatsie be- 

leekcnis. 

Drankhoofd, o. drinker. Tippler. 
Draulihuis, o. Alehouse ^Tavern. 
Drankkelder, m. Liquor-cellar ; also: 

Cellar in 'which liquors are sold. 
DrankoflPcr, o. iii oe Ileid. ceied. der 

oudh. , Libation , Drink offering, 
Drankmeesier , m. Butler, 
Drankcon , vr. Drinking-tub. 
Drankvat , o. , zie Drankton. 
Drankverkooper , ni. , Drankverkoopster, 

vr. Seller of liquors, 
Drankwinkel, m. Gin-house., Gin-sjiop. 
Drankziekie , vr. Immoderate desire of 

drinking. 
Drankzucht, vr. , zie Drankziekte. 
Dras, vr. IMud, Marshy ground , Mire. 

* — , bv. , zie Drassig. 

Drasland, o. Marshy ground.^ Miry ground. 

Drassig, bw. Marshy., Bluddy ., Miry. 

l^rassigheid, vr.BIarshy nature, 

Draven, o. vi. met Hebbcn , wanneerde" 
voortduring, cu inec Zijn, wanneer de 
plaarsverandering bedueld wordt, van 
paarden , to Tret; fig. van menschen , 
to Run with all speedy to Trot. 

Draver , m. Trotter. 

Dravig, tri. zeker onkruid , Cockle. 

Dreef , vr. laan , Alley , Lane. *— , kud- 
de , I'lock (pf sheep) ^ Herd or Drove 
i^ofoxen.) * — , oul. , ploegvorc , Fur- 



DREE 

row; en van hier: fig. Niet op zijue — 
zijn , IVot to be at one'^s ea<e , to Be indis- 
posed .^ or out of order. * — , kinnebak- 
slag , Blow., Box on the ear. 

Dreef, v. i. , zie Drijven. 

Dreet , vr. gemeen , biiikonthsting , Stool; 
fig. Hctisgeene — waard , It is gsodfor 
nothing. 

Dreet, V, t. , zie Drijten. 

Dreg , Dregge , vr. Grappling-iron , 
Kedger, 

Dregnet, o. Drawnet. 

Dregtouw, o. Roue of a kedger, 

Dreijiement, o. Blenace. 

.Dreigen, b. v^.to Threaten ., Threat., Ble- 
nace ; lemand met den dood (of: lemand 
den dood) — , to Threaten one with death; 
fig. 0ns dreigt slechc vvcder, /; /^ likely 
that we^l get bad weather, or We are 
like to have bad weather. * — , o. w. 
met Hcbben , weifelen, to Intend; fig. 
Het dreigt le regenen, /; appears as if 
it will rain. 

Dieiger, m. Threatener, 

Dre-ging , vr. het dreigen. Threatening^ 
BJenacing. * — , dreigement, Threat, 
Blcmice. 

Dreigscer, vr., zie Dreiger. 

Drek, m. af^jang , Excrements (^of men\ 
D u ng ( of a n imals ), * — , si ij k , Di> t , 
Filth, Ordure. 

Drck'oak, zie Vnilnisbak. 

Drckj^at , o. Sink. 

Drekgod, m. fig. False god. 

Drekgooc, vr. Drain, Sink. 

Drekkar, vr. Duvgcait. 

Drekhoop, m. Turd, Dunghill. 

Drekkig, bv. Dirty, Bliry, Filthy. 

Drekkigheid , vr. Filthiness, 

]3reknesc , o. Filthy place. 

DrekreLik,m. Dungy smell, 

Drekwagen, ra. Dungwaggon. 

Drempel , m. dorpel , Threshold , Sill; 
fig. De — der wecenschappen , The first 
h eg in n i ng of sciences. 

Drempelbewaarder , Drerapelhe^chutcer , 
Drerapelwachcer , m. Porter. 

Drenkbak , m Watering trough, 

Drenkeling, m. en vr. Person or An'mal 
that is or appears to be drowned. Drown 
ed person or animal. 

Drenken , b. w. to Water , to Give 
drink to. 

Drenkplaais, vr. Wateritjg-pond, Horse- 
pond, 

Drenktrog, zie Drenkbak. < 

Drenkwed, o. , zie Drenkplaats. 



BREiV 

Teme'aar , m. , Drentelaarstcr , vr. 
Loiterer^ Trifler , Lounger. 

Drentelachti £? , bv. Loitering , Ti i fling , . 
* — , bw. triflingly. 

Dremelen , o. \v. met Ilebben, to Loiter^ 
Trifle , Louvge, 

Drenteler , zie Drentelaar. 

Drenteling, vr. Lojterivg^ Trifling. 

Dresland, zie Dnesland. 

Dreiim , Dreumel,in. bij wev. en kleerm., 
Thrum. 

Dreuiues, m. die klcin van gestaUe is, 
Dapperling ^ Grub, 

Dreiin , ni. Fibratioti , Shale. 

Dreuneii , o. w. met Ilebbcii , to Be shaken 
or vibrated , to Quake ^ Shake , Tremble; 
De aarde dreunde, 7V;^ earth quake fl ; 
van hier: Ilec — van een tchip in de 
hooge zee , The cracking and straining 
of a ship , as she labours in a high sea. 

Drenning, vr. Quaking^ Shaking , Trem- 
bling. 

Dreutel , m. keutel , Turd. * —, gemeenz., 
zie Dreumes. 

Drentelaar, m. , Dreutelaarster, vr. Loi- 
terer, Idler, (Idle. 

Drentelen , o, w. met Ilebben , to Loiter, 

l)reutelijzer , o. , zie Drevel. 

D revel, m. drijfijzer, Driver, 

Diiakel ,, zie Tiiciiakel. 

Dribbelaar, zie Trippelaar. 

Dribbelaarster , zie Trippelaarstcr. 

Dribbelen , zie Trippelen. 

Dribheler, zie Trippelaar. 

Uiibbelgat , o. , zie Trippelaarscer. 

Dribbeling, zie Trippeling. 

Diic, telw, T'lree ; — koningen, (zeker 
fecst bij de R. C. ,^ Epiphtiny , Twelfth- 
day; In drieen, In three parts , In three 
times; Met ons drieen. Three of us , U^e 
three ; Niet lang na drieen , Not long past 
tlirce (o'*clock'); fig. llii kan geen — tel- 
Icn , He is a blockhead , lie is a mere 
ignoramus, * — , vr. Three, (opkaarcen 
en dobbelsteenen, ) Ticy. 

Dricbeen, o. Three-footed seat. 

l^riebeenig, bv. Three-legged. 

Drieblad , o. Trefoih 

Driebladig, bv. Three-leaved , Trifoliate, 
(van bloemcn ,) Tripetahus. 

Driebloemig, bv. Three flowered, 

Dricdaagsch, bv. Of three days^lriduan. 

Driedeclig, bv. Tripartite , Divided into 
three. 

Dricd'.'kker, m. Three-deck ship ; fig. groot 
zwaar vruii wspersoon, 2'^//, lusty woman, 
fir a 70. 



DHIK 



20: 



Driedcrbande , Driederlei, bv. Of three 

kinds. 
Driedik, bw. Treble, Threefold. 
Driedraad , m. Stujfmade cf three threads 

twisted together ., Three-thread stuff'. 
Driedraadsch, bv. Twisted of three threads. 

Three- thread. 
Driedubbel, zie Driedik. ♦ — , o., zie 

Drievoud. 
Driceenheid , vr. , zie Drieeenigheid. 
Dricfienig, bv. in de godgel. , Triune, 

Three in one. 
Dritecnigheid, vr. in de godgel., T//«//')f. 
Dricerhande , Drieerlei , bv. , zie hec nieer 

gebruikelijk , doch minder goede Drie- 
derlei. 
Driegdraad, m. Tacking or Basting 

thread. 
Driegen , b. w. to Tack, Baste, to Sew 

or Stitch lightly together. 
Driehoek , m. Triangle, 
l^riehoekig , bv. T^riangtilar , Three- 
cornered. 
Driehoeksmeiing , vr. in de wisk. , 

Trigonometry. 
Drieiioofdig , bv. Three-headed. 
Driejarig, bv. driejaaroud, Threeyears 

of age. * — , drie jaar durende , Triennial, 

Lasting three years. * — , aile drie 

jaren. Triennial. 
Driekant, Driekantig , bv. Trilateral^ 

Three-edged ; Drickante hoed , Cocked 

hat , zie Sceek. 
Driekleurig, bv. Three-coloured ; Drie- 

kleurige vlag , Tricolour. 
Driekoningen, o. Tweljth-day, Twelfth- 
tide , Epiphany. 
Driekoningskaars , vr. a candle burnt on 

thelfthday night. 
Driekoppig, bv. Three-headed. 
Drieieitcrgrepig, bv. Trisyllabical ; — 

v.()ord , Tribyllable, 
Orieling, m, en vr. Three-twin child , 

one oj three children born at one birth. 

* — , Ihird, Tierce. 
Driemaal , bw. IViree times. Thrice. 
Dricmaandelijksch , bv. Quarterly. 
Dricmaandsch , bv. Of three mouths, 
Driemalig, bv. Three times repeated, 
Dricman , m. in de Rom, gegchied. , 

Triumvir. 
Drimannig bv., als : Driemannige plant, 

Triander. 
Dricmanschap, o. in dc Rom. gesch. , 

Triumvirate. 
Driemast, Dricniaster, m., Dricmast- 

scbip , o. Ship with three masts. 



208 



DRIEP 



Drieponder, m. Piece of ordnance hearing 

a shot of three pounds ^ Three-pounder, 

* — , Ball of tliree pounds^ ♦ — , Loaf^ 

etc, of three pounds. 
Driepuntig, bv. Three pointed. 
Drleregelig , bv. Of three lines ; — vers , 

Triplet, Tiercet. 
Drieschen, b. w. , zie Dreigen. 
Drieslag, m. in de njsch., Pace of a 

horse that cuts ^ Ambling pace. * — , 

in hec damsp. , Taking of three men 

at once. 
Driespan, o. Team of three horses y Three 

horses, 
Driesproug, zie Drieweg. 
Drtesc, bv. Daring., Bold ^ Rashm, 

Audacious. * — , bw. Daringly ^ Bold'y ^ 

Rashly , Audaciously. 
Driestal , m. Tripod ., Three-footed stool. 
Driescelijk, zie Driest, bw. 
Driesremmig, bv. als : Een — stuk, 

gezang, enz. , Trio. 
Driestheid, Driestte, vr. Boldness^ 

Rashness^ Audaciousness ^ Daringness. 
Drictak, zie Driecand. 
Drictal , o. Number of three. 
Drietallig, bv. Trinomial. 
Drietand, m. in de fabell.. Trident. 
Drietaudig, bv. Three-forked ^ Tridcn- 

tate. 
Drievoet, m. treefc, Treyet. * — , in 

de oude gesch. , Tripod. ♦ — , zie 

Driebeen. 
Drievoud , o. Threefold, 
Drievoudig , bv. Threefold, Treble , 

Triple. * — , bw. Triply. 
Drievoudigheid, vr. Three fold nets. 
Drievuldig, zie Drievoudig en Drie- 

eeuig. 
Drievuldigheid , vr. Being threefold,*—, 

zie Drieeenigheid. 
Drieweg , m. Place where three roads 

meet , Cross-way. 
Driewerf , bw. Three times , Thrice. 
Driewijvig, bv. als : Driewijvige plant, 

Trigyn. 
Driezijdig, bv. Trilateral, Having three 

sides , Three-sided. 
Drift, vr. kndde , Drove or Herd (^of 

oxen). Flock {of sheep). * — , voorc- 

gang des waters, Cut rent. * — , van 

een schip , Course, * — , van wolken , 

Passing; fig. schiclijkheid , Eagerness, 

• — , haristogc , Passion; fig. ver- 

stoordheid, als: In — geraken , to Fly 

into a passion. * — , natuurdrift , 

Instinct. 



DRfF 

Drifcig, bv. vlot, Aflnat , Adrift; fig. 
haastig. Eager, Swift, Quick. * — , 
verscoord , In a passion ; — worden , 
Zich — maken , to Fly into a passion. 
* — , oploopend, Passionate. * — , 
bw. Passionately ; fig. haastig , Eagerly , 
With eagerness. 

Driftigheid , vr. Being afloat , etc. * — , 
inzond. Passionateness ; fig. Eagerness, 

Driftregt, o. Common of pasturage. 
Right of feeding cattle on certain 
grounds. 

Driftscheper, m. a certain shepherd. 

Drifczand, zie Drijfzand, 

Drijfbeitel, m. Chisel. 

Drijfharaer, m. Mallet. 

Drijfhouc , o. Wood that is afloat. * — , 
Mj kuip. , Driver. 

Drijfijs, o. Ice that is carried on by the 
current, 

Drijfijzer, o. zeker werkt. , Driver. 

Drijfland, o. Floating land. 

DrJjfrad, o. Spring-wheel ; fig. Bio tor. 

Drijfsteen , zie Puimstcen. 

Drjjfscer, vr. , zie Drijver, in de i. 
beteek. 

Drijftol, ra. Wliipping top. 

Drijfcon, vr. Buoy, 

Drijfvecr, vr. (spriugveer, weinig ge- 
bruik. , dan) fig. oorzaak, Cause. 

Drijfzand, o. Quick-sand, 

Drjjten, ongel. b. en o. w. metllebben, 
to Go to Stool, to Shite, 

Drijter, m. , Drijtster, vr. Shiter. 

Drijven, b. w. jagen , to Drive; Op de 
vlugt —, to Chase, to Put to flight ; 
fig. doen , verrigten , a!s : Koopnian- 
scliap of Handel — , to Carry on a 

^trade ; Den spot mec ieniand — , to 
Blake a game of one , to [Ridicule one 
* — , doorzetten , to Push, * — , staaade 
houden, to Pretend; Gelijk sommigeu — , 
As it is maintained by some, * — , op 
goad, op zilver, beeldwerkraaken , to 
Chase, Emboss.*— ,o.w,mQtliehhen,wzn- 
neer de voorcduring, enraetZijn, wan- 
neer de plaatsverandering bedoeld wordn, 
to Drive , Float ; fig. Boven — , to 
Prevail, to Ho superior to some one , 
to Rule; Op zijne eigeuewieken — , to 
Be one^s own master, to Shift for one*s 
self. * — ,^onder water liggcn, to Be 
inundated or overflowed, 

Drijver, m. Driver, etc. ♦ — , inzond. 
die gedreven werk maakc. Chaser, 
Embosser, 

Dril , m. bij smeden , D'ill. * — , Hole 



DRIL 

made by a drill; fi^. heweging , als : 
Op den — gaan, to Take a trq). * — , 

■' gestold vleescbnat , Jelly. 

Drilboog , m. Bow of a driV. 

Drilboor, vr. Gimlet. 

Drilgac, o. Hole made by a drill, 

Drilhuisje , o. Pillory.' 

Drilkonsc, Dnlkunsc, vr. Manual ex- 
cercise , Drilling. 

DrUlen, b. w. draaijen , to Turn round ^ 
to Shake J Brandish. * — , bij smedcMi , 
to Drill (a hole). *— , bij krij gsv. , in 
den wapcnhandelonderwijzen, to Drill, 
to Form to arms ; van hier : fig. Ik zal 
hem wel — , /'// force him into com- 
pliance. ♦ — , o. w. met Hebben , 
schudden, to Shake. * — , op en neer 
loopen , to Run hither and thither 
to Be in motion* * — , bij 
krijgsl., zich in den wapenhandel 
oefenen , to Go through the manual 
excercise. 

Drilmeester, m. Drill-sergeant. 

Drilplaacs , vr. Place where soldiers are 
drilled. 

Dringen, otigel. b. w. to Push., Press ^ 
Throng, Crowd. •— , noodzaken, to Urge., 
to Force. * — , o. w. met Ilebben , to 
Press ^ Force, Urge; Op ietg — , to 
Insist upon a thing. * — , o. w. met 
Ziju , to Force one^s way. Pierce, En- 
ter, Penetrate. Zie ook Aandringen, 
Doordringen, Indringen, {Pressin^ly. 

Dringend , bv. Pressing , Urgent. * — , dvv. 

Dringer, m. Pusher; fig. Solicitor. 

Dringing, Yr. Pushing, etc. 

Dringster, vr. , zie Dringer. 

Driiikbaar, bv. Drinkable, Potable, 

Drinkbak , zie Drenkbak. 

Drinkbeker, m. Cup. * — , bij bet H. 
avondm. , Chalice. 

Drinkebroeder, Drinkebrodr, m. med- 
gezel in bet drinken. Pot-companion. 

* — , drinker, Drinker. 

Drinkcn , on^cl. b. w. to Drink; Ik zal 
hicraan (kn dood — , indien, cr\z.. May 
this glass sujfocate me , if, etc, ; fig. 
leir.and van de bank — , to Outdo one 
in drinking. * — , iozuigcn, als: Onze 
oevers dronkcn 'c bloed , enz., Our 
coasts were soaked by the blood, etc. 
• — , bij dicliters, van hctoor, to Feast 
upon. * — , o. w. nie: llebbcMi, to Be 
given to drinking, • — , o. Drinking, 

* — , drank. Drink. 
Drinker, m. Drinker. 

IIOLL. EXG. Wi3Iv. 



DIUN 



2C9 



Drinkerij, zie Zuiperij. 

Drinkgelag , g. Company in an alehouse ; 

Drinkgelagea zetteu , to Keep an aU- 

house-. 

Drinkgeld, o. flails, pL 
Drinkgezel , m. Pot-companion. 
Drinkgezelschap , o. , zie Drinkgelag. 
Drinkglas , o. Drinkmg-glass , Tumbler , 

Rummer, {horn. 

Drinkhoorn , Drinkhorcn , m. Drinking- 
Drinkhuis, o. Alehouse, Ginhouse. 
Drinkerij, vr. Drinking. 
Urinkkan, vr. Tankard. 
Drinkkop, ra. , zie Drinkbeker, in de i. 

bereek. 

Drinkkroes, zie Kroes. 
Drinklied, o. Catch, Drinking-song. 
Drinklust, m.. Love of drinking. 
Drinknap , m. Drinking-bowl. 
Drinkpenning , m., zie Drinkgeld. 
Drinkplaats, zie Drenkplaats. 
Drinkpot, m. , zie Drinkkan. 
Drinkschaal, vr. Cup, Drinking-cup. 
Drinkster, vr. , zie Drinker. 
Drinktrog, zie Drenkcrog. 
Drinkvat, o. Drinking-vesseL 
Drinkwater, o. Drinkable water. 
Drinkwinkel, m. Gin-sliop , Alehouse. 
Driukzaal , vr. Tiip-rooni. 
Droef, bv. Sad., Afflicted ; —temoede , 

Sad, Cast down, In low spirits, Zie 

Droevig. 

Droefenis, zie Droef heid. 
Droefgeestig, bv. Sorrowful, Dejected ^ 

Cast down , Gloomy , Melancholy , Sad. 

* — , bw. Sorrowfully, Dejectedly, 

Gloomily^ Sadly, 
Droefgeesrjgheid , vr. Dejectedness , 

Dejection , Melancholy. 
DroeHieid,, wr. Sorrow, Grief, Sadness, 

Affliction. •— , over zouden. At- 
trition, (^in theol.y in opposition io 

Contrition, berouw). 
Droeg , v. t. , zie Dragen. 
Droelen, b. w. to Deceive, Cheat. 
Droeler, m. Deceiver. 
Droeling, vr. Deceiving. 
Droeljter, vr. , zie Droeler. 
Droes , m. bij paarden , Strangles, pi. •— , 

booze geesi , Deuce ; De — : ( uiu*. ) 

The deuce! , Odds my life! 
Droes, zie Drocsem. 
Drocscm, in. grondsop , Dregs, Lc^^ 

Grounds , pi. Sediment, 
Droesemig, bv. drabbig, T/;/VA . J' 

dy , Dreggy. 

li 



210 



DROE 



Droevig , bv. met droefheid aangedaan , 
Afflicted, Sorrowful^ Sad; Zeer — , 
Deeply afflicted. *—, droefheid aan- 
duidende , Woeful , Dismal. * — , 
droefheid verwekkende , Sad^, Distress- 
ing. * — , door droefheid verwekc , 
Dejected^ Gloomy; fig, slecht, Mise- 

, rable ^ Pitiful; Hij is een — mensch 
cm mede le handelen , He is a sorry 
chap to deal with, * — , bw. , zieDroe- 
viglijk. 

Droeviglijk, bw. Sadly, Sorrowfully, 
Miserably , Pitifully. 

Droezig, bv. Having the strangles, 

Drog, o. veroud. w. , zie Bedrog. * — ^ 
in zaraensc. zie Droggrond, Drog- 
rede, enz. 

Drogge , zie Droogerij, 

Droggrond, m., Drogrede, \t. Sophism, 

Drogist, m. Druggist. 

Drogredenaar, m. Sophist, 

Drok, bv. Busy; Ilet — hebben , to 
Have a great deal of occupation. 

Drokte , vr. Being very busy or crowded 
with business , Occupations , pi. 

Drol, ra. Turd; fig. Een dikke — , ^ 
short thick-bellied person. * — , poetsen- 
TTiaker, Droll, Merry, Andrew. 

Drollig, bv. Funny, Comical, Odd, 
Placet ious. ♦ — , bw. Comically , Oddly , 
Facetiously, 

Drolligheid, vr. Drollery, Comicalness , 
Oddness , Facetiousness. 

Drolliglijk, zie Drollig, bw. 

Drom , in. Crowd; Een — krijgsvolk, 
A party or troop of soldiers, * — , bij 
wevers , inslag. Woof. 

Droniedaris, ra. Dromedary. 

Dromgaren, o. Thread for the woof. 

Drommel, m. zie Drom in dei. beteek. ^ 
In eeu* — verzamelen , to Crowd tO' 
gether ; Gij v/ik ook al den — heb- 
ben , Tou are not content but with having 
all together; Daar hebt gij al den — , 
There you have it all, *—, booze geest. 
Deuce. {^Devilishly. 

Drummelsch, bv. Devilish. * — , bw. 

Drong, v. t. , zie Dringen. 

Dronk, m. teug. Draught. *—, be- 
schonkenheid , Drunkenness , Intoxica- 
tion ; Hij heeft een' kwaden — , He is 
tfuarrelsome in his cups. 

Dronk , v. t. , zie Drinken. 

Dronkaard, m. Drunkard. 

Dronken , bv. Drunken , Tipsy , Fuddled , 
In liquor. Intoxicated ; fig. uicgelaien , 
31ad, Intoxicated. 



DRON 

Dronkenachtig , bv. Somewhat tipsy, 
Half-seas-ovor. 

Dronkenschap , vr. Drunkenness, Intoxica- 
tion. 

Droog, bv. (oo^ Dry; Op het drooge , 
On dry land; sprw. Zijne schaapjes op 
bet drooge hebben , to Have a compe- 
tency , to Be at ease , to Have feathered 
one''s nest; fig. — brood. Dry bread; 
Eene drooge min , A dry nurse ; Een 
drooge hoest , A dry or husky cwgh ; 
Een — mensch, A dry or sullen fellow ; 
lets op eene drooge wijzezeggen, to 
Tell a thing in a categorical manner , 
to Say a thing dryly. " — , bw. Dryly. 

Droog'achtig, bv. Rather dry. 

Droogdoek, va. Towel. 

Droogen, b. w. to Dry. * — , o. w. met 
Zijn , to Dry , to Grow dry. * — , met 
Hebben , met den onbep. 3. pers. , als : 
Het droogt, // is dry weather. 

Droogerij, vr. meest gebr. in het mecrv. 
Droogerijen, Drugs. 

Droogheid, vr. Dryness. 

Droogitjg, vr. Drying. 

Droogje, o. gemeenz. , als: Op een - 
zitten , to Have nothing to drink. 

Droogjes, bw. fig. Dryly. 

Droogkamer, vr. Drying-room. 

Drooglijn, vr. Drying-rope, 

Droogmakerij, Droogmaking, vr. van 
een meir,- Draining of a lake. 

Droogplaats , vr. Drying-place. 

Droograam, vr. en o. Droogrek , o. 
Drying-frame, 

Droogschachc, zie Schacht. 

Droogscheerder , m. Cloth-shearer, 

Droogschcren, o. Cloth-shearing. 

Droogschuur, vr. Drying-shed. 

Droogstok', m. , zie Droogschacht. 

Droogte , vr. droogheid , Dryness. *— , 
droog weder. Dearth, Drought; - , 
zandbank. Shelf, Shallow, Sheal, 
Sandbank. 

Droogtouw, o. , zie Drooglijn. 

Droogvoets, bw. Dryshod. 

Droogzolder, m. Garret to dry some- 
thing. Drying-loft. 

Droom , m. (00} Dream; fig. lemand 
uit den — helpen , to Undeceive one, 

Droomachti^, zie Droomig, 

Droombeciuider, m. Interpreter of dreams^ 
Oneirocritic. 

Di"oonibeeld , zie Droomgespui?. 

Droomen , b. en o. w. met Hebben , to 
Dream ; fig. vermoeden , als : Wie zou 
dai gedroomd hebben ? , Who would have 



DROO 

Ihmght of that? * — . mis hebben . to 
Mistake^ to Be mistaken. *— , werke- 
I008 zijn, als . Daar staat hij wefir te 
— , There he stands again in his usual 
dull manner. 

Drooraer , m . Dreamer; fig. Dull or Stupid 
fellow, 

Droomerig, bv. en bw. , zie Drooraig 

Droomerij , vr. fig. Fancy ^ Fision ^ Re- 
verie. 

Droomgespuis, o. Vision ^ Chimera, 

Droomgezigt, o. Vision, 

Droomig , bv. fig. Dull ^ Stupid, ♦— , 
bw. Stupidly. 

Droomsrer, vr. , zie Droomer. 

Droomuitlegger , zie Droombedutder. 

Droomuitlcgging, Drooraverklariog , vr. 
Interpretation of dreams. 

Droop, V. t. , zie Druipen. 

Droopen , b. w, to Baste, 

Drooping , vr. Basting. 

Drop , m. Drop ; fig. Hij houdt veel van 
lien — , He is a lover of drinking. * — , 
a certain disorder in the breast of a 
suckling woman. * — , o. Juice of licorice. 

Droppel , m. Drop. 

Droppelen , o. w. met Zijn, wanneerde 
plaac«verandering, en met Hebben, wan- 
neer de voortduring bedocld wordt, to 
Drop , Drip , Trickle. 

Droppeling, vr. Dropping ., Dripping, 

Droppelings, bw. By drops .^Droppingly. 

Drcppelpis , v^. Strangury. 

Droppen, o. w., zie Druipen 

Dropwijn , zie LekwJjn, 

Diossaard, zie Drost. 

Drossaardschap, zie Drostschap. 

Drossel , ra. Black-bird. 

Drossen, o. w. enkeljjebr. met gaan, als: 
Gaan — , to Run away. 

Drost, m. Bailiff"., zie Landdrosc, 

Diostambc, o. Office of a bailiff', 

Drostelijk , bv. Of a bailiff. 

Drostcndiensieu , vr. meerv. SoccagCfZle 
Hcerendienstcn. 

Drostin, vr. Bailiff s lady. 

Drostschap , 0., zie Drostambt. ♦— , regts- 
gebied van een' drost , Bailiwick. 

SDruif, vr. vrucht van den wijnslok, Grape, 
* — , knop van een'schuitevoerdcrsboom, 
Head or Knob of a lighter-man'' s pole. 

DruifUruid , o. Ambrosia. 

[Druifines , o. Vintager"'! knife. 
3ruitVHes, o. van )iet cog. Uvea, 
Druifvormig, bv. Like grapes ^ Uveous. 
Druil . m. sort of Ring-sail or Driver. 
, zie Druiloor. 



DRUI 



211 



Druiien , o. w. niet Hebben, leuteren , 
to Loiier. * — , slnimeren , to Slumber. 

Druiler, m. en vr. Loiterer, * — , Slum- 
berer, 

Druiling, vr. Loitering. * — , Slumbering. 

Druiloor , m. en vr. Indolent person. Mope, 
Drowsy head, 

Druilooren, zie Druiien in de i. beteek. 

Druiloorig , bv. Lazy, Indolent, * — , bw. 
Lazily. 

Druiloorigheid, yr. Laziness, Indolence,, 

Druilster, vr. , zie Druiler, 

Druip , m. , zie Druiping, 

Druipen, or;^^/. o. w. met Zijn, to Drop, 
Drip, Trickle; fig. Ik zal het u in de 
oogen doen — , / shall make you repent 
of it ; Door de mand — , to Be caught, 
to Betray one^sself; Hij isgedropen ,He 
has been cast at the examination; also: 
He has absconded. He is got off; van 
daar: Hij ziet er uit, alsof hij van de 

^ galg gedropen is. He looks like a scape- 
galhws ; Door zijne kleederen — , to 
Grow thin or lean , to Fall away. * — , 
met Hebben, bij droppelen laien vallcn, 
to Drop, Drip, 

Druiper, Druiperd, ra. zaadvloed. Go- 
norrhoea, Claps , pi. 

Druiping, vr. Dropping, Dripping. 

Druipneus , ra. en vr. Snivelling person 
or child. Sniveller, • 

Druipoog, ra. en vr. Blear-eyed man or 
woman. 

Druipstaart, m. en vr. Person or Dog that 
steals away, 

Druipstaarten , o. w. met Hebben , pro- 
perly said of a dog'*s or other animaPs 
tail sweeping the ground by being frigh- 
tened ; fig. to Abscond, to Steal away. 

Druipsteen, m. Stalactite. 

Druisclien , zie Aandruischen. 

Druisching, zie Aandruisching. 

Druivcnblad, o. Vine-leaf, 

Driiivenbloed, o. , zie Druivcnvocht. 

Druivendrager, ui. Carrier or Bearer of 
grapes. 

Druivcnkorf , m. Basket to carry grapes in. 

Druivenkorrel, yr. Stone of a grape. 

Druivenkrnid, o. Ambrosia. 

Druivenleesster, vr. , zie Druivenlezer. 

Druivenlezen,o. Vintage , Grape-gat!. er- 
ing. 

Druivenlezer, m. Vintager , Vine^reaier. 

Druivenraand, vr. , zie Druivcnkorf. 

Druivenraoer , zie Wijnmo<-r. 

Druivennat , zie Drnivenvocht. 

Druivenoogst , m. Vintage, 



m 



DRIJI 



Druivenpers, vr. JfHne press, 

Druivenperser, m. Wine-presser. 

Druivenpersing, vr. Pressing of grapes. 

Druivenplukken , zie Druivenlexen, 

Druivcnplukker, m. K/?7//;'^*^r. 

Driiivenplukking , vr. , zie Druivenpiuk- 
ken. 

Druivenplukster, zie Druivcnleessfer. 

Dmivenrank , vr. Branch of a vine , Fine- 
branch, 

Dniivensap , zie Druivenvocht. 

Druivenschil , vr. Skin of the grape. 

Druivensteel , m. Stalk oT grapes. 

Druiventredeu , o. Treading of grapes, 

Druiventrciler, m. , Druiventretdster, 
vr. Person employed for treading the 
grapes. 

Druiventros, m. Bunch of grapes, 

Druivenvocht, o. Juice of grapes ; fig. 
Wine, 

Druivenwijn, m. Wine of grapes. 

Druk, m. drukking, Pressure; fig. nood. 
Distress, * — , bij boekdr , uitgave , Edi- 
tion, *— , wijze van drukkcn , Print; 
Een vi'crk in — iiitgeven, to Publish a 
work , to Have it printed. * — , o. ver- 
korc van drukpapier , zie Drukpapier. 

Druk, zie Drok. 

Drukbal, m. Printer's ball, QPompet.) 

Drukdoek, m. Piece of cloth serving to 
press. *—,* Compress. 

Drukfeil, Drukfouc, vr. Typographical 
fault , Error, of the press, 

Drukinkt, m. Printing-ink. 

Drukken , h. w. kleramen , to Press, 
Squeeze , Pinch, * — , door drukken woo- 
den, zie Doordrukken ^ fig;, bedroeven, 
to Afflict. * — , kwclliju, to Oppress. 
* — ,'boeken, platen, kaarten , katoen, 
enz. , to Print; sprw. HJj kan liegeu , 
alsof het gedrukt staat, JIc can tell a 
story as if he were reading it from u 
hook. 

Drukkend, ([teg. dw. van Drukken). *—, 
bv. Heavy , Oppressive , Excessive , Suf- 
focating. * — , bw., ais: — beet. Ex 
tremely hot. 

Drukker, m. One that presses or squeezes. 
* — , boek- , katoen-, enz., drukker, 
Printer. * — , inzond. werkman aan eene 
drukpers. Press-man. 

Drukkenj , vr. Printing-office, 

Drukkersbal, zie Drukbal. (kersknecht. 

Drukkerfgast, Drukkcrsgezel, zie Druk- 

Orii'i f rsjougen, ni. Printer's devil. 

Drukkerskas', vr. Case. 

Drukkerskncchc , ra. Jcwneyman-printer. 



DRlIi 

Dnikkerslecrling, m. Printer's appren- 
tice, 

Drukkersraam , vr, en o. Tympan. 

Drukkersrol, vr. Printer's roller. 

Drukkerswerk, o. Printer's work. 

Drukking, vr. Pressure. 

Drukkonst, vr. Art of printing. Typo- 
graphy. 

Drakkosten , m. meerv. Costs of printing. 

Drukkunsc, zie Drukkonsc. 

Drukletter, vr. Type. (pi. 

Drukloon , m. en o. Expenses of printing, 

Drukpapier, o. Printing-,, a. er. 

Drukpers , vr. P, eis , Pnniing-press; fiij. 
gedrukte, ah : De vrijlieid der — , The 
liberty of the press. 

Drukproef, vr. Proof-sheet. 

Drukschrift, o. Bock printed, Publication. 
* — , drukletters , Types , pi. 

Druksel, o. , zie AfUrulisel in de i. be- 
ceekenis. 

Drup, zie Drop. 

Druppel , zie Droftpel. 

Druppeu , o. w. , zie Druipen. 

Dualis , in de Gr. spraakk, , Dual number. 

Dubbel, bv. Double; Eene dubbeledeur, 
A folding door. * — , bw, Duubly, Twice; 
van bier ;n zaraenst. maai , als: Driedub- 
bel, enz.. Threefold, etc, * — , o, at" 
schrift, Coijy. 

Dubbelen , b. w. to Double , zie Verdub- 
belen. * — , scheepsw. , als: Een schip 
— , (met eene dubbele huid voorzieu,) 
to SheatJie or Sheath a ship, 

Dubbelhartig, bv. Double-mindedy False , 
Deceitful, Treacherous,"^' — , hvf.False- 
ly , Deceitfully , Treacherously. 

Dubbelhartigheid, vr. Falseness, Trea- 
chery. 

Dubbeliug , vr. Doubling, *—, Sheathing. 

Dabbelschaduwigeu,Di.meerv. Ampliiscii , 

D\\hhQ\i]Q ,o. a ancient small Dutch coin , 
worth ten cents, 

Dubbelcongig, bv. en bw. , zie Dubbel- 
hartig. 

Dubbekongigheid , zie Dubbelhartigheid. 

Dubbelzinnig, bv. Equivocal, Ambigu- 
ous. * — , bw. Ambiguously, Equivocally. 

Dubbelzinnigheid, vr. Ambiguity. 

Dubbelzinniglijk , zie Dubbelzinnig , bw. 

Dubben , o. w. met Hcbben, bjjna veroud., 
to Hesitate , Doubt, 

Dubber, m. Doubter. 

Dubbing, vr. Hesitation, Doubting. 

Dubbletcen , vr. laeerv. Doublets. 

Dubloen, m. een Spaansch stuk geld, 
Do::bloon. 



Ducn 

Dnchteo , b. w, to Fear , Suspect , Droad^ 

Apprehend. , 

Diichtitr, bv. Strongs Sound, *— , bw. 

Stro 17 g fy , So u n dly. 
Ducluing, vr. Fearing^ Dreading, Ap- 

•prehension. ^ 

Due] , o. Duel ^ Single combat. 
Dnelleren, o. w. met Hebben , to Fight 

a singje combat , to Duel. 
Duellist, OT. Dueller, Duellist. 
Duf, bv. Musty. * — , door vochtiglieid 

bedorven , als : — brood , Bread that has 

a musty taste. 
T3uff'jl , o. Diifeh 
Diiff'ilsch, hv.' DufeL 
Dnffig, zie Duf. " 
Diifligbejd, zie Duflieid. 
Duf he id , vr. Must in ess. 
Dufsceen, m. Tonhus. 
Duidelijk , bv. Evident^ Clear, Plain. 

♦ — , bw. Evidently , Clearly , Plainly. 
Duidelijkheid , vr. Evidence, Clearness, 

Phnnvess. 

Dniden , b. w, toonen , to Show, Tin do- 
zen z'li bijna veroud.} * — , verklaren , 
rds : Ten kwade — , to Give a bad turn 
to a thing; also: to Take amiss. 

D'.n'ding, vr. Explanation ^ Explication. 

Duif, vr. Pigeon , Dove. 

Duifhuis, zie Duivenkoc. 

Duifje, o. verkl. w. van Diiif^ fig. Inno- 
cent girl. 

Duifsceen , zie Dufsteen. 

Duig, vr. Stave; fig. In duigen" vallen , 
spatten , to Miscarry ; In duigen gooijen, 
to Overturn, to Make a thing miscarry, 

Dni^hout, zie Kuipliont, Klapbmit. 

Duikclaar , m. die dnikelt^ Tumbler, * — , 
Diver, Plunger. * — , zekere duif, 
Phingeon. 

Duikelen, o. w. met Hebben, over het 
hoofd biiitelen, to Tumble (over one''s 
head). * —, onder het water duikcn , to 
Dive, Plunge, to Duck one''s head under 
"Water. 

Duikelin*;, vr. Tumbling. * ■— , Diving, 
Plunging, 

Duiken,o. w. met Ilebbcn, vnorover 
biikken, to Stoof> ; fig. to Yield, ♦ — , in 
her water, to Dive, Plunge. 

Duiker, m. One that stoops * —, Diver, 
Plunger. * — , zekere dtiif, Plungenn. 

* — , soort van spijker , a kind of small- 
headed nails, * — ,sluis. Flood-gate. 

Diiikerklok, vr. Diving-bell, 
Diiim, ID. Thumb; fig. Icmand onder den 
— hebben , to Keep one short ; lets on- 



DVlll 



213 



der den — doen , tt> Do a thing secretly; 
lets op zijn' — kennen,(ook: op zijn 
dnimpje hebben,) zie Kennen. * — , ijze- 
ren kram , Iron pin of a hinge. Hook; 
Eene deur uit hare duimen iigten, to 
Lift a door off its hinges. * — , zekere 
maat, Inch ,^ (van de Nedcrl. niaat,) 
Centimeter. 

Duimbrecd, hv. Breadtli of an inch. Inch, 

Duiraelen , b. w., zie Bednimelen; fig. naar 
zich halcn, to Get, Pocket, 

Duimeling, vr. , ze Beduimeling. ♦ — , 
■m. Thumb of a glove, *— , afzonderlijk 
bekleciisel ecns tiiiims , Thumbcap, 

Duimhandschoen , m. Mitten, 

Diiimijzer, o., zie Diiim in de 2. beteek, 
* — , inzond. Thumb-screw, 

Duimkleppers , m. meerv. Castanets, 

Duinikruid, o. fi^. Cash, Ready money. 
Money down upon the nail. / 

Duimschroef, vr. , zie Duimijzer, 

Duimspier, vr. Tendon of the thumb, 

Diiimspijker , ni. kind ofnails, 

Diiimstok, m. Carpenter'*s rule (^on which 
the inches are marked^. 

I)iiin,m. Sandhill at the seashore , Down. 

i3uinaai'dappel, m. Potatoe that grows on 
the sandhills. 

Duinachtig , bv. Containing sandhills, 

Dningezigc, o. bij schild. , F'iew on the 
downs. 

Duingras, o. Sedge. 

Dmnhelra, ra. Broom that prows on sand- 
hills, 

Duinkant, m. Side of the sandhills. 

Duinkonijn, o. Rabbit of the sandhills. 

Duinmaaijer , m. Gamekeeper that prevents 
poaching on the sandhills, 

Duinroos, w. a kind of small rose grow- 
ing on sandhills. 

Diiinstrand, o. Seashore on which there 
are sandhills, 

Duinzand, o. Sand of the seashore, 

Duist , o. stnifmcel , Mealdust, ♦— , Husks 
of buckwheat, pi, 

Duister , bv. Dark , Obscure , Dusky; fig. 
nioeijelijk te vcrstaan. Dark Obscure. 
* — , bw. fig. Darkly^ Obscurely. 

Duisterheid , vr. , zie Duisternis ; fig. Obs- 
curity^ Darkness. 

Duisierling, in. onbckendpersoon,0/'ffr/rff 
person * — , vijar.d van vcrlicluing. Lover 
of obscurity , E'jemy to illumination, 

Dnisterlijk,"zie Duister, bw. 

Duisternis, vr. Obscurity^ Darkness, 

Duii, m. wclccr eene kopermunt, 'Arto 
gedeehe van ccn' gulden', Do/V,*fig. Dat 



214 



DtIT 



is geen' — waard, waarvoor men thans 
zegc : Hec is geen' cent waard , That is 
not worth a groat ; Hij is mij geen' — 
schuldig, He owes me nothing; ook : Op 
een' — ,(bij verloop der uitspr. voorbec 
oude op ende uit ^ op en uit,) als : Hij 
gelijks hem op een' — , He resembles him 
to a hair. 
Duitendief, m. Scrape-penny. 
Daivel, m. in de bijb. gesch.. Evil spirity 
Devil ^ Fallen angel.* — , opperscc der 
duivelen , The devil , Satan ; sprw. Hij 
is te gek om voor den — te dansen , There 
is nothing at all to be made of him; Loop 
naar den — , Get you gone; Ik geef er 
den — om , I will have nothing to do with 
it ^ I will not meddle with it; Als men 
van den— sprcekt , is hij er bij of om- 
trent , Speak of the devil and his imps 
appear; fig. boos, kwaadaardigmensch, 
als; Hij is een — , (ook: Een gevlecsde 
— , ) lie is a devil incarnate, 
Duivelarij , zie Duivelerij. 
Duivelbanner, m. Exerciser, Exorcist, 
Conjurer. 

Duivelbanning, vr. Exorcism. 
Duivelbezweerder, zie Duivelbanner, 
Duivelbezwering, zie Duivelbanning. 
Duivelerij, vr. bedro?, Foul play. 
Duiveljaagster , vr. Witch. 
Duiveljagen , o. w. met Hebben , to Enter 
into a league with the devil, 
Dniveljager, m. Magician ^ Conjurer. 
Duivelin , vr, fig. Xantippe , Female 
devil. 

Duivelsbeet, m. zekere plant Deyil^s-bit. 
Duivelsbrood, o. kampernoelje , Mush- 
room. 

Duivelsch , bv. van deu daivel , Develish, 
Diabolical , Demonian, Demoniac ; fig 
afgrijselijk , Devilish. * — , zeer groot. 
Extravagant. *— , bw. Diabolically ; 
fig. Extravagantly. * — , tusschenw. , 
The deuce. 

Duivelsdrek , m. A^safoetida. 
Duivelskind, o. Imp;Rg. fFicked fellow. 

Devil. 
Dulvelskoustenaar, m. Sorcerer, Magi- 
cian. 

Duivelskonstenarij , vr. Sorcery. 
Duivelskop, m. Dr,vil''s head. Head of a 
devil. 
Duivebknnstenaar, zie Duivelskonstenaar. 
DuivelskunstenarijjZie Duivelskonstenarij. 
Duivelsmelk , vr. eene plant, Euphor- 
bium. 
Diiivelsiiaaigaren , o. , zie Kruisdistel, 



DUIV 

Duivelscoejager , m. gemeen , Errand-boy^ 
Scullion. 

Duivenbek, m. , zie Duiveqaeb. 

Duivenboon, vr. Horsebean, 

Duivendrek , m. Pigeon-dung. 

Duivenei, o. Pigeon'' s egg. 

Duivengac, o. Pigeon-Jio/e. 

Duivenhals, ra. Pigeon''s throat. 

Dniveuhok, o. Pigeon-house, Dove-cot , 
Dove-house. 

Duivenkop, m. Pigeon'*s-head, 

Duivenkot , zie Duivenhok, 

Duivenkruid, zie Duifkruid. 

Duivenmarkc, vr. Pigeon-market. 

Duivenmelker, m.One that breeds pigeons 
for selling them. 

Dnivenmesc, Duivenmist, zie DnivQndrek. 

Duivennest, o. Pidgeon^s nest. 

Duivenpoot, m. Pigeon'*s foot. 

Duivenpost, vr. Pigeon-post. 

Duivenslae, Duiventil, o. , Duivenvlugt, 
vr. , zie Duivenkot. 

Dnivenveder , Duivenveer, vr. Pigeon''s 
feather. 

Duivenvleugel, m. Pigeon''s wing. 

Duivenvoec, m. Pigeon''s foot. 

Duizelen, o. w. met Hebben , to Be gid- 
dy or dizzy. 

Duizelig, bv. Giddy, Dizzy. * — , bw. 
Giddily , Dizzily. 

Duizeli^heid , vr. Giddiness, Fertigo, 

Duizeling, vr. Being giddy. * — , inzond.. 
Giddiness, Vertigo. 

Duizend, telw. Thousand; In daizenden, 
In a thousand parts or times ; fig. groote 
menigte , als : Ik heb nog — (duizenden ) 
dingen te doen , I ha^'e still a thousand 
things to do.^ * — , o. Thousand. 

Duisendbeen, o. Millepede. 

Duizendblad, o. een kruid, Millefoil , 
Tarrow. 

Duizenderhande , Duizenderlei,bv, Thou- 
sand-fold , Of a thousand kinds. 

Du'zendguldenkruid , ze Duizendkru d. 

Duizendjarig , bv. Lasting a thousand 
years , Millenary ; Het — rijk , The mil- 
lennium; Voorstanders van het — rijk» 
Millenarians , Millenists. 

Duizendknoop , m. zeker kruid ,5^/»r/e//. 

Duizendkoren , o. Knotgrass. 

Duizendkruid, o. Centaury. 
Duizendmaal , bw. A thousand times. 
Duizendmalig, bv. Thousand times 
repeated. 
Duizendpoot, m. Millepede. 
Duizendschoon , vr. zekere hloQvn , Ama- 
ranth. 



^ 



DUIZ 



DUNL 



215 



Dnizendste, bv. Thousandth. * — , o. 

Thousandth part, 

Duizenctstehair, bv. Nine hundred ninety 
nine and a half. 

Duizendtal, o. Number of thousand. 
Til oa sand. 

Dnizendvnud , o. , Duizendvoudig, bv. 
Thousand-fold. 

Duizendwerf, zie Duizendmaal. 

Diikaat, m. Ducat, 

Dukatcngoud, o. Standard-gold, 

Dukaton , m. Ducatoon, 

Dukdalf, m. Post in the water to fasten 
ships to. 

DhIj zie Dol, 

Dulaelijk , bv. Supportable, ♦— , bw. Sup- 
portably. 

Duldeloos, bv. Insupportable, *- , bw. 
Inuipportably. 

Dulden , b. w. verdra»en , to Suffer or 
Ji ear patiently or with resignation,*—, 
toelaten , to Admit. 

Duldcr, m. Patient sufferer, 

Diilding, vr. Suffering. 

Duldster, vr. ^ zie Diilder. 

Dun, bv. niet dik , Thin. * — , van lig- 
chaatn , renger, Slender; fig. wijd uic- 
een , Thin , Scanty. * — , slap , Small, 
als: — bier, Small beer; Dunne melk , 
Watery milk. * — , vloeibaar , als : Dun- 
ne boier. Melted butter; Een — ei , A 
soft I egg. * — , 6w. Thinly ; fig. Scantily; 
De worrels zijn — geza.iid. The carrots 
are thinly sowed ; De deugdzamen zijn 
— gezaaid , Virtuous people are rare. 
*— , o. Thinnest part of a thing. Thin. 

Dunachtig , bv. Rather thin. 

Dunbcen , m. en vr. Thin-legged per- 
son. 

Diinbeenig, bv. Thin-legged. 

Dunbuik , m. en vr. Slender person. 

Dunbuikig, bv. Slender. 

Dunharig , bv. Having but little hair, 

Dunhcid , vr. Thinness. * — , Slenderness; 
fig. Scarcity , Scarceness, *—, Fluidity. 

Dunk , m. Opinion, 

Diinken , onreg. o, w. met Ilebben , met 
den onbep. 3/pcrs.: Mij AnnVx.^ Me thinks; 
IMij dacht , IMcthought ; War dunkc u 
daarvan ? , /r7;rtr ^0 you think of it?; 
Zich laten — , als: llij laat zich — , dat 
, hij wat weec , lie has a great deal of 
knovfledge in his own conceit, * — ,0., 
zie Dunk; Mijns dunkcn?, After my 
opinion. 

Diinlijvig, bv. magcr, Lean, Slender, 
• — , loslijvig , Loose, 



Dunlijvigheid , vr. Leanness , Slenderness. 

* — , Looseness, 

Dnnnen,b. w. dunmaken, to Thin;^^. 
schaarsch xnzVQn, to Rarefy, * — ,zwakma- 
ken , to Attenuate. * — , vloeibaar ma- 
ken, to Dilute, "' — , o. \v. met Zijn, to 
Grow thin. 

Dunnetjes, bw. Thinly; fig. Scarcely. 

Dunning , vr. Thinning ; fig. Rarefication. 

* — , Attenuation. 
Dunnigheid, zie Dunheid. 

Dunsel ,0. 27//»«/«^J of lettuce used as 
salad , pi, 

Dunselbak, o. Hot-bed for salad, 

Dunte , zie Dunheid. 

Dupliek, o. Duplicate. 

Duren, o. w. met Hetjben , voortduren, 
to Last., Dure, Continue, Keep, * — , 
uichouden , to Remain; 00k ovcrtollig, 
als : Hij kan rusieii noch — , He is alw/iys 
in motion. He is always restless; liec 
vleesch kan niet — , 3Ieat does not keep 
long. 

Durfal, m. gemeenz.. Daring, Audaci- 
ous or Foolliardy person. 

Durfniet, m. gemeenz.. Coward. 

During, vr. Lasting, Continuation , Du- 
ration. 

Durk, m. op schcpen , Sink, Well. 

Durven , onreg, en gel, o. w. met Ileb- 
ben , to Dare. Aaura. Voor de onbep. 
wijs eens anderen werkw. , verandert 
bet v. d\v.(gedorst,gedurfd) in durven^ 
als: Ilij heetthecniet — zeggQQ, He has 
not dared to say it, 

Dus, bw. Titus, So.* — ,\0Qgv<i., Thcf^- 
fore. 

Dusdanig, bv. Such, * — , bw. Thus ^ In 
such a manner. 

Dat, m. slaapje. Nap; Een' — (^eendut- 
je) doen, to Take a nap; fig. Icmand 
uit den — helpen, to Undeceive one. 

Dutster, vr. ,,zie Duttcr. 

Dutsioel, m. Chair to take a nap in. 
Easy chair. 

Dutten, o. -w. met Hebben, to Take a 
nap, ♦— , vcroud. , to Muse., Mope. 

Dutter, m. Onewho takes a nap. Sleeper. 

Duur, bv. vcel kostcnd. Dear; Dure 
uj^ , Dearth, Scarcity ; ^g. Een' duren 
ccd zwercn , to Swear a solemn oath. *— , 
bvv. fig Zijn leven — verkoopeu , rfli)<r- 
fend one^s life hard, 

Duur, m. Duration^ Lasting; Dat if 
voor (op ) den — gcmaakr. That is made 
for lasting long; Op den — , At the 
long run. 



9AG 



DUUR 



Duurbaar, zie Dierbaar. 

Duurkoop, bv. Dear, At a high rate or 
price, 

Duune , vr. Deamess ^ High price. 

Duurzaam , bv. Lasting, DuraMe, Strong, 

Duurzaamheid , vr. Durability ^ Dura- 
bleness. 

Duw, zie Douvir. 

Duwen, zie Douwen. 

Dwaal, vr. veegdoek , Towel. ♦— •, lljk- 
kleed , Shroud, * — , Money paid to the 
bearer of a corpse. 

Dwaalgecst, m. Erroneous spirit; fig. 
Erring person. 

DAvaalleer, vr. Fnlse doctrine. 

Dwaallichc, o. fFiil-with-a'Whip , Jack- 

'with-a-lantern. 

Dwaalpad, o. fig-. Evil path.. 

DwaalrecJen , vr. False reason, 

Dwaulredenaar, m. False reasoner, 
Dvvaalspoor, o. , zie Dwaalweg. 
Dwaalstar, Dwaalster, vr. indesterrek. , 

Planet, 

Dvvaaltuin, m. Labyrinth ., Maze, 
Dwaalweg, in. Erroneous way; fig. PF/iy 

to ruin; lemand op den — brengen, to 

Induce one in error ^ to Lend one astray; 

also: to Debauch or Seduce one. 
Dwaalzinnig, bv. Erring^ Erroneous. 
Dwaalzinnigheid, vr. Erroneousness, 
Dwaas, bv. Foolish., Silly.* — , h"^. Foo- 
lishly , Sillily, ♦ — , m. F90I, 
Dwaastieid, vr. Folly. 
Dwaashoofd, m. en vr. Fool, 
Dwalen , o. w. met Hehben, wanneer de 

voortduring, en met Zijn , waimecr de 

plaarsverandering bcdoeld wordr, to Err, 

Stray; fig. to Be mistaken. 
D waling, w. Erring, ♦ — , Error, 
Dvvang, m. Constro'int , Compulsion, 
Dwangbevel, o. Writ, 
, Dwangdienst , m. Forced service, 
Dwanggezag, o. Despotism. 
Dwangmiddel, in. Means of constraint , 

Compulsion. 
Dwangnagel, zie Nijdnagel. 
Dwarl, m. Whirling. 
Dwarlen, o. w. met Hebben , to Whirl. 
DwarRng , vr. Whirling. 
Dwarlstroora , ra. Whirl-pool. 
Dwarhvind, m. Whirlwind, 
Dwars, bw. Atwari , Across ; fig;, lemand 

— (over — )aatizien , to Look frowningly 

at one; leniand den voec — zecten, to 

I^rustrate or Thwart one'^s design, * — , 

bv. fig. Cross , Perverse. Zie de zanien- 

gcsr. woorden. 



BWAR 

Dv.arsbalk, m. Crossbeams Gibbet. 

Dwarsboora, m. Crossbeam, 

D warsboomen, b. w. ( Ik dwarsboom, enz. ") 
fig. to Cross, Thwart or Hinder one'' s 
design, 

Dwarsdraad , m. Crossing thread, 

Dwarsdraadsch, bv. With crossing threads. 

Dwarsdriifster, vr. , zie Dwarsdrijver. 

Dvvarsdrijven, o. w. (Ik dvvarsdrijf , enz.) 
mec Hebben, fig. to Contradict, to 
Wrangle or Cavil at, 

Dwarsarijver, in. fig. Caviller , Wrangler. 

Dwarsdrijverij , Dwarsdrijving, vr. Chi- 
cane, Cavilling, Quibbling. 

Dwarsfluit, vr. German flute. 

Dwarsheid, vr. fig. Crossness, Perverse- 
ness. 

Dwarshouc, o. Crossbar. 

Dwarskoers, m. Oblique sailing. 

Dwarsliin, vr. Cross-line. 

Dwarjlijsc, vr. Crosspiece, 

Dwarsnaad , m. Traverse seam, 

Dwar«paal , m. Cross-stake, fig. zie Dwars- 
drijver. - 

Dwarspad , o. Crosspath, 

Dwarssalijigen , vr, meerv. Crosi'treet, 

Dwarsscherf, vr. Cross-scarf, 

Dwarsschoc, o. Bulkhead. 

Dwarsslag, m. Backstroke. 

Dwarsslooc, vr. Cross-ditch, 

Dwarssnede, Dwarssnee, vr. Transverse 
cut, 

Dwarspar, vr. Binding-piece. 

Dwarsscraac, vr. Cross-street, 

Dwarsscreep, vr. Transverse line. 

Dwarsstroom , m. Stream that crosses 
another. 

Dwarsvoor, vr. Transverse furroM'. 

Dwarsweg, m. Crossway , Crossroad. 

Dwarswind, ra., zie Zijvvind. ♦ — , Wind 
that blows into a harbour. 

Dwarszees, bv. , als : — zeilen, to Ri>e 
easily upon the sea ; — liggen , to Sind 
before the sea, 

Dwaselijk, zie Dwaas, bw, 

Dvveen, v. c. , zie Dwijnen. 

Dweepachrig, bv. Fanatical. * — , bw. 
Fanaticalh. 

DweepachcJgheid, vr. Fanaticalness, Fana- 
ticism. 

Dweepea,o. w. met Hebben, toBefana^ 
ticaL' 

Dweeper, m. Fanatic, Enthusiast, Zealot, 
Bigot. 

Dweeperlj , vr. Fanaticism , Bigotry. 

D weeping , vr. Being fanatical, 

Dvveepster, vr. , zie Dweeper. 



DWEE 

Dweepzucht, vr. , zie Dweeperlj. 
Dwespzuchtij?, zie Dweepachtig. 
Dweil, vr. Clout ^ Towel. * — , scheeps- 

dweil. Swab. 
Dweilen , b. w. to Clean yvith a clout , 
JO Swab, 

UAveilstok, m. Swab-stick. 
Dwe.'g, m. Dwarf. 
Dwe-gachtig, bv. Dwarfish. 
Dwergboom, m. Dwarf-tree, Dwarf, 

Shr.'ib. 
Dwergklein , bv. Dwarfish, As little as 

a d^varf. 
Dwergpaard, o. Fon-j. 



DWiJN 



2i: 



Dwijnen, zie Verchvijnen, 
Dwingelancl , m. Tyrant, 
Dwingelandes, vr. Tyranness. 
Dwingelandij , vr. Tyranny, 
Dwir.gelandsch, bv. Tyrannical, 
Dwingeljjk, bv. Forcing. 
D winger. , ongel. b. w. to Force, Constrain, 

Compel, * — , o. w. mec Hebben, van 

kinderen, to Tease. 
Dwinger, m. One that forces. ♦ — , in- 

zond. van kinderen , Teaser. 
Dwingerij , bv. Teasing. 
Dwingster, vr. , zie Dwinger. 
Dwoug, V. t. , zie Dwingen. 



-n*-^- 



&jkm 



E , vr. de vijfde letter der letterlijst , E. 

Eau, vr. , z\g Water. 

Eb, vr. Ebb, Reflux; sprw. Werelds 

goed is — en vloed , All earthly blessings 

are precarious. 
Ebanker, o. Ebb-anchor, 
Ebbe , zie Eb. 

Ebben , o. w. met Ilebben, to Ebb, 
Ebhenboom , in. Ebony-tree. 
E!)ben)iout, o. Ebony, Ebon, 
Ebbcnhouten , bv. Ebon. 
Eb!)enhoutwerker , m. Ebonist. 
Echel, m. Leech, Blood-sucker, 
Echo, vr. wcc-rklaiik. Echo, ♦ — , in de 

fabcll. , Echo. 
Echc , bv. wettig. Legitimate; fig. zui- 

vcr. Genuine, Pure; Echie EngelscHe 

plcister, Genuine court-plaster ; — z<\- 

vcr , Pure silver, * — , authentick , An- 

thentic, 
Echc, m. Marriage, Blatritnony , Wtil- 

lock. 

Kchibreckster, vr. Adulteress. 
Eclubrekcn , ongel. o. w. met Ilebben , 

( Ik cclubrcek , enz.") /^ Commit adultery, 
Echtbrcker, m. Adulterer, 
[•'chtbi-euk , vr. Adultery. 
i:chcc,)cd, o. Nuptial bed. 
iclicelicden , m. incerv. Married people. 



ECHT 

£chtclijk,bw. wettig, Legally, Law- 
fully, Legitimately. 

Ecbceling, m. en vr. Legitimate child. 

Echteloos , bv. Illegitimate ; Een — kind, 
A bastard. * — , ongehuwd , Unmarried; 
— leven , Celibacy . 

Echten , b. w. to Legitimate. 

Echter , voegw. Ho^vever , Nevertheless , 
Tct. 

Echtestaat , m. Blarried state , Matrimo- 
ny , Wedlock, 

Echtgemaal, m. Husband. 

Echtgenoot, m. en vr. Spouse , Consort , 
Husband , Wife , Lndy. 

Echtheid, vr. 'Letigimacy; fig. Genuine- 
ness , Purity. 

Ecbting, vr. Legitimation, 

Echtkoers, vr/ bij dichc. , Conjugal bed. 

KcHtscheiden, o. w. to Be divorced, 

Echtscheiding, vr. Divorce. 

Echtschcnder, m. , zie Echtbreker. 

Echtscheiuling , vr. , z'e Echtbreuk. 

Echtsclicndstcr , vr. , zie Echtbreeksrcr. 

Edcl , bv. uhminncnd ^ Excellent^ Noble, 
Elevated , Exquisite. * — , adellijk , 
Noble. * — , bw. Nobly, 

Kdelachtbanr, bv. , zie Achrbaar. 

Kdelachcbaarheid , vr., zie Edclachtbaar. 

Edeldom , zie AdcUlom. 



2^8 EDEL 

Edelgeboren, bv. Of a noble family. 

* —, a Dutch title., als: Wei — beer, 

Most honourable sir. 
Edelgesteente , o. Precious stone. 
Edelheid, vr. Excellency. * — , als 

citel: Uwe — , UEd., Tour honour., 

Tou. 
Edelknaap , m. Page. • 

Edellieden , m. meerv. , zie Edelman. 
Edelmaking, zie Adding. 
Edelmaii, m. (raeerv. Edellieden,) 

Nobleman , Noble. 
Edelmoedig, bv. Generous. * — , bw. 

Generously. 
Edelraoedigheid, vr. Generosity, 
Edelraoediglijk , bvv. Generously. 
Edelrnogend, bv. Noble and mighty. 
Edelinogendheid, vr. Being noble and 

nighty. * — , als titel , Noble and mighty 

sir. 
Edik, m. Vinegar, 
Edoch, zie Doch. 
Eed, m. Oath; Een' — doen , to Take 

an oath ; Onder cede staan , to Be upon 

oath. 
Eedaflegging, vr. Swearing. 
Eedafneming , vr. Swearing. 
Eedbreker, m., Eedbreekster', vr. Per- 
jurer. 

Eedbreuk, vr. Perjury. 
Eedgeiioot, m. Confederate, 
Eedgenootschap , o. Confederacy. 
Eedgespan , u. , zie Eedgenootschap. 
Eedschender, zie Eecibreker. 
Eedschending , zie Eedbreuk. 
Eedschendster , vr. , zie Eedbreekster. 
Eedvcrwant, zie Eedgenoot. 
Eedvervvanrschap, zie Eedgenootschap. 
Eek, zie Edik. 
Eek, m. , zie Eik. *— , vr. Bark Qof 

the oak-tree). 
Eekel, zie Eikel. 
Eekelaar, m. bij dicht. , zie Eik. 
Eekhakker, m. Bark-cutter, 
Eekhandel , m. Bark trade. 
Eekhoren, m. , Eekhorentje, o. Squir 

rel. 
Eekschnur, vr. Bark-shed, 
Eckwagen , m. Bark-waggon. 
Eekweger , m. Bark-weigher, 
Eekzak , m. Bark-bag. 
E^l, zie Edel. 
Eel, m. xekere drank. Ale, 
Eeldrinker, m. Ale-drinker, 
Eelflesch, vr. Ale-bottle. 
Eek, o. Callus. 
Eclcachtig, bv. Callous. 



EELT 

Eeltachtigheid , vr. Callosity. 

Eekzweer, vr. Ulcer under the callus. 

Een , telw. One ; — voor — , One by one ; 
— en de (of het)_ zelfde , One and the 
same; In — huiswoneu, to Live in 
the same house ; Gij of u w breeder , is dac 
niec — ?, Tou or your brother ., is that 
not the same?; liec eene of het andere , 
One thing or another; Zult gij dan 
Diet het eene of hec andere gebruiken? , 
Will you then take nothing at all?; 
Met een% met eeu , als: Vraag hem 
met een' , met een, of, enz. , Ask him at 
the same time, whether, etc. * — , niet 
bepal. lidw. , m. en o. , Eene , ;vr. A, 
An; zie A en An in het andere deel, 
en de spraakk. van Lloyd. * — , vr. , 
One, Unit. * — , in heC' dobbelspel , 
Ace. ' 

Eend, vr. Duck; Mannetjes — , zie 
Waard; Eene wilde — , A wild duck; 
Mannecje eeuer wilde — , Mallard. 

Eendenbouc, in. Leg or Wing of a duck. 
* — , eend , Duck. 

Eendendann, in. Gut of a duck. 

Eendenei, o. Duck egg. 

Eendengroen, o. Duck-weed, Duck- 
meat. 

Eendenhagel , zie Ganzenhagel. 

Eendenjager, m. Duck-hunter. 

Eendenjagt, vr. Duck-shotting. 

Eendenkooi, vr. Decoy for wild 
ducks. 

Eendenkop , m. Head of a duck. 

Eeftdenkroost, zie Eendengroen. 

Eendenmossel , vr. Anatiferous muscle. 

Eendenroer, o. Large hunting-piece, 

Eendenveder , Eendenveer, vr. Duck''s 
feather. 

Eendennest , o. Duck^s nest. 

Eendenpoot, m. Duck''s foot, 

Eendenvet, o. Duck''s fat. 

Eendenvleiigel , m. Duck^s wing, 

Eenderhande , Eenderlei , zie het 
betere Eenerhande en Eenerlei, 

Eendragt , vr. Concord, Harmony, 
Union. 

Eendragtelijk, zie Eendragtiglijk. 

Eendragtig, bv. Unanimous. * — , bw. 
Unanimously. 

Eendragcigheid , vr. Unanimity, Con- 
cord, Union. 

Eendragtiglijk, bw. Unanimously. 

Eenerhande, Eenerlei, hv. Of the same 
sort; Het is mij eenerlei. It is in- 
different to me. 

Eengrepig , bv. Monosyllabic , Monosyl- 



|P^ EEIXII 



lElVP 



219 



labical ; — woord, Monosyllable. •— > 

bw. /« o«« syllable, 
Eenhandig, bv. One-handed. 
Ecnheerscher , m. Monarch. 
Eenheerscheres, vr. Monarch. 
Eenheersching, vr. Monarchy. 
Eenheid, vr. Unity; De ■— van God, 

The unity of God. * — , in de letterk. , 

als : De — van tijd , plaats en bedrijf , bij 

een tooneel<:pel , The unity of ^ place , 

time and action in a dramatic piece. 
. * -- , in de rekenk. , Unit ^ fig. Unani- 
mity^ Harmony. 
EenhoofJi^, Ayv Having one head; fij». 

31>')narch!cal ;. Eev.Q eenhoofdigc rc-gc- 

rinjj, ^ monarchy. 
Ecnhoorn, Ecnhoren , m. Unicorn. 
Eenjarig, bv. One year old. Of one 

year. 
Eenig, bv. (van ee'n, telw^. Single, 

Sole, Alone ^ Only; Mijn eenige, 

(eenigste), My dear. My life ^ My 

beloved. * — , eenzaam , Solitary , 

Lonely. *— , (van een, lidvv.,), Some, 

Any; t'Eeuiger dage , Some day or 

other. 
Eenigerhande-, Eenigerlei, bv. Some, 

Any. 
Eenigermate , bw. In some meastire , 

Somewhat. 

Eenigerwijze , bw. Anyways, Anyway. 

Eeniggeboren , bv. Only begotten. 

Ecnigheid, vr. Singleness, Singularity ; 

fig. Harmony , Unity , Concord, Agree- 
ment. * — , Solitude. 

EenigUjk , bw. Only, Solely , Simply. 

Eenigste, bv. een oneigenl. overtr. trap, 
zie Eenig. 

Eenigzins, bw. Somewat , Rather. 

Eenkennig, bv. van kinderen, Shy. 

Eenkennigheid, vr. Shiness. 

Eenkleurig, zie Eenverwig. 

Eenlettergrepig , zie Eengrcpig. 
I Eenloopend, Ecnloopig, bv. Single, 
Unmarried. 

Eenmaal , bw. Once, 

Eenmiddelpuniig, bv. Concentrical, 

Eenmoedig, zie Ecnparig. 

Eenoog , m. en vr. One-eyed person ; 
«prvv. , zie Blindc 

Eenoogig, bv. One-eyed, Monocular, 
Monoculous. 

Eenoogigheid, vr. Being one-eyed. 

Ecnparig, bv. Unanimous, Uniform, 
United, Agreeing. * — , bv/. Unani- 
mously , Uniformly, (tnity. 

Eenpaiigheid, vr. Uniformity, Uvani- 



Eenpariglijk , zie Ecnparig, bw. 

Eens, bw. (van 6en, telw.) Once. * — , 
(van een, lidw.), Once , Once upon a 
time. *'— , zelfs. Even; Niet — , 
Not even, *— , eensgezind , als : Het — 
zijn, — worden, to Agree; ZV] zLjn 
het niet — over die zaak. They disagree 
on that matter. 

Eenschalig, bv. Univalve, Univalvular. 

Eensdeels , bw. On the one hand , Partly. 

Eensgezind, bv. Agreeing, United, 
Unanimous. * — , bw. Unanimously. 

Eensgezindheid , vr. Unanimousness , 
Unity , Harmony , Good intelligence. 

Eensklaps, bw. On a sudden. Suddenly, 
All at once. 

Eensluidend, bv. Similar, Accordant, 

* — , Of the same tenor, 

Eenspan , o. Carriage with one horse ; 

Met een — rijden, to Drive one hor^e. 
Eenstemmig, bv. en bw. , zie Ecnparig 

en Eendragiig. 

Eenstemmigheid , zie Eenparigheid, 
Eensteramislijk, zie Eenparlgiijk. 
Eental , o. in de rekenk. , Unit, (fellow. 
Eentje , o. verkl. w. vzn een; fis. Strange 
Eentonnig , bv. Monotonous , Monotone; 

fig. Tedious. * — , bw. fig. Tediously. 
Eentoonigheid , vr. Monotony; fig. Tedi- 

ousness. 
Eenverwig, bv. Of the same colour. Of 

one colour, Concnlour, 
Eenvormig, bv. Uniform. 
Eenvorniigheid, vr. Uniformity. 
Eenvoud , o. in de spraakk , Singular. 
Eenvoudig, bv. in de spraakk., 5^;V;^«/<7r. 

♦ — , niet zamengesteld , Uncomposed ; 
fig. zedi?. Plain , Simple. * — , open- 
hartig. Candid, Fair, * — , onnoozcl , 
Credulous, Simple. * — , h\^.{\g. Plain- 
/y. ■ * — , Candidly , Fairly. ♦ — , Cre- 
dulously , Simply. 

Eenvoudigheid, vr. fig. Plainness. * — , 
Simplicity ', Creduhusness, * — , Can- 
dour. 

Eenvoudtglijk, zie Eenvoudig, bw. 

Ecnwerf , bw. Once. 

Eenwinter, m. Beast one winter old, 

Eenzaam, bv. en bw. van menschen, A- 
lone , In solitude'. Solitary. * — , van 
plaaisen , Lonely^ Unfrequented , Soli- 
tary ; De eenzame plaatsen zoeken , 
to Freauent solitary places ; fig. akelig , 
stil. Quiet, Lonely. 

Eenzaamheicl, vr. Solitude. 

Ecnzclvig, bv. Identical; fig. zie Ecn- 
toonig in de 3. beceek. 



220 



EEi\Z 



Eenzelv'^heid , vr. , zie Eentoouighe'd; 
Sg, Identicalness, 

Ecnzijdig, bv. Partial, * — , bw. Par- 
tially. 

Eenzijdigbeui, vr. Partiality. 

P^enzijdiglijk , bw. Partially, 

Eenziunig J z e E genzinnij?. 

Eenz nir^he'd, zle Eigenzinnigbeid. 

Eenzinni.-rlijk, zie Eigenzinniglijk. 

Eer, bv;. Sooner^ floe — hoe liever, 
The sooner the better, * — > voegw. 
Before, Ere. 

.:.er, Vi% Honour; lets in — houden , 
to Have regard far a thin^ ; Ter eere 
van rajjn' vrienct, Out of regard for 
{In honour to) m-^ friend ; De laatste 

— bf»wijzen, to P-ty the last honours ; 
In alle — en dcagd, In ell decency , 
Decently; lemands — verded gen , to 
Defend otie''s reputation ; Gij liebt er 

— van, Tou are to be praised for it ; 
Ik heb de — tczijn, (in den bnefst. , ) 
I am, I have the honour to be ^ Op 
mijne — , On my honour, * — , kuisch- 
heid. Honour^ Chastity. 

Eerambt, o. , zie Eerpost. 

Eerbaar, bv. Chaste, Honest, Virtuous. 
• — ^ bw. Honestly . 

Eevbaarheid, vr. Chastity, Honour. 

Eerbaarljjk, bw. Honestly. 

Eerbeeld, o. Statue, 

Eerbewijs , o. Honour ., Homage , Com- 
pliment , Reverence , Respect. 

Eerbewijzing, vr. , zie Eerbewijs. 

Eerbied , in. Respect. 

Eerbiedenis, vr. Respect, Duty. * - , 
(in den bnefst. veroud. , ) als : Mijne 

— aan Mevrouw, My duty to your 
Lady. 

Eerbiedig, bv. Respectful, Reverent, 
Reverential, * — , Respectfully. 

Eerbiedigen, b. w. to Respect, Honour. 

Eerbiedigheid, vr. Respectfulness , Duti- 
ful ness. 

EerbiedigUjk, bw. Respectfully. 

Eerbiedsbalve , bw. Out of respect. 

Eerboog , zie Eereboog. 

Eerder , bw. vergr. trap , Sooner. 

Eerdicht, zie Lofdicht. 

Eerdief , zie Eerroover. 

Eerdienst , vr. Public worship. 

Eereblijk, o. , zie Eereteeken in de i. 
beteek. 

Eereboog, m. Triumphal arch. 

Eeredienst, zie Eerdienst. 

Eereketen , vr. Chain of honour. 

Eerekraus , zie Eerkrans. 



EEflE 

Eerelid , o. Honorary member. 

Eereplaats, vr. Place of honour. 

Eeren, b. w. to Honour, Respect, Re- 
verence, 

Eerepoorc, vr., zie Eerpoort. 

filerepost, zie Eerpost. 

Eereprijs, rn. Prize of honour. * — , 
eene plant. Speedwell, Veronic, 

Eereschot, c, zie Eerschot. 

Eereteeken , o. Blark or Token of 
honour. Distinction. * — , Monii- 
ment, 

Eeretitel, zle Eertitel. 

Eerewacht , vr. Guard of honour. 

Eerewiju , m. JVine of honour. 

Eergenoot, in. en vr. Partaker of 
honour. 

Eergestoelte 5 o. , zie Eerestoel. 

Eergevoel, o. Sense of honour. 

Eergierig, bv. Ambitious. * — , bw. 
Ambitiously. 

Eergierigheid , vr. Ambition. 

Eergieriglijic , bw. Ambitiously. 

ji^ergistefen, bw. The day before yester- 
day. 

Ecrsraf, o. Mausoleum, Funeral monu- 
ment. 

Eerkrans, m. Wreath of honour, 

Eerkriegelheid, vr. Ambition. 
l£erkroon , vr. Crown of honour, 

Eerlang, bw. Erelong^ Shortly, Soon. 
lierlijk, bv. Honourable. * — , in eer 
zijnde. Reputable; Eene eerlijke be- 
^rafenis, A decent burial; Een eerlijke 
naam. Reputation , Character, Credit, 
Honour. * — , deugdzaam , Honest, 
Upright; ^sprw. — duurt bet langst , 
Honesty is the best policy, * — , van 
vrouwen , Chaste, Virtuous, Honest. 

* — , bw. Hoiiourably. * — , Reputably. 

* — , Honestly. * — , Ghastly. 
Eerlijkbeid, vr. Honesty, Uprightness. 
Eerloon , m. en o. Salary.' 

Eerloos, bv. Infamous, Dishonest, * — , 
zonder deagd, Base, Wicked , Devoid 
of honour, * — , bw. Infamously. * — , 
Basely. 

Eerloosheid, vr. Infamy, Dishonesty. 

* — , Baseness. 

Eermetaal, c, zle Eerpennig. 
Eernaam , zie Eertitel. 
Eerpenning^, m. Medal. 
Eerpoort , vr. , zie Eerboog, 
Eerpost, m. Post of honour , Dignity, 

Preferment. 
Eerroofster, vr. Defamer^ Slanderer, 
Backbiter. 



IT. 

Efilf cover , m D 



EERR 

•over , m Defamer , Columiziator , 
Slanderer^ Backbiter, 
Eerroovend , bv. Defamatory. 
Eerrooviiiij, vr. Caiumny. 
Eersbalvc, bw. For honour'^s sake, 
Eerst, bv. Fint; Ten eerste, At firsts 
Firstly , In the first place ; also : Im- 
mediately ; also: In shorty Shortly. 
• — , van cwee , Former , That. * — , 
bw. First. * — , niec vroeger dan. Not 
before. No sooner than ^ Not till ^ No 
later ; Hec was — twiniig jaar 
da;irna. It was not till twenty years 
after. 
Eerstdaapg, bw. Soon, At the firs: op- 
portunity, 
Eer;;:c, zie Eerst. 

Eerjcelijk, bw.. First, In the first 
place, 
Eerateling , in. First fruit, Annats,pl; fig. 
First essay of an at4thor. 
Eerstgeboorie , vi'. Primogeniture ; Regt 
van — , zie Eerstgeboorteregt. 
Eerstgcboorteregt , o. Primogeniture. 
Eerstgeborenc , in, en vr. First-horn. 
Eersckoraend , bv. Next , Fellowing ; In 
' de drie eersikomende jareo , In the first 

three years to come. 
Eertjjds, bw. Formerly, Of old. In 
ancient days. 
Ecrdtel, ra. Honourable title. Title of 

honour. 

Ecrtrap, m. Degiee of honour ; Iloogste 
— , Highest pinnacle of honour. 
I Eervergt'ien , hv. Devoid of honour , Lost 
to all honour. Forgetful of honour. 
Eervol , bv. Glorious , Honourable, 
Eerwaaardc , litcl der kerkeljjkcu , Re- 
verend ; — Ilecr , Reverend sir ; Uw — , 
Tour reverence. 

Eerwaardig , bv. Respectable , Venerable , 
Reverend. * — , bw. Venerably. 
Ecrwaardigheid , vr. Respectability 

Rcspectablencss , Dignity. 
Ecrwaardiglijk, zi(j Eerwaardig , bw. 
Ecrzaam , bv. Honest, Honourable. 
Eerzuclu, vr. Ambition, Thirst after 
honours and dignities, Immvderatt 
ambition. 
Ecrzuchcig, bv. Ambitious, Aspiring. 

* — , (Etffzucluiglijk,) bw. Ambiti- 
ously. 

Eerzuil , vr. Statue , Monument , Column 
erected to one'^s honour, 
Ecsc, m. Kiln for drying hops. Oast. 

* — , Drying-lojt. 
EcstiJi , b. ' w. to Dry. 



EETB 



221 



Ecrbnar, bv. Eatable, Edible^ Eecbare 
dingen , Eatables. 
Eeibaarheid , vr. Beivg eatable. 
Eetgroen, zie Ecgioen. 
Eethuis, o. Eating-house. 
Eeckamer, zie Eec-jnal. 
Eedepel, m. Table-spoon. 
Eeilusc, vr. Appetite, Stomach. 
Eetinaal, zie Ermaai. • 
Eetmand, vr. Victual-basket. 
Eecplaats, zie Eeizaal. 
Eectafel , vr. Dining-tahle. 
Eetwaar, vr. meesial racer*/. Eetwarcn , 

Victuals , Comestibles , Food. 
Eetzaal, vr. Dining-room, 
Eeuw, vr. hondcrdtal jaren. Century, 
Age. * — , leeftijd van eenig berocMnd 
man, Age, * — , lange onbepaaUie tijd , 
Age. * — , legenwoordige ^ijd. Age, 
Times , pi. * — , tijd in bei algemeen , Age, 
Eeuwfeesc , o. Jubilee. 
Eeuwig, bv. dac begin nocheindc beeft, 
of ook voor eeu' onbepaalden zeer 
laugen tijd. Eternal^ Everlasting. *— , 
voor den tijd van 'smenscben ieven , 
Perpetual. *— , voor cen' kortereu 
docli betrekkelijk langen cijd, als : Ig 
dat — uitblijven , How amazingly long 
you were in coming back. * — , bw'. 
Eternally, * — , Perpetually, 
iicuwigdiireud , zie Eenwig. 
Ecuwigbeid, vr. Eternity, zie Eeowig ,• 
Van — tot — , i;) alle — , Fcr ever 
and ever , //; all eternity, 
Eeuwigliik, h\i. Eternally, Perpetually. 
Eeuwspel , o. Secular game. 
Eeuwzang, m. Secular song. 
Effect, o. uicwerksel, Efiect. *-— , in 
den kooph. njecsial ineerv. Effecten , 
Stocks, Actions; Makelaar iu effecten, 
Stockjobber. 

Effecteidu'urg, vr. Stocks-market , A>ley 
( in Loudon). 

Effectenhaudel , m. Stock-jobbing. 
Effectenbandelaar, m. Stock-j'obber. 
Effen , bv. niet hobbelig. Even, Level, 
Flat; fig. Op een' effeuen bodera zijn, 
to Be clear of all debt. * — , niet ruig. 
Smooth. • — , zoudcr gieraad , Plain ; 
tig. defcig-. Serious, Grave; Eenc — 
tronic , A grave looking face; Een -- 
zusje, A mifs graveatrs. * — , een- 
kleurig , Plain, Concolour, • — , even. 
Even ; — of onefifcn ? , Even or odd ; 
fig, Nu zijn wij — , Now we are g'-i 
clear, our accounts ate settled, iY-u* 
wc r. ■ ■ ' ' • 



222 



EFFE 



Slightly i — aanraken, to Touch slightly. 
EfFenen, b. w. to Level ^ Even ^ Plain. 

* — , to Make even ; fig. to Settle an 

account. 
Effenheid , vr. Levelness , Evenness, * — , 

Smoothness, * — , Plainness. 
Eflfening, vr. Levelling; fig. Settling an 

account. 

Effens, zie Teffeosf. 
EfFer, m. , zie Avegaar. 
Eflfentjes, bw. Slightly. 
Eg, zie EK'ge. 
Ega, Egade, zie Ga, Gade. 
Egbalk, m. liarrow-beam, 
Egdis, zie Haa^dis. 
Egel , m. Hedgehog, 
Egelantier, ra. Eglantine-shrub, Wild 

rose. 

Egelantierbloem , vr. Eglantine, 
Egelantierknop , m. Eglantine-bud. 
.Egelantierroos , vr. Eglantine, Wild 

rose. 
Ec^elantierwortel , m. Eglantine-root. 
Egelvarken, o. , zie Kgcl. 
Egeraaal, m. Husband, Spouse^ Consort, 
Egge , vr. zeker werktiiig der landbou- 

wers, Harrow, * — , kan:. Edge. ♦— , 

scherpe kant , scherpte , ' Edge, * — , 

zie Zelfegge. 
Eggen, b. w. to Harrow; sprw. Men 

kan mel hem — noch plocgen , There is 

no manner of dealing with him, 
Egger, m. Harrower. * — , zie Effer, 
Egging, vr. Harrowing, 
Eggerig, bv. Sour, Acid, Sharp. 
Eggerigheid , vr. Sourness , Acidity , 

Sharpness, 

Eggig, bv. van de tanden. Set on edge. 
Eggigheid , vr. Being set on edge. 
Egoismus , o. Egotisim, 
Egoist , m. Egotist. 
P^go'istisch , bv. Egotistical, 
Egsmid, m, Suiith that makes harrows , 

etc. 
Egtand,TO. Tooth of a harrow. 
Ehelieden , m. meerv. , bij sommige 

regtsgeleerden , Husband and wife , Mar- 
ried couple. 
Eieuian, m. bij ^sommige regtsgel,, 

Husband. 
Ehevrouw, vr. bij sommige regtsgel., 

Wifi. 
El, o. EfTg; E'ijerenmtihndo'p, Poached 

eggs ; Eeu vuil — , A rotten egg ; Een 

zacht — , A soft egg; Geroerde eije- 

ren, Buttered eggs; Een versch — , 

A new-laid egg ; Een oud — , A stale 



EI 

^Sa ^S* Hij gaat als op eijeren , He 
marches very cautiously , slowly; sprvf. 
Hij siaat er naar, als de blinde naar 
het — , /« the manner he is guessing at 
it, he is not like to discover it; Hij is 
zoo vol ondeugd , als een — vnl/,uivel ^ 
He is as full of mischief as an egg is 

.full of meat; Beter een half — , tjan 
een ledige dop. Better one eye than 
quite blind. Half a loaf is better than 
no bread; geraeenz. (Voor een' appel 
en een — verkoopeu , to Sell a thing 
a dead bargain. * — , als: Eijeren 
van visch , Spavfn,' 

Ei , tusscben w. , Ah' , Prithee I , Pray I ; 
— lieve.' Pray! 

Eigeu, bv, in eigeudora behoorende, 
Own; sprw. — haard is goud waard , 
Home is home , let it be ever so homely ; 
zie ook Eigcnlof. * — , tot iets behoo- 
rende , Own, Peculiar, Belonging to ; 
Zijn — meester zijn, to Be one''s own 
master, to Be independent ; Hetlagchen 
is alleen den mensch — , Laughing is 
peculiar to man alone, * — , natuur- 
lijk, Natural, Innate, Proper. * — , 
gcwend, Accustomed ; Zich iets — 
maken , to Familiarize ont''s self with 
something, to Learn, * — , zelfde , The 
very same; Ilet is de eigene (meesi: 
de eigensce) man, It is the very same 
man ; — goederen , Demeans, 

Eigenaar, m. Owner , Proprietor, 

Eigenaardig, bv. Proper, Natural. * — , 
bw. Naturally. 

Eigenaardigheid , vr. Propriety ; — eener 
taal , Idiotism. 

Eigcnaardiglijk, zie Eigenaardig, bw. 

Eigenaarster , Eigenares, zie Eigenaar. 

Eigenbaat, vr. Self-interest. 

Eigenban'g, bv. Self-interested. 

Eigenbehagelijk , bv. Self-conceited. 

Eigenbelang, o. , zie Eigenbaat. 

Eigendora , ra. Property, * — , Possession , 
Good. 

Etgendoramelijk, bv. Proper, Peculiar ^ 
Belonging to. 

Eigendunkelijk, bv. Arbitrary. * — , 
bw. Arbitrarily, According to one''s 
own th'iughts. 

EigendunkeUjkheid, vr. Arbitrariness. 

Eigenen, b. w. zich tueeigenen, to Ap- 
propriate to one''s self. * —, een' ander' i 
toeeigenen , to Dedicate or Inscribe, ' 

Eigengeerfde , zie Ingeerfde. 

Eigengebakken, zie Huisbakken. 

Eigengereed, bv. Homespun. 



EJGE 

Eigenhandig, bv. en bw. /;; or 'With 

ont''s own hand. Autographic^ Auto- 
graphical; — geschi'ifc, Autography. 
Eigening , vr. Appropriating. 
Eigenliefde, vr. Self-love^ Self-lihin^. 
Eigenlijk, bv. Proper; Het eigenlijke 

Griekenland, Greece^ properly so call- 
ed. *— , bw. Properly; — gezegd , 

ik weec het niet , Properly or Strictly 

speaking ,\I doii't knuw. 

Eigenlof , ra. Self-praise , Self-applause ; 

sprw. — sciukc , /; is ill-Oe coming to 

precise one^s self. 

Eigenmaij:ig , bv. Arbitrary , Arbitrari- 
ous ^ Absolute. * — , hw. Arbitrarily , 

Absolutely. 

Eigennaara , in. in de spraakk, , Proper 
noun. Proper name. 

EigtnscUap , vr. aard , Quality, Property, 

Attribute. * — , betamelijkheid: Dae 
heefc geene — , That is unbecoming , 
There is no propriety in that, 

Eigeuste, zie Eigen. 

Eigcnwijs, bv. en bw. Self conceited. 

Eigenwijsheid , vr. Self-conceit. 

Eigenwillig, bv. Arbitrary. * — , bw. 
Arbitrarily. 

Eigenwilligheid, vr. Arbitrariness. 

Eigenzinnig, bv. Capricious , Wilful. 
*— , bw. Capriciously. 

Eigenzinnigheid, vr. Caprice^ Caprici- 
ous u ess. 

Eigenzinniglijk , bv/. Capriciously. 

Eijerdojer, zie Dojer. 

Eijerdoop, m. Sauce made with eggs. 
Egg-sauce. 

Eijerdojer, zie Dojer, 

Eijerdop , m. Egg-sheil. 

Eijerdopje , o. verkl. w. van Eijerdop. 
* — , zeker tafclgereedschap , Egg- 
cup. 

Eijerkanaal, o. Oviduct, i 

Eijerkoek , m. Omelet. 

Eijerkooper, m. Cadger, 

Eijcrkrans, zie Eijerstok. 

E;jerkorf, m. , zie Eijerniaod. 

Eijcrkoker, m. een zandloopenje, Egg- 
!■ oiler. 

K.jerkramer, zie Eijerkooper. 

Eijcrleggciid , bv. Oviparous. 

Eijerlepeltje , o. , zie ThcelepcUje. 

Eijerlijst, o, in de bouwk. , Ovvlo. 

Eijcrman, m. Cadger, Man that sells 

eggs, 

Eijcnuand, vr. Basket for eggs, 
Eijeriietje, o. Not to boil eggs in. 
Kijerpruiin , vr. Jlorse-p!um. 



EIJE 



223 



Etjerrek , o. , zie Rek voor eijeren. 

Eijersaiis, vr. , Eijerdoop. 

Eijerschaal, vr. , zie Eijerdop. 

Eijevstok, in. Ovary. 

Eijerstruif, vr. , zie Eijerkoek. 

Eijervoorraad , m. Provison of eggs. 

Eijervrouw, vr. PFoman that sells eggs. 

Eijerwijf , o. , zie Eijervrouw. 

Eik, m. Oak, Oak-tree. 

Eikel , m. Acorn ; Eikels dragend , Glan- 
diferous. * — , zie Beakeikel. 

Eikelaar , m. , zie Eik. 

Eikeldop, m. , Eikeldopje, o. Acorn- 
cup. 

Eikeloogst , m. Harvest of acorns. 

Eikelspek , o. Bacon of a pig fed or fat- 
tened "with acorns. 

Eikeltijd , m. Season of acorns, 

Eikelvarken, o. Acorned pig , Hog that 

feeds upon acorns. 

E ken, bv. Oak, Oaken, 

Eikenappel, ra. Oak-apple , Gall-nut. 

Eikenbasc, m. Oak-bark. 

Eikenblad, o. Oak-leaf. 

Eikenbooni, zie Eik. 

Eikenboompje, o. , zie Eikentclg. 

Eikenbosch , o. Oak-wood, Grove of oaks. 

Eikenhoiu , o. Oak-wood. 

Eikenhoiuen , bv. Made of oakwood , 
Oaken. 

Eikenkraus , m. Wreath or Garland of oak- 
leaves. 

Eikenkroon, vr. ,zie Eikenkraus. 

Eikenloof, o. Oak-leaves, pi. 

Eikcnmos , o. Oak-moss. 

Eikenplauk, vr. Oak-tlank. 

Eikenschaal, vr. Maarier, zie Schaal. 

Eikenschors, vr. , zie Eikenbasr. 

Eikenstam , m. Oak-trunk. 

Eikencak , m. Oak-branch, 

Eikenielg, ra. Toung oak-tree. 

Eikenworcel , m. Root of the oak, Oak- 
root. ^ 

Eiker, ra. a kind of boat. 

Kikhoorn, Eikhoren,zie Eekhoren. 

Eilaas, zie Hclaas. 

Eiland, o. Island, Isle. 

Eilandbewoncr, m. , Eilandbewoongter, 
vr. , Eilander, ra. Islander. 

Eiliiive, tusschenw. , zie op Ei. 

Eiloof, zie Kli'.nop. 

Eiiui, o. , zie Einde. ♦ — , inxond, (ook 
End , Eindje , End je ,^Bit , Piece , End; 
Eindjes kaars , Ends of candles; Wij 
hebben een goed — weg.s afgclegd , HCe 
have made a good part of the road. 
lEindL-, o. End. * — , dooii , Dcr.th.*-, 



224 



EIND 41 



ophouding. Conclusion^ Termination; 
Ten — loopen, to Draw to a conclusion; 
ZijngeduUlv;as ten — , He lust all patience. 
* — , uitslag, Issue; Een kwaad -- ne- 
raen of hebben , to Come to a hadissue^ 
to End ill ; sprw, — goed , alles goed, 
Hcc — kroonthet werk, All is well that 
ends well. * — , doel, oognierk, Aim^ 
Purpose, End; Zijn -- bereiken, to Hit 
ono^s aim, to Succeed in one''s under- 
taking ; Tot wat— ? , For what purpose?; 
van hier: Ten — , voegw. In order , To 
the end that; Ten — gij weec, (To the 
end) that you may hiow. * — , liec ui- 
tersce T Extreinety , End; Van hec eene 
— tot hec andere. From one end to the 
other; van hier: in zaniensc. Achcerein- 
de,enz., zie de zamengestelde woor- 
den. 

Eindelijk, bv. Final. * — , b\v. At lengthy 
At last y Finally, 

Eindeloos, bv. Endless y Having no end. 
Infinite. *■—, bw JJfithout end. Infi- 
nitely; — Ulein, Infinitesimal. 

Eintleloosheid, vr. Endlessness , Infinity, 
Infinitude. 

Einden, zie Eindigen. 

Eindig, bv. Finite. * — , bw. Finitely. 

Eindigheid, vr. Being finite, Finitude. 

Eindisen , b. w. to End, Terminate, 
Conclude, Finish. * — , o. w. mecZijn, 

to End , Cease. 

Eindiging , vr. Ending, Concluding , Con- 
clusion , Cessation. 

Eindje , o. verkleinw. , zie Einden Einde. 

E'ndklank , m. Final sound. 

Eindklinker, m. Final vowel, 

Eindletter, vr. Last letter. Final letter. 

Eiudlettergreep , vr. Last syllable , Final 
syllable. , 

Eindmedeklinker, ra. Fina.1 consonant. 

Eindoogmerk, o. End , Aim , Purpose, 
Scope , Design , Intention. 

Eindoorzaak , vr. Final cause. 

Eindpaal, vr. Boundary, Limit , Bound. 

Eindrijm , o. in de dich tk. , Rhyming of 
verses at the end of the line; Opgegeve- 
ne eintirijmen , Bouts-rimes. 

Eindvonnis, o. Decisive sentence. 

Eirond , bv. en o. Oval. 

Eisch, nn Demand, Claim; fig. Naar 
den — der zaken , As circumstances will 
require i van hier: Naar — , Naar den 
— , Satisfactorily y As it ought to be. 
Properly. 

E'schen , b. w. to Require , Demand, 
67.j//».'*— , inzond. een' prijs vrrfgen 



voor iets,dat tc verkoopen is, to A>k 
a price. * — , nitdagen, to Challenge. 

Eischer , m. Rcqnirer , Claimer. * — , in- 
zoud. in de regtsgel., Plaintiff", De- 
mandant, 

Eischeres, Eischerscbe, vr. in den regts- 
gel. St. , Female plaintiff. 

Eisching , vr. Demanding. Asking. *— , 
Challenging. 

Eiscbstcr, zie Eisckeres. 

liivonnig, bv. Oval. 

Eivvic, o. pyiiite of an egg, G'air. 

Eiwitsiof , vr. Glair, Albiigincous matter . 

Eiv/itten, b. w. bij boekb. , to Glair. 

Eizenkruid, o. Vervain, Vervine. 

Ekel , m. Dislike ; Een — aan . , . hebbe 
to Have an aversion from orto.. ,; z 
Aversion in hec andere dcel ; Een 
aan... kfijgen, to Take a -dislike to.... 

Eklips,.vr. Eclipse, zie Eclips. 

J^kster, m, Blagjie , Pic. 

Eksceroog, o. Corn, zie Likdoreu. 

Ekscersei, o. P/tV egg, 

Eksterskop, m. Hei?d of a pie. 

liksiersneb , vr. Bill or Beak of a magpie 

Ekstersnest, o. Pie''s nest. 

Ekscerspoot , m. Leg of a pie. 

Eksterscaarc, m. Tail of a pie. 

Ekstersveder, Ekst:ersve^>r, o. Feather vf 
a pie. 

Elistersvleugel, m. Wing of a pie. 

El, vr. Ell , Yard, {_-^q<Xqv\,q\,) Meter. 
* — , raeetstaf, Tard. 

Eland , m. Elk. 

Elandshooru , Elandshoren , in. en o. 
Elk^shorn. 

Elandsklaauw , tn. Elk''s claw, 

Elandsvel, o. Elk's hide. 

Elders, bw. Elsewhere, Somewhere else ^ 
In some other place. 

Elektriciteic, w. Electricity. (^trize 

Electriek, bv. Electrical , Electric, Elec 

Electriseermachiue , vr. Electrifying nu: 
chine. 

Electriseren , b. w. to Electrify. 

Electrisercn , o. Electrification , Electn 
zation. 

Elefant , zie Olifanc. 

Elefantstaud , zie Olifantstand. 

Element , o. Element ; fig. Het spelen i. 
zijn — , Play is his element. * — , Elt^ 
menten , meerv. (hecenkelv. niec gebr. 
in de bovennacunrk. , Elements , Atom' 

Elf, telw. Eleven; In e'ven , In eleve. 
parts or times ; Met ons elven , We eleve;; 
Eleven of us; Na — of elven, Pri 
eleven (o' clock'}; Op xijn — en derci^: 



f- 



liLFD 



ELLE 



225 



«te , zie Dertigste. * — , vr. Eleven. 

Elfdaagscli , bv. Of eleven days. *—, Every 
eleventh day. 

Elfde, bv. Eleventh, *— ,o. Eleventh 
part. 

Elfdehalf y bv. Ten and a half. 

Elfderhande , Elfderlei , (becer : Elver- 
hande , ElverkM,) bv. Of eleven kinds. 

Elfhoek , m. Endecagon , Hendecagoti. 

Elf hoekig , bv. Of eleven anple>, 

Elfjarig,bv. Eleven years old. * — , Last- 
ing eleven years. 

Einetcergrepig, bv. Of eleven syllables; 
— woord , Hendecasyllable. 

Elfmaal , bw. Eleven times. 

Elfraaandsch , bv. Of eleven months^ Eleven 
wotnJiS old. 

Elfc, m. een visch , Shad. 

Elftal, o. Number eleven. 

Elftnec, o. Net for shads, 

Elfwekig, bv. Of eleven weeks. 

Elger, m. Eel-spear. 

Elk, bv. Every, Each. * — , m. Every 
one y Every body. Each., zie leder. 

Elkander, pers. voornaaoiw. Each other. 
One another. * — , voorafgegaan van 

! ondcrscheidene voorzetsels , a!s : i, ) Aan 
— , (aancen,^ One to another. To each 
other. Together; 2.) Achter — ,(bij- 
een,)0/;e ^/zer^worA^r, yjfter each other; 
(achcercen ,)All together , All at once ; 
3.) Bij — , (bijeeu ,)0/7e /7^«r another , 
Near each other , (^z\q Bij,) Together; 
4.) Boven — , One above another^ Above 
each other; 5.) Biiiten — , als : Zij kun- 
nen niet buicen — , They cannot do or 
live without each other; 6.) Dot^r — , 
(dooreen,) Together, Confusedly; 7.) 
In — , (ineen,) One in or into another. 
Into or In each other , Together; 8.) Met 
— , Onewith the other ^ W'ith eachother^ 
Together ; 9. ) Na — , One after another, 
Afther each other , Together; (achier- 
een,) Together ;\o.^'^d.7iV — , zie Naar; 
II.) Naasc — , One next another. Next 
each other. Together, zie Naast, 12.) 
Oni — , One about another. About each 
ether, zie Om ,• 13.) Oratrcnc — , One 
towards another , Towards each other , 
zie Omtrcnt ; 14.) Ondcr — , One under 
another. Under each other, zie Onder ; 
(oiidereen, ^Together 15. )Or>—,0ue upon 
anotjier , Upon each other. Together , zie 
Ou|^r; (ondereen) Together; 16. )Ovcr 
— , Together, zie Over en Te.ienovc'r,* 
17.) Tcgcnnver — , Overagainst eaci. 
IIOLL. liNG WRD. 



other, zie Tcgeuover; i8.)Uic — ,0«^ 
out of t!ie other , etc. , zie Uu ^ (iiiieei.,) 
Annder; Uic— nemen, toTake to pleas, 
to Undo; Uic — (_uiceen)gaan,ro Separate, 
zie 00k Losgaan ; Uic — ieggeii , to Se/ a- 
ratc ; Van — , als: De beecen van — 
(vaneen) spannen, to Spread one^s legs; 
i9.)Voor — ,One befor another , Befoi e 
each other, zie Voor; 20.) Zonder — , 
One Without another , TVithout each 
other. 

Eile, zie El. 

Elleboog,m. Elbow ; f\g. Tot de elle- 
bogen in bet geld tascen to Have plenty 
of money. 

Elleboogsknokkel, m. Bone of the elbow. 

Elleboogslengte, vr. Cubit. 

Elleboogsraouw , vr. Sleeve reaching to the 
elbow. 

Elleboogspier ,^ vr. Muscle of the el- 
bow. 

Ellegoed, o. Stffff'sold by the ell. 

Ellemaat, vr. Measuring by ells , Ell- 
measure. 

Ellende, vr. Misery, Wretchedness, 

Ellendeling , m. en vr. Wretch. 

Ellendig, bv. Miserable., Wretched, 
Calamitous ; fig. slechc , Miserable, Piti- 
ful, " — , bw. Miserably, Wretchedly; 
a^. Miserably, Pitifully. 

Ellendigheid, vr. Miserableness, 

Ellendiglijk, zie Ellendig, bw. 

Ellewaar, vr. Stuff" sold by the ell, 

Ellewinkel, m. Shop where they sell by 
the ell. 

Ellips, vr. Ellipse, Ellipsis. 

Ellipsis, vr. Ellipsis. 

Ellipcisch , bv. Elliptic, Elliptical. 

Elpenbecn, o. Ivory. 

Elpenbeenen , bv. Ivory. 

Elpendier, o., zie Olifant. 

Els , m. Alder , Aldertree. 

Els, vr. zekere prieni , A^vl ^ Elsin. 

Elshechc, o. Awl-hnudle. 

Elshouc, zie Elzenhoiu. 

Elskoopcr, ID. Seller of awls. 

Elsraakcr, m. Awl-maker. 

Elspunc, vr. Point of an awl. 

Elsvormig, by, Awl-forme'd. 

i:izen, by. Alderrt. 

Elzenblad, o. Lea f of an aldertree, 

i:izenboom, zie Els, in. 
Elzenbosch, o. Alder-grove. 

Elzenhaag, Elzeuhcg,' vr. Alder-hedge. 

Elzenhour, o. Alder-wo.d. 
I'llzenicliofi , vr. Alder-bat k. 

13 



22G 



ELZE 



Elzensliet, vr. Beam of al^e:*wood ^ zie 
Sliet. 

J:^lzenstaak, m. Prop of alder-wood. 

Elzenstara, m. Trunk of an aldertree. 

Elzentak, m. Branch of an aldertree. 

Email, o. Enamel. 

Kmailleren, b. w to Enamel. 

Embleem, o. Emblem, 

Embrasure , vr. Embrasure. ' 

Emeril, m. Emery, 

Emmer,m. Pail ^ Bucket. 

Emplooi, o. Employment ^ Place. 

En , uicg, van onverbuigb. bijvoegelljke 
woorden , welke de stof aanduiden , 
waaruit iets bestaat : Zilveren^ van zil- 
ver ; Gouden , van goud ; fiTollen , van 
wol. In het Engelsch wordc meestal 
hec zelfst. woord alsbijvoegel. gebruikr, 
als : Een zilvercn lepel, A silver spoon; 
enkele woorden hebben ook en ^ als: 
Wollen kou?en , Woollen stockings ; De 
gouden leeuw , The golden lion , zie 
Gouden. 

En^ voegw. (oiil. Ende ,)yfwW ,• — ... —, 
(voorgeplaaisc en herhaald : Zoo'wel..., 
als ook...), Both ...and...;— zoo ver- 
der, — zoo voort, (bij verk. ), enz. , 
etc. , And so forth , And so on. 

Encyclopedic, vr. Encyclopedia^ Cyclope- 
dia. 

End, zie End. 

Ende , voegw. , zie En. 

Ende. zie Eind. 

Endeldarm , ra. in de ontleedk. , Rec- 
tum. 

Endivie , zie Andijvie , enz. 
Endossant, m. Indorser. 
Endosseren, b, w. bij koopl. en wissel., 
to Indorse^ De geendosseerde , The 
indorsee. f 

Endossement,o.van wisselbrieven,/«^or;e- 
ment. 

Eng, bv. Narrow , Close, Tight, Strait. 
* — , bw. , als:— gehuisd zijn, to Live 
in a small house. 
Ei.gborstig, bv. Asthmatic , Asthmatical, 
Snoi t-breathed. 

Engbo) stigheid, vr. Asthma , Shortness of 
breath , Dyspnoea. 
Eigel ra. Angel ; Hij (zij^ zingt als een 
— , He (^she^ sings like an angel ; Hij 
is een — . He is a most noble-minded or 
benevolent man; Zij is een (zooschoon 
als een)- , She is beautiful like an an- 
gel; also: She is very good-natured ; (ook , 
als woord van teederheid : ) Mijn — , My ' 
dear, B'Jy angel. My life. * 



ENGE 

Engelachtig, bv. Angelic, Angelical. *— , 
bw. Angelically. 

Engelenbak , m. Gallery. 

Engeleakoor, zie Engelkoor. 

Engelenschaar, zie Engelscbaar. 

Engelin, vr. , zie Engel in de laatste be- 
teekenis. 

Engelkoor, o. Chorus of angels. 

Engels, o. zeker gewi^c, Twentitthpart 
of an ounce. 

E.igelschaar, vr. , zie Engelkoor. 

Eiigelzoec , o. zeker kruid. Polypody. 

Engelzoet, bv, fig. Very sweet. 

Engen , b. w. bij naaisiers, to Make nar- 
rower , to Narrow. 

Engheid, vr. Narrowness , Closeness. 

Engte, vr. engheid , Narrowness; fig 
Difficulty; lemand in de — drijven, to 
Put one to a nonplus, * — , enge weg , 
Narrow pass , Defile ; Den vijand in 
eene — lokken , to Entice the enemy into 
a narrow pass. * — , eng water , Strait. 

Enkel , bv. niet dubbef , Single. * — , on- 
vermengd, als: Hij bctaalde mij in — 
goud, He paid me all in gold. * — , zon- 
der wedergade , Odd; Een — deel van 
een boekwerk, An odd volume of a book. 
*— , niet zamengesreld,5/w/'/(?. *— , bw. 
slechts. Only, Merely. * — , zelden , 
nls: En wanneer het — geschiedt. And 
if it sometimes , tho^ seldom , happens. 

Enkel, ra. enklaauw , Ancle. 

Enkelvoud , o. in de spraakk, , Singular 
number. 

Enkelvoudig, bv. in de spraakk. , Sin' 
gular. 

Enkl:.auw, zie Enkel, m. 

Enc , vr. Graft. 

Enien, b. w. to Graft. 

Enter, m. Grafter. (winter. 

Enicr, m. in sommige streken , zie Een- 

En.erbijl, m. Grappling-axe. 

Enterdier, o., zie Eenwinter. 

Enterdreg , vr. Grappling-iron. 

Enteren, b. w. to Board. 

Enterij, vr. Nursery of grafted trees. 

Entering, vr. Boarding. 

Enterluik, o. Boarding-scuttle. 

Enchof, m. , zie Enterij. 

Enting, vr. Grafti'ig. 

Enrmes, o. Grafting-knife. 

Entrijs , o., zie E c. 

Entwas , o. Grafting wax. 

Epacta , vr. Epact. 

Epigram , o. Epigram. 
Epistel , \r. Epistle. 
Epitheton ,. o.' Epithet. 



EPOP 

Epopee, vr. en o. Epos ^ Epopee^ Epic 
poem. 

Eppe, vr. zeker kruid, JP'ild parsley. 

Equipagie, vr. Ship'^s crew^ * — , rijiuig 
en paarden. Equipage. 

Equipagiemeescer, m. Arrayer ^ Commis- 
sioner of array. 

Er, bw. daar, There; Hij was — , He 
was there; Ik koni — van daan , I come 
Qfrom'jthence; Ik ga — been, I go thither. 

* — , voor : die of dat , (deze , die,) 
als: Hebt gij ervan geproefd , /i^vej'or/ 
tasted of it. * — , voor-. van die, daar- 
van, als : Koopc gij no^ meer boeken , 
en gij hebc er zoo vele?, Do you btiy 
still more books , avd you have got such 
a number (^of them)? ; ook overtoUig: 
Daar zijn — ,(ook : Daar is — "), die mee- 
nen. There are some^ that think, etc. 
Aanm. In plaats van: dit, dat (deze, 
die) is bet gelijk aan daar: met dit on- 
derscheid echter , dat het geene legen- 
scelling loelaat, en ^Icijd in bet Eng. 
door de pers. voorn. moet overgezet wor- 
den , als: Het boek is er niet in (in de 
lade) , The book is not in itQthe drawer); 
Ilct boek is niet daarin (in die lade), 
maar hierin. The book is not in that ^ 
but in this Qdrawer^j. 

Er, zie Aar. 

Er, onscheidbaar voorz. van zamenstell. 
met werkw. , oul. gebruikelijk voor her 
en v^r,' het is nog overigincenige woor- 
den , als: Erbarmen, Erkennen, Erlan- 
gen , enz. 

Erachten , o. veroud. nog overtg in : Mijns 
erachtens, According to my opinion. 

Erbarmelijk, bv. Miserable , ffretched, 
Deplorable. ♦ — , slechc. Pitiful. * — , 
Miserably, IVretchedly * — , Pitifully. 

E.l>armelijkheid , vr, Miserableness. *— , 
Pitifulness. 

Erbarmen (zicb), b. w. to Have pity or 
compassion ( on , over , ofmet den 2. iiv. ) 

* — , in den kerkst. : lieere , erbarm u 
onzer. Lord, have mercy upon us. 

Erbarming, vr. Compassion, Pity, 

Eld, zie Aard, 

Erf, o. crve. Ground; Een huis en — , 
A house with ist appurtenances. * — , erf- 
goed , Inheritance, Patrimony. 

Erf, o. van leder, zie Nerf. 

Erfbezit, o. Right or Claim upon any 
possession after the present proprietor's 
\ decease , Hereditary possession. 
ji Erfbezitter, m. Possessor by inheritance. 

Elf bezitting , vr. erfenis , Inheritance. 



ERFC 



227 



♦ — , bezitting bij erfenis , Possession by 
inheritance. 

Erfcijns, m. Quitrent. 

Erfdeel, o- Hereditary portion. Part of 

an inheritance. 
Evfelijk, bv. Hereditary.^ *—, bw. By 

inheritance. Hereditarily. * — , (van 

het veroud. erven voor duren^ , als : 

Eeuwig en — . Ever and anon, 
Erfenis, vr. Inheritance. 
Erfgaaf , vr. Legacy. 
Erfgeld, o. Money acquired by inheritance. 

* — , Taxes laid upon successions. 
Erfgenaam, m. Heir. * — , vr. Heiress, 
Erfgenooc , m. Coheir. *— , vr. Coheiress. 
Erfgifc. zie Erfgaaf. 

Erfgoed, o. , zie Erfenis. *— , inzond.. 

Estate acquired by inheritance. Heirloom. " 

* — , zie Erfelijk goed. 
Erfgraf, o. Family-grave , Family-vault. 
ErFgrond,m. Hereditary land^ Heirloom. 
Erfgrondregt, o. Rights of a hereditary 

land. 
Erfhuis, zie Bocdelhuis. 
Erfhuisboek, o. Register of an auction. 
Erfhuisgeld, o. Money of an auction. 
Erfhuisraeescer , ra. Auctioneer. 
Erfliuiswijze , bw. , als : — vcrkoopen , to 

Sell by auction , to Sell to the highest 

bidder. 
Erficoning, m. Hereditary king. 
Erfkoningrijk , m. Hereditary kingdom. 
Erfland, o. Hereditary land. 
Erfleen, o. Freelandl AUodium. 
Ibrfmaakster, vr. Testatrix, 
Erfmaker, m. Testator. 
Erfmaking, vr. Bequest y Legacy, 
Erfpacht , vr. het bezitren in erfpacht , 

Fcefarm. * — , bctcene men daarvoor 

betaalt, Quitrent, Groundrent. 
Erfpachter, m. Fee-farmer. 
Erfprios, m. Hereditary prince. 
Erfprinses, vr. Hereditary princess. 
Erfrcgt, o. Hereditary right. 
Erfrente , vr. Perpetual rent. 
Erfrijk, o. Hereditary kingdom or cm- 

pire, 
Erfschuld, vr. Hereditary debt. *— , zie 

Erfzonde. 
Erfstadhoudcr , ro. in de Nederl. gc^ch., 

Stadtholder. 
Erfstadhouderschap, o. in de Ned, gesch., 

Stadtholder ship. 

Erfsier, vr. Inheritrix, Inheritress. 
Erf8iuk,o. Heirloom. 
Erftogt, zie Lijftogc. 
^Erfvijand, m. Hereditary enemy. 



228 



ERFV 



Erfvijandschap, vr. lieriditary enmity or 
hatred. 

Erfvolk , o. Hereditary people. 

Erfvorst , m. Hereditary prittce. 

Erfvorstendoni , o. Hereditary principa- 
lity. 

Erfziekte , vr. Family-disease , Hereditary 
disease. 

Erfzonde , vr. in de godgel. , Original 
sin , Innate corruption. 

Erg, bv. Bad, III. * — zeer ziek. Very 
ill. * — , bw. Badly , /// ,• fig. Very^ Dan- 
gerously. 

Erg, zie Arg. 

Ergdenkend , zie Argdenkend. 

Ergdenkendheid , zie Argdenkendhcid. 

El-gens , hw. Somewhere , jiny where. *— , 
— iecs, genieenl. in verb.raeceen voorz., 
Something, Anything; Ik dachc— aaii, 
/ thought of something. 

Erger, vergr. tr., zie Erg en Kwnad. 

Ergcrcn, b. w. to Give ojfence , to Ojfend; 
Zich — , to Take oj^e nee ^at a thing'), 
to Be offended (^of, over"). 

Ergerin^ , vr. Giving offence , Offending. 
* — , Taking offence, 

Ergerlijk, bv. Hoicked; Een — leveu lei- 
den),(ook : — leven, )/o Lead a scanda- 
lous life. * — , bw. Scandalously. 

Ergerlijkhei'd, vr. Scandtfousness. 

Ergernis , vr. Scandal , Offence ; — geven 
of nemen , to Give or Take offence. * — , 
in dc godgel. , Bad example. 

Ergst, overtr. ir. , zie Erg en Kwaad. 

Erinneren, zie Herinneren. 

Erkaauwen, zie Herkaauwen. 

Erkennen , b. w. duidelijk bevatten, to 
Conceive any thing clearly, to Distin- 
guish. * — , aanncmen , voor betgene bet 
is, to Acknowledge , Own; Een'natuur- 
Ijjken zoon— , to Legitimate a (^natu- 
ral) son. * — , dankhaarheid becoonen ^ 
to Acknowledge , to Be grateful for (« 
thing). * — , vergelden, to Coinpensate, 
to Give in return , to Return. 

Erkenniiig , vr. Acknowledgement , zie 
Erkennen. 

Erkentelijk, bv. Grateful, Thankful. 

Erkencelijkheid, \t. Gratefulness, Thank- 
fulness. 

Erkentenis, vr. vermogen oni te erken- 
nen , Conception. * — , bet vergelden , 
Return for a favour. 

Erlangen , b. w. to Obtain , Acquire , 
Receive. 

Erlanging, vr. Obtaining.^ etc., Obtain- 
ment. 



ERNE 

Erneren , zie Generen. 

iirnst , m. Earnestness, Earnest, Seri- 
ousness ; hhct jok of—?. Is it a Joke 
or earnest?; Zi;g mij in goeden — ,Tell 
me seriously. * — , gestrengheid , Severity, 
Rigour. * — , ijver. Zeal. 

Ernstelijk, bw. Seriously, Earnestly. 

Krnschafcig , bv. Grave , Sedate , Serious. 
* — , bw. Gravely, Sedately, Seriously. 

Ernsthaftigheid, vr. Gravity, Sedateness, 
Seriousness. 

Ernscbaftiglijk, zie Ernsibaftig, bw. 

Ernstig, bv. Earnest, Serious. * — , bw. 
Earnestly , Seriously. 

Ernstigheid, vr. Earnestness , Seriousness. 

Ernstiglijk , zie Ernstig, bw. 

Ernstzaak, vr. Serious matter. 

Ere, zie Erwc. 

Erts, in. Ore. 

Ertsrijk, bv. Abounding with ore. 

Ervaren, ongel. b. w. to Experience. * — , 
bv. Experienced , Expert , Skilled , Well 
versed. * — , bwt Expertly. 

Ervarenhcid, \x. Experience, Knowledge. 

Ervaring, vr. in den kanselarijst. , als : 
In — gekoinen zijnde, Being informed. 

Erve , zie Erf. 

Erveloos , bv. Heirless , Without an heir^ 

Erven, b. w. Inherit; fig. De zoon erf- 
de de deugden des vaders. The virtues 
of the father were transmitted upon the 
son. * — , o, w. met Hebben , to Devolve; 
Dat goed erfc op hem , That estate de- 
volves upon him; V»n iemand — , to Be 
one''s heir; fig. Eene vijandschap, die( pf 
den nazaac erfc , An enmity thai is trans- 
mitted to posterity. 
Erven, m. meerv. Heirs. 
Erver, m. Inheritor. 
Erving, vr. Inheriting. * — , Devolvij^g* 
Ervoer, v. t. , zie Ervaren. 

Erwec , zie Erwt. 
Erwt, vr. Pea; (meerv. Peas en Pea^e; 
bee eerste wr.nneereen bep. getal wordfc 
bedoeld : Drie erwten , Three peas; en 
hec andere , vvannneer men erwten m h6t 
algcmeen, of eene spijs dazr van hedoQltf 
als: Erwten eren , to Eat pease). • 

Evwtenbed , o'. Pease-plot. 

Erwtennac , o. , zie Erwrensoep. 

Evwtenrijs , o. Stick serving for props to 
pease. 

Erwcenschil , vr. Pen shell. 

Erwtensoep , vr. Pca^e-porridge. 

Erwcenscroo , o. Peasc-haum, 

Escad'on, o. bij hec krijgsw. :e land, 
Squadron of horse. 



^K^K- KSCH 



ETTE 



229 



Esch , m. ^^Ji , Ashtree. 

Eskader , o. bij het krijgsw. 
Squadron, 

Esp , m. Aspen , Asp ^ Asptfee, 

Espen , bv. Aspen, 

Espenblad , o. Aspen leaf, 

Espenboom, zie Esp. 

Espenhoiit , o. Aspen wood. 

Espcnloof, o. Aspen leaves^ pi. 

Espeiuak, m. Branch of an asp. 

Espcnwortel, m. Root of an asp. 

Essai, o. en m. Assay. 

Essayeur, m. bij het rauntw. , Assayer. 

Esschen , bv. Ash. 

Esschenbast , m. Ash-hark. 

Essc'ienblad, o. Ash-leaf. 

Esse lenboom , m. , zie Esch. 

Essclienhout , o. Ashwood. 

Esschenhoucen, bv. A-hen, Made of ash- 
wood. 

Esschenloof, o. A^h-leaves , pL 

Esschenplank, vr. Ashen hoard. 

Esscheniak, m. Branch of an ash, 

Esschenworcel, m. Root of an ash, 

Estaferte, vr- Estafet, 

Estrade , vr. Esirade. 

Escrik, m Square brick ^ used for the 
covering of jloors. 

Esiriken , bv. Made of square bricks. 

Eten , onreg. b. w. to Eat; Des middags 
— , to Dine ; Des avonds — , to Sup; 
fig. lemands brood — , to Get one'' s live- 
lihood by one; Het genadebrood bij ie- 
mand — ^ to Live upon some body'^s chari- 
ty ; Zijn woord — , to Retrnct , Recant. 

* — , o. de daad van eten, Eatit/g. * — , 
^maahijd , Dinner or Suf)f>er. " — , inzond. 
middaRmaaltijd , als : Na hec(ook wel : 
Wa den) — , After dinner. 

Etenskas, vr. Pantry, Buttery, Safe. 
Etensiijd, m. Dinner-time , Pudding-time, 

* — , Supper-time. 

Etensuur , o. Hour of dinner or supper. 
Eier , m. Eater. 
tgroen , o. Aftergrass , After-growth. 
Itner , m. Ether. 

Jciquctre , vr. Etiquette. * — , Ticket 
, (^affixed to something)^ Label. 
jEtmaal, o. Day and night , Twenty four 
I hours, 

Etsen , b. w, to Etch. 
Etscr , m. One that etches, 
Etsijzer, o. Etching-iron, 
Etsing, vr. Etching. 
Etskiuist, vr. Art of etching. 
Ecsnaald, vr. , zie Ivsijxer. 
Ettelijke, bw. Some ^ Several, Sundry. 



Etter, m. Blatter, Pus. 

Etterachtig, zie Ettertg. 

Etterborst , vr. Empyema. 

Etterbiiil , \v. Imposthume , Ahcess , Sup- 
purating boil. 

Etierdragt, zie Dragc. 

Etieren , o. w.mec Hebben, to Suppurate. 

Ectergat, o. Fistula. 

Ectergezwel, o. , zie Ecterbuil. 

Etterig, bv. Purulent. ^ 

Ectering , vr Suppuration. 

Eccerslijm, c, zie Eccer. *— , Slime 
mixed with pus. 

Etterwond, vr. Suppurating wound. 

Ecterzak, m. Kernel of suppuration. * — , 
zie Ecterbuil. 

Euangelie, enz. , zie Evangelie, enz. 

Eunjer, bv. veroud. , Devilish. ♦ — , bw. 
Devilishly. * — , m. veroud., Spectre, 
Apparition. 

Eunjerheid , vr. veroud. , fohe. 

Euvel , bv. en bw. kwaad, als: lets — 
opnemen , to Tnke a thing ill. *— , kw.iad- 
aardij; , a's : In euvelen moede , //; a 
passion , With a hostile intention. * — , 
o. kwaal. Disease., (meest in zaraenst., 
zie Handeuvel, Voeteuvel); fig. Aan 
het zelfde — mank gaan , to Be subject 
to the same fault or vice, 

Euvcldaad, vr. IFicked action. 

Euvelmocd, ra. Rashness^ Pride, Inso- 
lence. 

Euvelmoedig , bv. Insolent. *— ,bw. In- 
dolently. 

Euvelmoedigheid, vr. Insolence, 

livangelic» o. in de Chr. godsd. , Go.f/r/; 
Met — verkondigen , to Evangelize ; fig. 
lletgene hij zegt, is geen — , One caw 
not rely upon what he says. 

Evangelieblad, o. Leaf of the gospel; fig. 
Gospel. 

Evangelieboek , o. Gospel. 

Evangelicdienaar , iii. Blinister of the 
gospel. 

ICvangcHedlenst , vr. Service of the gospel. 

IOvanf»L'liegeschiedenis, vr. Gospel-history. 

ICvanjjelieieer, vr. Doctrine of the gospel. 

ICvan>^clicprcdiker, m. One that preaches 
the gospel. 

Evan};elievcrkoudiger, zie Evangelicpre- 
diker. 

Evangcliewaarheid, vr. Truth of the gospel. 

Evangelievvoord, o. ff^ord of the gospel ; 
fig. Gospel. 

Evangclisch^ bv. Evangelic , Evangelical. 
* — , bw. Evangelically, 

Evangelist, m. Evangelist. 



230 



EVEL 



Evel, zie Euvel. 

Even, bw. juisc zoo ^ Just as. Equally i 
— hoog, (ook: — zoo hoog,)/«jr as 
high. ♦— , (eventjes,) ligtelijk , Slight- 
ly, * — , kort geleden , pas, Just ^ — 
eens , of Oni hec — , Quite the same, 
Jndiffereut , All one. * — , bv. en bw. 
Even f — of oneven?. Even or odd? 

Evenaar, m. aan eene weegscbaal. Tongue. 
*— , in de aardrijksk. , Equator. 

Evenaardig, bv. Homogeneous, Of a 
similar kind. * — , bw. In a homoge- 
neous manner. 

Evenaardigheid, vr. Homogeniousness , 
Homogeneity, 

Evenaren , b. vr. to Equal. 

Evenaring, vr. Equalling. 

Evenbeeld, o. Semblance, Resemblance , 
Likeness , Image , Portrait, 

Eveiieens, bw. In the same manner. 
* — , zie Even. 

Eveneeuwig , bv. Coeternal. 

Evenen, zie EfFenen. 

Evening , zie EfFening. 

Evengelijk, bv. Equal* * — , bw. In 
the same manner. 

Evengelijkheid, vr. Equality, 

Evenmatig, zie Gelijkmatig. 

EvenmacigheicI, zie Gelijkraatigheid. 

Evenniensch , ra. Fellow-creature , Fel- 
low-being , Neighbour, 

Evennaasce , m. , zie EvenmenscU en 
Naaste. 

EvennacUtslijn, vr. in de aardrijksk.. 
Equinoctial line. 

Evenredig, bv. Proportionate. * — , bw. 
Proportionately. 

Evenredigheid, vr. in de wis-en rekenk. , 
Proportion. 

Evenrediglijk, zie Evenredig, bw. 

Eventjes, zie Even. 

Evenveel, bv. Equally, To the same 
degree. * — , The same sum. 

Evenveehje , o. a sort of cake. 

Evenwel, bw. However, Tet , With all 
that. 

Evenwigt, o. Equilibrium, Equipoise; 
fig. Balance. 

Evenwigcig , bv. Of the same weight, 
Equiponderous. 

Evenwijdig, bv. in de wisk. , Parallel; 
Evenwijdige lijn, Parallel. * — , bw. 
Parallelly , In a parallel manner. 

Evenzinnig, bv. in de taalk. , Synony- 
mous; — woord , Synonyme ; Even- 
zinnit^e woorden , Synonyma , Syno- 
nyme s. 



EVEN 

Evenzinnigheid , vr. Synonymy. 

Everwortel, m. eene plane, Carliae- 
thistle. 

Everzwijn, o. Wild-boar. 

Examen , o. Examination. 

Examinereu , b. w. to Examine, 

Exerccerplaats, vr. Parade. 

Exercereu, o. w. metHebben, to Exer- 
cise. 

Exercitie , vr. Exercise, 

Exempel, o. Example. 

Exeraplaar , o. Example, Specimen, 
Sample. * — , van een boek , Copy. 

Bxpercs , m. meerv. fury of artists to 
examine something. 

Expresse , m. Express. 

Extempore , o. Extempore, 

Extract, o. Extract. 

Ezel. m. Ass, Donkey; ^g. Ass , Block- 
head, Dunce, Dull or ignorant fellow ; 
sprw. Een — scoot zich niet cweemaal 
aan 66nen sreen , One gets wiser by ex- 
perience ; Van den os(eigenl. : orse , 
otil. paard,) op den — springen, to Be 
inconstant in one'^s doing; ook : to 
Jump from one subject to another^ to 
Talk nonsense. * — , bi] schWders, Easel. 

Ezelachtig, bv. Asinine Like an ass ; fig. 
Stupid. * — , bw. fig. Stupidly, 

EzclachtigUeid, vr. fig. Stupidity, Donkey- 
ism. 

Ezelanj , vr. Stupidity. 

Ezeklrijver, m. , Ezeidrijfster, w. Ass- 
driver, 

Ezelen, o. w. met Hebben, to Toil, 
Moil, Drudge, Slave, to Toil and 
moil. 

Ezelin , vr. She-ass. 

Ezelinnemelk, vr. Ass-milk, 

Ezelman , ra. Ass-driver. 

Ezelplank , vr. bij schild. , Board used 
on an easel. 

Ezelsbriig, vr. fig. Ass^s bridge , Relief 
in need. Pons asinorum. 

Ezelsdragt, vr. Time when an ass is 
with young. * — , zoo veel eeu ezel 
draagc. Ass-load. 

Ezelshals , m. Neck of an ass. 

Ezelshoofd , o. , zie Ezelskop. * — , 
scheepsw. , Moor'^s head. 

Ezelskop , ni. Head of an ass ; fig. Dunce , 
Ass, Ass-head. 

Ezelskorf , m. Basket carried by an ass. 

Ezelslippen , vr. meerv. Lips of an ass. 
*—, zekere plant, Bugloss , Ox-tongue , 
Alkanet. 

Ezeisoog, o. Eye of an ass. 



EZEL 

Ezelsoor, o. Ear of an ass; fig. in een 

hoek, Dog's-ear. 
Ezelspoot, m. Foot of an ass. 
Ezelstand, tn. Tooth of an ass. ' 
Ezelstoom , m. Ass''s bridle. 
Ezelsvel, o. Skin of an ass. 
Ezelsveulen , o. Ass'' s colt ^ Foal of an 

ass , Toung ass. 



EZEL 



231 



Ezelsvleesch , o. Flesii of an ass. 
Ezelswagen , m. Carriage drawn or fit 

to be drawn by an ass. 
Ezelswerk, o. fig. Hard labour, Drud* 

gery. 

Lzelszadel, m. Ass'^s saddle, 
Ezelveulen , zie Ezelsveulen. 




F. 



F, vr. de zesde letter der letterlijst, 

Fa , vr. in de zangk. , Fa. 

Faal, zie Feil. 

Faalgreep , vr. , zie Misslag. 

Faam, vr. in de fabelk. , Fame; fig. ge- 

rucht , Fame, Reputation, Renown; 

Ter goeder naam en — scaan , to Be in 

good reputation, 
Faainlot'S, zie Eerloos. 
Faararoovend , zie Eerroovend. 
Faamroover, Faamschender, zie Eer- 

roover. 
Fabel, vr. Fable; fig. Story, Quib , 

Fable ^ zie Fable in het andere dt-el. 
Fabelachtig, bv. Fabulous, Feigned. 

* — , bw. Fabulously. 
Fabelachiigheid, vr. Fabulousness. 
Fabelboek, o. Book of fables. 
Fahcldichter, m. Fabulist , Fabler. 
Fabelhiscorie , vr. Fabulous h'story. 
Fabelkunde, Fabelleer, vr. Mytliology. 
Fabelschrijfster , vr. , zie Fabeldichter. 
Fabc'ischrijver , m. , zie Fabeldichter. 
Fabclwcrk, o. Fables , Stories , Quibs, pi. 
Fabrek, vr. Manufactory; fig. Een 

woord van zijnc — , A word of his 

own making or coining. * — , m. In- 

ipecior or Surveyor of public buildings. 
Fabrickarbcider , zie F'abriekwerkcr. 
Kabriekgast, zie Kabriekwcrker. 
Fabriokgoed, o. Manufacture. 
Fal);ickmatig, bv. en bw. As in a ma- 

uufitctory. 
Fabrickme^3ter, zie Fabriek, m. 
Fabriekwerk , o. IFork or Working in a 
\ manufactory. 



FABR 



Fabriekwerker, m. , Fabriekwerksier, 
vr. Worker in a manufactory, 

Fabrikeur , m. Manufacturer, 

Fabrikant, m. Manufacturer. 

Fachinen , vr. meerv. Fascines. 

Fac-simile , o. Facsimile. 

Factie, vr. Faction, Political party. 

Factoor, m. in den kooph. , Agent, 
Factor. 

Factorii , vr. Factory, 

Factuur, vr. bij koopl. rekening der 
verzonden wordende goederen , Invoice. 

Faculteic , vr. aan hoogesch., Faculty. 

Faeton, m. Phaeton, 

Fagot , vr. Bassoon. 

Fagotblazer, Fagottist, m. Bassoon. 

Faizant, enz. , zie Fazant , enz. 

Fakkel , vr. Torch , Link , Flambeau ; 
fig. De — der tweedragt , enz.. The 
torch of discord; Eene helder lichtende 
— , An eminent scholar , A luminary. 

Fakkeldans, ra. Dance with torches or 
flambeaux. 

Fakkeldrager, m. Link-man, Linhboy, 

Fakkeljagt, vr. Chace with torches, 

F'lkkelliclit, o. Light of torches, 

Falcn , zie Feilen. 

Falie, vr. Covering of black stuff used 
by women of the inferior classes in Hol- 
land. 

Faliekanr, bv. en bw. fig. verkeerd , 
Dat kwam — uic. That happened 
quite otherwisq than we expected. * — , 
trouwelottg, als: lemand — vinden , Jo 
Find one treacherous. 

Fahevoiuven , o. w. met Heb]>cn , f' 
Flatter. 



232 



FALT 



Falievouwer, m. fi?. Flatterer. 

Fiilievouwerij , vr. fij;. Flattery. 

Falievouwster, vr. , zie Falievouwer. 

Faling , zie Feiling. 

Falkoncc , o. Falconet. 

Falkoneckogel , vr. halconet-ball. 

Falsaris , ni. False-hearted person. 

Falsiceit, vr. in regten , Forgery. 

Familie , vr. Family; Van eene goede 
— zijn , to Be a gentleman Qqr gentle- 
woman ) born. 

Familiebetrekking, vr. Relationship ; fig. 
Relation. 

Familiegebrek , o. Fault in a family , 
Family-fault ^ zie ook Familieziekte. 

Familiegek, bv. Fnnd of one'^s relations. 

Familiegoed, zie Erfj^oed. 

Farailiegraf, o. , zie Erfgraf. 

Faniiliekrinj^ , xn. Bosom of^ne''s family. 

Familieleven , o. Living in the bosom of 
one''s family. 

Faniilienaam, zie Geslachtsnaam , Van. 

Familieraad, m. Family-council. 

Familiestuk, o. Family-piece. * — , zie 
Erfstuk. 

Familietrors , m. Pride of one''s family. 

Farailieverdrag , o. Family contract. 

Famiiiewapeii, o. Coat of arms of a 
family. 

Familieziekie , vr. Fondness of one''s 
family. 

Farizeer, m. in de Joodsche gesch. , 
Pharisee; fig. Hypocrite. 

Farizeesch , bv. Pharisean ; fig. Hypocri- 
tical . 
. Fatsoen , o. bij goud- en zil versm, , Work- 
manship. * — , bij kleerm., Make or 
Cut ; fig. als : Een man van — , ui man 
of fashion; Zijn — houden , to Behave 
gentlemanlike. 

Facsoeneerder , m. , Fatsoeneerscer , vr. 
One who models. 

Faioeneren, b. w. to Give a shape to 
something , to Blould, Model. 

Fatsoenering, vr. Modelling. 

Fatsoenlijk, bv. Genteel., Fashionable; 
Een — man, .^« honest man, A 
gentleman ; Eene fatsoenlijke familie , A 
reputable family. * — , bw. Genteelly, 
Gentlemanlike , Honestly , Fashionably , 
Decently , Finely , Civilly. 

Fatsoenljjkheid , vr. Fashionahleness , 
Genteelness^ Civil or Handsome carriage. 

Facsoenshalve , bw. For decency'^s sake. 

Fazanc , m. Pheasant; Jonge — , Phea- 
santpoult. 

Fazantenei, o. Pheasant^s egg. 



F\ZA 

Fazantennest, o. Pheasant^s neit. 
P'azanienvleugel , ra. Pheasant''s wing. 
Fazamhaan, m. Cock pheasant. 
Fazanthen , vr. Hen-pheasant. 
Fazaiuhok , o. Ptieasantry. 
Fazanthouder, m. Keeper of pheasants. 
'Fazanrjagt, vr. Pheasant-shooting. 
Fazantwachter , m Keeper of pheasantt. 
Februarij , ra. February. 
Februarijavond , m. Evening in the 

month of February. 
Februarijdag , ra. Day in the month of 

February. 
Februarij koude, vr. Cold in the month 

of February. 
Februanjlucht , vr. Air in the month 

of February. 
Februarjjroorgei), m. Morning in the 

month (f February. 
Februarijnachc, m. N'ght in the month 

of February. 
Februarijvorst, vr. Frost in the month 

of February. 
Februarijweder , Febrnarij,weSr , o. 

Weather in the month of February. 
Fehruarijwind, m. Wind in the month 

of February. 
Fehrnarijzon , vr. Sun in the month of 

February, 
Fceks, vr. Jade, Wench, Vixen; Eene 

nijdige — , An envious tit. 
Feeksachtig , bv. Froward, * — , bw. 

Frowardly. 

Keeksachtigheid , vr. Frowardness. 
Feest , (vr. en) o. Feast, Festival, 

Festivity. 
,Feestdag, ra. Festival-day, Holiday, 

Feast. 
Fcestelijk, bv. Sumptuous, Splendid, 

Festive, Solemn. * — , bw. Sumptuous- 
ly , Splendidly, Solemnly. 
Feesteling , m. en vr. Person invited to 

a feast. 
Fcescgebaar, o. Rejoicings, pi. 
Feestgenooc, m. en vr. Guest. 
Feestgewaad, o. Holiday-dress , Festival 

habit. 
Feestlied , o. Festival song. 
Feescmaal, o. Festive repast. 
Feescvernviak , o. Pleasure of a feast. 
Feesroen , zie Fescoen. 
Ft-estoffer, o. Offering of a festival. 
Feescviering , vr. Celebration of a feast. 
Feestvrengde , vr. Festivity. 
Feesczang , m. , zie Feestiicd. 
Fell , vr. Fault, Mistake, Error. 
Feil, ziQ Dweil. 



FKIL 

I'^cilbaar, bv. Fallible^ Liable to error.' 
Fcilbaarheid, vr. Fallibility , Liability 

to error , Frailty. 
Feilen, o. w. met Hebben , het doel 
missen , to Miss ^ Fail; Zijne hoop zal 
— , He will be disappointed in his hopes. 
* — , een' misslag begaan , to Commit 
an error ^ to Mistake .^ to Make mistakes 
or blunders. 
Feilen , zie Dweilen. 
Felling, vr. Failings Missing*— ^ Com- 
mitting errors or mistakes , Mistaking. 
Feic , o. Fact, Act ^ Deed ^ Perpetra- 
tion; ,0p hec — betrappen, to Catch 
one in the very act. 
Feitcl, vr. l/pper-swaddling-cloth ; ook 
("in somtnige ftrekenj : a kind of neck- 
cloth or handkerchief f>r women. 
Feitelijk, bv. Inimical , Hostile, * — , 
bw. In a hostile manner. 
Feitclijkheid , vr. Hostility. 
Fel, bv. wreed , Cruel ^ Barbarous.*— , 
hevig , Strong , Hard , Severe , F'iolevt , 
Impetuous , Fierce. * — , bw. Cruelly ^'•^Bar- 
barously. * — , Strongly^ , Severely 
Violently., Impetuously , Fiercely. 
Felheid, vr. Cruelty, Barbarousness. 

, Violence, Impetuosity , zie Fel. 
FcUijk , zie Fel , bw. 
Fclp , zie Fulp. 

Fciuelaar, enz. , zie Fijraelaar, enz. 
Feraelen, zie Fijnielen. 
Fenegriek , Fenigrjek , o. zeker kruid, 
Fenu-greek. 
Fcniks, m. zeker gewaande vogel, Plienix; 

fig. grooc vernufc, Phenix. 
Fcniksdichtcr, m. Incomparable poet , 
Phenix of poets. 

Feniksmaagd , vr. Incomparable girl, 
Fcnikspenncn , vr. nieerv. a kind of ex- 
cellent pens. 
Fep , vr. Toping; A an de — zijn , to 

Be given to drinking. 
Feppcn , o. w. mec Hcbbcn , to Tipple, 
Tope. 

Feppcr, m. , Fepster , vr. Tippler, 
Toper. 
P'crmoor, o. Shipwright's chisel. * — , 
bij ciinmcrl. , Chipping chisel. 
Fcstcen , vr. in de bouwk, , Festoon. 
Fcziken, o. w. mec liebben , to Chat, 
Chitchat. 
Feziker, m. , Feziksrcr, vr. , Chat. 
Ficlt, m. Knave, Rogue, Rascal, Vil- 
lain , Scoundrel. 

Fieltachiig, bv. Villanous , Knavish, 
♦ — , bw. Knavishty, 



V\Eh 



233 



Fiekenstuk , o. , zie Fielterij. 

FSelcerij, xr. Villany , Villanousness , 
Knavery , Roguery, 

Fiekenstuk, o. Piece of villany or kna- 
very. 

Fiemelen , zie Fijroelen. 

Fiemelaar, enz., zie Fijmelaar, enz. 

Fier, bv. Bold, Proud, Stately. * — , 
bw. Proudly, 

Fierheid, Fierce, vr. Boldness , Pride or 
Proudness , Stateliness. * — , Dignity. 

Fit;uiir, vr. gedaante. Figure, Form, 
Shape; fig. Veel — maken, to Cut a 
figure. * — , afbeelding, Figure^ Cut, 
Picture or Engraving. *—, in de dansk. , 
Pace , Figure. * — , in de spraakk. , 
Trope, Grammatical figure. * — , in 
de hooge taalk. of wclsprek. , Figure of 
oratory. 

Figiuirlijk, bv. in de spraakk. , ligura- 
live^ Tropical. * — , bw. ligurativcly. 

Figuurlijkheid , vr. Being figurative. 

Fij , tiisschcnw. Fy ; sprw. Met is akijd 
hei of — met hem , He always falls 
from one extreme into another, 

Fijmelaar, m., Fij'nelaarster,vr.^rto/ card- 
er; fig. Bigot, Bigotted person., Hypocrite 

Fijraelachtig, bv. Hypocritical. *— ,h\v. 
Hypocritically. 

Fijinelarij, vr. Bigotry, Playing tht 
hypocrite , Hypocrisy. 

Fijmelen, b. w. to Card (^wool'). *—, 
o. vv. met Hebben , fig. to Play the 
hypocrite, 

Fijn, bv niet grof. Fine. * — , zuiver. 
Pure, Genuine, Fine. ♦— , kostbaar , 
Precious. * — , uitgelezen. Exquisite. 
*—, zachc, tceder , Smart, Delicate .^ 
Pretty. * — , digc ineen , Close. * — , 
indringend. Sharp, * — , kiesch, Nice. 

* — , loos. Sly ^ Subtle; fig. schijn- 
heilig. Hypocritical, Sanctified ; Een 
— ' zusje , j^ demure miss, * — , bw. 
Finely. * — , Smartly. * — , Slyly ; fig. 
Hypocritically. 

Fijnaard, Fijnbaard, m. Hypocrite, 
Fijnheid, vr. Fineness. * — , Purity, 

* — , Exquisiteness. * — , Delicacy. 

* — , Closeness, * — , Sharpness. • — " , 
Nicety. * — , Slyness; fig. Bigotry; 
zie Fijn. 

Fijnigheid, zie Fijnheid. 
Fijnman, zif Fijnaard. 
Fijiischeerder, m. Sh.earer. 
Fijnschildcr , ni. Painter, Limner. 
Fijnijes, zte Fijn, bw. 
Fijc, zie Vijc. 



234 



FIKF 



Fikfakken, o. w. met Hebben , to Fiddle- 
faddle , Trifle. 

Fikfakker, m. Trifter. 

Fikfukkerij , vr. Fiddhfaddle. 

Fikfakster, vr. , zic Fikfakker. 

Fiksch, bv. vaardijj. Ready, Clever. 
*— , welvarende, TFell ^ In good health. 

• — , bw. Cleverly. 
Fikschheid , vr. Cleverness. 
Filomeel, vr. Philomel. 
Filozel, vr. Coarse silk. 
Filozellen , bv. Made of coarse silk. 
Pilozoof , m, , Filozofin , vr. Philosopher. 
Fikreren , b. w. to Filtrate, Filter. 
Fiicreerdoek, m. Filter, Filtering-cloth, 

Strainer. 

Filireerkan , vr. voor koffij , Coff^ee-big- 
gin. 

Filtreerpapier, o. Filtering-paper, 

Filcreerzak, in. Filtering bag. 

Filtreercoesiel , m. Filtering-apparatus, 

Financie , vr. Finance. 

FJnanciekamer , vr. Board of ^ finances , 
Exchequer , Treasury. 

Financier , m. Financier. 

Financiescelsel, o. System of finances. 

Finaiiciewezen , o. Finances, pi. 

Fiool , vr. zekere Qesch , Phial, 

Fiool , zie Viool. 

Fineerder, m. Refiner, 

Fineren , b. w. to Refine. 

Firmament, o. Firmament, 

Fiscaal , m. an -officer whose functions are 
similar to those of an attorney general 
in England , with regard to the pur- 
suing of all kinds of frands against 
custom-laws, 

Fistel, vr. in de heelk. , Fistula, 

Fistelachtig , bv. Fistulous. 

Fits , vr. , zie Bunsing. 

Flaauw, bv. zwak. Feeble, Faint, 
Weak; — worden , to Faint away. * — , 
koel, Cool. *— , bleek, Pale. *— , 
weinig gezocht. Not much in demand. 

* — , bw. Faintly. * — , Coolly. * — , 
eventjes , Slightly. 

Flaaiuvelijk , zie "Flaauw, bw. 

Fiaauwharcig , hv. Faint at heart , Faint- 
hearted. 

Flaauwhartigheid , vr. Faintheartedness. 

Flaauwheid, vr. TVeakness , Faiiitness. 
* — , llaauwigheid , lafheid. Insipidity. 

Flaauwigheid , vr. Faintness. * — , zie 
Flaauwheid. 

Flaauwte, vr. flaauwheid, Weakness, 
Faintness. * — , onmagt, Swoon, 

Flaauwtjes, zie Fiaauw, bw. 



FLAP 

Flap, Flappe, zie Flep. 

Flapperen , o. w. mei Hebben , van den 

wind , to Blow softly. 
Fiadderen , o. w. raec Hebben, van eeu* 

vogel , to Hover in the air, 
Fiakkeren, zie Flikkeren. 
Flambouw, vr. Torch, Link , Flambeau. 
Flambouwdrager, m. Link-man, -^Link- 
boy. 
Flanel, o. Flannel. 
Flanellen, bv. Flannel, Of flannel. 
Flank, vr. in hec krijgsw. , Flank; Den 

vijand in de — vallen, to Attack the 

enemy in flank ; De — dekkeii , (flau- 

keren , ) to Flank. 
Flankbacaljon , o. Flanhbatalion, 
Flankeren, b. w. , zie Flank. 
Fiankering , " vr. het flankeren, 

Flanking, *—, in den vescingb. , Flanker 

Flank. 
Flansen, b, w. fam. to Do a thing ii 

haste and carelessly , to Bungle. 
Flap, vr. slag. Flap, Stroke, Blow; 

lemand eene — om de ooren geven 

to Give one a box on the ear. * — 

vliegenllap. Flap. * — , zie Flapkan. 
Flapkan , vr. Tankard. 
Flappen, o. w. met Hebben, to Flap, 
Flapper, m. , zie Flapkan. 
Flapuit, m. en vr, fam. Blab, Blabber 
Flarden , vr. meerv. Tatters , Rags , 

Aan — slaan of scheuren , to Tear t< 

pieces, 
Flater, m. Mistake, Error, Faulty 

Blunder. 
Fleb, Flebbe , o. a cap. 
Fleemen , b. w. to Wheedle , Coax , Fawn , 

Flatter. ' 

Fleemer , m. Wheedler , Coaxer , Fawner^ 

Flatterer. 
Fleemerij , vr. Wheedling, Coaxin 

Fawning, Flattery. 
Fleerascer, vr. , zie Fleemer. 
Fleemcong, m. en vr. , zie Fleemer. 
Fleer, vr. (^ee) Slut, Whore, 
Fleere , Fleerij , zie Fleer. 
Fleers, m. , zie Flap. 
Flenel, zie Flanel. 
Flenellen, zie Flanellen. 
Flegma, o. Phlegm. 
Flegmatiek, bv. Phlehmatic. ♦ — , bw,i 

Phlegmatically. 
Fiencers, m. meerv., zie Flarden. 
Flep, vr. Croslet; fin. Aan de — zgnj 

to Be given to drinking., 
Flerecijn, o. bijna veroud. , Gout. 
Flesch, vr. Bottle, Flask, Flagon, 



FLES 

fig. Onder of Bij de — zitten, to Be 
drinking a bottle; Veel van de — hou- 
den , to Be a lover of drinking ; Men 
vindt hem altijt^ by de — , He is always 
tippling. *— , in sonimige streken , 
soort van pompoen , Calabash. 

Fleschkelder, m., Fieschkeldertje , o. 
Bottle-case. 

Flesschenbak, m. , Flesscbenbakje, o. 
Tray to put a bottle on. 

Flesschenblazer, m. Glass-blower that 
makes bottles. 

Flesschenborstel, zie Kannewasscher. 

Flesschenkooper, m. Bottle man. 

Flesschenmaker , z^e Flesschenblazer. 

Flesschenmand, vr. Basket for bottles, 

Flesschenrek, o. Bottle rack. 

Flets, bv. Faded ^ Pale, Discoloured. 

Fiecsheid, vr. Being Jaded or discolour- 
'\ ed , Paleness. 

Fleur, m. Jtlourish, Bloom; In den — 
zijner jaren. In the bloom (prime) of 
his years. * — , lijn ora snoek , enz. te 
vangen,. Line. *— , vrolijkheid , Gay- 
ety. Mirth; Er is geen — bij hem, 
lie is not at all gay. 

Fleuren, o. w. raetHebben, to Fish with 
i a line. 
IFleurig, bv. Flourishing^ Thriving. 

Fleurigheid , vr. Beingjiourishing. 

Flikflooijen, b. w. to Flatter ^ IFheedle ^ 
Fawn , Cajole , Coax , Spaniel. 

Flikflooijer, m. Flatterer^ Coaxer , 
Fawner. 

Flikllocijerij , vr. Flattery, Coaxing , 

, Fawning , Cajoling , Creeping and 
cringing. 

Flikflooiscer, vr., zie Flikflooijer. 

Flikken, b. w. to Botch, Patch, Mend. 
* — , o. w. met Ilcbben, als : Hij Hike 
er gestadig aan , He is continually mend- 
ing or botching it, 

Flikker, m. van flikken, Mender, 
Patcher, 

Flikker, m. vanflikkeren, inhetdansen. 
Caper, Cross-caper , Entrechat; Eeu' 
— slaan, to Cut capers. 

Flikkeren, o. w. met Hcbben, to Glister , 
Glitter, Sparkle, Gleam. 

Flikkerij , vr. Botching, Patching, 
Mending. 

Flikkering, vr. Glittering, Sparkling; 
fig. Resemblance. 

Flikkervlara , vr. Flash. 

Flikkerster, zie Flonkerster. 

Flikkervuur, o. Flash, Gleam. (tcek. 

Fliksier, vr. , zie Flikker, in dc i. be- 



FLTN 



23.5 



Flink, bv. gemeenz. , Clever. * - , 
bw. Cleverly. 

Fhnkheid , vr. Cleverness. 

Flits , m. Arrow , Javelin. 

Fliisboog, Flitseboog, m. Bow. 

Flitsekoker, Fltskoker, m. Quiver. 

Flodder, m. Mire, Dirt. 

Flodderen, o. \v. mecHebben, to Flap ^ 

.Dangle; fig. to Be in a wavering state. 

'♦ — , gemeenz. to Splash through the 
mire. 

Flodderkleed , o. Loose garment. 

Flodderkous, vr. Stocking that hangs 
down upon the heels. * — , m. en vr. 
Person whose stockings hang down upon 
the heels; ook: Sloven, Slut. 

Floddermijn , vr. in het krijgsk. ,Fougade. 

Floddermodr, vr. gemeenz.. Slut. 

Floddermuts , vr. Loose cap. 

Floddervos, m. gemeenz. Sloven. 

Flocrs , o. Crape. 

Floersen , bv. Crape. 

Flonkeren, zie Flikkeren. 

Flonkering, zie Flikkering, in de i. 
beteekenis. 

Flonkerlicht, o. Dazzling light; fig. 
Luminary, 

Flonkerstar,Floukerster, vr. Glaring star; 
fig. Luminary, 

Floot, V. t. , zie Fluiien. 

Florei , o. Ferret. 

Floret , vr. schermdegen , Foil. 

Floretgaren , o. Ferret'thrcad. 

Floreilinr, o. Ferret. 

Floretten, bv. Ferret. 

Floretzijde, vr. Ferret-silk, 

Flouw, vr. Net to catch snipes, zit 
Snippennec. 

Fluim , vr. Phlegm. 

Fluimachtig, bv. Like phlegm , Phleg- 
matic, 

Fluimen, o. w. met Hebben , to Expec- 
torate phlegms, to Spit. 

Fluisteren, b. en o. w. met Ilebben , to 
IV his per. 

Fluistcraar, m., Fluistfiraarster , vr. 
fFliisperer, 

Fluistering, vr. Whisper, Whispering. 

Fluic, vr. blaasspecltuig, Flute; Op de 
— spelen , De — blazen , to Play upon 
the flute; Naar iemandi — (pijpC'i) 
dansen , zie Pijp. * — , in een orgel , 
zie Fluicregisccr. * — , zie Fluitschip. 

Fiuiiblazer, ra. Fiuter , Flutist, Player 
on the flute, 

Fiuiuloos, vr. Flute box , F'ute-case, 

Fluitdu , ongel. b. w. to Play on thi 



28G 



FfUI 



flute. * — , met den mond, to Whistle. 

* — , o. w. mec Hebben , to Play on the 
flute. * — ^ to Ti^histle ; fig. Gij moogc op 
den duim — , Ton may shift as you can; 
sprw. Hec is vergeefs gefloten , als het 
paard niet pissen wil , All endeavours 
are fruitless against obstinate ill-will. 
*— , van vop^elen , to Sing ^ fig. Hoor 
hem ecns lief — , Only hear his coaxing 
to entice me; Ik zal hem laten — ,Iwill 
not mind him at all , Op iets — , (^hei- 
melijk naar iets ir^chten,') to Have some- 
thing in view. * — , gemeenz. , roM^^g 
water. 

Fliiitenmaker, m. Flute-maker. 

Fluiter, m. Whistler. 

Fluirgac , o. Hole in a flute. 

Fluitglas, o. Lof.'g-necked glass. 

Fluitje, o. verkieiiTW., zie Fluir. *— , 
inzond. , Whistle 

Fluiting , vr. Whistling , Singing , zie 
Fluiten. 

Fluitklep , vr. Stop of a flute. 

Fluitkoker, m. Fhtte-case. 

Fluitmeester , m. Teacher of the flute, 

F'luitmuziek, w. Music for the flute. 

Fluitregister , o. in een orgel, Flute-re- 
gister. 

Fluitscbip , o. zeker vaartuig, Flute. 

Fluicspeelster , vr. , zie Flutcspeler. 

Fluicspel, o. Playing on the flute. 

Fluitspeler, ra. Flutist. 

Fluitstuk, o. Musical piece for the flute. 

Fiiiicwerk, o. , zie Fluicregister. 

Fluks , bw. Quickly. 

Fluksch , bv. Clever., Dexterous. 

Fins, -Fhisjcs, bw. zoo even, Just now. 

* — , aanstonds, Presently^ By and by. 
Flnweel , o. f^elvet. 
Fiuweelach.'ig, bv. Velvety , Felveted ; 

fig. Soft ^ Sweety Velvety Honied. 

Fluweelachiigheid , vr. Velvety quality; 
fig. Softness., Sweetness. 

Fluweelbloem , vr. Amaranth. 

Fluweelen, bv. Velvet; fig. — woordjes , 
Sweet words. 

F'uweelboora, m. Abutilon. 

Fluweelvverker, Fluweelwever , m. Vel- 
vet-weaver, 

Fiiiwjjn , m. Weasel. 

Fniezen , zie Niezen. 

Fnuiken, b. vj. to Clip the wings of^ to 
Wing; fig. len;ands niagt — , to Clip 
one''s wings ^ to Weaken one\<: power. 

Fn.uiking, vr. Winging; Hg. Weakening. 

Fuei, tnsschenv/. Fy I ^ For shajne! 

Foeileelijk, bv, geraeenz. , Very ugly. 



FOEL 

Foelie, vr. zekere kruiderij, Mace. * — , 
aan een' Spiegel of edelgcsteence j Foil. 

Fok, vr. Foresail ; fig. Spectacles. 

Fokkeraasc,m. Foremast, 

Fokken , b. w. to Breed ; fig. Een' geleer- 
de van iemand — , to Breed one a scho- 
lar. * — , o. w. metZijn, oul. wegzei- 
len; thans: fig. weggaan , to Drtp off, 
* — , o. w. mec Hebben , to Wear speC' 
tacles. 

Fokker, m. Breeder of cattle ^ etc.; fig. 
Een rijke — , A monied man. 

Fokkerij , vr. Breeding of cattle. 

Fokkerust, vr. schecpsw. , Fore-chain- 
wall. 

Fokkezeil, c, zie Fok in.de i. beteek. 

Fokking, vr. , zie Fokkerij. 

Fokscer, vr. , zie Fokker. 

Foliant, ra. in den boekh., Folio. 

Folterbank, zie Pijnbank. 

Folteren, b. w. to Torture; fig. to Tor 
went. 

Fokering, o. Torture; fig. Tormenting. 

Folterkoord , vr. Cord to torture with. 

Foltertuig, o. Instruments of torture. 

Fonimelen, b. w. geraeenz., to Rumple, 
Wrinkle. 

Fommcling , vr. Wrinkling, Rumpling. 

Fondament , o. grondvesc. Foundation ; 
fig. achterste, Ani/s , Backside^ Bum. 

Fondatie, vr. Establishment for ^oor old 
people or children. 

Funds, o. Fund, Stock ; De fondsen ,The 
stocks. * — , al de werken , die bij een' 
uicgever in hec lichc ziin verschenen , 
Prints, Impressions {of a publisher f) pi. 

Fcjndsariikel, o. Book of one''s own print- 
ing. 

Fondsiijsc, vr. Catalogue of the works 
published by one. 

Fondsverkooping, vr. Selling of one^s own 
prints. 

Fonkelen , o.w.mec Hebben, to Sparkle. 

Fonkeling , vr. Sparkling. 

Fonkelnieuw, bv. Quite new, zie Spliu- 
ternieuw. 

Fontanel, zie Foncenel. 

Foniein , vr. bron , Fountain, Source, 
Well, Spring. * — , springHron , Jet, 
Artificial fountain. * — , vracerbak mec 
een' kraan , Cistern , Ewer. 

Fonteinader, vr. Spring or Source of wa- 
ter , Fountain-head. 

Fonteinbak, m. Bov^'l beneath a washing- 
cistern. 

Fonteinbuis , vr. Conduit , Fountain- 
pipe. 



ir 



FONT 

nieinmeester, m. Master of the wells 
or fountains. 

Fonteinpijp, zie Fonteinbuis. 

Fonteinwaier , o. Spring-water. 

Fonieinwerk, o. JVaterworks ^ pi. 

Fonceinwerker, m. Fountain maker , Con- 
duit-maker. 

Fontenel, vr. Issue ^ Fontanel. 

Fooi, vr: drinkpenning , Fails , />/., Drink- 
money ^ Small gift to a coachman ,, porter, 
servant , etc, * — , ^fscheidsdronk of 
rcaal, Parting-cup , Farewell-treat ; fig. 
lemand de — geven, to Dismiss one; Op 
de goede — , Op da boune — , Upon 
hazard. 

Foolen, b. w. to Vex ^ Tease. ^ 

Fop, m.,zie Fopperij. 

Foppen, b. w. to Banter^ to Make gnme 
i of^ to Play the fool with. * — , to Mis- 
c lead. Deceive. 
' Fopper, m.lFag. 

Fopperij, vr. Bantering ^Jestirg. 

Fopping , vr. Playing the fool with. *— , 
Deceiving, 

Fopster, vr. , zie Fopper. 

Foreesc, o. Forest, Wood, 

Forelle, vr. Trout. 

Forellennet, o. Trout-net. 

Forellewvangst , vr. Catching of trout. 

Forgon , zie Fourgon. 

Form , enz. , zie Vorm , enz. 

Formaac , o. in de boekdrukk, , Form , 
Size. 
' Formaathout , s. Slick for waking a 
form. 

Formaatzegcl, o. Stamped paper for acts, 

Formaliteit, vr, Formality, 

Formeci'der, ni., Fonneerstcr, vr. Former. 

Formeren , b. w. to Form. 

Forraering, vr. Forwing, Formation. 

Formule , vr. in dc scelk. , Formula. 

Forniulier , o. Form , Formula, Formulary 

Formulicrboek, o. Book of formularies. 

Formuliergebcd, o. Set prayer, 

Fornuis, o. Furnace. 

iDuisgat, o. Hole in a furnace. 

nuisplaac , vr. Furnace-plate. 

muisroostcr, m. Furnace-grate. 

Forsch, bv. stcrk , Strong, Robust. ♦-, 
norsch, Stern, Tart, Sharp. * — , bw. 
Sti'.rnly, Tartly. 

Forschbeid , vr. Strength, * — , 5/^?/ nness. 
Tartness. 
'■'ore, p. Fort', Fortress. 

rcuin, vr. in de fabcll., Furtune.*—, 
Fortune; Ilecfc zij —^,IIas she {of:-. 
^^'^ — fortuue ? 



YOKY 



237 




Forcninzoeker, m. Adventurer ; fig. For- 
tune-hunter. 
Fourjt^e , vr. Forage. 
Fourageren , o. \f. mec Hebben , to Forage. 
FoLirgon, m. Fourgon. 
Fourier, m. Qua' ttr-master, 
Fout , vr. Fault, Mistake , Blunder ; Zon- 

der— , (zeker,) Without failing. 
Fraai , bv. Fine , Handsome. * — , bw. 

Finely, Handsomely. 
Fraaiheid, o. Handsomeness. 
Fraaijelijk, bw. Handsomely. 
Fraaijigheid, vr. Handsomeness. * — , sie- 

raad , Ornament, 
Fraaitjesj bw. Handsomely. 
Framboos , vr. Raspberry. 
Frambozenazijn , m. Raspberry-vinegar. 
Frarabozenboom , m. Raspberry-tree. 
Frambozcnkoekje , o. Raspberry-cake. 
Frarabozenstroop , vr. Raspberry syrup. 
Frambozenstruik, m. Raspberry-bush, 
Frambozenvvyn , ra. Raspberry-wine. 
Franje , w. Fringe; IVIct franjen bezet- 

ten , to Fringe; fig. {'am. Dat zLjn maar 

franjes , That is nothirg to the purpose. 
Franjeinaakster , vr. , Franjemaker, m. 

Fringe-maker. 
Frank, m. Franc. 
Franko , bw. Post-paid. 
Frankeren , b. w. to Send. . .post-paid, to 

Pay the postage of. 
Fransijn, o. Parchment. 
Fracsen , vr. meerv. Pranks , Freaks , 

Frolics. 
Fratsenmaakster, vr. , Fratsenmaker , m. 

Fancy-monger. 
Fregat, o. Frigate. 
Fregatvogcl, m. Sea-swallow. 
FVet, o. zeker diertje. Ferret. *— , zekerc 

kleine boor. Gimlet. 
Frerten, o. w, metllebben , /o Hunt out 

rabbits with a ferret , to Ferret. 
Freule , vr. Toung lady of noble birth. 

* — , als toe?praak. Lady, Miss. 
Fries, m. in de bouwk. , Frieze, Frize. 
Fiijnen, b. w. to Chisel. 
Frikkedellen , vr. meerv. Pellets of forced 

meat. 
Friscb , bv. Fresh , Refreshing ; fig. bloei- 

jend, Florid; Ik ben niet — , I am ill; 

— en gezoud , Brave and hearty. * — , 

bw. Freshly ,• — .',— <^P •' » Cheer up I 
Frischheid /vr. Freshness ;(\g. Floridness. 
Friseerijzer , o. Curling-pin. 
Friseren, b. w. to Curl »r Frisk the hair. 
I'riscnr, tT>. Fri^eur , Iln'r drearer. 



238 



FRIS 



Friseur , m. Hair- dresser , Friseur. 

Froramel, m. , zic Kretik. 

Frommelen, zie FoiTimelen. * 

Frons, vr. Frown ^ Wrinkle. 

Frousel, zie Frons. 

Fronselen, zie Fronsen. 

Fronsen , b. w. , zie Frommelen. * — , 
als: liec gelaat — , to Frown, to Knit 
one^s brow; Met een gefronst gciaar, 
Frowning/y. 

Frousing , vr. , zie Frommeling. * — , 
Frowning. 

Front , o. Front. 

Frontieren , o. meerv. Frontiers. 

Fruit , vr. en o. Fruit. 

Fruitben , vr. Fruit-basket. 

Fraiiboom , m. Fruit-tree. 

Fruiten , b. w. to Fry or Bake in a 
pan. 

Fruiting, vr. Frying in a pan. 

Fruitkelder. m. Fruit cellar. 

Fruitkooper , m., Fruitkoopster, vr. Frui- 
terer ^ Fruit-man or Fruit-woman. 

Fruicmand , zie Fruitben. 

Fruitmarkt, vr. Fruit-market. 

Fruitpan , o. Frying-pan. 

Fruitschaal , ^r.' Fruit-dish. 

Fruitschilder, m. Painter of fruit. 



FRUI 

Fruitschotel, m. , zie Fruitschaal. 

Fruitstuk, o. bij schild., Fruit-piece. 

Fruitverkooper, m. , Fruitverkoopster , 
vr. , zie Fruitkooper. 

Fruitwinkel , m. Fruit-shop. 

Fruitzolder, m. Fruit-loft. 

Fuik, vr. IFeel ., Bownet; fig. Hij is in 
de — , He is caught. 

Fulp , o. meest bij dicht. , zie Fluweel. 

Fulpen, zie Fluweelen. 

Fun, m. Rogue ,>Wag. 

Fust, o. Cask, Barrel. 

Fuscazje , vr. , zie Fust. 

Fustein , Fuscijn, o. xqvowA. , Fustian. 

Fat, bw. bij wijze van verachting, Fudgel; 
Dat is maar — , That^s all fudge. That 
means nothing at alf Humbug. 

Futselaar, m. , Fuiselaarster, w.Trifler, 
Idler. 

Futselarij , vr. Trifling, Trifle. 

Fuiselboek, o. fig. als: Het — zoeken , 
to Seek for evasions. 

Futselen, o. w. met Hebben , to Trifle, 
Idle, Fiddlef addle. 

Fucseling, vr. Trifling, Idling. 

Fntselwerk, o. Trifling W9rk , Fiddle- 
faddle. 

Fuum , m. Vanity , Conceitedness. 



G. 



G 

G, vr. de zevende letter derletterlijst, G. 

Ga, zie Gade. 

Gaaf , vr. , zie Gave. 

Gaaf, bv. Sound, Entire, Undamaged ^ 
Well-preserved. * — , bw. Soundly, En- 
tirely; — rekening doen , to Give a 
full account; fig. Readily, Entirely. 

Gaaf held, vr. Soundness. 

Gaai , vr. , zie Gade. 

Gaaijen , b. w. to Unite. * —- , o. w. met 
Hebhen, paren , to Couple. 

Gaaijing, vr. Uniting, * —, Coupling. 

Gaaiken» o. , zie Gaai. 

Gaal , vr. Threadbare stripe. 

Gaaa , onreg. o. vf. met Zijn, wanneer 



GAAN 

del plaatsverandering en meti Hebben , 
wanneerj dejvoortdiiring bedoeld worcit, 
als: Ik ben naar boven gegaan , /w^/^^^^ 
up stairs ; Ik heb lang genoeg gegaan, 
/ walked long enough. * — , reizen, to 
Go ; Uit de scad — , to Go on ajoutney; 
Te land—, to Travel by land ;'^\\^o^xq 
paard , met den postwagen , met de scliuit, 
/ go on horseback , with the stagecoach, 
by the boat. * — , inbewegingzijn , alss 
Mijn horologie gaat niet, BIy watch is 
down; De v*?agens — snel , The waggons 
go quick, * — , zich uitstrekken , ^ als: 
Hec bijgeloof gaat ver , Superstition goes 
far; Deze weg*gaat naar Parijs, 77iis 



GAAN 

road leads to Paris. * — , gevolgd door 
de onbep. wijs vau een aiuler werkw. , 
zullen , op het punt zijn , to Be going; 
Ik ga schrijven, / am going to write. 
Aanm. In die geval gaac het verledcn 
deelw. gegaan in gaan over ., als : Ik ben 
hem — zien, I went to see him. *-,niec 
den onbep. 3. pers. in zekeren toescand 
ziin, als: Hoe gaat het?, (u ? , enz.,) 
How is it with you? ,(Iiim?) ; Het gaat 
hem vrij wel , Het gaat vrij wcl met hem, 
Things go well enough with him. * — , 
met bep. persoonsaand. , gangbaar zijn, 
van mnntspecien, to Be current. * — , in 
iets bevat zijn , als : Op een boek papier 
— vier en twintig vel , A quire ofpajer 
contains twenty four sheets. * — , zijn, 
als: Zwanger — , to Be with child; In 
zwang — , to Be in vogue or fashion; 
Ga vase daarop , Rely upon that. * — , 
den scbijn van iets hebben, to Pass.* — , 
geiukken, to Do, Succeed; sprw. Plet 
gaat om een'gouden ketting ofeen'ijze- 
ren, /'// win the horse or lose the saddle. 
*— , geraken, als :Te gronde — , to Be 
ruined, to Be reduced to poverty; Te 
boven — , to Surpass ^ Outdo; Zich te 
biiiten — j to Forget one''s self\ to Com- 
mit an excess, to Break bounds ; Ter 
hane — , to Affect , Open. * — , b. w. 
als: Een' gang (eene boodschap)— , to 
Do an^ erravd ; fig. Zijn' gang ~ , toCon- 
tinue in one''s usual way , to Go on. *'—, 
ze ook Gaande, en Gaan in zaraensc. 
met de onderschcidcne voorzetsels. * — , 
o. Going, etc. ^ Eeu uur gaans , An hour'^s 
walk. 

Gaande, tegenw. d\v. , zie Gaan, * — , 
inzond. voor in beweging , als : — ma- 
ken , to Set a-going ; lemand — maken , 
to Put one into a passion; leraands nieuws- 
gierigheid — maken, to Raiic one''s curio- 
^^^y i — houden, to Keep a-going ; De bal- 
last raakte— , Tfie ballast shijicd; Het 
schip raakt — , The ship drives from her 
anchors ; Wat is er — ? , fThat is the 
matter?; De — cnkomende man, ( us- 
tomers that occassionally call ; II ij is op 
— Ijeenen, Hij is — en s aande , zie 
Staaode. 

Gaanderij , zie Galerij. 
Gaapster, vr., zie Gupcr. 
I Gaar, bv. Enough done ^ Done; Te — , 
Overdone; Niet— gcnocg. Underdone; 
Een schip — makco , (schecpsw.) , to 
Bream a ship, to Burn the filth from off 
her bottom. 



GAAR 



239 



Gaard, m. Garden. 

Gaardenaar, Gaardenier, m. Gardener. 

Gaarder, m. Collector or Receiver of the 
customs or excise, 

Gaarheid , vr. Being done. 

Gaarkeukeu, vr. Cook^s-shop , Ordinary y 
Eating-house. 

GaarkoK, m. Keeper of an ordinary or 
eating-house , Cook. 

Gaarne , bw. /F'////,v^/y , Readily, With 
pleasure; — visch eten , to Be fond of 

fish. 

Gaarnen , bv. Of thread , Thread ; — kous, 
Thread-stocking. 

Gaas , o. Gauze. 

Gaatje, o. verkleinw. , zie Gat. 

Gaais, enkel in : Binnen — , In the har- 
bour; BuitcD — , Out of the harbour. 

Gaauw, bv. schielijk. Quick, Swift , 
Speedy. * — , vlug, Dexterous , Nimble; 
Hij is — op het klavier. He is a nimble 
player on the harpsichord; Een —vers: and, 
A quick apprehension. * — , bw. (Quickly, 
Speedily. * — , Dexterously , Nimbly. 

Gaauwdief ,m. Thief. * — , schelm , Knave, 
Rogue, * — , als: Hij is een slimme — , 
He is an arch rogue or a roguish blnde. 

Gaauwdieverij, vr. Knavery, Roguery. 

GA3Lii\verd ,m. Dexterous person. * — , goo- 
chelaar , Juggler. 

Ciaauwheid , Gaauwigheid , vr. Quickness, 
Speediness. * — , Nimbleness , Dexterity; 
Het is maar eene gaauwigheid, It is but 
a ^';;«c^' ,• Gaauwigheid (van valsche spe- 
lers), Feat of activity. 

Gabaar, vr. a fiat-bottomed barge. 

Gabel, Gabelle, vr. , zie Tolhek. 

Gade, m. en vr. Consort, Spouse. * — , 
van vogcls , Mate. 

Gadelijk, bv. Easy; weinig gebr. danin: 
Ongadelijk. 

Gadcloos , bv. Without a spouse or mate; 
fig. zondergelijke. Matchless, Incompa- 
table. Unparalleled. 

Gader, m. enkel gebruik. in: Te — , Al 
tc — , Together , All together. 

Gadcren, b. w. to Gather, Collect, As- 
semble, zie Vergaderen. 

Gadcrgcid, o. Collected money. 

CJadcring, vr. Gathering , Collection, 

Gadermecster, m. Tax-gatherer. 

Gadcslaan, ongel. b. w.( Ik sla gadc, cnz.), 
to Observe , mind, Mark , to Attend to. 

Gading, vr. Desire to buy a thing; Hebt 
gij — in het huis ? , Do you like the housed. 
Does the house suit you^ ; Dat is mijne 
— nice, T)at is not my birgain , That 



240 



GAF 



does not suit me. That does not serve my 
turn; Die — heefc, CJieapener ,Onewho 
desires to buy something. 

Gaf, V. t. , zie Geven. 

Gaffel, vr. Fork, Pitchfork. ♦— , scheepsw. 



Gaff" ( of the mizzen )'. 
Gaffelscee" 



sceek, m. Stab made with a fork. 

Gaffelsreel, m. Stick of a fork. 

Gaffelscukken , o. meerv. scheepsw. , 
Crotches. 

Gaffe It and, m. Prong of a fork. 

Gaffelvormig, bv. Furcate, Branched, 
Forked. 

Gagel, ni. JVi/d mirtle. * — , o. in som- 
mige streken, het gehemehe des monds. 
Palate. * — , in Groaingen , liet tand- 
vleescli. Gums, pi. 

Gagelboom, m. Wild myrtle-tree. 

Gagelen , Gaggelen , o. w. mec Hebben, 
van ganzen , to Gaggle. 

Gal, vr. Gall , Bile; fig. toorn. Gall, 
Rancour ;Etn^yx\r]C (bekje) zonder--, 
A goodhearted , innocent or har}>jless 
creature. * — , (meerv. Gallen , ) ff^ind- 
gall {at the jeet of a horse^. 

Gal, vr. in sommige sireken, zie Gaal. 

Gala , o. Gala, 

Galacluig, bv. Bilious, Biliary; fig. 
Choleric , Passionate. 

Galadag , m. Gala-day. 

Galafsciieiding, vr. Separation of bile. 

Galakleed , o., zie Staacsiekleed. 

Galander, m. , zie Calender. 

Galant, bv. en bw. Gallant. 

Galanterie, vr. Gallantry. 

Gallanteritin , vr. meerv.' Small wares of 
an ornamental kind, Milliner''s wares. 

Galanteriehatidelaar , m. Milliner. 

Galanteriewaren , zie Galanterii'n. 

Galanieriewinkel , m. Milliner's shop. 

Galappel, m. , zie Galnoot. 

Galblaas , vr. Gall-bladder. 

Galeas , vr. Galeas. 

Galei, vr. zeker vaartuig , Galley. * — , 
bij letierz. , Galley. 

Galeibank, vr. Bench of a galley. 

Galeiboef, m. Galley-slave. 

Galeiroeijer, ra. Rower of a galley. 

Galeisliiaf, zie Galeiboef. 

Galeistraf. vr. Being condemned to the 
galleys ; Tot d6 — veroordeeJen , to Con- 
demn to the galleys. 

Galender, ni. , zie Leiming. 

Galerij, vr. Gallery, 

Galg, vr. Gallows, Gibbet; Loop naar 
de — /, G' and be hanged 1; fig. HiJ heefc 
ceae — in hec cog, lit spies a snake in 



GALG 

the grass; sprw. Borer aan de — smeren, 
to Make fruitless endeavours to induce 
one to something; De — behoudc haar 
regt , One time or another he will get 
his due for his iniquities, * — , aan eene 
broek , zie Bretel. 

Galgen o. w. mec Hebben, enkel gebr. 
in: Het galgc beter , dan hec bnrgemees- 
lert , There is more danger in it than 
profit, 

Galgenaas, o. , Galgenbrok, Galgcnlap- 
per, m. Gallows-bird , Newgate-bird. 

Galgenraaal , o. Last meal or repast. 

Galgenpin , vr. fig. geraeen , zie Roode 
peen. 

Galgenveld, o. Place for execution. 

Galglacider, vr. Ladder used on the gal- 
lows. 

Galgpaal , cd. Post of a gallows , Ga'low- 
tree. 

Galgvogel , m., zie Galgenaas. 

Galig, bv., zie Vol galen. 

Galijk , zie Gadelijk. 

Galijkheid, vr. Easiness. 

Galjoen, o. SJiip'^s-head , Beak-head, Prow. 
♦ — , zeker vairtuig, Galleon. 

Galjooc, o. zeker vaartuig, Galiot ; zie 
ook Bombardeergaljoot. 

Galkoorts, vr. Bilious fever. 

Galleiders, m. meerv. in de oncleedk. , 
Conductors of the bile. 

Gallen, b. w. de gal uithaleo, to Gall. 

Gallig, bv. Bilious, Biliary. 

Gallimathias, ra. Galimatias , Nonsense. 

Gallon , ni. Gallon, 

Galra , m. Sound , Noise , Shout. 

Galiiien, o. w. mec Hebben, to Sound, 
Shout, Cry. 

Galmgat, o. Penthole {of a steeple^. 

Galraing, vr. Sounding, Shouting. 

Galnoot, vr. Gall, Gall-nut. 

Galon, o. Galloon, Lace. 

Galonneren , b. w. to Lace, 

Galop, m. Gallop. 

Galoppen , Galopperen, o.w. met Hebben, 
wanneer de voortdnring, en mec Zijn, 
wanneer de plaatsverandering bedoeld 
vy^ordt, to Gallop. 

Galpen , o. w. met Hebben, in Gronin- 
gen, to Cry. 

Galping , vr. Crying. 

Galziek, bv. Splenetic,^ Hypochondriac. 

Galziekte, vr. Bilious complaint , Spleen. 

Gander , zie Gent. 

Gauf , m. Thief; fig. Wag. 

Gang , m. het gaan , Goi:ig ; Zijn — ergens 
been rigten , to Direct cnc'^s stepsor course 



IT; 

^^^ome place; fi 



GANG 

otne place ; fig. Zijn' — gaaii , to Con- 
tinue //; the same way ; lemand zijn' — 
laten gaan ^ to Let one do his ownfancy^ 
to Let one go on as one pleases , to Let 
one alone ; lemand aan den — helpen, to 
Put one into some business; Aan Aqw — 
zetten, to Set a going; Aan den — ko- 
men , to Come to a beginning. * — , wij- 
ze van gaan , Gait ; Ik ken hem aan zijn' 
— , / know him by his gait. * — , van 
een paard , Pace. * — , screek van een 
schip in her laveren, Tack. * — , enge 
straat. Lane ^ Alley. * — , in een huis , 
Passage ; Ondci'ZArdsche gang, Subter- 
raneous passage. * — , ^ie ook Gangje. 

Gangbaar, bv. Current. 

Gangboord , o. sciheepsw. , Gangway. 

Ganger, m. Goer^ Walker, zie Voet« 
ganger. 

Gangetje, Gangje, o. verkleinw. , zie 
Gang.* — , Going. * — , boocischap , 
Errand. * — , streek van een schip , 
Tack; fig. Dat gaai een — , Tliat goes as 
well as heart can wish ; Een — raec iemand 
gaan, to Keep one dose. * — , straatje. 
Little lane or alley. ^ 

Gangpad , o. Footpatli. 

Gangspil, vr. Capstern. 

Gangster, vr. , zie Ganger. 

Gans, vr. Gonse; sprw. Maak dat de gan- 
zen wijs , Tell that to those who will be- 
lieve it; Manneijes — , Gander. 

Gansch , bv. fFhole , All. * — , (Ganschc- 
lijk,)bw. Wholly. 

Ganzenbloeni , vr. Daisy. 

Ganzenbord , o. Board for playing the 
game of the goose. 

Ganzenbout , m. Wing or Leg of a goose. 

Ganzendrek, tn. Dung of geese. Goose- 
dung. 

Ganzendrijver,m., zie Ganzcnhoeder. 

Ganzcnci,o. Goose-egg. 

Ganzenbayel, ni. , zie Grove hagel. 

Ganzcnhoctlcr, m., Ganzcnhoedster, vr. 
Keeper of the geese. 

GanzcMiliok, o. Goose-pen. 

Ganzenjagcr, m. Goose-shooter. 
I Ganzenjagt, vr. Wild-goose-chace , Goose- 
shooting. 
i Ganzenkeutels , m. meerv. , zie Ganzen- 
drek. 

Gaiizenkiekcn, o. Gosling., Tottng goose. 

Ganzenkroos, Ganzenkroosc, zie licuden- 
gruen. 

Ganz^nkuiken, zie Grinzenklekeii. 

Ganzenmarkt, vr, Goo^e-markct, 



GANZ 



241 



Ganzenneb , vr. Goose-bill. 

Ganzennesc , o. Goose-nest. 

Ganztinuog, o. Goose-eye. *— , zie Aan- 
halingneeken. 

Ganzenpen, vr. Goose-pen, Goose-quill. 

Ganzenpoel, m. Goose-pond. 

Ganzenpooc, in., zie Ganzenvoet in de 
I. beceek. 

Ganzenroer, o. Fowling-piece. 

Ganzenschacht, vr. Goose quill. 

Ganzensinouc , zie Ganzenvec. 

Ganzenspcl, o. G ime of the goose. 

Ganzenveder, Ganzenveer , vr. Goose- 
feather. 

Ganzenvel, o. Goose-skin. 

Ganzeuveld, o. Common where geese are 
fed. 

Ganzenvet, o. Goose-fit , Goose-grease. 

Ganzenvleugel, m. Goose-wing. 

Ganzenvoet, m. Goose-foot. *— , zekere 
plant. Goose foot , Wild orach. 

Ganzerik, vr. zekcr kruid, Silver-'herb. 

Gapen , o. w. mei Ilebbcn , den mond open 
sperren, to Gape. * — , geeuwen , to 
Tawn, Gape; fig. Naariets — , to Gape 
(^Stare) at a thing; Tegen een' oven 
staati le — , to Do fruitless work; Hij 
gaapt wijd. He demands much; Dat gaap: 
als een oven , That is notoriously false. 

* — , niet ligt te herscellen zijn , (enkel 
in het tcgenvv. deelvv.,) als: Eene ga- 
pende wond, A larg,:- gaping wound; 
Een gapend gebrck , A great want. 

Gaper, m. Gaper. *— , qeeuwer, T'uwner. 

Gaping, vr. Gaping ..Tuwning ; fi^. Gap. 

Gaps , vr. What both hands can contain. 

Garde , vr. teenrje , Twig , Wicker ; Door 
de garden loopci) , ( voorlicen eenc straf 
bij hjc krijgsvolk,) to Run the gontled. 

* —, roetic voor kindercn, Rod; fig. Mij 
moest du— nor> hebben , lie behaves like 
a child ; Hij iade — ontwassen , lie is past 
childhood. * — , in de krijg>d. , Guards 
Lifeguard. 

Gardiaan , m. Guardian or Superior of a 
monasteiy. ♦— , bij soldaien , Owe that 
belongs to the guard. Guard. 

Gareel ,o.(^ee) Traces for draught-beast^., 
pl.;ii^. Zij loopcn in het zelfd'e — , Thty 
are always together , They are inseparable 
companions. ♦ — , gcspau , Team ; fig. bij 
dicht. , Conjugal tic, 

Garen, o. Thread, Tarn; I let — is 
in de klit, (dot,) Tiie thread is entan- 
gled. * — , net. Toils, pi., IV.-i ; fi,'. ILj is 
vaak voor het — gcv.ecsc , lie often 
Iti 



242 



GARE 



had a narrow escape of being taken. 

(jarenbleek , vr. Bleaching ground for 
thread. 

Garenbleeker, m. , Garenbleekstcr , vr. 
Bleacher of thread. 

Garendoos, vr. Thread-box. 

Garenen, zie Gaarnen. 

Garenfabriek, vr. Thread-manufactory. 

Garenhandel , m. Dealing in thread. 

Garenhaspel, in. Reel. 

Garenklopper, ra. Person that beats thread; 
also : Mallet to beat thread with. 

(rarenklos , m. liohin. 

Garenkooper, m. , Garenkoopster, vr. 
Dealer in thread or yarn. 

Garentvi'ijnder, ra. Tarn-twister, Tarn- 
twiner. 

Garentwijnderij , vr. Twining -house. 

Gareniwijnster , vr. , zie Gareiuwijnder. 

Garenverkooper , m., Garenverkoopster, 
vr. Ore that sells tiiread or yarn. 

Garenwiel, o. Wheel to spin thread. 

Garenwinkel, o. Thread-shop. 

Garenzak, m. Bag for thread. 

Gnrt", vr. Sheaf; Ilec landomde garven 
hebben , op de garven bouwen (inGel- 
derl, ), to Pay, instead of money y acorn- 
rent. 

Garfpacht, vr. Corn-rent. 

Garmondlecter, vr. Antiqua, 

Garnaal , vr. Shrimp. 

Garnaalbroodje , o. Roll with shrimps. 

Garnaalkeiel , ra. Kettle or Boiler for 
shrimps. 

Garnaalmand, vr. Shrimp-banket. 

Garnaalmarkc, vr. Shrimp-market. 

Garnaalpastei, vr. Shrimp-pie, 

Garnaalsaus, vr. Shrimp-sause. 

Garnaalvangst , vr. Catching of shrimps. 

Garnaalvrouw , vr. , Garnaalwijf, o. 
Shrimp-woman. 

Garnaac, Garneel , vr. (^«), zie Gar- 
naal. 

Garnizoen, o. Garrison. 

Garnizoensdiensc , vr. Service in a gar- 
rison. 

Garnizoenslevcn , o. Living in a garrison. 

G.irnizoensplaats, vr. Garrison. 

Garst, enz. , zie Gerst , enz. 

Grri;tis4 . bv. Ranc^'d ., Rwty; fig. gemeen, 
vuil. Nasty ,\ Dirty. * — , bw. , als : 
— smaken of ruiken , to Have a rancid 
taste or smell. 

Garstigheid , vr. Rancidness , Rancidity; 
fig. gemeen , Nastiness. 

Garven , o. w. met Hebben , to Bring the 
sheaves into the barn. 



GARY 

Garver, m. He who brings the sheaves into 
the barn, 

Garving , vr. Bringing the sheaves into 
the barn. 

Gas, vr. Street. 

Gas, o. kunstlicht. Gas. 

Gasfabriek , vr. Gas-manufactory. 

Gaslamp , vr. Gat lamp. 

Gasleider, m. Gas-pipe. 

Gflslicht, o. Gas-light. 

Gasmecer, m. Gasometer, 

Gaspijp, vr. Gas-pipe. 

Gasstoker, m. Gas-maker. 

Gasstokerij , zie Gasfabriek. 

Gasc, m. Guest, P'isicor; Te — gaan , to 
Dine or Sup abroad; fig. Aan iets te — 
gaan, to Amuse one'^s self with a thing; 
llij kwam daar slecht te — , He met with 
a bad reception ///^?e ,• sprvv. Ongenoode 
gasten worden achter de deur gezet ^ JJe 
who comes unasked must sit unserved. * — , 
bezoeker in eene herberg , Customer. * — , . 
vreemdeling , Stranger. * — , werkkneclu. 
Journey-man; fig. Hij is een — , He is \ 
a clever fellow ,- also : He is a ^yag ; Met 
is een — , (van een' visch sprekende,^ 
It is a large ^sh. * — , hoop van vierof; 
raeer tegen elkander opgezette scli9ven : 
om te droogen , Heap of sheaves. * — 
zie ook Gasrje. 

Gasten , b. w. to Put together {sheaves), i 

Gastereren , o. w, raet Hebben , to Feast^M 
Banquet. |! 

Gasterij, vr. Feast, Banquet. | 

Gascheer, m. Host. | 

Gasthouder , m. , Gasthoudster , vr. /ww-fj 
keeper , Host , Landlord. ;| 

Gasthuis, o. Hospital ; sprw. Het is daarl; 
geheel in het — , That house is quite a- 
hospital; Ik ben ook in dat— ziek ge weest,: 
I^also once committed that folly ; Dat is* 
de weg naar het — , That is the road to 
ruin. 

Gas'.huisarts , m. Physician of the hot- j 
iiital. ' 

Gasthiiiskerk, vr. Church of a hospital. 

Gasthuisktjecht , m. Servant in a hospital. 

Gaschuislieden, m. meerv. P^(?/)/^/« a hos- 
pital. 

Gasthuismeester, m. Hospitaller. 

Gasthuismeid , vr. Maid servant in a hos- 
pital. 

Gasthulsmoeder, w. Female director of a 
hospital. 

Gaschuispreek, vr. Hospital-sermon. 

Gaschuispreker , m. Preacher in a hos- 
pital. 



GABA 

Gabas, o. Barking. i 

Gasihiiisvader , m. Director of a hospital. 

(Jasihuiszieke , tn. Patient in a hospital 

Gastje, o. verkl, w. ^ zie Gast. * — , 
inzond. kleine gas: , Little wag. 

Gastmaal , o. I^east , Banquet. 

Gastregt, o. Laws or Rights of hospita- 
lity ^ pi. {pit ably. 

Gastvrij, bv. Hospitable. * — , bw. Has- 

Gastvrijheid, vr. Hospitality, 

Gastvroiiw, vr. Hostess. 

.Gasverlichting , vr. Gaslight. 

Gac, o. opening, Openij.-g , Hole ^ Gap; 
sprw. Hij ziet door eene plank zoncier 
— , He is a findfaiilt ; Ik zie er geen 
— in , / see no means to bring it about ; 
Een — scoppen , to Pay a pressing debt , 
to Stop a gap; Hij wcec voor ieder — 
een* spijker, (uagel , ) He has always 
an answer ready; Hij is voor een — 
niet le vangen , He is not easily caught ; 
Niet weten, in wat gaien hec le gieien , 
JVot to know how to shift for one''s self. 
* — , achtcrste, Bum, Buttocks, pi. ^ Back- 
side, Breech; fig. De nering gaac op 
haar — zitcen. Trade is not brisk; 
lemand eeu' voet (.nder 'c — gcven , 
to Dismiss or Discard one; zie ook 
Voet 5 Hij ziilt zijn — gedurig vol, He 
is always tipsy; lemand in hec — kruipen , 
to Flatter one ; lemand achter hec — 
loopen , to Follow one every where.* — , 
gevangenis , Dungeon , Prison ; van hicr : 
Eeu — van een nuis, A gloomy or mi- 
serable house , A hole of a h-^use. * — , 
opcne wonde , Wound; Een — in het 
lioofd vallen , to Fall and wound one''s 
head; lemand een — in den arm ste- 
ken , to Let one blood , to Bleed one. 
, Iiol van dieren , Den, Burrow. 
, mond van eeu' oven , Mouth. 
, inzond. mond van eene haven , 
IMouth of a harbour; van hier: Binnen 
gaats, In the harbour ; Bniien gaats. 
In the open sea , Out at sea , Out of the 
harbour. * — , vermindering van voor- 
raad , als : Wij hcbben al een — in den 
liirf, Ifc have burnt already a great 
deal of the turf; van hier: lig. Dat zal 
ecu — maken , (van een bankvoet,) 
77/6/ will be a great loss; Ecu — in 
^cn dag slapeii , to Rise very late. Zie 
ook de zamengest. woorden, als: Aars- 
gat^ Sleutelgac , enz. 

^Ga;en, b. w. tn Pierce. 

"■Gatcnpetiel, Gaienplateel , o. kenken- 
gcrtcdschap , zie Doorslag, o. ; sprw. 



GATI 



243 



Hij is zoo digc als een — , He cannot 
keep a secret. 

Gatig , bv. Full of holes. 

Garje, o. verkh vv. van Gac in de 
beieek. van Achterste , zie Gar. 

Gatlikken , b. w. gemeen , (Ik gatlik , 
enz. ) to Coax. 

Gatlikker ,^m. gemeen , Coaxer. {Coaxing. 

Gatlikkerij , Gatlikking, vr. gemeeu , 

Gaclikster, vr. gemeen, Coaxer. 

Gave, vr. gift. Present, Gift, Dona- 
tion. *—, begaafdheid, veelal meerv., 
Griven , Talenf; , Parts; Een man mec 
vele gaven , A talented man. 

Gazelle, vr. zekere dier, Gazel. 

Ge , voorv. , dat, behalve in zsmenstel- 
lingen met atrdere woorden, inzonder- 
heid dient, om het verl. deelw. der 
werkwoorden re helpen vormeu , wan- 
neer ze niet door eeu onscheidb. voorz. 
worden voorafgegaan , als: Ca^i),Ge- 
gaan ; Z'ngen , Gezongen ; enz. Aanm. 
In de zamenst. nice werkw. geeft hec 
weinig of geene verandcring aan de be- 
reekenis der woorden, als: Pleiigen , 
gcheugen , to Remember ; of zij ver- 
oorzakcn eene zeer groote verandering, 
die vaak met het grondwoord weinig 
gemeen heefc, als: Bicden , (zie Bic- 
den,) en Gebiedeu , to Command. 

Geaard , (v. dw. zie Aarden.) * — , bv. 
Natured ; Wei — , Good-natured; 
Slechc — , ll-natured. 

Geaardheid, vr. Disposition. 

Gearmd , bv. Arm ,in arm. 

Gebaar, o. Gesture, (gebaren) Action. 
* — , onbeziiiide gebaarmaking , Gesticu- 
lation. ♦ — , misbaar. Noise y Clamour, 
Disturbance ; fig. Hij maakt een —van 
den duivel. He makes a terrible noise. 

Gebaard, (v. dw. zie Baren.^ * — , bv. 
(van Baard} Bearded, Having a beard , 
liar bed. 

Gtbaarmaakster , vr. Gesticulator. 

Gibaarmaker, ra. Gesticulator. 

Gebaarmaking, vr. , zie Gebarenspel. 

Gebabbel , o. Continual babbling. 

Gebaf, zie Gebas. 

Gebak , o. Baking; zie Bakken. * — , 
bet gebakkene, inzond suikergebak. 
Pastry, Sweetmeats , pi. 

Gebakend, v. dw. zieBakcncn ; fig. Hec 
is daar andcrs — , Things have taken 
there another turn. 

Gebalder, o. van den donder en het pe- 
schut , Report , Loud noise , Thundci irg 

Gebarenspel , o. Gesticulation. 



2/14 



GEIiE 



GebeJ, u, Prayings Prayer; In bet — ; 
zijn , to Be at prayers. * — , bede , 
Prayer, Request, Snpplicatioji ; Een 
— voor it'uiand doen , to Pray for one. 

Gebedel , o. Begging , Beggary. 

Gebeden, v. dw. , zie Bidtiun. 

Gebedenboek, o. Prayer-book. 

Gehtef, o, Trembiiijg , Quaking, Sha- 
king. 

Gebeend, bv. Legged ; Sterk — , Strong- 
legged. * — , van beenderen voorzien , 
having bones , Boned. 

Gebeence, o. Bones , pi; fig. De ondeugd 
zit tot in zijn — , He is an abandoned 
wretch. *— , doodsbeenderen , Bones , pi; 
fig. Wij beschrcijen nog zijn — , pFe 
still weep at his Jeath ; Een' Haas in 
het — leggen , to Eat up a hare, 

Gebeijer, o. , zie Beijeren. 

Gebekt, bv. Beaked, Having a hill or 
mouth ; fig. Stijf— zijn , to Be obstinate ; 
Spits — zJj"> ^^ ^^ ^'""^^ '^^ spiteful; 
Z\} is wel — , Her tongue is well hung, 

Gebel, o. Ringing. 

Gebengel , zie Bengelen. 

Gebergre, o. Mountains , pi, * — , zie 
Bergkeien. 

Gebeien, v, dw. _, zie Bijtenj sprw. fig. 
Op ieraand — zijn, to Have a pique at 
one. 

Gebeul, o. Tormenting, zie Beulen. 

Gebeuk , o. Beating, zie Eeuken. 

Gebeurd, v, dvv. van Beuren en Ge- 
beuren. 

Gebeuren, o. w. met den 3. pers. met 
Zijn, geschieden , to Happen, to Come 
(0 pass, to Arrive, Occur. * — , te 
beurt vallen , to Fall to one''s share or 
lot. 

Gebeurlijk, bv. What may (^is likely to') 
happen , Possible. 

Gebeuriijkheid, vr. Likeliness , Possi- 
bility. 

Gebeurtenis, vr. Occurrence, Accident, 
Incident , Adventure, 

G e b e u z e I , o , Trifling. 

Gebied , o. Government , Reign, Sway, 
Command, Authority , Rule; Hec — 
voeren , to Govern. * — , uirgestrekrbe'd 
eener heerschappij , Government , Juris- 
diction, Province, Dominions , pi. 

Gebieden', b. w. to Order , Command, 
Prescribe. * — ,0. w. met Hebben , to 
Command; Over eene vloot — , to 
Command a fleet. 

GebTedend , (teg. dw. van Gebieden.) 
• — , bv. Commanding; Een gebiedende 



GEBI 

tocn , A commanding tone of voice; 
(in de spraakk.) De gebiedende wijze, 
The imperative mood. * — , bvv. Im- 
peratively. 

Gebiedenis , vr. Compliments , pi, , Service. 

Gebieder, m. Commander, Governor. 

Gebieding, vr. Commanding. 

Gebiedster, vr. Commander , Governess. 

Gcbiedvoerder, m. Commander, Governor. 

Gebiedznciitig, bv. Ambitious , Aspiring 
at supreme power, 

Gebijc, o. Biting, zie Bijten, 

Gebik, o. Picking, 

Gebil, o. Picking, 

Gebild, (v. dvv. zie Billen.) * — , bv. 
Having thick thighs, 

Gebind, Gebindte , o. , zie Bind. 

Gebit, o. alle landen, Teeth, Set '' 
teeth ; Een goed — bebben , to Ha , 
good (^sharp) teeth. * ■— , bit. Bit; 
Een paard het — in fleli uiond leggen , 
to Put the bridle upon a horse , to Bic 
him. 

Geblaard , bv. Having a blaze , zie Blaar , 
in de 2. beteek. j 

Geblaas, o. Blowing, zie Blazen. * — ,[ 
Hufing, I 

Geblaar, q. Bleating, zie Blaten. < ; 

Gebladerte, o. Z,(?^i'ej, /»/. , Foliage. ; 

Geblaf, zie Gebas. j 

Gebleken, v. dw. , zie Blljken. > 

Gebleven , v. dw. , zie Blijven. f 

Geblik, o. Twinkling of the eyes. , 

Gebliksemd, (v. dw. zie Bliksenien.) *— , 
inzond. fig. nedergeworpen , Throv;n 
down, ■■,, 

Geblink , o. Shining,, zie Blinken. 

Gebloemd, bv. van stcffen , Flowered, 

Gebloemie, o. Flowers, pi. 

Geblonken, v. dw, , zie Blinken. 

Gebod, o. bevel. Command , Comand* 
nient , Precept , Order ; De tien gebo- | 
den. The ten commandments. * — , af- 
kondigiug van bet huwelijk, Ban; ZJj 
hebben het eerste — , They are called 
for the first time , Their bans areprO' 
claimed for the first time; De geboden 
stuiien , to Forbid the bans, 

Gehoden, v. dw. zie Gebieden en Bie- 
den. 

Gebocfte, o. Mob, Populace, 

Geboegd, bv. Having a prow. 

Geboen, o. Cleaning, zie Boenen. 

Geboert, o. het bocrten. Joking. 

Geboert , Geboerie , o. \iOQ^t\\,"(OountTy- 
people. Peasants .^ Peasantry. 

G ebcj;c':eid , bv. Humpbacked. 



^ 



GF.no 

Gebofjdieide , m. en vr. Humpback ^ 
Hnnc]iback. 

Gebogen , v. dw., zic Buigen, 

Gebom , o. Sounding , zie Boraraen. 

Gebondea, v. dw. , zie Bindcu. 

Gebons, o. Bouncings zie Bouzen. 

Gc'bood , V. t. , zie Gebieden. 

Geboomce, o. Trees ^ pi. 

(Jcboor, o. Boring. 

Geboord, v. dw., zie Boren en Boor- 
deii. 

Gcboorre , vr. het geboren worden , 
Birth ^ Nativity; fig. In de ^smoren, 
to Stifle a thing in its birtli or begin- 
ning, * — , af koinst , Birth ^ Extrac- 
tion^ Descent ; Ecu Engelschman van — , 
An Englishman by hirtli, ♦— , aan- 
zienlijke af konisc , Q^uality ^ High ex- 
traction^ Noble biriiu * — , geslaclu , 
Tribe 

Geboorreacte,»Geboorteakte, vr. Certi- 

\ ficate of one'' s birth. 

Geboorcedag, m. Birthday, 

beboorcedichc, o. Birthday-ode ^ Birth- 

i day song. 

Gcboonedorpi, o. Native village. 

Geboorcejiroec, ra. Cowplimeni J}aid on 

\ a birthday. 

Gebooriejaar, o. Tear of one'' s birth. 

Geboortelied , zie Geboortedichc. 

Geboorieplaats, vv. Birthplace^ Native 
country. 

Gcboortcstad , vr. Native town. 
Geboortestar, Geboorcescer , vr. Con- 
ste/lation., Star. 

Geboorteiiid , m. Time ofone'^s birth. 
Geboorteiuir, o. Hour of one''s birth. 
pclioortevlies, zie Baarvlies. 

bjortig, bv. in cene plaars. Born. 
— , uit een geslacht , Descended. 
Geboren, v. dw. van bcc\ croud. Daren , 
Beren , dragen, Born; — worden, to 
Be born; lig. De tijd is nog^niec — , 
The lime is not yet come. 
Geborgen , v. t, , zie Bergen. 
uJcborrckik, zie Gerikkekik. 
"eborst,bv. Full breasted. 
jeborsiel , o. Brushing. 
C^cborsteii, v. dw, , zic Bersren. 
'eboiiw,o. Building .^ Edfice, Pile. 
ebra.id, o. Roast v.eat. 
jebrabbel, o. Talking confusedly^ zyc 
Brabbeleu. 

lebracht, v. dw. , zie Brengen. 
5ebrnk, v. dw. , zie Gebreken. 
^cbial , o. Boasting. 
Jebras , o. Feasting , zie Brasscn. 



GEBR 



24.5 



Gebrek, o. gemis van levensnoodwen- 
digheden , Want of the first necessaries 
of life; — lijden , to Be without the 
first necessaries of life. * — , scb^arsch- 
heid , Scarcity , Deficiency ; Ik beb 
pennen — , I am in want (in need) of 
pens. * — , mangel , Want ; Dij — van 
eene pen , For want of a pen ; In ge- 
breke blijvcn , to Fall short of one''s 
word, to Fail. * — , zedclijke onvol- 
maaktheid , Failing. * — , andereonvol- 
maakcbeid, Defect., Imperfection. * — , 
ligchamelijk ongemak , Disease, Infir^ 
mity. * — , inzond. vallende ziekte , 
Falling sickness , Epilepsy. 

Gebreken, zie Ontbreken. "'•. 

Gebrekkelijk , bv. Imperfect., Defective. 
* — , verminkc. Infirm, Afflicted with 
lameness or the like. * — , bw. Imper- 
fectly. * — , Infirmly. 

Gcbrekkelijkheid , bv. Imperfection, 
Defectiveness. * — , Infirmity , Lameness. 

Gchvekke\oos,h\'.Perfect,Wiihout failings 
or defects. 

Gebrekkig , bv. Scarce , Wanting. * — , 
mec gebreken, zie Gebrekkelijk. *— , 
bvv. Scarcely. 

Gebrekkigheid , vr. Scarcity. * — , zie 
Gebrekkelijkbe'd. 

Gebriesch, o. Neighing (of a horse). 
~ - - lion). 



♦ — , Roaring ( of a lion] 
jebroddel , o. Bungling. 



Gebroed , o. Brood; fig. Race. 

Gebroederlingen , meerv Children of two 
or more brothers. First cousins. Broth- 
ers german. 

Gc'broedcrs , m. meerv. Brothers. 

Gebroedcrschap , vr. Fraternity. 

Gebrocdsel , zie Gebroed. 

(rebroekt , bv. Wearing breeches. 

Gebroken, v. dw. zic Breken en Gebre- 
ken. * — , bv, inzond. voor gebrekkig , 
als : — Franfch sprcken , to S/eak a 
broken French. * — , in de genecsk. , 
als : — zijn , to Have a rupture or hernia. 
* — , o, in de rckenk.. Fraction; De 
regcl van drie^n in het — , The rule 
of three in fractions. 

Gebrom , o. Grumbling (^of a bear). 
Growling (of a dog). Buzzing {of a 
bee). Hollow sound (of a bell), zic 
Brommen. 

Gebrui, o. Troubling , Vexing^ zie 
Bruijen. 

Gebniik, o. hec gcbruik'cn , U>c ; — 
van iets maken, to Make use of a thing. 
* — , vermogen om iets te gcbrpikcn , 



246 



GEBR 



als : Het — der spraak. The faciiUi of 
speech. * — , gewoome , Custom. 

Gebruikeljjk , bv. Usual, Customary^ 
Common , Frequent. 

Gebriiikelijklieicl, vr. Usualness, Being 
customary. 

Gebruikea , b. w. aanwenden, to Make 
use of, to Employ i Geduld — , to 
Practise patience ; Genecsmiddclen — , 
to Take physic ; (gemeeii) Eene vronw 
— , to Have a carnal conversation with 
a woman ; Zich laten — , to Prostitute 
ono^s self. ♦ — , de vrucht van iets ge- 
nieteii , als: Hec land -, to Enjoy 
the revenues of some ground. * — , spijs 
of drank inaemen , to Take. 

Gebruiker, m. Employer, zie Gebrui- 
l<en. * — , zie Bruiner. 

Gebriiikmaking, m. Employing , Using. 

Gc-bruikster , vr. , zie Gebruiker in de 
I. beteek. 

Gebruis, o. Roaring or Foaming of the 
sea. 

Gebrnl, o. Roaring (of a lion). 

Gebulder, o. vangeschuc, zie Gebalder. 

Gebulk , o. Lowing or Bellowing of cows , 
etc. 

Gebiik, zie Gebogcheld. 

Gebuur, zie Bimr. 

Gebunrschap , vr. ^11 the neighbours , pi.. 
Neighbourhood. 

Gecijfer , o. Ciphering. 

Gedaagde, m. en vr. in regten. Defen- 
dant, 

Gedaan, v. dw. , zie Doen en Gedoen ; 
fig. Finished; Het is met hero — , /; 
is all over with him , He is dying ; 
ookr He is ruined; Zij 2iec er vrij v. el 
— uit. She is handsome enough; sprw. 
Gedane dingen (zaken) hebben gecn' 
keer, zie Keer. 

Gedaance, vr. External appearance. 
Form , Shape ; fig. toedragc van zaken , 
als: De zaken zijn van — veranderd , 
The face of things is changed. 

Gedaanteverandering , Gedaanteverwis- 
seling, vr. Metamorphosis , Transfigu- 
ration. 

Gedaciir,v.dw.,zieDenken en Dunken.*— , 
V. t. en V. dw., zie Gedenken, * — , 
bv, als: De gedachte heer, The above- 
mentioned gentleman. 
Gedachte, vr. hec denken. Thinking., 
Thought; In — zijn, to Be buried in 
thought or deep reflection , to Be in a 
brown study ; Ik deed het in — , / did 
it without thinking of it. * — , een door 



GEDA 

het denkvermogen gevormd besluit, 

Thought , Reasoning. * — , denkbeeid . 
Idea. * — , gevoelen , Opinion ; Men 
is algeraeen van — , The general 
opinion is. * — , beraad. Consideration. 
* — , voornemen , Intention ; Van — 
zijn om eene reis te doen, to Intend to 
make a journey; Al mijne gedachcrfn 
zijn verijdeld, yJIl my schemes are 
frustrated. * — , herinnering. Memory; 
Met geene — , Not at all , By no means. 

Gedachteloos, vr. Thoughtless y Unthink- 
ing. * — , b\v. Thoughtlessly. 

Gednchieloosheid , vr. Thoughtlessness, 

Gedachtenbeeld , o. Idea , Chimera. 

Gedachtcnis , vr. nagedachtenis , Memory. 
*~, gescbenk , Remembrance, Present. 

Gedachtenisviering , vr. Feast in remem- 
brance of. 

Gedachtescreep , m. Dash ( — ). 

Gedachcig, zie Indachtig. 

Gedamp , o. Vapouring , zie Dampen. 

Gedans , o. Dancing. 

Gedarmte, o. Entrails, Intestines , 
Bowels , Guts , pi. 

Gedauwel , o. Lo/Ve///;^, zieDauwelen. 

Gedaver, o. Shaking or Quaking {of the . 
eart). 

Gedeed, v. t. , zie Gedoen. 

Gedeelte, o. deel , Part. * — , aandeelj, 
Share. 

Gedeeltelijk, bv. Partial. * — , bw. 
Partially, Partly, In part, 

Gedegen , v. dw., zie Dijgen. * — , bv. 
van metalen 5 Pure. * — , Massy. 

Gedenkblad, o. Memotandum; fig. 
Record. 

Gedenkboek, o. Memorandum-hook ; fig. 
History, Record. 

Gcdenkcedel, vr. Memorandum. 

Gedenkdag, m. Anniversary. 

Gedenken, onreg. h. w. to Remember, 
Recollect ; Gedenk aan mij , (of: Gedcnk 
mijner,) Remember me, * — , melding 
maken , to Mention. * — , o. w. met 
Hebben, to Intend. * — ,- to Hope, to 
Be in hopes. 

Gedenkpenning, m. Medal. 

Gedenki-ol, vr. , zie Gedciikschrifr. 

Gedenkschrifc, o. Register, Record, 
Memoir. 

Gedenkspreuk , vr. Apophthegm. 

Gedenkstuk , o. Remembrance. 

Gedenkteeken , o. IMnntiment. 

Gedenkwaardig, bv. Memorable , TFnrthy 
of being recorded. fdigheid, 

Gedenkwaardigheid, vr. , zie Denkwaar- 



CEDE 

Gedenkzuil, vr. Column y Pyramid ^ 
Obelisk , Monument. 

Gedicht , o. Poem. 

Gedichtsel , o. , zie Verdichtsel. 

Gediensrif?, bv. Obliging^ Officious ;fi^. 
Een gedienstigc geest , A servant; Een 
— meisje, ^/ miss. * — , bw. Obliging- 
ly , Officiously. 

Gedienstigheid , vr. Obligingness ^ Offi- 
ciousness. * — , dienstbewijs , Office. 

Gedienstiglijk, zie Gedienstig , bw. 

CJcdierte, o. Animals, Beasts, pi. 

Cedijen ,■ o. av. met Zijn , to Thrive; 
fig. A I war. hij doer, gedijt wel , lie 
succeeds in all his undertakings; Hec 
zal u tot eer — , It will tend to yoitr 
honour; sprw. Onregcvaardiggoedgedijc 
niec , zie Goed. 

Ceding, o. Lawsuit, Plea, Litigation , 
Action or Process at law. 

Gedingbezorgcr , m. Attorney. 

Gedingschrijver , in. Clerk who writes 
instruments. 

Gedingstuk , o. Instrument , ff^rit or 
Writing belonging to a lawsuit. 

Gedingstiikkarner , vr. , zie Griffie. 

Gedissel, o. , zie Disselen. 

Gedobbel , o. Playing at dice, 

Gedoe , zie Gedoen. 

Gedoen, o. Noise, Bustle; Wac een — 
is daar?, What is that noise for? * — , 
bezicting, als: Die boer zie in een 
goed — , That farmer is well at his 
ease, is in easy circumstances. 

Gedoen (Zicli)^ onreg. b. w. zich be- 
helpen , to Make shift. 

Gedoence, zie Gedoen, o. 

Gedokeii , v. dw. , zie Dniken. 

Gedolvcn , v. dvv. , zie Oelven. 

Gedoratnel , o. Buzzing {of bees). ' — , 
Mumbling , zie Dommelen. 

Gedonder, o. Thundering. 

Gedongcn, v. d\v. , zie Dingen. 

Gedoogen, b. av. to Permit, Tolerate, 
Sufer. 

Gcdoogzaam , zie Vcrdraairzaam. 

Gedoogzaaraheid , zie Verdi aaj^zaamheid. 

Gedorsc, v. dw. , zie Durven. 

Gedraaf, o. Trotting. 

Gedraai , o. Turning ; fig. Shuffling. 

Gedraal, o. Delaying, Hesitating, zie 
Dralen. 

iGedrag, o. Behaviour , Conduct, Com- 
portment. Carriage. 

iGedr.igen ( Zich) , ^ongel. b. w. to Behave , 
to Comport one^ self, to Carry one'*s 
self; fig. IJet k'gcr gedraagt zich dap- 



GEDR 



247 



per, The army acts with spirit, * — , 
aan iets verblijven , to Refer. 

Gedraging, vr. Behaving,' * — , zie Ge- 
drag. 

Gedragslijn, ,vr. Line ; Eene — volgen , 
to Pursue a line. 

Gedrang, o. groote toevloed van men* 
schen , Crowd. * — , hec dringeu , 
Crowding. 

Gedreig, o. Threatening , Menacing. 

Gedrentel, o. Lounging , zie Drentclen. 

Gedrcten , v. dw. , zie Drijren. 

Cedreun, o. Shaking, zie Dreunen. 

Gedreven, v. dw. , zie Drijvea. 

Gedribbel, zie Getrippel. 

Gedrink, o. Drinking. 

Gedroeg, v. t. , zie Gedragen. 

Gedrogt, o. Monster. 

Gedrogielijk ,' bv. Monstrous. * — , bw. 
Monstt ously, 

Gedrogcelijicheid , vr. Monstrosity. 

Gedrongen, v. dw. , zie Dringen. 

Gedronken, v. dw., zie Drinkeu. 

Gedroom, o. Dreaming. 

Gbdruisch , o. Great noise. * — , van 
een' wacerval. Rushing of a torrent; 
van de zee, Roaring; van den wind, 
Howling; van rij till gen, Rattling or 
Rolling. 

Geducht , Q^. dw. , zie Dnchten.) *— , 
bv. Formidable , Tremendous , Dread- 
ful. * — , bw. Formidably, Dread- 
fully; fig. gemeenz. , Extremely ,Fery ; 
— koud , Bitter cold. 

Geduikel , o. Plunging, zie Duikelen. 

Geduld, o. Patience; Met—, Patiently. 

Geduldig, bv. Patient , Forbearing. *—, 
bw. P.itiently. 

Geduldiglijk, zie Geduldig, bw. 

Geduren, zie Diiren. 

Gedurende, ^t. dw. zie Gedureu). *— , 
voorz. During. 

Gedurig, bv Continual^ Constant. *— , 
bw. Continually. 

Gedurigheid, vr. Continualness, 

Gcduriglijk, zie Gedurig, bw. 

Geduurzaam , zio Duurzaam. 

Geduurzaamheid, zie Duurzaamheid. 

Gcdwaal, o. Erring, Straying. 

Gcdwee, bv. buigzaam. Supple , Pliant , 
Sfft ; fig. Pliant , Ilexihle , Obedient , 
Meek. ♦-,hw. Cig. Obediently , Meekly. 

Gcdwecbeid, \-r. Suppleness , Pliantness, 
Flexibility , Softness ; fig. Obedience , 
Meekness. 

Gcdweil , o. <"',' M.';'/;f with a clout., z'\e 
Dweilcn. 



?48 



GEDW 



Gedvvenen, v. dw. , zie Dwijnen. 

Cicdwing, o. Exacting^ zie n\vingen. 

Gedwongen, v. dw. zie Dwin^en. * — , 
bv. inzond. fig. gemaakc, Aff'ccted. 

Gedwongenheid , vr. Constraint , Com- 
pulsion i fij^. ylff'ectaiion. 

Geef, m., als : Tc — , Fornothing; fie. 
zeer gocdkoop , als: Hij hcKft dac luiis 
te — , He has bought that house ct a 
very low price , almost for nothing. 

Geefsch, bv. enliel gebriiik. in: Goed 
— , Liberal, Cliaritable. 

Geefster, vr. , zie Gever. 

Geel , bv. Tellow; De gele koorcs— , The 
•vellow fever. 

Geelachtig, bv. Telhwish. 

Geelachtigiieid, vr. Tellowishness, 

Geelgieter, m. Brazier. 

Geelgieterij , vr. Brazier'' s trade or shop, 

Gcelheid, vr. Tellowness. 

Geelviok , m. Greenfinch. 

Geclzucht , vr. Jattndice. 

Geelzucntig, bv. Infected with the jattn- 
dice , Jaundiced. 

Geen, Cgeeue,) bv. No., Not one., Not 
any .^ None; — van bcide. Neither of 
the two. 

Geen, Gene, aanw. vroi'naamw., Ton- 
der ^ That, The other; Dezenengenen 
zeggen hec , Some say so. 

Gecnerhande, Geenerlei , bv. No; Het 
geenerlei geslachc , (in de spraakk.) 
The neuter gender. 

Gt^cnszins, hvf. Not at all , By no means , 
Not by any means. 

Geep, vr. (cey Banstickle. 

Geer , vr. (^ee) bij naaiscers. Gusset, 
Goar, Gore. * — , bIj zeilm.. Gore 

Geeren, o. w. met Hebben , to Incline 
to one side. * — , zceraaniw. , zie Af- 
houden. 

Geerst , zie Gicrst. 

Geesel , m. Whip , tLash , Scourge , 
Rod; fig. Plagne y Scou}ge. 

Gecselaar, m. IFhipper , zie ook Geesel- 
broeder. 

Geeselbroeder , m, A monk that whips 
himself. Flagellant. 

Gt-eselbrok, m. One that is daily whip- 
ped. 

Gceselen , b. w. to Whip, Lash, Flog; 
fig. to Beat against. 

Geeseling, vr. JVhipping, Lashing, 
Flogging. 

Gecselmonnik , zie Geeselbroeder. 

Geeselpaal , m. Whippir.g-post. 

G'Jcselroede , vr. Whipping-rod. 



GEKS 

Gceselstvaf, vr. Punishment with rods. 

Geese, m. Spirit. * — , in den bijbelst. , 
De heilige — , The holy ghost. *— , 
raensciielijke ziel. Soul; fig. leven, als : 
Den — ^even , (uitblazen,) to Give 
lip the ghost, to Die, Expire. * — , 
gesteldheid, a^s : Hij is vrolijk van 

— , He is jovial, gay. * — , zielsver- 
mogcn, als. In dat kind vertoont zich 
een groote — , That child shows agreat 
intellect. * — , in bee bijzonder, ver- 
nufc,^ als: Ilij heefc veel — , (is zeer 
geescig,) He hai a great deal of wit. 
He is very facetious. * — , de persoon 
zelf, die uirmunrcnde geestvermogens 
bezit, als: Een groote — , A wan of 
an uncommon understanding ; Een fraaije 
— , A man of wit, A wit; Een scerke 
— , fvrijgeesc,) A ft ec-tiiinker. * — , 
afgescheideue ziel ,fchim , Ghost, Spirit, 
Shade. * — , spooksel , Spectre , Ghost , 
Apparition. * — , het vhigcige gedeelcc, 
dat door overlialing wordt nirgecrok- 
keu , Spirit, Quintessence , Extract; 

— van wijn, Spirit of wine ; — van 
lepelblad, Extract of scurvygrass ; 
fig. De levcnsgeesten , The animal or 
vital spirits; Den — (do ware meening) 
eener wee volgen , to Follow the spirit 
of the law; De — ( heerschende ge. 
zindhcid) eener vergadering. The pre- 
vailing spirit of an assembly ; De — 
( voornaawste inhoud) van een boek , 
The spirit of a book. 

Geese , vr. zandige strook lands , 
Heath. 

Geestachtig, bv. Spirituous. 

Geestacluigheid, vr. Spirituosity , Spiri- 
tnousncss. 

Gecstdrifc, vr. Enthusiasm. 

Gecsulrijver, m. Enthusiast, Bigtt , 
Fanatic. 

Gees-^drijvend, bv. Fanatical. 

Geescdrijyerij , vr. Fanaticism , Brithusi- 
asni , Bigotry. 

Geescelijk, bv. onligcbamelijk , Spiritu- 
al, Immaterial, Incorporeal ; fig. god- 
vruchifg , Pious, Holy; De geesreJijke 
en wereldlijke lords, (In hec Britsche 
parleracnt,^ The lords spiritual and 
temporal ; Eene geesrclijke dochter, A 
mm ; Hec — kleed aannemen , (van 
mannen,} to Take orders (van 
vrouwen ,) to Take the veil 
* — , in bet algem. toe de kerkdienst 
behoorende , als: Geestelijke g^ede- 
ren , Ecclesiastic possessions ; Hec — 



GKVS 

regc , The canon law. * — , bw. fig. 

Ptottsly. 
Geesiefijke, m. r/^rgyw^;;. 
Geestelijkhcid, w.SpiritUiility; ^^» Piety; 

Holiness. * — , de gezamenlijke geesce- 

lijken , Clergy. 
Geestendom , o. Spirits , pi. 
Geestenrijk, o. , zic Geestenwerekl en 

»Schimnienrijlc. 

Geestemvereld, vr. Intellectual world. 
GeeueozicMcr , m. Visionary ^ Viionist, 
Geer.ig, bv. ff^itty. * -- , bw. Wittily; 

Da: boek is — geschreven , That hook is 

written with a great deal of humour. 
Gee.=;tigheid, vr. fFit ^ Humour^ Witti- 

nes.'. 
Geesu'gjes , bw. 'JVith some wit , Prettily, 
Geestiglijk, zie"Gees:ig, bw. 
Geestkracht, vr. Faculty of the soul , Pow- 
er of the mind. 
Gcestrijk , bw. Full of sense or wit , 

Bright. *— , Spirituous.*— ,hw. Brightly. 
Gces'.rijkheid, vr. Brightness of idea^. 

•— , Spirituousness, 

Geestvermogen , o. Faculty of the soul. 
Gceuw , m. Ta^vu. 

Geeiiwaard, zie Geeiiwer. (Gape. 

Geeuwen, o. w. met Ilcbben, to Tawn , 
Geeuwer , Geeuwcrd , m. Gaper; fig. 

Drowsy fellow. 
Geeuwing, vr. Tawnitig, Gaping. 
Gceuwscer. vr. Drowsy womun or girl 
Gefemel, Gefijinel , zie Gefiusel en Fij- 

melen. 

Gcfleem, o. Weedling ^ Coaxing. 
Geilikker , o. Flashirg. 
Geflonker, o. Sparkling., Glistering. 
Geiloten, v. dw. , zie Flni'-cn. 
Geilnit , o. Playing on the flute. • — , 

Singing of birds. * — , Whistling., zie 

Fhiiien. 
Gefursel, o. Lo/V^r/w^. 
Gegndij^de m. en vr. die gading heefc, 

zie Gading. 
Ge;,'cciiw, o. Tawning., Gaping. 
Gcuctcn, V. dw. ,zic Kfcn. 
Gcgcven, V. dw. , zie Geven. ♦ — , o. 

D (I turn. 
Gctjiet, o. Pouring., etc,., zic Gieten. 
: GL^iji)c1, o. Lavghing., zie Gijbelen. 
■'! , o. Shrieking ., Screaming. 
'■nccab, Geginnej»ap , o. Chuckling^ 
G nncgabben. 
ninik, o. , zie Ginniken. 
odcn, V. dw. , zie Glijden. 
v. Kbn'p, o. Leering^ zic Ghiipen. 
y Gegluur, o. Spying, Looking. 



GEGN 



249 



Gegpor, zie Geknor, 

Ge ioed , bv. Easy ,' In easy circumstances , 

Wealthy., Opudent., Rich. 
Gegoedheid, vr. Easiness, 
Gegoiden , v. dw. , zie Gelden. 
C.egolf, o. Fluctuation, Swelling of the 

waves at sea. 
Gegons, o. Buzzing., zie Gonzen. 
Gcgoochel , o. Juggling. 
Gegooi, o. Throwing. 
Gegorgel, o. Gargling., zie Gorgelen. 
Gegoten, v. dw. , zie Gieien. 
Gegrabbel, o.' Grasping. 
Gei»renen , v, dw. , zie Grijnen. 
Gegrepen , v. dw. , zie Grijpen. ^ 
CJegrijii, o. Grinning., zie Grijnen. 
Gcgrom, o. Snarlivg, zie Grommen. 
Ctehaasi, o. llurryirg. 
Gehad , v. dw. , zie Ilebben. 
Gehak, o. Hewing., zie Hakkcn. 
Gehakkel, o. Stantmcring. 
Gchakn, (v. dw,, zie Hakken.) • — , o. 

Minced meat. 
Gchalte, o. Intrinsic value of metals , 

Alloy, Standard. 
Gehard, (v. dw. van Harden.") *— , bv. 

liet tegendcel van weekelijk , ^7;^ofoax , 

Robust , Strong. 
Gehardheid, vr. Vgour , Robustness. 
Geharnast , bv. Dressed in a coat of ar- 
mour , Mailed, Armed. 
Geharrewar, o. Wrangling, 
Gchaspel , o. Qtinrrelting. 
(lehsssebas, o. Wrangling. 
Gel;ee] , bv. ( f O J^'h'le, Entire, All. 

* — , bw. Entirely, Quite ^ Wholly; — 
en al , Entirely ., Quite , All, AUcg'ether. 

* — , o. Whole; Ilet hiiis staat 'nosr in 
zijn — , The house is still entire ; fig. lets 
in zijn — laten , to Leave a thing as it 
is. * — , in de '•ekenk. , Integer , Integral; 
De repol van dricen in hec — , Therult 
of three in integer. 

Geheelal, zie Ileelal. 

Gc'lieelljjk, zie Gehcel, bw. 

Gclicqcn, v. dw. , zic iliigen. 

Gi'hcim , hv. Secret ; liir. De eehcimcdee- 
len f van het nienscho'ijk ligcbanra), T/;tf 
privy paf ts ; Een — gtuial< , Ei ne gehei- 
me p'aats, (sekrcec , j.^/)r/v,v. * — , cc- 
beitnhoiidcnde, Close, Reserved ^' *s Kn~ 
nings geheime raad. The king'*s privy 
council. * — , bw. Secretly. * — , o. Se- 
cret , Mystery ; In hec — , Secretly, Pri- 
^'ately. 

Geheimbcwaardcr, m., Gebcinibc waarstc r, 
vr. One who keeps a secret. 



250 



GEHE 



Geheimeivs, vr. Mystery^ 

Geheimhoudend, h\. Secret ^ Close ^ Re- 
served. 

GeheimhoncUng, vr. Secrecy. 

Geheimkamer, vr. Cabinet , Private room. 

Geheimraad , m. Privy counsellor. 

Geheimschrifc, o. Private writing. 

Geheimschvijver , m. Secretary, 

Geheimschrijverschap, o.Secretary'*s office: 

G^Iieimzinnig , bv. Mysterious. ♦ — , bw. 
Mysteriously. 

Geheimzinnigheid , vr. BIysteriortsness. 

Gehekel , o. Ilatchelling , zie Tlekelen. 

Gehelnid, bv. Helmed, Covered with a 
helmet. 

Gehemelte, o, in den mond ^Palate."— ^ 
aan een Xcdi^kzwK. ^Tester. 

Gehemelcelerter, vr. Palatal letter ^Pa- 
latal. 

Gehengel, o. Angling, zie Hengclen. 

Gchengen , zie Gedoogen. 

Geheschen , v. d\N., zie Ilijschen. 

Geheugen , b. w. (meest in den 3. pers.,) 
to Remember ; Hec geheugtmij , I remem- 
ber, * — , o. herinneringsvermogen , M<?- 
mory, * — , herinuering , Remembrance; 
Bij 's meuschen — , In the memory of 
wen. $ 

Geheiigenis, vr. Memory. 

Gehengeiikunde , Geheugenleer, vr. Me- 
fnonics , pi. § 

Geheugenoefeiiing, vr. Exercise of the 
7fiemory, 

Geheveld , bv. Leavened. 

CJeheven, v. dvv. , zie HefFen. 

Cehik, o. Hiccuping, 

Gehink , o. Limping,, zie Hinken. 

Gehhinik , o. Neighing of horses. 

Gehoekc , bv. Angular , Angulated , Cor- 
nered. 

Gehoepel, o. , zie Floepelen. 

Gehoer, o. Whoring. 

Gehoest , o. Coughing, 

Gehoetel, o. Bungling^ Botching, 

Geholpen, v. dw., zie Helpen. 

Gehommel , zie Gedommel. 

Gehompel , o. Stumbling , zie Hompelen. 

Gehoor, o. Hearing; Hard van — , Hard 
of hearing; Scherp van — , Quick of 
hearing; fig. Aan iers — gQvcn , to Lend 
an ear to. * — , hec fijner gehoor van de 
toonkunst , Musical ear, * — , toelacing 
bij voornanie personen, Audience. * — , 
toehoorders, Audience^ Auditory, 

Gehoorbeen , Gehoorbeencje , 0., zie Aan- 
beeldbeen. 

Gehoorbuis, vr. Auditory canal. 



Gehoord, v. dw. van Ilooren en Ge- 
hooren. 

Gehoorgang , m. , zie Gehoorbuis. 

G£Woorig,bv. en bw. , als : Ee.i — ver- 
trek , A room where one may easily hear 
what is said or done near it. 

Gehoorkunde , Gehoorleer, vr. Aceous- 
tics, pi. 

Gehoornd , zie Gehorcnd, 

Gfhoorplaats , zie Geh'>orzaal. 

Gehoorvlies, zie Trommelvlies. 

Gehoorzaai , vr. zaal , waar men gehoor 
geefc. Hall of audience. * — , aan eene 
hoocCNch. , zie Tloorzaal. 

Gehoorzaam, hw.Obedient^ Docile^ Tracta- 
ble , Dutiful^ Obsequious. * — ,hvf. Obe- 
diently. 

Gehoorzaamheid, vr. Obedience, Docility, 
Tractableness. * — , j?ebied , als : Onder 
zijne — brengen , to Conquer. 

Gehoorzaamlijk , bw. Obediently. (^Obey. 

Gehoorzamen, b. en o. \v. mecHebben, iro 

Gehoorzaming, vr. Obeying. 

Gehoorzeniiw , vr. Auditory nerve. 

Gehorcnd , bv. Horned. 

Gehos, o. Tossing. 

Gehossebos , o. Tossing , Jolting. 

Gehots, vr. Jolting. 

Gehouden,(v. dw. , zie Honden.) * — , 
bv. Obliged, Bounden. 

Gehonw , o. Hewing, 

Geliuchc, o. Hamlet. 

Gehuichel , o. Dissembling. 

Gehr.il, o. Howling , Telling, Crying\ 
zie Hnilen. 

Gehuilebalk, o. Blubbering. 

Gehuisd , (v. dw., zie Huizen.') * — , bv. 
Having a house. Lodged; Naauw - 
Having a small house. 

Gshunker, o. Hankering ,z\e Hnnkeren. 

Gehuppel ,0. Skipping, Hopping^ Leaping, 
Jumping. 

Gehurk , o. Crouching. 

Gehiusel, o. Shaking. 

Gei, vr. scheepsw. , Brail; Een zeil op 
de — , A sail in the brails. * — , zie 
Geiblok. 

Geiblok , o. scheepsw^, blok tot hetop- 
hijschen der zeilen, Clew-block , Brail- 
block, to haul up in the brails. 

Geijen, b. w, scheepsw. , to Clew, Brail 
or Haul up (^the sails). 

Geil, bv. van spijs , walgend van vetheidv 
Too fat. * — , van den grond , te s'erk 
geraesc, Too much dunged. * — , van plan. 
ten , Getting too much food from the 
ground, whereby plants produce abun-. 



r. 



GEIL 

cfant leaves^and branches , but little fruity 
Exuberant ^ Luxuriant, * — , van men- 
schen en dieren , onkuisch , Lascivious ,, 
Lustful ^ Libidinous , Lewd , Incontinent^ 
Lecherous, Lubric, Unchaste, Luxuri- 
ous. * — , bw. Lasciviously , Libidinous' 
ly , F'ol'uptuously, Luxurously. 

Geilbier, zie Gijibier. 

Geilheid, vr. Beingtoofat ^ zie Qeil. *— , 
onkiiischheid , Lasciviousness , Lewdness 
Lubricity , Lust , Incontinence , Lechery^ 
Unchastity. * — , Exuberance. 

Geilkuip, zie Gijlkuip. 

Geinster, m. bijna , zoo niet geheel, ver- 
oud. , Glittering spark, 

Geic, vr. Goat ^ She-goat. 

Geicenbaard, m. baard eener geit , G^^^j 
beard. * — , zekereplcinc, Goat''s beard. 

Geitenblad, c, zie Kamperfbelie. 

Geitenbloed, o. Goat''s blood. 

Geitoijdarm , m, Goat''s gut. 

Geitcnhaar, o. Goat''s hair. 

Geitenharen , bv. Goat''s hair. 

Geitenherder , Geicenhoeder, ra. Goat- 
herd. 

Geiienbok , o. Goafs coop. 

Geitenhoorn , Geiienhoren, in. Goat''s 
horn. 

Geicenkaas , vr. Goat-cheese. 

Geitenkop, m. Goat''s head. 

Geiienleder, Geitenle^r, o. Kidleather. 

Geitcnlceren , bv. Kidleather^ Kid. 

Geitenmelk, vr, Goat''s milk. 

Geitenmelker, m. Goatmilker, Goatsucker. 

Geiccnneus, m. Goat''s nose, 

Geitenoog, o. Goat''s eye. 

Geitenoor, o. Goat^s ear. 

Geiieiipooc , m. Goat''s foot. 

Geitensiaart, ra. Goat''s tail. 

Geitenstal, m. Goat-house. 

Geiteiuand , m. Goat''stooth. 

GeiieiKiijer , ni. Goat^s udder. 

Geicenvel, o. Goat-skin. 

Geitenvleesch , o. Goat^s flesh. 

Geicje , o. verkleinw. van Geit. * — , jon- 
ge geit, Kid. 

Geitouw, o. scheepsw. , Clew-garnet, 

' Brail. 

Gejaag, o. Hunting, zie Jagen. 

Gcjagc, o. Hurrying , zie Jagicn. (/)/. 

Gejammcr, o. Lamenting^ Lamentations, 

Gcjank, o. Telping, Howling. 

Gejas^ o. Playing at cards ^ zie JassenI 

Gejocl , o. Revelling , zie Joelen. 
Gcjok , o. Joking, zie Jokkcn. 
Dejuich^o. Shout of applause , Thunder 
of applause, Acclamation. 



GKJU 251 

Gejuweeld, bv. Adorned with jewels ; Wat 
was zij — , ff^hat a quantity of jewels she 
wore. 

Gek, bv. mal , Foolish, Silly. * — , van 
bet verstandberoofd, Crackbrained , Cra- 
zy , Mad. * — , verkeerd , Foolish. * — , 
bvv. Foolishly , Sillily. * — , m. Fool; Hij 
is een -in folio. He is the greatest fool 
I ever saw. He is the greatest fool in 
Christendom. * — , dolzinnige , Madman. 

* — , hansworst, Pantaloon , Merry-an- 
drew , Buffoon, Jack-pudding, Clown; 
fig. lemand voor den — h.iuden, Den 
— met iemand steken of scheren , to Make 
a game of one , to Banter one. * — , knie 
of mik van eene pomp , Joint of the handle 
of a pump , zie Mik. * — , op een'schoor- 
steen , Wooden covering of a chimney that 
always turns' towards the wind .lud there- 
by prevents the smoke from being blown 
down, JMovable cap of a chimney, 

Gekaart , o. Playing at cards. 
Gekaats, o. , zie Kna;sen. » 

Gekaauw, o. Chtwing. 
Gekabbel, c, zie Kabbelen. 
Gekakel, o. Cackling. * — , Chitchat, 

zie Kakelen. 
Gekal , o. Chatting, 
Gekalver, o. gemeen , Vomiting. 
Gekain , o. Combing, Carding. 
Gekamd , ( v. dw. , zie kammen. ) * — , bv. 

Crested, Having a comb or crest ; sprw. 

Hij ziec zoo rood als een gekamde haan. 

He looks as red as a turkey. 
Gckanierd, zie Kameren. 
Gekantecld, bv. in de wapenschildk., £w- 

battled, fj'ith battlements. 
Gekarn , zie Gekern. 
Gekast , zie Kasten en Kassen. 
Gckeer , o. Turning. 
Gckef, o. Barking of a little dog, zie 

Kcffen. 
Gekegel , o. Playing at ninepins. 
Gekcil, o., zie Keilen. 
Gekeken, v. dw. , zie Kijken. 
Gckeperd, bv. Twilled, zie Keperen en 

Keper. 
Gckerf, o. , zie Kerven. 
Gckerra , o. Lamentation , Moan , Be- 
moaning , Bewailing , Groaning, 
Gekern, o. Churning. 
Gckets, o., zie Keisen. 
Geketivel , o. Chitchat. 
Gckevcn, v. dvv. , zie Kijven. 
Gekheid , vr. Foolishness , Folly , Silliness, 

* -- , dolzinnigheid , Insanity , Madnesf. 
Gekibbel, o. Quarrelling. 



252 GEKIJ 

Gekjjf , o. Quarrelling^ Chiding^ Scoldurg^ 
Squabbling , Disputing. 

Gekijk, o. Looking ^ Gaping^ Staring. 

Gekir , o. Cooing. 

Gekitvel, o. Tickling, z\e Kittelen. 

Gekje , o. verkleinw. , zie.Gek. *— , in- 
zond. pronker , Fop , Beau, 

GekkeVijk, hv. Foppish. * — , bw. Fop- 
pishly. 

Gekkelijkheid , vr. Foppishness. 

Gekken, o. w. met Mebben, to Jest., Jeer, 
Banter. * — , o. Jesting , etc. ; Zouder 
— , Seriously, In earnest, 

Gt'kkenlmis, o. Madhouse^ Hospital for 
lunatics , Bedlam. 

Gc'kkenpraar, ni. , Gekkeutaal, vr. Foo- 
lish talk. 

Gckker, tn. Joker, 

Gekkernij, vr. Joke , Jest. 

Gekkin, vr. Fool, Sill^ girl or woman. 

Geklaag, o. ComiJaining, 

Geklad, o. Scribbling , zie Kladden. 

Geklag, o. Complaining , Lamentation. 

Geklank,o. Sounding. 

Geklap, o. Prattling, Chatting *—, 
Banging Qof adoor , etc.)^ Smacking or 
Cracking of a whip, etc., zie Klappen. 

Gcklapper, o. Rattling, Chatter ing. 

Geklater, Clattering. 

Geklaiiier, o. Clambering, 

Geklep, o. Chiming (of clocks). ♦ — , 
Call (of a stork). 

Geklepper, o., zie Kleppercn. 

Gt'klets , o. Smacking. 

Gekletcer, zie Gt^klarer. 

Geklik , o. , zie Ivlikken. 

Geldikklak, o. Clashing of arms. 

Gekliin , o. Climbing. 

Geklink, o. Clink, ^Chinking , Jit'gling^ 

Geklok , o. Clucking (of a lien). 

Geklommen , v. d\v. . zie Klimmen. 

Geklongel, r. , zie Klon^elen. 

Gcklongen, v. dw, , zie Klingen. 

Geklonken, v. ^\v , zie Klinken. 

Gekloof, o. Cleaving. 

Geklop , o. Hammering , Beating,, Knock- 
ing. 

Geklos, o. , zie Klossen. 

Geklots , o. Beating (^ of the waves). 

Geklouw, o. , zie Klouwen. 

Gekloven , v. dw. , zie Klniven. * — , bv. 
in de nat. hist, (eingenl. Gekloofd), als: 
Met — voeten , Bisulcous, Cloven-footed. 

Gekliiif , o. Picking. 

Gt-'khmgcl , zie Geklongel. 

Geknaanw , o. Gnawing. 

Geknabbel , o. Nibbling, 



GEO 

Geknal, o. Report, zie Knallen. 
Geknars, o. Grinding or Gnashieg Cofthe 

teeth ). 
Geknu'pen, v. dw. , zie Knijpen. 
Gekners, zie Geknars." 
Gcknetter, o. Crackling. 
Gekneuter, o. , zie Kneuteren. (belen. 
Geknibbei , o. Bargaining , zie Knib- 
Gcknicl , o. Kneeling. 
Geknies , zie Geknijs. 
Geknijp, o. Pinching, 
Geknijs, o. Fretting. 
Geknik, o. Nodding, Nod, 
Gekuikker, zie Knikkeren. 
Geknip , o. Cutting, zie Knippen. 
Geknister» zie Knisceren. 
Gcknoei, o. Bungling, 
Greknoffel , o. Puckering , zie Knoffelen. 
Geknoop , o. Buttoning, zie Knoopen. 
Geknor, o. Growling {of a dog); fig. 

Grumbling , Chiding. 
GekniifFel , zie Geknoffel. 
Gekniitsel , o, , zie Kniitselen. 
(lekocht, V. dw. , zie Koopen. 
Gekoer, o. Cooing. 
Gekolder, o. , zie Kolderen. 
Gekoiikel , o. , zie Konkelen. 
Gekonnen, v. dw. . zie Kiiunen. 
GckooJ , o. , zie Kooijen. 
Gekook, o. Cooking, 
Gekoop, o. Buying. 
Gekooc, o. , zie Koten. 
Gekor, zie Gekir. 
Gekorven , v. dw. , zie Kerven. * — , in 

t'e nat, hisr. , als : — diertjes , Insects. 
Gekoiit, o. Conversation, Talk. 
Geko^en, v. dw. , zie Kiezen. 
Gekrnai, o. Crowing. 
Gekraak, o. Cracking. 
Gekraam , o. Packing ^ zie Kramen. 
Gekraauw, o. Scratching , Clawing. 
Ckkrab , o. Scratching. 
Gekrabbel, o. Scribbling. 
Gckrak , o. Cracking , zie Krakken. (sQ^^. 
Gekras,o. Cmaking (of a raven), zie Kras- 
Gekres^en, v. dw^ , zie Krijgen. 
Gekrekel, o, Cherrupiiig. 
Gekrensel, o. , zie Krenselen. 
Gekreschen , v. dw. , zie Knjschen. 
Gekretcn, v. dw., zie Krijtcn. 
Gekriebel , o. , zie Kriebelen, 
Gekriel , o. Crowding , Swarming , Crowd. 
Gekriemel , o. , zie Krjemelen. 
Gekriewe), o. , zie Kri;rwelen. 
Gekrijsch, o. Crying, 
Gekrijt, o. JVeeping , Crying. 
Gekrijzel, o. , zie Krijzeleu. 




GERR 

Gekrikkrak , o. Cracking, 
Gekrioel, zie Gekn'el. 
Gekrcpl , o. , zie Kroelen. 
Gekristend, bv. bij dicht. , Being a true 

Christian. \ 

Gekrodcn, v. dw. , zie Gekrooijen, 
Gekroesd, v. dw. ,zie Kroezen. * — , 

bv. kroes , Curled , Curly. 
Gekrompen , v. dw. , zie'Knrapen. 
Gekror.kcl, o. , zie Kronkelen. 
Gekrooijen , v. dw. , zie Kruijen. 
Gekropen , v. dw. , zie Kruipeu. 
Gekriii , o. , zie Kruijen. 
Gekruirael, o. Crut/tbling, 
Gekruip, o. Creeping. 
Gekrul, o. Flourishing , zie Krullen. 
Gckscheren, o. w. met Hebben , (Ik ^ek- 

scheer, enz.,) to Jest , Banter ^Qg, Hqi 

is gcen — , It is no trifle. 
Gekskap, zie Zotskap. 
Gekster,vr. , zie Gekker. 
Gekstok, m. , zie Maroc 
Gekuch , o. Coughing. 
Gekuifd, bv. Tufted. 
Gekuisclu, (v. t. van het veroud. 

werkw. Kuischen , zuivereu). * — , bv. 

Pure. 

Gekiil , o. Bantering, zie Kullen. 
Gekus , o. Kissing. 

Gekwaak, o. Croaking Qoffrogs^ , Cack- 
ling or Gabb ling {^of geese)} ^g.Chcttiing, 

Gabbling, 
Gekwakkel , o. , zie Kwakkelen. 

Gekwalie , o., zie Kwalien, 

Gekwalster, o. , zie Kwalsteren. 

Gckwantsel , o., zie Kwantselen, 

Gekweek, o. Breeding, zie Kwceken, 

Gekweel , o. Warb'ling , Singing. 

Gckweest, o. Wooing, zie Kwcesten. 

' kweczel, o. , zie Kweezelen. 
kwcl, o. Plaguing. 

Loliweten, v. dw. , zie Kwijrcn. 

Gekwccter, o. , zie Kwducren. 

Gekwijl , o. Slavering , Saliyntion. 

Gekwijn , o. Languor , Languishing , 
Pining away. 

Gekwinkclcer , o. fTarbling. 

Gekwispcl, o. ,zie Ivwispelcn. 

Gelaarsd , bv. Booted ; — en p;espoord zijn, 
to Be bi'Otcd and spurred; fic^. to Have 
prepared every thing for a journey. 

Gelsat , o. face; Van — vcrandcren , to 
Change countenance. 

Gelaaikenner , m. Physiognomist , Physiog- 
nomer, 

Gclaatkundc, o. Phyu'ognotny. 

Gclaatkur.dig, bv. Phy i gu'ihic. 



GELA 



253 



Gelaatkuudige, m. en vr. , zie Gelaai- 
kenner. 
Gelaatstrek, m. Feature. 
Geiaatwekker, m. Physiognomist. 
Gelabbei, o. , zie LabbejjeD. 
Gelabbekak , o. , zie Labbekakken. 
Gelach, o. Laughing^ Laughter. 
Gelag, o. Expense made at an inn; Laat 
elk zijn — bctalen, Let every one pay 
his club; fig. Hoc— betalen , to Be the 
sufferer or dupe ; Dat zal een hard — voor 
mij zijn , That will bring mc into a scrape. 
That will be a hard pinch for me ; Sprcck 
in uw eigen — , Mind your own business. 
* — , drinkgezelschap in .ccne herberg , 
Drinking-bout , Company ; GelagQn zei- 
ten , to Keep an alehouse. 
Ge'.ak, o. , zie Lakken. 
GclangjC, als: Naar — der omstandig- 
heden , ylccordivg to circumstances. 
Gelap, o. Patching, zie Lappen. 
Gclarie,o. , zie Larien. 
Gelasien,b. w. to Order, Charge, Com- 
mand , 
Gelasiigde , m. Agents Commissary. 
Gelaten (Zicli), 0/?^^/. b. w. to Feign, 
Appear , Seem , Counterfeit. 
Gelatcn, bv. Resigned, Calm. * — , bw. 
With resignation^. Calmly, Resignedly. 
Gelatenheid, vr. Resignation , Calmness. 
Geld, o. Money , Cash; Grcf — , Large 
money; Klein — , Change , Small noney; 
Slechc oi Kwaad — , Base coin ; Vaisch 
— , Adulterated money; fig. lecs te — 
maken , to Make money of something ^ to 
Sell it ; Zijnc waar op — houden , to Keep 
up one''s wares to a high price ;spr\v. — 
is de ziel van de negoiie , Money wakes 
the mare go; Gi)ed— naar kwaad — gooi- 
jen , to Be at expenses for recovering a 
tiling that is almost lost; fig. rijkdom. 
Fortune, Riches, pi.; Zij bceft v^el— ,5//* 
has a great fortune ; sprw. Waar — is, 
wil — vvezen . The more one hat , the more 
one gets ; — dat stom is, niaakt rcgt dat 
krom \s. Every thing is to be brought a- 
bout by dint of money ;\cm^'c\(\^ — en goc- 
dc woorden geven , to Give one fair woi ds 
and money into the bai gain, 
Gelcibank, zie Wisselbank. 
(Jeldbehoefte , vr. Want of money. 
Gt.'ldbelasiing , vr. Imposition or Tax 
paid in money, 

Gcl'dbezorgen , o. Broler*s business. 
Gcldbezorgcr, zie Geldmakclaar. 
Geldbenrs, vr. Purse. 
Gcldhoe.e, vr. Fi;:e . Mulct. 



254 



GELD 



Geldelijk, bv. Pecuniary; Geldelijke 
zaak, Money-matter, 

Geldelo,us, bv. Bloneyless^ Pennylesf. 

Gelcien, 0f7gei. b. en o. w. met Hebben, 
io Cost^ to Be worth; Dit ^ii\dx.ziin\e- 
ven , That "will cost him his life. * — , 
van krachtzijn , to Avail , to Be of avail; 
J>e meeste stemrnen — , 21ic plurality of 
votes must carry it. * — , becreffen, to 
Concern^ Regards to .'Je aimed at. 

Geldgebrek, o. ^Vant of money, 

Geldgieri;?, zie Gclci^uchiig. 

Geldgierigheld , zie Gtldzuchtigheid. 

Geldhefling, vr. Raising of money. 

Geldkancoor , o. Banket V office, 

Geldig, bv. Dear; fig. Valid. 

Geldigheid , vr. fig. Validity. 

Geldkast, Geldkist, vr.Strotig-box , Money- 
chest. 

Geldlast, m. Pecuniary tax, 

Geldleening vr. Loan. 

Geldinakelaar, m. Scrivener, Money- 
scrivener. 

Celdmiddelen , o, mecrv. Finances. 

Geldnood , m. JVeediness of money. 

Geldupnemer, in. Money-horrower. 

Cieldpaclu , vr. Reiit paid in money. 

Geldplakkaac , o. Money-edict. 

Geldriem, m. Money-girth. 

Geldrijk , bv. Having abundance of money ^ 
Moneied. 

Geld'chuld, vr. Money-debt. 

Geklslaan , o. Coinirg. 

Geldsnueijen , o. Clipping. 
Geldsnoeijer , m. Clipper, 

Geldstraf, zie GeUiboete. 

Geldsv/aarde, vr. fig. Valuable things^ 

Things of value. 
Geldufel, vr. Counter. 
Geldverlies , o. Loss of money, 
Geldwinnii)^ , vr. fig. Means of getting 
ricfi. 
Geldwolf, m. One very desirous of money. 
Geldzaak , vr. Money-matter. 
Geldzak , m. Money bag., Money-sack; fig. 
Scraping miser. 
Geldzuchc , vr. Love of money , Covetous- 

ness , Scraping. 
Creldztichcig , bv. Covetous. (^rice. 

(Teldzuchiigheid , vr. Covetousness ., Ava- 
Geleden, v. dw. , zie LijMen. * — , bv. 

Past. * — , bw. Ago .^ Since. 
Gelederen , o. nieerv. , zie Gelid. 
Geleding, vr. Articulation. 
Geleek , v. t. , zie Gelijken. 
Geleerd,(v. dw. ,zie Leeren.) * — , bv. 
Learned^ Erudite, '^ — ,hyf. Learnedly. 



GELE 

Gcleerde,m. en vr. Scholar, Learned 

man or woman. 
Geleerdelijk, zie Geleerd , bw. 
GeleerdJieid, vr. Learning, Erudition. 

Gelees, o. Reading. 

Gelegen , v. dw. , z^e Liggen. * — , bv. 
Situate, Situated ; fig. Hec is zoo met 
de zaak — , Aff^airs are in that situation, 
* — , we] gelegen , als: Dat huis is zeer 
— , That house is very conveniently titua- 
ted;{]i^. geschikt, Convenient ;HQtkomt 
mij niec — , It is^ not convenient to me. 

Gelegenheid, vr. ligging, 5/7tt«//o« ,♦ fig. 
Volgens de — der zaak , According to the 
state of the affair; Naar de — Z'ch zal 
voordoen , According to circumstances, 
*— , geschikte wonmg , als: Hij heefc 
daar eene schoone — , He has a fine site 
Qseat, villa) in the country *— , bekwame 
i\jA ., Opportunity , Occasion; Wanneer 
de — ziclj opdoet , An opportunity offer- 
ing ; Bij die — , On that occasion ; sprw. 
De — maakc den dicf, Opportuniiy makes 
the thief. 

Gclegenheidsgedicht , o. Occasional poem. 

Gelegenheidspreck, \t. Occasional sermon. 

Gelegenheidsrcde, vr. Occasional speech. 

Gclegeiiheidsvcrs , o. Occasional poem. 

Gelei, vr. (spreek , en schrijf apk liever, 
zjclei^) gescold n^x.. Jelly, 

Gelei , zie Geleide. - 

Geleibrief , m. Pass , Passport , Safe- 
conduct, 

Gelied, v. dw. , zie Leggen en Leiden. 

Geldide , o. Accompanying , Attendance; 
Onder het — van een' kund'gen ieermees- 
ter , With the guidance of an able pre- 
ceptor. * — , vvij geleide , (te la;)d,)£x- 
cort,, Guard, (ter zee,) Convoy ; E.^n 
vrij — , Safe-guard, A safe condtict. 

Geleidelijk, bv. Ordeily, Weil-ordered , 
Regular , Methodical, " — , bw. Orderly, 
With order. Methodically. 

Geleideiijkheid , \r. Regularity., 

Geleideii , b. w. to Conduct , Attend; God 
geleide u ! , God be with you! 

Geleidcr, m. zeker vaarcuig. Conductor. 
" — , zie Leidsman. 

Geleigeest, m. Genius. 

Geleiding, vr. Conducting , Attendance. 

Geleidster, vr. One that conducts, Con- 
ductress. 

Geleidsman, zie Leadsman. 

Geleidsvronw, zie Leidsvrouw. 

Geleigeest m. Genius, Tutelar genius, 

Geleigeld , o. Passage-money. 

Gelck , o. Dripping, zie Lckken.^ 




GELE 

•ken , V. dw., zie Lijken en Gclljken. 

Gelei, o. Tattling, BabblitJg. 

Celen, b. w. to Make yellow. * — , o. 
w. met Zijn , to Become yellow. 

Gelep, o. SipptJig^ z c Leppen. 

Gelepper, o. , zie Lepperen. 

Geleiter, o. Marking, zie Leiteren. 

Gelecterd, (v. dw. zie Leueren). * — , 
bv. Lettered, Learned. 

Geleiterdlieid , vr. Being lettered. 

Geleun , o. Leaning. 

('eleucer, o. Loitering. 

Gelid, o. (meerv. Gclederen ,) /o/»/. 
♦— , in hec krijgsw. , File, Rank, 

Gelidknoop, m. in de ondeedk. , Gan- 
glion. 

Gelidsuiter, m. Bringer-up. 

Gelidwervel , m. Vartebre. 

Geliefd, (v. dw. , zie Lieven en Gelie 
ven.) * — , bv. Beloved, Dear. 

Gelefdkoosd, (v. dw, , van Liefkozeu.") 
♦ — , bv. Favourite. 

Gelieven, o. w. met Ilebben , behagen, 
to Please. * — , willen , to Choose, 
Please^ UEd. gelie ve te be tale n , Please 
to pay ; (met den 3. pers.) Als het u 
geliefc. If you please. 

Gelieven, m. meerv. Lovers. 

Gelijk, bv. Similar, Like, Equal; 
maken, to Level, to Make even or 
smoutb; fig. La^en wij de rekening — • 
maken , Let us settle our account; (in 
het spel,) Wij zijn — , H'^e are even; 
Gode — , Similar to God ; Een — 
huwelijk, ^n equal match ; Mijns ge- 
lijke, Ilaars gelijke, enz. , My equal. 
Her equal, etc. ; Ilij heefc zijiis gelijke 
uier, He has not his fellow; Dat zijns 
gelijke niet heeft, Une-qualled; sprw. 

— met — vergelden, to Give one tit 
for tat (^a Rowland for an Oliver ^; 

— zoekt zich , gelijk vindt zich , Like 
• draws to like Birds of a feather flock 

together. * — , de , zeUWe, The same; Te 
geiijkertijd, (Te — , h\v.)ylt once ^ At 
the same time; sprw. Gelijke monnilcen, 
gelijke kappen , The asme service , the 
same reward. *—, elFen , Even. *—, 
rcgt, Straight. *— , van de zelfde hoogtc, 
als: Bene gelijke schaal , yl fust or 
fair balance. * — , bw. Similarly, 
Equally. » — , Even. * — , o. reg't , 
als: Ik heb — , I am right, I am in 
the right; Ik geef u — , / admit you 
ore in the right. *— , voegw. As. 
[Gelijlaardig, bv. Homogeneous , Similar , 
Of the same kind. * —, bw. Similarly. 



GELIJ 



255 



Geljjkaard'gheid , vr. Homogeneity , Si- 
milarity. 

Gelijkbeenig, h\. Equoirual , Isosceles. 

Gelijkbeteekenend , bv. Synonymous. 

Gelijkclijk, bw. Equally , Similarly. 

Gelijken, ongel. o. v/. met licbben , to 
Resemble, to Be like; Zij — elkander 
als twee droppelen water. They 
areas like one another as they can stare. 
* — , uiterlijke overeenkomsr hebben , 
to Have a likeness op, to Look like; 
Hij gelijkt naar zijn* vader, He takes 
after his father. 

Gclijkenis, vr. Resemblance, Likeness. 
*—, afbeeidsel, Image , Picture , Like- 
ness. * — , opgehelderd voorbeeld , 
Comparison. * — ,\n de lecierk., verge- 
lijking, Simile. *— , zinnebeeld, Parable. 

Gelijkerhande , bw. Afl together. 

Gelijkeiwijs , voegw. So^ Just as. 

Geiijkhcid, vr. Equality, Similarity , 
Likeneis. * — , effenheid. Evenness, 
Smoothness' *—, Straightness, zie Gelijk. 

Ge ijkhoekig, bv. E qui ar. gul ar . 

Gelijkjarig, bv. Of the same age. 

Gelijkluidend, bv. ^g. Of the same tenor , 
Similar. 

Gelijkluidendheid, Gelijkluiding , vr. 
Similarity. 

Gelijkmaakster , vr. , zie Gelijkmaker. 

Gelijkmaker, m. Leveller. 

Gelijkmakmg, vr. Levelling. 

Gelijkmatig, bv. Of the same measure. 
Equal. * — , bw. Equally. 

Gelijkmaiigheid , vr. Being of the same 
measure. Equality. ' 

Gelijkmoedig, bv. Equanimous. * — , 
bw. Equanimously, 

Gelijkmoedigheid , vr. Equanimity. 

Geljjknamig, bv. in de spraakk. , Ho- 
monymous. 
Gelijknamigheid, vr. Homonymy. 
Gelijkslachtig, bv. Ilcmo^en'eoits , Ho- 
mogenfal. * — , in de spraakk. , Of (lie 
same gender. Epicene. 
Gclijkslacluigheid, vr. Homogeneity, 
Homogenialness , Ilomogeneottsvess. *— , 
Being of the same gender. 
Gelijkstaiiig, bv. Of the same size or 

form. 
Gelijkstandig, bv. Of the same rank ^ 
station or state. 

Gclijkstatig, bv. , zie Gelijkslachtig in 
de 1. beteck. 

Gelijktijdig, bv. Cotemporary, Comtem- 
porary, Of the same time. *— , bw. At 
the same time. 



256 



GELIJ 



Gelijktijdigbeid, vr. Being contemporary. 

Gelijkvoumig , hv. Uniform. * — , g«-"lijli, 
Similar, * — , bw. Uniformly. * — , 
Similarly. 

Gelijkvorrnigheid, vr. Uniformity. * — , 
Similarity. 

Gelijkwaai'dig, bv. Ecfuivalent. 

Gelijkwaardigheid , vr. Equivalence. 

Gelijkzijdig , bv. Equilat&ral , Equal- 
sided. 

Gelijkzijdigheid, vr. Being equilateral. 

Gelijkzinnig, bv. in de spraakk. Synony- 
mous^ Gelijkzinnige woorden, Syuonyma, 
SynonyrKes. 

Gelijkziunigheid, vr. Synonymy. 

Gelik , o. Lickings zie LikUen. 

Gellecje, o. a!s: leraand toe ceii — ma- 
ken , to Mnke a laughing-stock of one. 

Gellig, zie Gallig. 

Gelling, vr. Fimhle-hemp (verbascerd 
van: Female hemp^. 

Geloei, o. Leaving, zie Loeijen. 

Geloer, o., zie Locren. 

Gelofte^ vr. P^'ow. 

Gelogen, v. dw. , zie Licgen. 

Geloken , v, dw. , zie Luiken. 

Gelol , o. Wauling , Caterwauling , zie 
Lollen. 

Gelonk, o. Ogling, 

Geloof, o. Belief; Aan Jets — slaan of 
hechcen, to Give credit to a thing; fig. 
lets op goed — verkoopen , to Sell a 
thing upon trust. *-— , in de Chr. godsd. , 
Faith; Standvastig in hec — , Stead- 
fast or Firm in one''s faith. * — , stelsel 
van godsdienstige geloofsbegrippen , 
Faith, Belief, System of belief. * — , 
geloofsleus der apostelen. Creed; De 
twaalf arcikelen des gcloofs , The 
apostles'' creed, 

Geloofbaar, bv. Believable, Credible. 
* — , bw. Credibly. 

Geloofbaarheid , vr. Credibleness , Cre- 
dibility. 

Geloofd , v. dw. , zie Gelooven en Lo- 
ven. ' 

Geloofelijk, bv. Credible. * — , bv/. 
Credibly. 

Geloofelijklieid, vr. Credibleness, Cre- 
dibility. 

Geloofsarcikel, o. Article of the creed. 

Geloofsbelijdenis , vr. C^^nfession of faith. 

Geloofsbroeder, m. , zie Geloofsgenoot. 

Celoofsdwang, m. Persecution for the 
sake of faith. 

Geloofsgenoot, m. en vr. One of the same 
belief or religion, Fellow-bciiever. 



GELO 

Geloofsgeschil, o. Dispute about one'',- 
faith, 

Geloofsleer, vr. Doctrine of faith. 

Geloofsleus , vr. Creed. 

Geloofspuin, o. Article of the faith, 
Point of faith, 

Geloofsstuk, zie Geloofspunc, 

Geloofsteeken , o. T/ken ofone''s faith. 

Geloofstwisc , ra. Dispute about one''s 
faith. 

Geloofszaak, vr^ Matter of faith. 

Ge'toofwaardig , zie Geloofbaar. 

Geloofwaardigheid , zie Geloofbaar- 
heid. 

Geloop, o. Running., zie Loopen. 

Geloove, zie Gcloof. 

Gelooven, b. w. to Believe , Credit, to 
Add faith to , to Give credit to. * — , 
voor waarschijnlijk hoiiden , to Believe , 
Think; jlig. Hij zal er aan moeten — , 
lie will be obliged to submit to it- 

Geloovig, bv. Faithful, *— , zie Ligt- 
geloovig. 

Geloovige , m. en vr. True believer. 

,Geloovigheid, vr. , zie Ligcgeloovig- 

' lieid. 

Gelt, bv. zie Gust. ♦ — , van de zaad- 
huisjes der bloeujen, Sterile. 

Geletsnoek, m. Male pike, 

Gekyarken , o. Male swine not gelt. 

Geiui , o. Sounding of bells, 

Geluid , o. Sound; Een sterk — , A 
noise. 

Geluidbreker , m. Board that breaks the 
sound. *— , Sordet, Sordine. 

Gelviijer, o. Idling. 

Gekik, o. fortain , Fortune, * — , coe- 
val, Chance; Bij — -) By chance, Ac- 
cidentally; Met is meer — dan wijs- 
heid, /; is more by chance, than by 
direction. * — , voorspoed , Happiness. 
* — t goede nitslag. Good luck. Suc- 
cess ; — op uwe reis, / wish you a 
prosperous journey or voyage. * — , ge- 
nocgen. Happiness; Wanneer zal iic het 
— hebben , u te zien?, When shall I 
have the happiness (or : be so happy asy 
to see you? ; lemand — wenschen, to 
Congratulate one; Ik wensch u — met 
uwe verjaring, / wish you a happy 
b irthday. 

Gelukken , o. w. met Zijn, met den 3. 
pers. , als: Die onderneraing is mij ge- 
lukt , / have succeeded in that under- 
taking, 

Gelnkkig, bv. Happy. * — , door het 
gehik begnnitigd , Lucky, Fortunate ^ 



^Tn'tperous. • — , 



GELU 

Viperous. •— , (Gelukkij^lijk,^ bw. 

-Happily. *— , Luckily^ Fortunately^ 
Prosperously. 

Geluksgodin", vr. in de fabell. , Fortune, 

Gelukskind , o. Favourite of fortune. 

Gclukwensch, m, , Geliikwcnschen, o. 
Congratulation , Felicitation , Gratu- 
lation, 

Gelukwenscher , m. Congratulator. 

GelukAvensching*, vr. , zie Gelukwensch. 

Gelukzalig, bv. Blessed^ Happy. * — , 
bw. Happily. 

Gelukzaligheid, vr. Beatitude ^ Blessed- 
ness , Bliss , Happiness. 

Gelnkzeg:ger, m. , Gelukzegster, vr. One 
(hat predicts happiness , Fortune-teller. 

Gelukzoeker, m., Gelukzoeksier , vr. 
Adventurer. 

Gelusten, o. w. met Ilebben , met deu 
onbep. 3. pers. , als : Hec gelust raij , 
/ please , / am pleased. 

Getnaakc , (v. dw., zie Maken.) * — , 
bv. gedwongen, Affected. * — , ge- 
veinsd. Feigned, Counterfeit. * — ,na- 
gemaakt, Artificial. * — , bw. Affect- 
edly. * — , Feignedly. 

Getnaaktheid, vr. Affectation.* — , Dis- 
simulation. 

Geraaal, m. Consort^ Spouse^ Husband. 

Gemaal, o. Grinding; fig. Teasing.*—, 
het geraalene , als: De impost op hec 
— , The tax upon all that is ground. 

* — , de belasting zelve , als: Gaarder 
vail het — , Collector or Gatherer of 
tlie tax upon meal , etc. 

Gemaauvv,o. Mewing. 

Gemacbc , o. voornamelijk van mannen, 
Genitals, pi, 

Gemachtbeen, zie Schaambeen. 

Geraagtigde , m. Deputy, Commissary, 
Proxy, Agent. 

Gemak, o. Ease, Commodiousness ; Lees 
die bock op 11 w — , Read this book at 
your leisure; Betanl mij op uw — , Pay 
me when it is convenient to you; Neera 
u w — , Sit down ; Al met — .' , Softly ! , 
Don^t be in a hurry 1 * — , wooiikamer, 
Room; Geheim — , Privy, Necessary 
house, 

Geraakkelijk, bv. die van gemak houdt, 
Easy. * — , vriendelijk, Jl'^/Z'/tf. * — , 
geniak verschaffende , Easy , Commo- 
dious , Comfortable. * — , ligt te docn , 
Easy, li Nit difficult, *—, bw. Easily, 

* — , Com for tabiiy. 
Gema'<kclijkhcid , vr. Easiness. * — , 

IIOLL. ENG. WBK. 



CKMA 



257 



Affability. * — , Commodiousness. • — , 
Facility. 

Gemal, o. Sport, Fun. 

Gemalin , vr. Spouse, Consort, PTije , 
Lady, 

Gemanierd , bv. ff^ell-bred. 

Gemanierdheid, vr. Good-breeding, 
Breeding. 

Gemanteld, bv. , zie Eef. 

Gemartel, o. Tormenting , xie M^rte- 
len. 

Gemaskerd, (v. dw. , zie Maskeren.) 
♦— , bv. Masked; — bal , Masque- 
rade. 

Gcmatigd, (v. dw. zie Macigen.)*— , 
bv. Moderate. * — , in de aardnjksk. , 
als: Geraaiigde luchtstreek, Temperate 
zone. * — , bw. Moderately. 

Gematigdheid , \x. Moderateness, Mode- 
ration. 

Gembcr , vr. Ginger. 

Gemberachcig, bv. Like ginger. 

iiemberbier, o. Ginger-beer. 

Gemberdoos . vr. Ginger-box. 

Gemberflesch, vr. Ginger-bottle, 

Gemberolie, vr. Ginger-oil. 

Gcmberpoc, m. Ginger-pot. 

Gemeden, v. dw., zie Mijden. 

Gemeen , bv. dac aai? nicer dan 66n' bc- 
hoorc , Common; fig. lets met iemand 
— hebben, to Have a thing in common 
with one; fig. gemcenzaam. Familiar; 
Zich met iemand — maken, to Make 
cne^s self fimilar with one. • — , dat 
aan alien hc\\oori,^ Common, Public; 
fig. lets doitr den druk — maken, to 
Publish,, to Commit to the press. •— , 
niet schaarsch, Common y Abundant. 

* — , gewoon , Common. * — , goring, 
laag , f^ulgar , Low, Mean; Gemcene 
lieden, Dc gcmecne man. Common 
people , The vulgar. * — , slecht , Mean , 
Scanty; Esn gemcene kcrcl , A mean 
fellow; Een — huis , A scanty house. 

* — , bw. Commonly; fig. Familiarly. 

* — , Meanly. ♦ — , o. Fulgar, Mob, 
Populace. 

Gcraeenebest, 0. Republic, Common- 
wealth. 

Gemeenebestelijk , bv. Republican. 

Gcmeenebesigezindc , m. en vr. Ri publi- 
can. 

Gemeenlijkj bw. Commonly, U>ually. 

Gemeenmaking, vr. Publishing. 

Gcmeeuschap , vr. Community. * — , vao 
goederen , Community of possesions. *—, 



258 



GEME 



overeenkomst , Covnexion , Resemblance, 

Relation. * — , verkeeriiig, Intercourse , 

Commerce , Conversation , Familiarity. 
Gemeenschappelijk, bv. Common. *— , 

bw. Of one accord. 
Geineenslachtig , bv. in de spraakk. , 

Common. 
Gemeenslachtigheid, vr. Common gender, 
Gemeenslieden , m. meerv. , zie Gemeeus- 

tnan. 
Gemeensman, m. (meerv. Gemeensman- 

nen, en Gemeenslieden, )iude Rom. ges., 

Tribune. 

Gemeence, vr. gezamen)ijke burgers eener 
plaats, Commonalty; Iluisdcr— , Com- 
monalty-house. * — , in Eiigel. : De ge- 
meenccn , The commons; Het huis der 
gemeenten , The house of commons.*— .^ 
gezameulijke leden eencr kerkelijke gc- 
zindheid op eene plaacs, Community. 
♦ — , de gemeenlijke toehoorders eener 
kerkelijke leerrede , Congregation^ Meet- 
ing. * — , ineente , Common. * — , ge- 
bied van een' burgenieester , Commune, 
zie ook Sraal. 

Gemeentebestuur, o. Magistrates ^ pi. 

Gemeenceraad , m. Common council, * — , 
Common counsellor. 

Gemeeiuewci, vr. Common. 

Gemeenzaam, bv. Familiar. ♦ — , vrien- 
delijk jegens minderen , Aff'able , Con- 
descending. * — , bw. Familiarly. * — , 
Affably. 

Geraeenzaamlieid, vr. Familiarity. * — , 
Affability , Condescension. 

Gemeenzaamljjk, zie Geii;cenzaam , bw. 

Gemeet, o. measuring. 

Gemeeuw, zie Geraaauw. 

Gemegen, v. dw. , zie Mijgen. 

Gemelijk, bv. Peevish., Cross, Moro